Google
This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for
personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the
use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at|http: //books. google .com/l
Google
Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op
automaüsch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe-
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien
hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via|http: //books .google .coml
1A919
JOHANNES a LASCO.
BIJDRAGE
Hervoriiiingsgeschiedenis van Polen, van
Duitschland en van Engeland,
HERMAN DALTON.
UIT HET HOOODÜlTSCII VERTAAL»
P. C. TAN 008TKIIZEK,
r-iii:piiiAST TK F.NSCiirof-
OTBECUT.
KEMINK & ZOüN.
18S5,
iriUi
1
I
I
t
I
f
JOHANNES a LASGO.
BIJDRAGE
TOT DB
tfervormingsgeschiedeiiis van Polen, van
Duitschland en van Engeland,
DOOB
.*v
HERMAN DALTON.
1
UIT HET HOOGDUITSCH VERTAALD
BOOB
P. C. VAN OOSTEBZEE,
PREDIKANT TB ENSCHEDÉ.
♦ *■
tTTBSCHT,
KëMINK & ZOON.
1885.
4^ A
• •
EEN WOORD DER REDACTIE.
Laier dan de Redactie bedoelde en uitgevers en Vertaler
wenschten^ komt Dalton' s Levensbeschrijving van a Lasco,
in het Nederlandsch overgezet^ den Inteekenaren op de God-
geleerde Büfliotheek in handen. Dat zij het zich in handen
gegeven zien is in de eerste plaats , door dat de Redactie
meende, a Lasco's biografie, door Dalton bewerkt, niet te
mogen laten buiten de reeks , waaruit de genoemde Bibliotheek
bestaat. Had de geachte Vertaler niet te gelijker tijd ander,
niet minder spoed vereischend , werk te verrichten gehad , en
UHis Dalton's hoogduitsch gemakkelijker in onze taal over-
tebrengen geweest, hij zou zonder twijfel eerder gereed zijn
gekomen met zijn arbeid. Oponthoud gaf ook het vergelijken,
zooveel mogelijk, van de Latijnsche geschriften, waaruit
Dalton hier en daar plaatsen had overgezet. Het werd toch
beter geacht ze niet uit de hoogduitsche overzetting, maar
uit het oorspronkelijke te vertalen. Met goedvinden der Re-
dactie heeft de Vertaler de levensbeschrijving in de tweede
helft een weinig bekort, door namelijk, vooral tegen het
einde, enkele bijzonderheden van meer ondergeschikt belang,
die hetzij in den tekst, hetzij in de Aanteekeningen voor-
kwamen y achterwege te laten. Daarentegen heeft hij nu en
o
66770
dan in eene Aanteekening aan den voet der bladzijden iets
bijgevoegd of gewijzigd, waar hij dit voegzaam of wensche-
lijk achtte. Vgl. bijv. bL 389, 394, 433, 435, 436, 441 ,
448, 458, 477, 528, 544, 545 en de toevoegsels', op de
beide Umtste bladzijden.
Wat nog het^ oorspronkelijk werk van Dalton betreft, de
auteur heeft het opgedragen aan onzen landgenoot Dr A,
Kuyper, ,,dem hochverdienten Herausgeber der Gesamtwerke
Laskis'' Door de bekende uitgaaf van a Lasco's ,,Opera
lam^.edita quant inedita' ü Dalton, bij zijne levensbeschrij-
ving, niet weinig in de hand gewerkt.
INHOUD.
I.
Johannes a Lasco als Katholiek Ia z^n
geboorteland.
Bladz.
1. De Geboortegrond en zijne Bewoners 3.
Polen in de zestiende eeuw, 4. — Het koninklijke
geslacht der Jagello^s ,5. — De yerschillende elemen-
ten des volks, 7. — Het godsdienstige leven, 11. —
De Hussietische beweging, 17.
2. Afkomst en Jeugd 23.
De stad Lask , 24. — Sagen betreffende de familie
Laski, 28; historische berichten aangaande haar,
29. — De eerste levensjaren van Johannes a Lasco ,
32. — Zijn oom te Erakau, als aartsbisschop van
Qnesen, 36. — Erakau in de zestiende eeuw. 39. —
De opvoeding aldaar, 41.
3. De eerste studiereis in het Buitenland:
a) Te Rome 57.
Het Lateraansche concilie , 57. — Rome en zijne
wetenschappelijke inrichtingen omstreeks dien tijd, 63.
b) Te Bologna 66.
De Poolsche studiemakkers, 69. — Hunne hoise*
lyke inrichting , 70. — De theologische studiën aan
de hoogeschool ,76. — Johannes a Lasco geëxcom-
moniceerd, 86,
VI
Bladz.
4. Weder in het Vaderland 88.
De eerste treden op de ladder van kerkelijke waar-
digheden , 90. — Voorteekenen der Hervorming ook
in Polen, 94. — Yij andschap tegen den aartsbis-
schop van Gnesen, 97.
5. De tweede studiereis in het Buitenland 102.
a) Eerste verblijf te Bazel 105.
De drie gebroeders Laski op reis in het bui-
tenland, 105. — Te Bazel bij Erasmus, 106. —
Kennismaking van Johannes met Farel , 107.
b) Te Parijs 110.
Reformatorische stroomingen in Parijs en omstre-
ken, 111. — Bri^onnet enFaber Stapulensis, 112. —
Margareta van Yalois, 114. — Laski komt met haar
in aanraking, 116.
c) Het tweede verblijf te Bazel 117.
Bazel in de eeuw der Hervorming, 117. — Aan-
zienlijke boekdrukkers aldaar, 119. — Erasmus aan
de spits der humaniteitsf studiën te Bazel, 120. —
Laski neemt zijnen intrek bij Erasmus, 126. —
Innige hoogachting en vriendschap der beide man-
nen jegens elkander, 127. — Laski's omgang met
Amerbach, 132; met Oecolampadius, 134; met Pel-
licanus, 135; met Beatus Rhenanus , 136; met Gla-
reanus, 138.
d) De terugreis over Italië 140.
Haastig vertrek uit Bazel, 140. — Verblijf te
Venetië, 142. — Laski's broeder, Stanislaus, deelt
de gevangenschap van Frans I te Madrid, 143. —
Het leven te Venetië, 144.
6. Het laatste tiental jaren als Katholiek in het Vaderland:
a) Moeielijke ervaringen te huis 148.
Voortgezet verkeer met de vrienden in het bui-
tenland, 148. — Verdenking tegen Laski's recht-
geloovigheid , 151. — Zijn zuiveringseed, 156.
b) Laski's werkzaamheid op staatkundig gebied. 158.
Twisten over de troonopvolging in Hongarije na
den dood van koning Lodewijk, 160. — Hieronymus
a Lasco kiest partij voor den troon-pretendent Za-
polya, 162. — Zijne gezantschapsreizen in het be-
VII
Bladz.
lang van den Pretendent, 163. — Ook naar sultan
Soliman, te Eonstantinopel , 163. — Hieronymus
yalt in ongenade bij Zapolya, en wordt in den
kerker geworpen, 167. — Johannes Laski wordt
benoemd tot bisschop van Yesprim, 167. — Zijne
pogingen tot bevrgding van zijnen broeder, 167.
c) Laski's werkzaamheid op kerkelijk gebied. . 170.
Uitbreiding van de reformatorische beweging in
Polen, 171. — Ongeschikte middelen daartegen,
171. — De synode te Leczyc, 177. — Ontevredene
stemming van Laski, 180. — Zijne studiën, 181.
d) De scheiding van Kerk en Vaderland . . . 186.
Overlijden van den aartsbisschop van Gnesen,
187.' — De innerlijke klove tusschen Laski en de
Kerk wordt grooter, 190. — Ongegrondheid van het
gerucht, alsof hij persoonlijk zou hebben deelgeno-
men aan de totstandkoming van de Wittenbergsche
Concordie, 192. — Zijne benoeming tot Archidia-
conus van Warschau, 194. — De houding des Ko-^
nings ten zijnen aanzien, 195. — Laski's afscheid
van Kerk en Vaderland, 196.
n.
Johannes a Laseo als Protestant in Duitschland
en Engeland.
7. De omzwerving in den Vreemde 201.
Toestand der Reformatie in Duitschland omstreeks
dien tijd , 202. — Laski te Frankfort aan de Main ,
208; te Mainz, 210; in de Nederlanden, 213. —
Leven en streven aan de hoogeschool te Leuven,
215. — ProtestantBche kringen aldaar, 220. — Laski's
huwelijk, 224. — Zgn vertrek uit het land, 225,
VIII
inadz.
8. In Oost-Friesland 229.
De toestand van Oost-Friesland op staatkundig
en godsdienstig gebied in de eeuw der Hervorming.
a) De tijd van afwachting 237.
Emden, 238. — Het leven van Laski aldaar,
239. — Hij dringt er bij zijnen vriend Hardenberg op
aan, dat deze het klooster zal verlaten, 243. —
Beis naar Polen ; Laski aan het sterfbed van zijnen
broeder, 247. — Laski begint zich in Oost-Friesland
meer en meer te huis te gevoelen, 252. — Zyne be-
noeming tot Superintendent van Oost-Friesland, 254.
b) De arbeid met het zwaard in de hand. . . . 255.
Laski's strijd met de Katholieken in den lande,
256. — Zijn strijd tegen de Wederdoopers , 263;
tegen David Joris en zijne sekte, 267; tegen de
Mennonieten, 271.
c) De arbeid met den troffel in de hand. . . • 277.
Krachtig optreden tegen de wanorde op het ge-
bied van het kerkelijke leven in Oost-Friesland,
277. — De invoering van de kerkelijke tucht, 280. —
De „coetus ," 283. — De Leer der kerken van Oost-
Friesland, 286. — Het schoolwezen, 293. — De
Catechismus , 296. — Laski's tegenstanders bij zijne
reformatorische ondernemingen, 300.
d) De Hervormer in zijn private leven in Oost-
Friesland 309.
Zijne familie , 309. — Aankoop van de landhoeve
Abbingwehr, 312. — Laski's vergenoegzaamheid en
milddadigheid, 314. — De godsdienstige grondtrek
van zijn karakter, 315. — Zijn oordeel over som-
mige uitstekende persoonlijkheden (over Luther, Me-
lanchthon enz.), 317. — Zijne betrekking tot den
keurvorst Herman von Wied, 322. — Op den rijks-
dag te Worms, 325. — Zendschrijven van Laski
over het heilig Avondmaal, 327.
e) Het Interim en zijn invloed op Laski's lot. . 330.
De Smalkaldische oorlog, 331. — De rijksdag
te Augsburg en het Interim, 333. — De werking
van het Interim op Oost-Friesland, 334. — De hof-
partij wil toegeven, maar Laski verzet zich daar-
IX
Bladz.
tegen, 339. — Gisting in Duitschland, 341. — Reis
van Laski naar Koningsbergen, 342; zijne onderhan-
delingen met hertog Albrecht van Pruisen, 344. —
Naar Oost-Friesland teruggekeerd, neemt Laski al-
daar zijn afscheid, 350. — Tijd van afwachting te
hremen en te Hamburg, 353.
9. In Engeland 356.
Het verschillende uitgangspunt der Hervorming
in Engeland en in Duitschland, 356. — Hendrik YIU
in zijnen strijd tegen den Paus, 358. — Aartsbis-
schop Cranmer, 360. — Eduard VI, 361. — Voort-
gang der Hervorming, 363.
a) Eerste verblijf in Engeland 367.
De kring van gasten bij den Aartsbisschop, 368. —
De invloed van Laski op Cranmer, 370. — Laski's
vrienden en bekenden, 375.
b) Tweede verblijf in Engeland:
L VESTIGING IN LONDEN, EN WERKZAAMHEID OP
KERKELIJK GEBIED ALDAAR 377.
Laski wordt Superintendent der Protestantsche
vreemdelingen te Londen, 379. — Het geschenk van
het Augustijner-klooster („Austin Friars'') aan de
vreemdeling-gemeente ten behoeve van hare gods-
dienstige bijeenkomsten, 380. — Laski's woning te
Londen, 382. — De zweetkoorts („het Engelsche
zweet"; in 1551: 383. — Overlijden van Laski's
echtgenoote , 384. — De tot-één- vergadering en or-
ganiseering van de gemeente, 387. — De Londen-
sche geloofsbelijdenis, 389. — De Profetie, 393. —
De verhandeling over de Sacramenten, 394. — De
invloed van Laski op de Engelsche kerk, en zijne
houding in de kwestie met Hooper over het ambts-
gewaad, 399. — Laski wordt benoemd tot lid der
Commissie voor de opstelling van een Kerkrecht, 405.
IL WERKZAAMHEID OP STAATKUNDIG GEBIED IN
LONDEN 409.
De Vorstenbond, 410. — Laski u als gevolmach-
tigde van den Bond aan het Engelsche hof werk-
Bladz.
zaam, 411. — Hij stelt de Memorie op, welke aan
den Koning zal worden voorgelegd, 415. — Po-
gingen van Cranmer tot het doen bijeenkomen van
een algemeen Protestantsch concilie, 421.
III. DE YBEEMDELINO-OEMEENTE IN LOlTDEir. . . 422.
Laski's geschrift onder den titel: ,,Forma ac
ratio,'' 423. — De godsdienstoefening in den Jezus-
tempel, 424. — Het Avondmaal, 430. — De Doop,
436. — De Huwelijksinzegening, 437. — De Pro-
fetie, 440. — De gemeente-inrichting, 443. — De
keuze van eenen herder en leeraar, 445. — Ver-
kiezing van ouderlingen en diakenen, 450. — Ker-
kelijke tucht, 455. — De „coetus," 463. — Moeie-
lijkheden bij de tenuitvoerbrenging van het bouw-
plan, 467.
IV. DE VERBANiriNO UIT ENGELAND 469.
De bloedige Maria, 469. — Vervolging van de
Protestanten, 470. — Sporen van Laski's werk-
zaamheid in de Engelsche kerk, 475. — Koningin
Ëlisabeth, 478. — Laski richt een zendschrijven
aan haar, 479. — Koningin Ëlisabeth volgt eenen
anderen raad, 483.
10. Omzwervingen in de verbanning , en terugreis naar het
vadei'land :
a) Het martelaarschap der vreemdeling-ge-
meente in Denemarken en Noord-Duitsch-
land 485.
Stormachtige reis naar Denemarken, 486. — Ont-
vangst bij Christiaan III , 487. — Verdrijving van
de vreemdeling-gemeente uit Kopenhagen, 490. —
Hun wedervaren te Rostock en te Wismar, 494;
te Lubeck en te Hamburg, 497.
b) Het asyl te Ëmden 499.
De herberg in Oost-Friesland, 500. — Toene-
mende ontwikkeling van handel en vertier, 504. —
Oorzaak der vervolging allerwegen, 505. — Het
noodlottige optreden van Westphal, 508. — De
werking daarvan laat zich ook in Oost- Friesland
XI
Bladz.
bespeuren, 511. — De hofpartij te Emden, 514. —
Laski verlaat het land, 515.
Op weg naar het vaderland 516.
De vluchteling-gemeente te Wezel, 518. — Laski
te Frankfort aan de Main, 521. — De kerkelijke
toestanden aldaar, 522. — Overblijfselen der Lon-
densche gemeente vinden hier een ontwijk, 525. —
Westphal laat hun ook hier geene rust, 531. —
Laski hun verdediger, 533. — De twisten in de
gemeente zelve, 536. — Werkzaamheid van Calvijn
te Frankfort, 538. — Het godsdienstgesprek van
Laski met Brenz te Stuttgart, 542. — Vertrek
uit Frankfort , 548. — Ontmoeting tusschen Laski
en Melanchthon te Wittenberg, 549.
m.
Johannes a Lasco als Protestant In z^n
Taderland.
11. Voortgang der Hervorming in Polen 555.
Toestanden in het vaderland, gedurende de laatste
levensjaren van koning Sigismund, 556. — Koning
Sigismund August, 557. — De Hervorming onder
den Adel en in de steden, 558. — Machteloosheid
der Boomsche geestelijkheid, 559. — De Evan-
gelisch-gezinde vereeniging te Krakau, 563. — De
Italianen in Polen, 564. — De Boheemsche broe-
ders, 567. — De steeds klimmende eischen der
Protestanten op de rgksdagen, 571. — De pause-
l^ke legaat Lippomani, 574. — Het verlangen naar
Laski's terugkeer, 574.
XII
Bladz.
12. De medewerking van Laski in zijn vaderland aan de
Hervorming van Polen 580.
Laski's ontvangst in zijn vaderland, 580. — De
Roomsche partij neemt hare maatregelen tegen hem ,
582. — De oude Protestantsche tegenstanders tre-
den ook hier tegen hem op, 583. — Vergerius,
in hunnen dienst werkzaam, 584. — Laski schrijft
aan den Koning , 588 ; en begeeft zich daarop naar
het hof des Konings te Wilna, 590. — Zijn ver-
blijf aldaar, ten huize van vorst Radziwil, 591. —
Ontmoeting met Evangelische vluchtelingen uit
Rusland, 593. — Laski's werkzaamheid in Klein-
Polen, 594. — Het losser worden van de verbin-
tenis met de Boheemsche broeders, 600. — De over-
zetting van den Bijbel in de Poolsche taal, 601. —
De innerlijke ontwikkeling van het kerkelijk orga-
nisme, 603. — De oprichting van Evangelische
scholen, 603. — De kerkelijke tucht, 604. — Reizen
van Laski in Polen, 606. — Zijne poging te Ko-
ningsbergen tot het sluiten van eene overeenkomst
tusschen Hervormden en Lutherschen, 607. — Het
mislukken van zijne pogingen in G-root-Polen door
de verdachtmakingen van de zijde zijner Luther-
sche tegenstanders , welke door Hosius worden ge-
ëxploiteerd, 609. — Laski's strijdschrift tegen
Hosius en Westphal, 611. — De laatste worste-
lingen tegen de Antitrinitariërs , 616. — De na-
dering van Laski's einde, 620. — Sterven en ter-
aardebestelling, 622. — De achtergeblevene familie,
626. — Het verdrag van Sendomir in den jare
1570: 627.
VOLLEDIGE OPGAVE VAN DE TITELS
DER
op ie Tolfenie lilalzijien slecbts aameiniie Bronnen.
Adam, Decades duae. Francofiirti ad Moenum, 1653.
Anecdota Brentiana. Tubingen, 1868.
Anna Is of the reformation of religiën bij John Strype. Lon-
den, 1735.
Archiv f&r Frankfurts Geschichte und Kunst. Herausg. ven
dem Yerein for Geschichte nnd Altertnmskunde zu Frankfurt
am Main, 1860 ff.
Barclay, The inner lite of the religions societies of the com-
monwealth. Londen, 1879.
Dartels, Johannes a Lasco. Elberfeld, 1860.
Dartels (I), Abriss einer Geschichte des Schnlwesens in Ost-
friesland. Anrich, 1870.
Daum, Capito und Butzer. Elberf., 1860.
Benrath, Bemardino Ochino. Leipzig, 1875.
Berger, La bible au XVIe siècle. Paris, 1879.
Bert ram, Historia critica Joh. a Lasco. Aurich, 1733.
Beyschlag, Earl Immanuel Nitzsch. Berlin, 1872.
Bibliotheca Warszawska. Warszawa, 1872.
Boeking, Ulrichi Hntteni opera. Lipsiae, 1859 sqq.
Böhmer, Bibliotheca Wiffeniana. Londini, 1874.
Doos, Thomas und> Felix Platter. Zur Sittengeschichte des
sechzehnten Jahrhnnderts. Leipzig, 1878.
XIV
Brandes, John Knox. Elberf., 1862.
Bucholtz, G-eschichte der Regierung Ferdinands I. Wien, 1831 ff.
Burn, History of the foreign protestant refugees settled in Eng-
land. London, 1846.
Burnet, The history of the reformation of the Church of England.
Lond. (z. j.).
Calendar of State papers of the reign of EdwardYI. Lond., 1861.
Cal vin i Opera, in het ,, Corpus Reformatorum''. Bronsvigae,
1863 sqq.
Campan, Mémoires de Franzisco de Enzinas. Bruxelles, 1862.
Care, Q^schichte Polens, in ,, G-eschichte der europ&ischen Staa-
ten'' van Heeren en Ukert. Gotha, 1863 ff.
Chronik der Evangelischen Gemeinde zu Erakau, door Ad.
Wengierski. Breslau, 1880.
Collectio magna historiarum Poioniae scriptorum. Warsaviae,
1761.
Cornelius, Der Anteil Ostfrieslands an der Reformation bis
zum Jahre 1535. (Als manuscript gedrukt , z. pi. en j.).
Cranmer, Miscellaneous writings. Cambridge. 1846.
C romer, Polonia sive de origine en rebus gestis Polonorum.
Coloniae, 1594.
Czekanowski, De corruptis moribus utriusque partis catholi-
corum videlicet et haereticorum. (Z. pi. en j.)
Czerwenka, Geschichte der evangelischen Kirche in Böhmen.
Bielefeld, 1870.
Dalton, Gesch. der reform. Kirche in Russland. Gotha, 1865.
De Wette, Luthers Briefe und Sendschreiben. Berl. , 1827.
Dorner, Geschichte d. protestantischen Theologie. München, 1867.
Dom er (I), Entwickelungsgeschichte der Lehre von der Persen
Christi. Berl., 1858.
Ebrard, Das Dogma vom heil. Abendmahl. Frankf. a. M. , 1845.
Eichhorn, Stanislaus Hosius. Mainz, 1854.
Emmius, Rorum Frisicarum historia. Lugduni Batav. , 1616.
Erasmus, Epistolarum libri XXX L Londini, 1642.
Erbkam, Geschichte der protestantischen Sekten. Hamburg. 1848.
Essenwein, Die mittelalterlichen Kunstdenkmale der Stadt
Erakau. Leipz. , 1869.
XT
Feckner, Ckronik d. eTmng. ChMneinde in Moekau. Moskau, 1876.
Feagère, Erasme. Etude sur sa Tie el ses ouTrages. Paris,
1874.
Fontes remm anstriaeamm. Wieo, 1859.
Foxe, Tlie aets and monnments. Lond., 1877.
FreseniuB, Kirehengeschiehte Ton denen Reformierten in Frank-
Inrt am Main. Frankfl, 1751.
Freytag, Bilder ans der deatsehen Yergangenheit. Leipi., 1867.
Friese, Kirekengesch. des Konigreichs Polen. Breslau, 1786.
Froude, Historj of fingland. Lond., 1870.
Gabbema, Epistolanim centoriae tres. Harlingae, 1663.
G er de 8, Introdoctio in bist. E vang. secul. XYI renovati. Gro-
ningae, 1744.
Gindeiy, GFesckicbte der bobmiscken Brüder. Prag, 1861.
Graf, Jakobus Faber Stapulensis, in het „ZeitsohrifI; für histo-
rische Theologie", 1852.
Gratiani, La vie du cardinal Comendoni, trad. par Fléohier.
Paris, 1671.
Grindal, The remains of — . Cambr. , 1843.
Grote, Bartholomans Sastrow. Halle, 1860.
Haag, La France protestante. Par., 1850.
Hammer, Gesch. des osmanischen Reiches. Pest, 1834.
Har boe, Nachrichten von den Schicksalen des Johannes a Lasco.
Kopenhagen, 1758.
Hardt, Acta conciliomm. Parisiis, 1714.
Hardwick, Hist. of the articles of religiën. Lond. , 1876.
Hardwick (I), Hist. of the christian chnrch during the refor-
mation. Cambr., 1865.
Hartknoch, Preussische Kirchenhistorie. Leipz. , 1686.
Hartmann, Johann Brenz. Hamb. , 1840.
Ha se, Herzog Albrecht von Preussen und sein Hofprediger.
Leipz., 1879.
Hase (I), Eirchengeschichte. Leipz., 1877.
Herbarz Polski Kaspra Niesieckiego i wydany przez Jana Bo-
browicza. w Lipsku, 1839.
Heppe, Geschichte des deutschen Protestantismus , 1555 — 1581.
Marburg, 1853.
Herminjard, Correspondance des Reformateurs. Genève, 1866 sw.
XVI
Her zog, Real-Encyklopadie für protest. Theologie and Eirohe.
Stuttg., 1853 ff.
Heumann, Documenta litteraria. Altdorfii, 1758.
Hooper, Early and later writings. Cambr. , 1843.
Jablonski, Hist. consensus Sendomiriensis. Berolini, 1731.
Joch er, Obraz bibliograficzno-historyczny literaturi i nank w
Polsce. Wilno, 1840.
Kan si er, Briefweohsel zwischen Herzog Christoph von Würt-
temberg und P. F. Vergerins. Tüb., 1875.
Kautz, Praecipua ac publica rel. evang. in Polonia fata. Hamb. ,
1738.
Eawerau, Joh. Agricola von Eisleben. Berl. , 1881.
Kerkhistorisch archief, verzameld door Eist en Moll. Am-
sterdam, van Eempen [4 DD., 1857—66].
Eirchenzeitung, Reformierte — . Erlangen, 1854 ff.
Elopp, Geschichte Ostfrieslands. Hann., 1854.
Enight, London. Lond., 1841.
Kohier, Historische Münzbelustigung. Nürnberg, 1737.
Köstlin, Martin Lnther. Elberf., 1875.
Koppius, Yitae ac gesta abbatam Adwerdensiom. Gron. , 1850.
Kotlubaj, Galerja nieswiezska portretow Radziwillowskich. Wilno,
1857.
Krasinski, Historical sketch of the Reformation in Poland.
Lond., 1838.
Kriegk, Gesch. von Frankfurt am Main. Frankf., 1871.
Kugler: Christoph, Herzog zu Württemberg. Stuttg., 1872.
Kuyper, Joannis a Lasco opera tam edita quam inedita. Am-
stelodami, 1866. [2 Tom.]
Langenn: Moritz, Kurfiirst zu Sachsen. Leipz., 1841.
Lanz, Korrespondenz Kaisers Karl Y. Leipz., 1864.
Lauterbach, Ariano-Socinismus olim in Polonia. Lips. , 1725.
Lechler, Gesch. der Presbyterial- und Synodalverfassung seit
der Reformation. Leiden, 1854.
Lel e wel, Histoire de Pologne. Paris, 1844.
Lubienitzki, Hist. reformationis Polonicae. Freistadii, 1685.
Lukaszewicz, Gesch. der reform. Kirche in Litthauen. Leipz.,
1848.
XVII
Lathors Werke, Erlanger Ausgabe.
Mailath, G^eschichie der Magyaren. Wien , 1831.
Malcolm, Londinium rediyiYnm. Lond., 1803.
Malte-Bran, Tableau de la Pologne ancienne et moderne. Par.,
1830.
Maurenbrecher, Earl Y und die deatschen Protestanten, 1545
bis 1555. Düsseld., 1865.
May, Eurf&rst Albrecht von Mainz. München, 1875.
Meiners, Oostyrieslands kerkelijke geschiedenisse. Gron. , 1783.
Melanchthon, Opera, in het ,Corpas £eformatorum." Halis,
1834 sqq.
Merle d' Aubigné, Histoire de la Réformation en Europe au
temps de Calyin. Par., 1864.
Merle d' Aubigné (I), Hist. de la Béform. dn XYIe siècle.
Par., 1860.
Michelet, Histoire^ de France an XYIe siècle. Par., 1851.
Mönkeberg, Joachim \yestphal o. Joh. Calyin. Hamb. , 1865.
Mulder, Die Diakonie der Fremdlinge-Arinen. Emden. 1858.
Nippold, in het „ZeitschrifI; f&r hist. Theologie". Gotha, 1863.
Nitzsch, Urkundenbuch der evangel. Union. Bonn. 1853.
l^orthouk, A new history of Londen. Lond., 1773.
Original letters relative to the English reform. Cambr., 1846.
Pauli, Rilder aus Alt-England. Gotha, 1860.
Philaret, Gesch. der Eirche Russlands, übers. v. Dr. Blumen-
thal. Frankfl, 1872.
Planck, Gesch. unseres protest. Lehrbegriffs. Leipz., 1799 ff.
Pomniki, dziejowe Polski. Lwow, 1878.
Pr es 8 el, Justus Jonas. Elberf., 1862.
Procter, Hist. of the book of Common-Prayer. Lond., 1864.
Pafendorf, De rebus a Carolo Ghistavo gestis libri YII. No-
rimbergae, 1696.
Raczynski, Les médailles de Pologne. Berl., 1845.
Ram, Considérations sur F hist. de 1' univ. de Louvain. Brux. ,
1854.
Ranke, Deutsche Gesch. im Zeitalter der Réformation. Berl., 1852.
XVIII
Ranke (I), Englische Gesch., Yomehmlich im siebzehnten Jahrh.
Leipz. , 1877.
Ranke (II), Die römischen Papste im sechzehnten u. siebz. Jahrh.
Berl., 1838.
Raumer, Historisches Taschenbuch. Leipz.
Religionshandlungen, Frankfartische — . Frankf. , 1726.
Reuss, G-esch. der h. Schriften Neuen Test. Braunschw. , 1874.
Ridley, Works of — . Cambr., 1843.
Riggenbach, Das Chronikon des Konrad Pellikan. Bas., 1877.
Ritschl, G-esch. des Pietismus in der reform. Kirche. Bonn, 1880.
Ritter, Geschichte der Philosophie. Hamb., 1850.
Ritter (I), Evang. Denkmal der Stadt Frankfort. Frankf., 1726.
Ros co e, Leben u. Regierung des Papstes Leo X. Leipz., 1806.
Salig, Yollst. Historie der Augsb. Konfession. Halle, 1730.
Sa Y igny, Gesch. des römischen Rechts imMittelalter. Heidelb., 1816.
Schmidt, Peter Martyr Vermigli. Elberf., 1858.
Schmidt (I), Philipp Melanchthon. Elberf., 1861.
Schröder, Troisième jubilé séculaire de la fondation de V égl.
réformée firan^. de Francfort. Francf. , 1853.
Scrinium antiquarom. Groningae (s. a.).
S eis en, Gesch. der Reformation zn Heidelberg. Heidelb., 1846.
Sermons by Hugh Latimer. Cambr., 1844.
Sixt, Peter Paul Yergerius. Braunschw., 1871.
SI ei dan, Commentariorum de statu religionis libri XXYI. Fran-
cof., 1610.
Spiegel, Albert Rizaus H!ardenberg. Bremen, 1869.
Stahelin, Johann Carvin. Elberf., 1863.
Statorius. Funebris oratio in obitum Joh. a Lasco. Pinczoviae,
1560.
Steitz, Der lutherische Pradikant Hartmann Beyer. Frankf., 1852.
Stichart, Erasmus von Rotterdam. Leipz., 1870.
Stinzing, Ulrich Zasius. Bas., 1857.
Strauss, Ulrich von Hutten. Leipz., 1858.
Strype, Memorials of Thomas Cranmer. Lond., 1694.
Sudhoff, Olevianus und Ursinus. Elberf., 1857.
Sylvius, Oratio funebris in obitum Joh. a Lasco. Pincz. , 1560.
Tarnowski, Stanislawa Laskiego prace naukowe i dyplomatyczne.
Wilno, 1864.
XIX
Theiner , Yetera monomenta Poloniae et Lithuaniae. Romae, 1861.
Tomiciana acta. Epistolae, legationes, responsa, actiones,
res gestae ser. Princ. Sigismundi.
Trechsel, Die protest. Antitrinitarier vor Faustus Socinus.
Heidelb., 1839.
Two litargies, 1549 and 1552, set forth by authority in the
reign of king Edward YI. Cambr. , 1845.
Utenhovins, Simplex et fidelis narratio de institnta ac demum
dissipata in Anglia ecclesia. Bas., 1560.
Varrentrapp, Hermann von Wied and sein Reformationsversuch
in E51n. Leipz., 1878.
Yoigt, Gesch. Preussens, von den altesten Zeiten bis zum Un-
tergang der Herrschaft des Dentschen Ordens. Königsb. , 1838.
Wal e w ski: Jan Laski, reformator kosciola, in „Bibliotheca Wars-
zawska". Warszawa, 1872.
Weingarten, Die Revolutionskirchen Englands. Leipz., 1868.
Wengierski, Libri lY Slavoniae reformatae. Amstelod., 1679.
Wezyk, Constitutiones Synodorum metr. Eccl. Q-nesn. Prov.
Cracoviae, 1630.
Whitgift, Works of — . Cambr., 1853.
Wolters, Reformationsgosch. der Stadt Wesel. Bonn, 1868.
Woltmann, Holbein and seine Zeit. Leipz., 1866.
Zanchias, Epistolaram libri dao. Hannoviae, 1609.
Zeissberg, Johannes Laski n. sein Testament, in „Sitzangsbe-
richten der königl. Akademie der Wissenschaften.'^ Wien , 1874.
Zeissberg (I), Die Polnische Geschichtsschreibang des Mittel-
alters, in „Preisschriften der Jablonowskischen Gesellschaft in
Leipzig.^' Leipz., 1873.
Zeitschrift für historische Theologie. Gotha.
Zezschwitz, System der christl.-kirchl. Eatechetik. Leipz., 1864 ff.
Zezschwitz (I), Die Eatechismen der Waldenser a. böhm.
Brüder. Erl., 1867.
Zarich letters. Cambr., 1842.
Zwingli's Werke. Aasg. von Schuier a. Schalthess. Zür. ,
1828.
1.
De öeboortegrond en zjjne Bewoners.
Groot en tevens pijnlijk is de afstand, die in onze dagen
het land en de stamgenooten van onzen held verwijdert van
den tijd j toen hg zelf nog in hun midden verkeerde. Sedert nu
bijkans eene eeuw heeft zijn volk opgehouden, een volk met
eigene regeering, met eigene staats-inrichting te zijn. Deels
door eigene schuld, deels door eene zware en bittere lots-
bedeeling was het in zulk een diep verval geraakt, dat het
genoodzaakt was, zich naar den gewelddadigen drang zijner
naburen te voegen en zich te laten welgevallen, om door hen
verbrokkeld., en in de vreemde, maar goed-geordende staten
te worden ingelijfd. Dat lot is in den ijzeren loop der geschie-
denis reeds aan menig volk wedervaren, hetwelk, na zijne
levenskracht verteerd te hebben, ongemerkt opging in het
leven van den machtigen veroveraar, en uit de rij der vol-
ken verdween. Met taaie volharding, met roerende vader-
landsliefde verzet zich dit volk tegen zulk een oumeedoogend
lot; het wil nog niet sterven, en kan niet vergeten wat het
in zijnen heldentijd geweest is. Zijne zonen, die ons, in
menigen aangrijpenden trek, aan het volk der Joden doen
denken, dat zich nergens op aarde in zulk eene dichte me-'
nigte en zóó duurzaam als in dit land gevestigd heeft, —
zijne zonen trekken her- en derwaarts, terwijl zij slechts met
tegenzin het vreemde juk torsen , of het brood der verbanning
eten, en daarbij acht geven op iederen wenk, die aan hunne
licht-ontvlambare hoop nieuw voedsel schenkt. Het is ons
plan niet, om den afstand tusschen het Voorleden en het
1*
i
Heden geheel te doorloopen, en de oorzaken op te sporeA,
door welke het met dit volk zóóver gekomen is, ja zóóver
Iieeft moeten komen. Wij hebben ons in de volgende bladen
de meer uitlokkende taak voorgesteld , om het boek van
Polen's geschiedenis ten tijde van zijne glansrijkste ontwik-
keling op te slaan, en eene bladzijde te lezen, die in haren
aanvang zoo veelbelovend luidt, maar die aan haar einde
zoo onheilspellend de kiem der krankheid vertoont, die het
schoone land heeft doen wegkwijnen.
Ja, het ia de heldentijd van Polen, de eerste helft der
zestiende eeuw! Nooit hebben zich zijne grenspalen verder
uitgestrekt, dan onder de laatste machtige heerschers uit
het huis der Jagello'a. Lelewel, die zulk eene vurige vader-
landsliefde koestert, geeft ons onder de kaarten, die bij
zijne geschiedenis van Polen hehooren, ook eene kaart uit
de tijden van Johan Albert, omstreeks het jaar 1500. Zij
toont ons een gebied, dat zich in het noorden, aan de
zeekust, van Dantzig tot aan Memel uitstrekt, van dadr, '
in eene bijkans rechte oostelijke linie, rakelings langs de
streek van Dunaborg loopt, voorbij Witebak tot aan Smoleosk
reikt, — om welks bezit Russen en Polen in die dagen
menigmaal gestreden hebben, — van dAir vervolgens zich
naar het zuiden wendt, en de grens ïsjernigow ontmoet,
om dan weder in het oosten /ich diep landwaarts-in tot aan
de Donez uit te zetten, en langs de Dnieper bij Cherson
de Zwarte zee te bereiken. De zeekust vormt, tot nabij
Kilia en Iswaïl, de vaak beoorloogde grens, die voorts land-
waarts-in tot aan Zevenbergen reikt, en die, terwijl zij Mol-
davië, Bukowina en üalicië omvat, zich in het westen, langs
de Karpathen, tot in den omtrek van Teschen uitstrekt, ver-
volgens in noordelijke richting tot aan Giogau voortloopt,
om van dóAr weder, in eene kronkelende lijn, tot in den
omtrek van Danlzig te komen. Het omvangrijke gebied wurdt
op 20(J,Ü00 D wersten geschat, met eene bevolking ten
getale van ongeveer 15 milhoen inwoners. Het eigenlijke
moederland en het hart van bet uitgestrekte gebied, binnen
welks omtrek wij ons in de volgende bladzijden uitsluitend
bewegen, was üit twee hoofddeelen samen^ostokl, nL uit het
noordelijk gelegene Tlakke land Tan Groot- Polon, mot do
eertij'ls zelfstandige hertc^iommen Cujavië on Xïasovi?*
en nit het zuidelijk gelegene Klein-Polon. dat xioh tot
aan de Earpathen uitstrekte. De voomaamste palatinaton
in Groot-Polen waren Posen, Kalisch« Siora«li on lA»ncxyo5
in Klein-Polen desgelijks Krakau, Sendomir on Lublin.
Het was een wijze stap van Hedwig, do jeugdige Koningin
Tan Polen, in wier aderen nog Piastisch blooil vliXMdo» dat
zij hare genegenheid voor hertog Wilhelm van Oostonryk ann
het welzijn van den staat ten ofFer bracht, on haro hand
schonk aan den Vorst van Litthauen, Wladialaw Jagiëllo
(1386). Door deze echtverhintenis traden Polen on Litthauon
tot elkander in de betrekking van eene persoonlgko nnio,
die, omstreeks tweehonderd jaren later, door do beroonido
Unie van Luhlin (1569), in eene vaste verbinding van do
beide landen tot eenen éénigen ondeelbaren vrijstaat, ondor
denzelfden vorst en met eenerlei staats-inrichting , haro vol-
tooiing vond. Met Wladislaw, die zich vooraf had laton
doopen, ten einde de schoone Hedwig te kunnen huwon,
besteeg het vorstelijk geslacht den koningstroon, ondor het-
welk Polen zijnen hoogsten bloei mocht bereiken. Hot is
een vorstenhuis van zeldzame begaafdheid, dozo JagoUo'H,
aantrekkelijk door hun karakter, bewonderenswaardig, zoowol
wegens de kracht en bekwaamheid, met welke zij don schoptor
voerden, als ook meer bepaald wegens de wijze, waarop zy
hun volk — en dat, voorwaar, niet zelden onder do moei-
lijkste omstandigheden, — tot eene kloeke en machtige natie
wisten te vormen. Één van de nauwkeurigste kcnnorH Hchil-
dert hen, geheel naar waarheid, als „welwillend, voorkomend,
grenzenloos milddadig, eenvoudig, minzaam, dankbaar on
vriendhoudend , goedwillig en i^rgevensgezind , gelijk men-
schen , die meer door de bewegingen des gonioeds , dan door
de gestrenge heerschappij van afgetrokken grondst/'Jlin^fm
bestuurd worden'' ^). Deze schoone erfenis was ^>ok t^jn volle
1} Caro, IV, 306.
aiia den Toorlaatsten telg des huizes, nl. aan Sigismund I.
ten deel gevallen, itie twee en veertig jaren achtereen, in
eenen moeilijken tijd, op roemrijke wijze de vorstenkroon
droeg (lÖOG — 1548). Hij behoort tot de verhevenate gestalten
der zestiende eeuw , hooggeacht in den raad der regenten ,
geweesd door zijne vijanden, maar oprecht bemind door zijn
volk, inzonderheid gedurende de eerste tientallen jaren zijner
heerschappij, en zoolang de invloed van zijne tweede gemalin,
de wegens hare kuiperijen beruchte koningin Bona, zich nog
niet al te zeer liet gelden. Sigismund vervulde ijverig de
zware plichten, die hij zich als Koning van Polen zag op-
gelegd, en betoonde zich een getrouw en waakzaam bescher-
mer van zijn land en volk. Niet zelden werden zijne han-
delingen dooi' eenen zekeren trek vim teederhartigheid ge-
kenmerkt; zijne begeerte naar rust en orde was oorzaak,
dat hij menigmaal de zaken ongehinderd haren gang liet
gaan, ook wanneer een strakker aanhalen der teugels vol-
strekt noodig zou geweest zijn. Juist op het punt, waarop
in dien tijd alles aankwam, nL het vraagstuk van den gods-
dienst, is in zijne verschillende maatregelen eene zekere be-
sluiteloosheid te bespeuren, die noch aan de Evangelische,
noch aan de Boomsche kerk welgevallig kon zijn, en voor
geen van beiden voordeelig was. Dit weifelen is niet alleen
te verklaren uit zijne geneigdheid tot ongestoorde rust; een
diepe . edele trek zijns wezens maakte hem in die ruwe dagen
de beslissing moeilijk. Hij was een getrouw zoon zijner
kerk; ieder verzet tegen hare verordeningen kwam hem voor
als eene poging, om de hechtste pilaren van het staata-
gebouw te ondermijnen , en zoo gevoelde hij zich evenzeer
door zijne vrome verknochtheid aan den Paus, als door zijne
vurige vaderlandsliefde aangespoord, om het gevreesde revo-
lutionnaire element van zijn land verwijderd te houden. Niet
moeilijk echter is het, om hij dezen loop zijner gedachten
eene diepere strooming te bemerken. Sigismund is waarlijk
godvruchtig. In zijue zendbrieven aan den Paus, alsook in
vele zijner bevelschriften klinkt een toon, die niet door de
staatkunde is ingegeven, maai- die onmiddellijk uit het hart
voortkomt, en eene liefelijke getuigenis aangaande zijn gemoed
aflegt, te weldadiger, hoe meer men dezen toon, zelfs in
de herderlijke brieven der bisschoppen van die dagen, ver-
mist Bij zulk eene gezindheid moest niet weinig in het
drijven der Kerk en harer waardigheidbekleeders hem be-
vreemden en afstooten, en hij ontzag zich niet om zich ook
tegen hen te verzetten , wanneer de kerkelijke aanmatigingen
al te zeer op zijne koninklijke rechten inbreuk maakten, en
het pauselijk gezag zich ook daar wilde laten gelden, waar
hij zich bewust was van tot beschermer der souvereiniteit
geroepen te zijn. De tijd vergunde hem niet de rust, om
na te denken over het Ééne, dat noodig is; het noodlottig
gevolg daarvan was die onvastheid, welke voor zijn volk
niet tot zegen strekte.
Daarbij kwam als verzwarende omstandigheid de staats-
regeling des lands, gelijk zij zich onder langdurige, hoog-
gaande twisten allengs gevormd had. Polen was tot een
▼rijstaat geworden, met eenen Koning aan het hoofd. De
eigenlijke macht berustte in de hand van den adel, d. i. van
die geslachten, aan welke het, na eene worsteling van eeuwen,
gelakt was , zich uit de menigte der burgers tot de grootste
zelfstandigheid te verheffen. Al wie aanspraak maakte op
de voorrechten, die de adel, in onderscheiding van de overige
klassen der bevolking, genoot, moest kunnen bewijzen, dat
hij tot een bepaald familiewapen, tot een bepaald geslacht
behoorde. Was dit bewijs geleverd, zoo zag de aanverwant
zich met alle edelen op gelijken rang geplaatst; hij bezat ge-
lijke rechten, en had gelijke plichten te vervullen. Intusschen
kon het niet missen, dat enkele geslachten en wapens zich in
uitstekende vertegenwoordigers op bijzondere wijs onderscheid-
den, en daardoor in het bezit kwamen van de hoogste be-
trekkingen in Kerk en Staat. Deze hoogere klasse van den
adel vormden de Baronnen, die door geboorte of bezitting
of aanzienlijke ambten boven de anderen uitstaken. Bepaalde
ambten onderstelden en verleenden ook den rang van een
Baron. Als de hoogste kerkelijke dignitarissen werden de beide
aartsbisschoppen van Gnesen en Lemberg, alsmede de dertien
bisaclioppeu des lamls beschouwd; als de hoogste waardig-
heid bek lee der s in den staat golden vijf en dertig palatijns,
dertig grootere (majores castellani) en negen en veertig kiui-
nere (minores) burggraven des rijks, die in vereeoiging met
tien Mildere staatsdienaren den Senaat vormden ').
Tegenover den adel trad, in den loop des tijds, in de
atedeliugen , een nieuw zwaarwichtig element op den voor-
grond, waarvan zich de vorsten niet zelden als tegenwicht
tegen de hinderlijke macht der Baronnen bedienden. De
invloed dezer stedelingen is in dien tijd, met betrekking tot
de Henwmingsgeschiedenis van Polen, van een zóó diep-
ingrijpenden aard, dat wij reeds hier op hunne bijzondere
stelling moeten opmerkzaam maken. De steden waren bijkans
uitsluiteud bevolkt door Duitsche landverhuizers, die bij
geheele scharen het land hadden overstroomd, sedert de
neiging der Gerinaansche volken ora zich naar vreemde lan-
den te begeven, — eene neiging, die in de dagen der
Kruistochten bij hen was opgewekt, — eindelijk, nadat deze
tochten gestaakt waren, niet langer bare bevrediging noeken
kon in het blauw verschiet van het Morgenland. Het ge-
wichtige cultuur element vond eene vriendelijke welkomst in
de uitgestrekte, doch schraal- bevolkte landstreken van Polen.
Zeer belangrijke volmachten werden aan de vreemdelingen
verleend, die overal in het land steden stichtten, en met
Duitsche vlijt, met Duitsche bedrijvigheid handel en verkeer
krachtig bevorderden, terwijl zij in de schielijk toenemende
welvaart des lands de schatting hunner dankbaarheid voor
het verleende gastrecht rijkelijk betaalden. Doch dit gastrecht
werd hun tevens met Püolsche vrijgevigheid, en bijna zou men
kunnen zeggen: met zorgeloosheid verleend. Deze Duitsche
kolonisten hadden hun vaderlandsch recht medegebracht,
welk recht ook van de zijde der Poolache vorsten schriftelijk
erkend en hun gewaarborgd was. In de noordelijke steden,
in Masüïië en Cujavië, ontmoeten wij inzonderheid het Kulut-
sche, in de zuid-Poolsche steden daarentegeu, tot over de
1) De rsDgorde dezei wurüigheidb«kteeders is te vindeu bij Crc
Russische grenzen , het Maagdenbargsche recht In het genot
van zoodanige voorrechten, leidden deze stedelingen een leven
op zich zelf; in het hart van Polen vormden zij een stuk van
Duitschland, en dat wel van een zóó krachtigen stempel,
dat b.v. het beroemde gildeboek van Krakan, welks voor-
treffelijk uitgevoerde miniaturen ons een leveutlig beeld van
den toenmnligeu tijd te aanschouwen geven, in de Duitsche
en de Latijnsche taal geschreven is ^). Zulk een afgezon-
dertl leven, midden in het vreemde land, kan, ouder be-
paalde omstandigheden, tot de materiëele welvaart des lands
medewerken, en heeft zulks ook ongetwijfeld in Polen ge-
daan, evenals de Duitsche volkplantingen in het haii van
Rusland. Doch voor het leven des geestes, zoowel van het
volk , waartoe zij behooren , als ook van het vreemde volk ,
in welks midden zij leven, zijn zulke kolonisten, in eene
beslissende ure, als eene moedervlek; en eene zoodanige
ure was destijds aangebroken. Deze Duitsche stedelingen in
Polen waren, ook in geestelijk opzicht, met het oude vader-
land niet langer verbonden; slechts het erfdeel, dat zij had-
den medegebracht, bewaakten zij met angstvallige, maar ook
met kleingeestige en bekrompene trouw. Zij breidden den
kring van hun leven niet uit, en streefden niet naar hooger
ontvnkkeling , maar bleven eigenwillig staan op den trap van
geestbeschaving, dien het oude vaderland bij hun heengaan
bereikt had. Tegenover hunne nieuwe omgeving , zoowel wat
de groeten, als wat de geringen betreft, zonderden zij zich
streng af; zij leefden nevens hen, zonder innerlijke aan-
raking, zonder zegenrijke wederzijdsche betrekking, als in
een sterk ommuurden burg. Dat is echter, van het nationale
1) De codex', een waardige tegenlianger van het iii denzolfdeii tijd vcrTaar-
digde Ceremoniale van Erasmus vou Ciolek, Bisschop van Plozk, inet zijne
koütbare miniaturen, die van hoo^c beteckcnis zijn voor de geachicdenis dor
cultuur, ia door Balthasar Belicm te boek gCHtcld , en bevat de statuten
der gilden van de stad Krakau. Mij is geen ander werk bekend, dat zóó
levendig en aanscliouwclijk handel en wandel der Krakau'sche burgerij ona
vóór oogen stelt, als deze schoone miniaturen, een rijke goudmijn voor stu-
diën op het gebied van de geschiedenis der cultuur. Tergel. ook Essenwein
S. 37, en I Zcissberg, S. 417.
10
stanJpunt beschouwd, geene heikamc verbimliDg voor het
laud, maar eene ernstige belemraering, wanneer een volk,
in den loop zijner geschiedenis, zich een beslissend pro-
bleem ziet voorgesteld, hetwelk het slechts in zijn geheel
op zegenrijke wijs oplossen kan. Deze Duitsche stedelingen
leefden eeuwen achtereen in het Poolsche rijk, zonder waarlijk
Polen geworden te zijn; ter anderer zijde waren zij ook niet
overal sterk en krachtig genoeg, om het geheele land te
germaniseeren.
Het derde onderdeel der bevolking vormden de boeren,
de Kmetonen, een armoedige stand, bijna zonder rechten,
die in lijfeigenschap aan den adel onderworpen was, en in
zware , gestrenge onderdrukking leefde , of veeleer het kwij
nend aanzijn voortsleepte. De afstand tusschen de heeren
en deze onderhoorigen was zóó groot en onoverkomelijk, dat
men nauwelijks op het vermoeden komt, dat betzelfde oude
Poolsche bloed in de aderen van beide partijen vloeit; men
wordt eerder aan de verhouding herinnerd, die tusschen een
overwinnend volk en de onderworpen oorspronkelijke stam-
men des landa bestaat, gelijk in Indië en elders. Dubbel
scherp en noodlottig moest de afstand zich doen gevoelen,
omdat het verzachtende middenlid, de stedeHng, tot beide
partijen in eene vijandige verhouding ston<!. Tegenover den
adel , voor welken hij door zijne voorrechten eeu doorn in
het oog was, zouderde hij zich streng af, en ondervond ook,
bij iedere aanraking, eene gelijke trotscbe teiiigwijzing , die
in den loop des tijda, en vooral in de dagen der Reformatie.
zich met het zegevieiond bewustzijn deed gelden, de voor-
rechten dezer indringers te kunnen verbrokkelen en vernietigen.
Voor den boer, het eigendom van den adel, had hij geen
hart en ook geen gevoel van stainverwantscbap ; hij sprak
niet dezelfde taal, hij zong niet dezelfde liederen; zijn ver-
leden WU8 hem vreemd, voor zijn betreurenswaardig lot had
hij geen medelijden. Dit was de gesteldheid en weilerkeerige
betrekking der drie volksbestanddeelen , wier eensgezindheid
de kracht eens volks uitmaakt, maar wier onderlinge ver-
wijdering noodzakelijk eene ook nog zoo sterke kracht ver-
11
lamt Juist de Reformatie, die, overeenkomstig haar wezen,
op eene innige overeenstemming van het gansche volk berust ,
en aan haar bevorderlijk is, moest zulk een afgezonderd
leven met de geheel verschillende belangen der afzonderlijke
partijen pijnlijk gevoelen.
Maar wij hebben tot dusver nog niet van het godsdienstig
en kerkelijk leven gesproken, dezen anderen, wezenlijken
factor in het bepaalde, bijzondere karakter eens volks.
Meer dan vijf eeuwen waren verstreken , sinds de Poolsche
vorst Miecyslaw, de vierde in de door de sage over-
geleverde volgreeks der Piasten, aanzoek deed om de hand
van Dubrawka, de dochter van Boleslaw, Hertog van
Bohemen, en ten gevolge van deze echtverbintenis met eene
ijverige christin, den doop onderging (966). Gewillig volgde
een deel van het tot op dat tijdstip heidensche volk zijnen
vorst, en nam de leeringen van zijnen eersten zielverzorger ,
Jordaan, aan, ofschoon het nog langen tijd duurde, voor-
dat de laatste overblijfselen van het Heidendom verdwenen
waren. Op den doop volgde aanstonds de kerkelijke orga-
nisatie van het land; Otto de Groote was behulpzaam
om in Posen het eerste Poolsche bisdom te stichten, het-
welk aan het aartsbisdom van Maagdenburg ondergeschikt
gemaakt werd.
De Duitsch-kerkelijke invloed, die zich in den beginne
had doen gelden, bleef ook in het vervolg werkzaam, en
wel in altijd grootere verhoudingen. In eene lange, bijkans
ona%ebroken opeenvolging trok eene onafzienbare schaar
van monniken en priesters, schier uit alle streken van
Duitschland, oostwaarts naar de Oder, en dieper het land
in naar de Weichsel. Overal stichtten zij kloosters en ker-
ken, en zulks in eene zóó groote menigte, dat de leden der
Russische kerk, met welke zij in den tijd der Jagello's het
eerst in aanraking kwamen, de Katholieken, van den be-
ginne aan, de lieden van „het Duitsche geloof" noemden i).
Geloovig onderwierp zich het volk aan de leeringen der
l) Caro, III, 185.
12
Kerk, gowillig Bam het bare iüzettinyen aan, ook die, welke
h'et zich als zware lasten en diensten zag opgelegd. Het
fichoone, Slavische erfdeel eener innige vroomheid was ook
het eigendom van het Poolsche volk. Het is niet die vroom-
heid , welke met heiligen erust de diepte der goddelijke waar-
heid tracht te peileu en te doorzoeken, en die door een
langdurig nadenken over het ééne, dat noodig is, er toe
geleid wordt, om dit ééne hoog-heilige als een kostbaar
gewin en eeu zalig goed te omklemmen, en het tegen alle
aanvallen te verdedigen. Het is veeleer de vrome gesdndheid,
die zich vol vertrouwen aan de leiding des priesters en der
Kerk overgeeft, gewillig, zonder veel twijfel en zonder lang-
durig onderzoek , hunne leer aanneemt , op de voorgeschre-
vene wijze in heilige stemming de eischen der Kerk vervult,
in üod den almachtigen Heer vreest, doch daarbij nauwe-
lijks eenig begrip heeft van den rijkdom der genade, door
Christus tot jonger, en niet tot dienstknecht geroepen te
zijn. De priester waa in de oogen des volks de geestelijke
„Heer," die macht heeft over den raensch, ja een soort van
plaats bekleed er (jods, die dan ook de onderworpenheid , aan
zijnen vertegenwoordiger betoond, beschouwt alsof zij aan
Hem zelven bewezen was.
Zeer veel van hetgeen over de vreemde bevolking der
steden van Polen gezegd werd, laat zich nu ook ten aan-
zien van deze priesters uit den vreemde herhalen, ofschoon
op kerkelijk gebied de verkeerde toestanden zich niet zóó
sterk en in het oog loopend lieten gelden , als op staatkun-
digen bodem. De Koomsche priester wordt reeds van zelf
buiten verband met ziju vaderland opgevoed. Ongetwijfeld
kunnen de indrukken van de jeugd , of van het volk , welks
taal men eens als moedertaal leerde spreken, nimmer geheel
en al worden uitgewischt; ook onder het meest uitbeemsche
monnikskleed handhaaft zich nog het gevoel van betrekking
tot het moederland. Hier was het echter anders. Zij, die
in de Roonische kerk met hare Latijnsche moedertaal een
tweede vaderland gevonden hadden, zagen zich hier in Polen
in eenen toestand van nog grooter vreemdelingschap ver-
13
plaatst Green familiebanden maakten het hun gemakkelijker,
om in dezen bodem te wortelen; zij hadden er geen belang
b^, om met het gemoed des volks, met zijn eigenaardig
leven, in zulk eene nauwe aanraking te komen, dat zij niet
slechts te midden van, maar ook met dat volk leefden, ten
einde uit zoodanig geestelijk samenleven het recht en ook
de macht te ontleenen, om het geestelijk leven des volks,
wat zijn weten en kunnen betreft, tot hooger ontwikkeling
te voeren. Eeuwen gingen voorbij, zonder dat zich eene
eigene letterkunde vormde; de grond tot verklaring hiervan
is in die dagen zeker óók in de uitlandsche priesters te
zoeken , die destijds de dragers der beschaving waren. Hunne
moedertaal, het Latijn, verschafte zich den toegang^ zoowel
tot de sloten van den adel, als tot de huizen der beschaaf-
den , en de eerste geestelijke levensuiting des volks weerklonk
in deze taal. De diepe kloof, die den edelman, in zijne
schier onbeperkte vrijheid, gescheiden hield van den boer,
die aan zijn aardkluit gebonden was, zou zich niet zóóver
geopend hebben, indien eene inheemsche geestelijkheid, uit
den schoot des volks voortgekomen, den band der gemeen-
schap tusschen de beide, schier uiteenvallende deelen van
het geheel des volks zorgvuldig beschermd hail.
Met zekeren, vasten tred veroverde de Kerk, van geslacht
tot geslacht, eene steeds sterkere, belangrijkere stelling in
het land. In één bepaald punt was er geen onderscheid
tusschen de verschillende standen, nl. in de vrome onder-
worpenheid aan de Kerk en haar verwijderd Hoofd, den
Stedehouder des Heeren te Rome. Van den Koning af, tot
op den geringsten landbouwer, werd aan hem en zijne leerin-
gen door allen eene gelijke gewillige gehoorzaamheid betoond.
Aan de Kerk en aan hare aanzienlijkste waardigheidbeklee-
ders waren, in den loop des tijds, belangrijke voorrechten
toegestaan. De Aartsbisschop van Gnesen, als Primaat van
het rijk, bekleedde de eerste plaats na den Koning, en nam,
in geval van diens dood, de regeering waar, totdat een
nieuw opperhoofd van den staat verkozen was. De Bisschop-
pen — hierop hebben wij reeds gewezen — stonden met de
hoogate waardigheidbekleeders van den staat op gelijken trap,
ja hadden in den Senaat boven hen den vooiTang. Van
oudsher waren de voornaamste bisdommen, na de aartsbia-
schoppehjke zetels van Gnesen en Lemberg: in Klein-Poleo
Krakau, in Groot-Polen Posen, in Cujavië en Pommeren
Wladislav, in Maaovië Ptotzk, in het Russische gebied Przemial
en Chelm , en in Podolië Kamenetz. De adel was in het bezit
van deze geestelijke waardigheden; een langdurige strijd word
echter door hem gevoerd , om het uitsluitend bezitrecht te
verkrijgen. Deze strijd was ala van zelve ontstaan uit de
aanhoudende pogingen van den adel om alle macht in den
staat in zijne hand te vereenigen.
Hoe trouw en gehoorzaam ook het volk in al zijne deelen
aan de Koomsche kerk verknocht was , toch leerde het reeds
vroeg, en naarmate het op zegevierende wijs zijne grenspalen
steeds verder uilzetto, ook altijd standvastiger, verdraagzaam-
heid te oefenen jegens de zoodanigeu in zijn midden, die
niet tot de Roomsche kerk behoorden. In de betrachting van
dezen christenplicht, die in die dagen zoo zeldzaam beoefend
werd , werd het volk wezenlijk ondersteund door schoone en
edele trekken van het Slavische wezen, dat zich niet gemak-
kelijk tot een godsdienstig fanatisme bewegen laat. Zoo me-
nigmaal wij in zijn midden dergelyke uitingen aantreffen,
zullen wij ook zonder moeite eenen vreemden invloed kunnen
ontdekken , door welken het volk zich laat overhalen om
wegen te kiezen, die het uit zich zelf waarschijnlijk nimmer
zou hebben betreden. Allereerst kwamen de Polen, in dit
opzicht, met de Joden in aanraking. Reeds in de negende
eeuw verlieten niet weinige Joden het rijk der Chazaren .
aan de beneden-Donau , om zich naar Polen te begeven.
Grootere verhoudingen nam , gedurende de elfde en de twaalfde
eeuw. de immigratie van uit het westen aan, alwaar de
Joden, in eene steeds klimmende mate, door Rome en de
Roomsche kerk verdrukt werden. De toevloed uit Duitachland
was zóó geweldig, dat, tot op den huidigen dag, de Poolsche
Jood in zijn bedorven jargon" de Duitsche taal als hat
voornaamste bestanddeel daarvan bewaard heeft Handel en
15
geld woeker was bij voorkeur hun middel van bestaan. Van
de zware verdrukkingen, die allerwegen door de Roomsche
kerk tegen de Joden werden aangewend, bleven zij ook in
Polen niet verschoond, maar toch was de druk gematigd.
Zij waren niet lijfeigenen der Vorsten, gelijk elders; zij
stonden slechts onder hunne onmiddellijke rechtspleging , en
konden zich alzoo niet, gelijk de overige immigranten uit
Doitschland, beroepen op het Maagdenburgsche recht, bij
voorkomende geschillen. Inzonderheid Kasimir de Groote
trad als hun beschermer op , zelfs in tegenspraak met de
scherpe maatregelen, die^ op aansporing van de Domini-
kanen, in de Kerkvergadering te Ofen (1279) tegen de
Joden in de Earpathen-landen uitgevaardigd werden. Niet
de geest der verdraagzaamheid alléén bestuurde hem en een
deel zijner opvolgers, gelijk in het bijzonder Sigismund I;
zij erkenden den handelsgeest, die dit beweeglijk volkje be-
zielde, hetwelk de schatten des lands ontsloot, en van welks
opgestapelde rijkdommen zij zelven menigmaal voordeel trok-
ken. — Nog andere godsdienstige elementen werden, bij
voortgezette uitbreiding van de grenzen des lands, met Polen
vereenigd .- de inbezitneming van Podolië had Tsjeremissische
Tataren in het rijk ingelijfd, terwijl in het Poolsche gebied
aan de beneden-Donau nog Mohammedanen woonden , en in
Litthauen nog heidenen werden aangetroffen.
Afgezien van de betrekkelijk weinige Armeniërs ^ die ins-
gelijks, door de inlijving van Podolië, aan het Poolsche rijk
werden toegevoegd, en wier verhouding tot den Paus en de
Roomsche kerk nog niet geheel helder was ^) , was de ge-
wichtigste en krachtigste drangreden tot het betoonen van
verdraagzaamheid jegens die inwoners van het rijk, welke
een ander geloof beleden, bepaaldelijk deze, dat, bij het aan-
vaarden der regeering door de Jagello's, bijkans een derde
deel der aanhangers van den Griekschen ritus onder de heer-
l) Cr om er, p. 500: „Armeni suis ritibus suaqne lingua in sacris utantar.
Non abhorrent ii tarnen» sicut accepimus, a romana ecclesia et rom. pon-
Uftoa; qnin prindpatDm ejas in uniTersa Christi ecclesia agnoscunt."
16
schappij van den Poolschen Koning als Grootvorst van Lit-
thauen was opgenomen. Het heidensche Litthauen was, wel
is waar, door Jagiëllo tot het cbristendom en de Roomsche
kerk gebracht geworden ; maai- Litthauen had, door verovering,
eene reeks van belendende gewesten aan zich onderworgen,
bij wier inwoners, reeds siads eeuwen, de verkleefdheid aan
de Grieksche kerk zóó diepe wortelen geschoten had, dat
de aan hun hoofd geplaatste vorsten uit het Huis Gedimin,
voordat zij de heerschappij erlangden, genoodzaakt waren,
tot deze kerk over te gaan. De metropool der Grieksche
kerk, Kiew, was door het gebied van Litthauen ingesloten;
bij den doop van Wladislaw Jagiëllo zagen de verbaasde
Katholieken te Krakau ook Grieksche bisschoppen in nijn
gevolg. Door zoodanig gemeenschappelijk samenwonen leerde
men in Polen en gewende men er zich aan, om de onder-
werping aan de Roomsche kerk niet als van geheel gelijke
beteekenis te achten met de gehoorzaamheid aan het Chris-
tendom: eene belangrijke schrede voorwaarts voor dien tijd.
Door de verplaatsing van de metropol ie van Kiew naar
Moskau was do door den Vorst begunstigde begeerte , om de
Grieken, die tot Litthauen behoorden, tot eene eigene lands-
kerk te vereenigeu, aanmerkelijk nader aan hare vervulling
gekomen. Eene synode, gehouden in het jaar 1415, aan welke
de aartsbisschop van Polock , benevens de bisschoppen van
Czernigow, Luck, Wladimir, Przeraisl, Smolensk, Chelm en
Turowsk deelnamen, koos, in navolging van de Bulgaren en
Serviërs, eencn eigenen Metropotitaan, nl. Gregorius Zem-
black, en wees hem Kiew als moederzetel aan. Met groote
belangstelling en tevens met vreugde volgde men te Rome
den loop deüer zaak. Op de oude vijandschap tusschen de
beide Kerken werd allerminst nadruk gelegd: de gebeurte-
nissen op het concilie van Constanz (1414 — 1418) en van
Florence (1437) strekken ten bewijze, boe vriendelijk men
van weerszijden elkander te gemoet kwam. Ofschoon dan
ook de verkregen einduitslag niet aan de gekoesterde ver-
wachtingen kon beantwoorden, zoo waren toch reeds deze
pc^ngen voor bet volk van Polen-Litthauen , vun waar uit de
17
beweging was uitgegaan, van de allergrootste beteekenis,
terwijl de nawerkingen van die beweging nog in de volgende
eeuw te bespeuren zijn in menig verschijnsel, hetwelk, zoo
men op deze gebeurtenissen niet behoorlijk acht slaat, nood-
zakelijk bevreemding moet wekken.
Op eene andere wijze handelde men, ten opzichte van de
bijna gelijktijdige hooggaande beweging in het naburige stam-
verwante Bohemen. De geweldige oorlogen met de Hussieten
stuwden hunne ontzaglijke golven ook naar Polen, in de ge-
daante van tallooze vluchtelingen, die, ter wille van hun
geloof, den zwaar geschokten en geteisterden vaderlandschen
bodem verlieten, en in den vreemde om herbergzaamheid
smeekten. De talrijke scharen van vluchtende bannelingen,
die ditmaal aan de zoo gastvrije grenzen van Polen stonden
en den toegang begeerden, verschenen niet als zonen eener
machtige, in het vaderland rechtens bestaande Kerk, maar
als gevaarlijke afvalUgen van dezelfde Moederkerk, die in
Polen wettig bestond, ja als vuurschooven van eenen brand,
die, na Bohemen bijkans verteerd te hebben, zijne vonken naar
Polen slingerde, en hier met hetzelfde gevaar de Roomsche
kerk bedreigde. Tegen deze misdadigers de nadrukkelijkste
weerstand, de onverbiddelijkste vervolging, reeds ter wille
van de eigene zekerheid in Kerk en Staat De Kerk had^
met scherpen blik, ook in Polen het eerst de grootheid van
het gevaar bespeurd. Het waren voornamelijk twee man-
nen, die in die dagen den grootsten, maar waarlijk niet
eenen zegenrijken invloed op kerkelijk en op staatkundig
gebied uitoefenden, terwijl zij den grijzenden Koning (Wla-
dislaw Jagiëllo) bijna geheel in hunne macht hadden:
Zbignieuw Olesnicki, Bisschop van Krakau, eene onver-
biddelijke, fanatieke persoonlijkheid, en Stanislaus Ciolek,
Secretaris van de koninklijke kanselarij, later Bisschop van
Posen. Het is een somber beeld, dat Garo van deze man-
nen ontwerpt, niet ongelijk, zoo als hij opmerkt, aan de
gestalten, die aan gene zijde der Alpen, in Italië, te dier
tijde, in het refectorium van het klooster der Augustijnen
van San Spirito te Florence, aan Boccaccio hunne lieder-
PILTOK. 2
18
Hjke geschiedenissen vertellen. Op eene proTinciale synode
te Leczyc vereenigde men zich weldra ten opzichte van de
maatregelen, die men wenschte te nemeo tegen de Hussi-
tische ketterij ; eene daarop volgende vergadering van den
adel nam een door Ciolek opgesteld wetsontwerp aan, voor
hetwelk men zonder veel moeite de koninklijke goedkeuring
verkreeg.
Het is eene harde taal, aan welke men tot op dat tijd-
stip in Polen nog niet gewoon was, ah het in dit bevelschrift
aldus luidt: „Na rijp beraail en met toestemming van onze
Preiaten , Vorsten en Baronnen , besluiten wij en verklaren
daarbij, het voor een vast, altoosdurend en onwankelbaar
bevel te willen houden, dat in ons koninkrijk Polen en in
alle aan ons gezag onderworpen landen iedere ketter, of ook
ieder, die maar met kettersche teeringen besmet is, of van
zoodanige leeringen verdacht wonlt, en evenzoo ieder, die
ketters begunstigt, door onze hoofdlieden en onze beambten
overal in het land , als schuldig aan de misdaad van gekwetste
majesteit , gegrepen en naar eisch gestraft zal worden. Allen ,
die uit Bohemen ons rijk betreden, moeten in hechtenis
genomen, en door hen, die vanwege den Apostolischen
Stoel daartoe geroepen zijn, aan een onderzoek met be-
trekking tot kettersche leeringen onderworpen worden. Ieder
Pool, wie hij ook wezen mag, die vóór het eerstvolgend
He mei V aar tsf eest (1424) niet uit Bohemen zal zijn terugge-
keerd , moet voor een verklaarden ketter gehouden , en be-
schouwd worden als één . op vrien de straffen van toepassing
zijn, die voor ketters zijn vastgesteld. Al zijn roerend en
onroerend goed vervalt aan de openbare schatkist. Zyne
mannelijke en vrouwelijke nakomelingen verliezen hun erfrecht
en hunnen rang ; zijn geslacht wordt voor eerloos verklaard ,
en van alle voorrechten des adels beroofd." ')
Hoe onverbiddelijk deze taal, hoe zwaar de gedreigde
straffen tegen de Hussitische ketterijen ook klonken, toch
beantwoordde bare uitwerking niet volkomen aan het be-
I) Eai
19
' oogde doel. De heilige kracht des Evangelie's wekt overal den
I vrijcD geest, die, waar hij eeumaal ontwaakt is, zich noch
door de hardst* Draconische bevelschriften bedwingen, noch
ook zijnen belijder ooit zóó diep zinken laat, dat deze tegen
het geweten zou handelen. De Hussitische beweging had
de Slavische volksziel in haren diepsten grond aangegrepen ;
in die beweging lag een element, dat in den geheelen volks-
stam weerklank vond. De welsprekende, ontvlammende taal
van den Bobcemscben prediker in de Bethlehemskapel te I'raag
bad, zonder schroom, grove misbruiken in de Roomache kerk
onthuld, die in alle lauden als een drukkende last gevoeld
werden. Met eene grondige Bijbelkennis toegerust, wezen
Hds eo zij, die hein navolgden, op de bijkans vergetene
waarheid des Ëvangelie's, een hanengekraai, dat in de vroegte
het aanbreken van den dag verkondigt. Zelf bleef hij daarbij
nog in vrome trouw aan zijne Roomsche kerk verknocht. De
Boheemscbe en Poolsche adel ti'achtte hem, als eenen ge-
meenscliappelijken volksheld, te Constanz te beschermen'). De
vlammen van zijnen brandstapel wierpen haren belderen weer-
schgn in het gemoed der beide volken , en wekten allereerst
ergernis en bevreemdend verbazen over eene Moederkerk , die
met zulk eenen zoon op die wijze kou te werk gaan, doch
deden, bij den verderen voortgayg, in sommige zielen de
ernstige begeerte ontwaken, om het drijven der Kerk en de
ciscben van den martelaar aan de heilige Schrift te toetsen.
Hier en daar ontmoeten wij zwakke of meer merkbare sporen
van Hussitische werkzaamheid in het lanrl, In Litthauen
waren het voornamelijk politieke bedoelingen , die den Groot-
vorst Witold, deze reuzen- en heldenfiguur van den Slavi-
scben volksgeest, er toe brachten om de beweging met een
gunstig oog te heschouwen. Een rechter in Posen wordt ons
genoemd, die aan voortvluchtige Boheemsche predikers gast-
)) Kriainiki, I, 63, ilirÉar wy ook de volgende plaata oit eenen brief
I na Hm, dien liij tiJdeDa lijne geraDgeuaohap schreef, Tindeu sangehiald :
(J'olotii (amquam strenues defensores veriCatis dei oppoiiornat ge siepius toti
t ooDoüio pro liberatione mea. D. WeDCeilaas de Leazaa mlrepidus et zeloaus
2*
20
Trijheid in zijn huis verleende '). De namen van eene reeks
van hooggeplaatste baronnen , met den machtigen woiwoile
Oatrorog ^) aan de spits , zijn ons bewaard gebleven , die
openlijk de beweging begunstigden. Ja, de lieerschzuchtige
Sbigneus moest den 84jarigen koning Wladislaw Jagello,
die door zijne natuurlijke goedaardigheid en door den ouder-
dom een weinig stompzinnig geworden was, met den ban
bedreigen, toen hij Hussieten in Kaziraierz, de voorstad van
Krakau, had opgenomen, om gedurende den Paaachtijd van
1431 de godsdienstoefening niet te ontberen, dewijl de fana-
tieke bisschop de hoofdstad met het inderdict getroflfen had.
Gedurende de geheele eeuw kunnen wij de Husaitische be-
weging in Polen , als een rooden draad , nu hier, dan daar
bespeuren en nagaan. Zij heeft in hooge mate er toe bijge-
dragen , dat men in breedere kringen het leven en streven der
geestelijken nauwlettend begon te toetsen en te vergelijken met
den wandel dier mannen , welke , ter wille van de waarheid ,
hun vaderland verlaten hadden, en door eenen gesti'engen,
1) Stlig, II. 524.
2) Op dra rijksdag van 1459 lette <ta liuagbcgBBfde en aaniiealijke msn
tija gevoelen uil«en OTer de kerkelijli-poUtiBlie TerliDudiQgeu rnu lijn vader-
iBod, welk gBvooleii hij Tarrolgcna ia een bijzonder werk, getiteld „Pro
reipublioe ordina tione," opeuhaar nieakt«, een geBcIirin, vol diep-
ingrijpeode gedacliten over de verliouding vnn Kerk eu Staat. Wel 19 het eene
opzien -barende tanl , wanneer een man rau zijne poaitie en fan Eijnen invloed in
het land, en di,t omstreeka het midden der 15c eeuw , boneringen doet hooren
ala deze: Polen is eea katholiek land. maar het verleent aan den Paus geono
onbeperkte gehoorzaamheid; lijn Eunlng ia aan aiemaod onderworpen, en
heeft alleen Qod boven zich. Het voegt ons niet, om aac den Paus dec-
moedige en onderdanige Eendbrieven te riohten; de Koning ia geen onderdaan
TBn Boine. Deemoedigheid ia in eieh zelve niet verkeerd, maar als zij over-
dreven en aan iemand betoond wordt , wiena macht sleohta op geestelijke
dingen betrekking heeft, dan wordt zij beriapelijk. Christus heelt de wereld-
lijke dingea niet sau den ApoatoUachen Stoet ODderworpeii ; volgena lijne
eigene verklaring is zijn rijk niet van deze wereld. Da priesters behoomi
dezelfde openbare Isatea te dragen , ala alle overige burgvm. De Koning heefl
de Btaatchurgerlljke ambleu Ie vordeeleii. de geestelijkheid alleen over het heil
der zielen te waken. Het ia betre Urensnaardi g , dal de aanmatiging der
Italianen, door menigvuldige afpersingen, aich ten koste vau Polen tracht te
verrijken. Sm. (TergeL de breedvoerige uiteenzetting bij Kiaainski, I, 91.)
31
zeddijken levenswandel het voetspoor vun hunnen Heer
wenschten te volgen.
Slechts in vluchtige trekken hebben wij de teekenen aan*
geduid y die van lieverlede — gelijk tegen de nadering van
de maand Mei in het hooge Noorden het morgenrood iuin
den hemel verschijnt» — ook voor Polen het aanbreken van
eenen nieuwen dag in het godsdienstig leven der Ghristolijke
volken aankondigden. Slechts afzonderlijke uitingen van tijd-
genooten dringen, als profetische stemmen, uit het verledono tot
ons door. Dit is niet onverklaarbaar. Het volk in de lagere
standen , niet bij machte om zich uit zijne onwetendheid en
slaafsche afhankelijkheid op te heffen, sleet stilzwijgend zy'no
levensdagen, terwijl het ternauwernood in het volkslied den
ademtocht van een geestelijk leven verried; in do hoogere
standen treden slechts aanvankelijk de eerste, bedeesde po-
gingen eener zelfstandige, vaderlandsche literatuur aan het
licht Zij, die in de vreemde, Latijnsche taal de pen voer-
den, waren meestal oprecht-verknochte dienaren hunner Kerk,
en schreven dienvolgens onder haar oog, terwijl zij daarby
door haren geest waren bezield. Ingeval dan tóch ongunstige
getuigenissen betreffende het zwaar verval , uit den mond van
diegenen ruchtbaar werden , die zich van de ontaarde Moeder-
kerk gescheiden hadden, dan was de terugwerkende beweging,
die zich in de volgende eeuwen vertoonde, met bijzondere
behendigheid onvermoeid bezig, om dien onwelkomen klank
te onderdrukken. Slechts hier en daar is zulk een ongunstig
bericht, ter goeder uur als in het stof eener afgelegene boe-
kerij begraven, aan de naspeuring der Jezuïeten ontgaan,
en treedt nu eerst, in een gansch anderen, gunstigeren tijd,
uit den schuilhoek, in welken het eeuwen achtereen verborgen
was, aan het heldere daglicht Hoe schraal en onvolledig
deze tot dusver openbaar gemaakte berichten ook zijn, zoo
leggen zij dan toch reeds getuigenis af, dat de zestiende
eeuw, bij hare verschijning, ook in Polen de nalatenschap der
3fiddeleeuwen, die allerwegen lag opgehoopt, in overvloedige
mate aaBwezig vond, nl. de tlringende behoefte, ja de nood-
zakelijkheid van eene reformatie der Kerk in hoofd en leden.
Ongetwijfeld stelde Polen, in zijne boven aangeduide, eigen-
a.'irdige verhoudingen, aan de tenuitvoerbrenging vun zulk
eene reformatie bijzondere en ook verzwarende eischeu; het
zonde echter onjuist zijn, indien men deze laatsten als onover-
komelijke bezwaren beschouwde. Want wie kan den Geest
Gods verbieden zijnen adem te doen ruischen, waar Iiij wil;
wie is in staat, om hem eene grens zijner werkzaamheid
voor te schrijven V
In alle landen der Reformatie zien wij, dat het rijk-
begenadigde mannen geweest zijn, die de Heer der Gemeente
geroepen had, om de haar toebedeelde erfenis te aanvaarden.
Als zegevierende legerhoofden hebben zij de scharen der
getoovigen in het heiligdom van het Woord Gods ingevoerd,
en hun daarbinnen, als het kostbaarste kleinood der Be-
formatie , deze waarheid getoond , dat het waarachtige heil
alléén te vinden is in de genade Gods door Jezus Christus.
Heeft aan Polen deze man ontbroken? Is onder Kijne man-
haftige zonen geen enkele held opgetreden, die bereid was,
om op de roepstem des Heeren te antwoorden: „/ie, hier
ben ik, zend mijl"?
2.
Afkomst en Jeugd.
Bij Petrikau verlaten wij den ijzeren spoorweg, die heden
ten dage de oude hoofdstad van Masovië, Warschau, met
Weenen verbindt Met geweld wederstaan wij de verleiding,
om de aan historische herinneringen zoo rijke stad te be-
zoeken, binnen wier muren meer dan ééne boeiende blad-
zijde aan het geschiedboek van Polen werd toegevoegd ; want
hier hebben, in den zegenrijken tijd der Jagelio's, de meeste
rijksdagen hunne vaak zo(» stormachtige, voor geheel Europa
gewichtige zittingen gehouden. Een ander voornemen noopt
ons, om ons dieper landwaarts-in te begeven. Wij nemen
plaats in het opene voertuig, dat aan het station gereed staat,
en zetten met het vlugge driespan onverwijld de reis voort
naar het stadje Lask, van hetwelk wij ongeveer zes mijlen
verwijderd zijn. De tocht gaat, als in vliegende vaart, door
een echt Poolsch landschap. De uitgestrekte vlakte, eeniger-
mate golvende, is een goed bebouwd, vruchtbaar gebied;
hier en daar, aan den zoonf van den horizont, vertoont
zich nog een doorzichtig houtgewas , maar dat telkens verder
Toor de ploegschaar terugwijkt, door welke de kolonist eene
rijkere opbrengst aan den bodem hoopt te ontwoekeren. Men
ontmoet slechts weinige bewoners, en slechts zelden voert
de weg door een dorp. Ongestoord kunnen alzoo de gedachten
haren loop vervolgen; zij ijlen bij dezen rit een paar eeuwen
terug, en trachten de vervlogene dagen voor een oogenblik
binnen de vóór ons liggende lijst te bannen. Destijds had
de landstreek, die nu in de stralen der Julizon zoo vrien-
34
delijk ODS aanlacht, en door vlijtige haoden behoorlijk be-
arbeid is, dan toch een ander itarizien. lu dien tijd had het
woud nog de overhand, en wel in nog bijkans ongerepte,
oorspronkelijke wildheid, slechts ternauwernood toegankelijk
Yoor den koenen jager, die echter nijnen moed in die donkere
bosschen wél beloond zag, wanneer het hem gelukken raouht,
om menig kostbaar, nu reeds lang verdwenen wild te be-
machtigen. In de talrijke woudmoeraBscn legerde in groote
menigte het wilde zwijn; langs den zoom der heide trok
de beer, en laafde zich aan den wilden honig, die in ver-
leidelijke hoeveelheid uit de boomstammen droop. Op het
schrale , xeer ruw bewerkte akkerland trof men hier en daar
oene nederzetting aan, ecne verzameling van armzalige hut-
ten, nauwelijks iets meer dan holen in de aarde, uit leem
opgetrokken en met stroo gedekt, in welke de Kmeet, onder
zware lasten en vrooudiensten gebukt, zijn vreugdeloos . kom-
merltjk leven doorbracht, met vrees vervuld en iu slaafsche
onderwerping aan zijnen heer, in wiens oog hij vaak minder
waarde had, dan de kostbare bever, wiens woning hij zorg-
vuldig had te beschermen, of de valk, die zoo begeerlijk was
voor de jacht.
Dat zijn voor ons, kinderen der negentiende eeuw, recht
sombere beelden, bij welke de blik niet gaarne verwijlt. Üe
wakkere paarden hebben ons ook reeds het doel van oman
tocht nahij gebracht. Een weinig vóór Lask heeft de bodem
eenige overeenkomst met eene dninstreek, evenwel zonder
het verkwikkend uitzicht op de zee: zandheuvels, sleL'hts met
eenen geringen plantengroei bedekt, strekken tot ver in het
bebouwde land zich uit. Nu rijden wij het vlek in, welks
onaanzienlijk voorkomen ons doet vragen, met welk recht
het den naam van atad draagt. De gewone reiziger vindt
hier niets, dat hem kan boeien. Een dergelijk paar breede
straten, als men ook wel elders in Polen aantreft, of eigenlijk
slechts de heirbaan, die te dezer plaatse met kleine, een-
voudige huisjes aan beide zijden omzoomd is, en die op twee
plaatsen een groot, ruim plein vormt. Het eene plein is de
markt, van genoegzamen omvang, om op bepaalde dagen
25
als het ware eene tweede bevolkiDg van het stadje te bevat-
ten , die aldaar van heinde en ver van het platteland samen-
vloeit, ten einde te koopen en te verkoopen hetgeen het
eenvoudig levensonderhoud vereischt; in den tusschentijd
echter eene eenzame, eentonige vlakte, onbeschrijfelijk morsig
in den regentijd , en evenzoo onbeschrijfelijk stoffig in de heete
zomerdagen. Het langwijlige plein heeft ons , die gaarne aan
oude , historische herinneringen het oor leenen , niets te zeg-
gen; des te meer daarentegen het andere.
Dit laatste is het kerkplein. In het midden daarvan verheft
zich het oude, erg verweerde gebouw, dat, tusschen al de
Tervelooze huisjes van den tegenwoordigen dag, ons doet
denken aan een eerwaardig voorvader, tot wien elk, die de
vervlogene dagen liefheeft, zich gaarne begeeft Men kan
daar dan ook luisteren! Het houten traliewerk aan de zijde
van het plein is, wel is waar, rot en op menige plek be-
schadigd , maar aan zoodanige verwaarloozing geraakt in het
hedendaagsche Polen de blik spoedig gewoon. Uit het wilde
grasveld binnen de omtuining verrijzen een paar schoone,
overoude boomen, die de kerk als tot beschutting omgeven.
Het wel eenigszins plompe, ofschoon niet in alle deelen
onfraaie gebouw vertoont de duidelijke kenteekenen, dat het
betere tijden beleefd heeft ^ dan zijne tegenwoordige om-
geTing; ja, het oude wapen, dat in den muur onder het
teeken van den mijter is ingevoegd, verraadt aan den kundige,
welke hooge eer en belangrijke rechten eens aan deze kerk
verleend werden. Het wapen verwijst naar een oud, hoog-
aanzienlijk baronnengeslacht, aan hetwelk de kerk waarschijn-
lijk haren ooi*sprong en zoodanige onlerscheiding te danken
heeft. Het is het wapen Korab, waarop een midcleleeuwsch
schip met hoog-gebouwden achtersteven is afgebeeld , dat als
lading een soort van wachttoren draagt, van welks top men
een ruim en vrij uitzicht heeft over land en zee. Weldra
hebben wij den Poolschen priester gevonden, aan wien de
dienst hier is toevertrouwd, en hem overgehaald, om zijne
kerk aan den vreemdeling te toonen: hij verheugt zich, dat
hij , in zijn door de wereld vergeten oord ^ eenen reiziger als
26
gids mag dienen, die, evenals hij zelf, behagen vindt in de
oude schatten, die hij in zijn heiligdom mag bewaken. De
gang derwaarts wordt wèl beloond. Bij de armoede der
inwoners steekt do rijkdom binnen deze muren zonderbaar
af; men waant zicb verplaatst in eene beroemde kerk van
Italië. Hier de rijke altaarvaten, uit zilver en goud op
kunstige wijze vervaardigd; ginds zelfs een schoon schilder-
stuk, en de priester toont zich daarenboven bereid, om de
beweegbare lijst om to draaien, en het grootste heiligdom
der kerk, dat daarachter verborgen is, te laten zien. Het
is een voortreffelijk uitgevoerd marmeren reliëf, eeuwen ach-
tereen een hooggevierd wonderdadig beeld , naar welks heilige
bewaarplaats duizenden en nogmaals duizenden van pelgrims,
tot zelfs van over de grenzen , ver uit Duitschland , in groote
scharen ter bedevaart opgingen , die van de vele pauselijke
decreten, welke bet heiligdom als een stralenkrans omgaven,
een vermeend nut voor hun zielenheil verwachtten , of zelfs ,
in vromen waan, van de wonderdadige „Lieve Vrouw te
Lask", die daar zoo vriendelijk op do menigte nederziet,
genezing van velerlei krankbedeu begeerden,
De priester vond het blijkbaar reeds eeu weinig vreemd,
dat de onbekende zonder kniebuiging al ilie heiligdommen
voorbijwandelde, en telkens slechts vroeg naar den ouden,
beroemden Primaat, die eens het wonderdadige kunstgewrocht
uit Rome van eenen Paus ten geschenke ontvangen , en de
kerk zijner geboorteplaats daarmede zooveel glans en rijkdom
verschaft had. Maar nog onderdrukte de eigene historische
belangstelling van den priester alle bedenkingen, die bij hem
tegen den ketter oprezen. Onder een levendig gesprek gingen
wij naar boven, naar de oude archief kamer, eene stoffige
rommelkamer, geheel doortrokken van dikke wierookwalmen,
die sinds tientallen en honderdtallen van jaren, zich uit de
kerk in deze bedompte ruimte hadden afgezonderd. De vloer
was met ijzeren koffers en houten kisten bedekt, „huisraad
der voorvaderen", voor den onderzoeker onopgedolven schat-
ten, die met hunne pauselijke zegels er zeer verleidelijk
uitzagen. Een paar vluchtig ingeziene oude rollen behelsdeu
27
ODbeduidende pauselijke volmachten aan de beroemde kerk.
De vraag naar documenten van den neef van den Primaat
bleef onbeantwoord; de priester wist niets van hem. Nu
moest er meer aangaande hem medegedeeld worden : dat hij
bisschop geweest en vervolgens protestant geworden was, en
dat hij, na in het buitenland tot hoog aanzien gekomen te
zijn, zich in het oude vaderland bijkans tot Reformator van
Polen verheven had. Dat was te veel voor den getrouwen
zoon zijner kerk. Het éénige, waartoe hij nog te bewegen
was, was de belofte, dat hij zelf naar levensteekenen van
den afvallige zoeken zou. Sedert zijn reeds jaren verstreken,
doch, in weerwil van gedane navraag, is de belofte niet
nagekomen. Wij kunnen het overigens in het midden laten , of
in de oude documenten, die aldaar sinds eeuwen zoo kakel-
bont in het stof begraven liggen, een of ander noemenswaardig
bericht aangaande onzen held kan gevonden worden.
Wij hadden ons voorgenomen, om te Lask nog eene andere
plek te bezoeken, ten einde, zoo mogelijk, oude sporen van
onzen held te ontdekken.
Niet zonder moeite werd tot dat einde een Joodsch in-
woner, hoedanige er, gelijk van zelf spreekt, in het Poolsche
landstadje zeer velen zijn , opgespoord , die zich nog uit zijne
lang-vervlogene jeugd de puinboopen van een oud slot in de
nabgheid herinnerde. Buiten het stadje , niet verre daarvan
verwijderd, hebben wij met zijne hulp de bedoelde plaats
gevonden. Door akkerland omringd, vertoont zich in eenen
schralen, verwilderden ooft- en moestuin eene zeer oude rij
boomen, naar allen schijn het overblijfsel van eene voor-
malige laan in een grootsch aangelegd park. De oorspron-
kelijke weg is door kreupelhout en in het wild gegroeid gras
geheel overdekt. Een nederig huisje strekt tot woning voor
den tuinman. Niet verre van daar staat een oud muurwerk,
dat tegenwoordig dienst doet als gemakkelijke en stevige
nigsteun eener voorraadschuur voor aardappelen en veld-
vruchten gedurende den winter. Het muurwerk, 13 ellen
lang, 4 ellen hoog, is uit groote steenen opgetrokken,
een onderbouw , die mogelijk eertijds een aanzienlijk gebouw
i
gedragen heeft, docli die heden ten dage nog slechts het
eenige, treurige overlilijfsel is van deu voorvaderlijken burcht
van bet eenmaal zoo hooggeëerde Poolsehe baronnengeslacht
der Laski's. Maar niemand in het stadje wist overigens iets
aangaande de familie; de naam zelfs zou verdwenen en ver-
geten zijn, indien het oord zelf dien niet bewaarde. Het is
eene pijnlijke gewaarwording! Trachten wij haar te verdrin-
gen door het bericht aangaande een beroemd lid der familie,
gelijk dat bericht door ons uit ver van elkander verwijderde,
vaak uiterst karig vloeiende bronnen werd samengesteld.
Verre terug, op zulk eenen afstand, dat alle voorwerpen in
den blauwen nevel van het verschiet ïneenvloeien , verplaatst
de sage den oorsprong van het geslacht Laski. Wij lieten ons
een oogenblik door haar leiden; maar zoo vaak wij eene aan-
duiding hebben nagegaan, inzonderheid waar zij met de grootste
verzekerdheid Engeland als de bakermat van het geslacht
aanwees, altijd kwamen wij na eene wijle ontgoocheld terug.
Hetgeen de ongeloofwaardige Damalewicz '), in den droog-
sfen, kroniekachtigen stijl mededeelt, mist allen historischen
steun. Deze katholieke berichtgever uit de zeventiende eeuw
laat — echter zonder eenige opgave van bronnen ^den stam-
vader des huizes, eenen Indelbertus Laski, met Willem
den Veroveraar uit Normandië naar de Angelsaksische kust
oversteken, en hem, ala loon voor zijne onversaagde dapper-
heid in den slag bij Hastings (in den jare 1066), met het
kasteel l'ounfret en met het gebied van Blackbumshire be
giftigd worden. Zijnen kleinzoon Hendrik maakt de fabel-
achtige bron tot stichter van de abdij Christal. Een latere
nakomeling — zóó gaat hetzelfde praatzieke bericht al keu-
velend voort, — Albort Laski, Baron van Haulton en
1) Het nog ongodrnkte bericht is Ie viodon in de TeMunolinK nn hmd-
«chriften dpr KoirerlijbB bibliotheeli te Poteraburg (Q. I. ar. 47): 8t<iph«n
DftDialewici. Histori» imRgiaia B. T. M. minwoloiBB iu oppido Luko in
PolKtinktu Sindieiui 'ia Falaaia. 1663.
i
J
29
Gonnetable Tan Chester, moest Engeland verlaten, omdat
hij koning Jan betichtte van den gepleegden moord op zijne
koninklijken neef. De vluchteling begaf zich naar Polen,
alwaar hij door den moedigen, ondemeemzieken Boleslaw
Krzynousty met open armen ontvangen werd. ^). Als een
waardige nazaat van zijnen stamvader in Engeland, zal de
nieuw aangekomene zich zoozeer door dapperheid onderschei-
den hebben, dat hij in zijn nieuwe vaderland met rijke goe-
deren beleend werd. Reeds zijn kleinzoon Robert wordt
lot Burggraaf („Kastelein") van Sieradz gestempeld, één van
de hoogste posten des lands, welke aan ieder, die hem op
zijne beurt bekleedde, tot taak stelde om de rechten van
den Vorst in het betrokken gebied uit te oefenen. Hier in
Polen — zóó zegt Damalewicz — werd dan ook het overoude
wapenbeeld veranderd. Uit haar vaderland Normandië had
de familie het heraldieke teeken van eenen Leeuw met zich
naar Engeland gebracht; deze maakte, van nu af aan, plaats
voor het „Schip", waarmede de uit Engeland vluchtende
stamvader, als door een gelukkig gesternte geleid, naar
Polen's gastvrije kusten gestevend was.
Deze nevelgestalten van fabelachtige voorvaderen verdwij-
nen bij het heldere daglicht van echte en geloofwaardige
oorkonden. In deze treedt — naar mijn weten als de eerste
van het geslacht — Jo hannes op, wegens zijne lichaams-
gestalte „de kleine" genoemd. Bisschop van Erakau, die in
1392, na vele bezoekingen, die hij geduldig verdragen had,
uit het leven scheidde. ^) Deze bisschop wordt als een geleerd
heer geroemd; behalve dat hij eene uitgebreide theologische
1) Het is nauwelijks de moeite waard , om de ongerijmdheid van het Peters-
Vurgfche handschrift in bijzonderheden aan te toonen. Een yluchti/y;e blik
op de daarin voorkomende historische namen doet zien, hoe jammerlijk de
zaken dooreengehaspeld zijn. Bij koning Jan is slechts aan den trouweloozen,
ipruwzamen „Jan zonder land" te denken, die omstreeks 1213 zijnen ongeluk-
kigen neef Arthur zal hebben omgebracht. Boleslaw Krzynousty daarentegen
■tierf reeda in 1139; en nu verhaalt het handschrift zelfs, dat Bobert Laski
reeds in 1081 Palatijn van Siradifi, en zijn zoon Bobert in 1H3 Bisschop
▼an Krakau geweest is.
2) Pomniki, III, 264, 371.
30
kennis bezat, onderscheidde hij zich ook als een vermaard,
en door zijnen koning, Lodewijk, hooggeschat geneesheer.
Tevens mocht zijn bisdom zich op vele voordeelen van zijne
zijde beroemen. Zijn hro^er Albert overleefde hem gedu-
rende ongeveer het vierde deel eener eeuw. Hij was erfheer
van Laak en Krowicz, en van 1391 tot aan zijnen dood,
1417 , Burggraaf van Lec^yc (Ladensis), ') Hij stierf in zijnen
sterken burcht Smarszew; zijn zoon heeft hem in het familie-
graf, bij de Minorieten te Kalisch, ter aarde besteld. Hij vras
gehuwd met Kathariua, de adellijke dochter van den Banier-
drager van Sieradz; op zijnen zoon Johannes (139.3- — ^1451)
ging de hooge waardigheid van den schoonvader over. Als
zoodanig zag Johannes Laski zich verplicht, om in den slag
de banier van dit palatinaat te dragen, een hoogst gevaarlijke
eerepost, dien de moedige man, in de onrustige dagen van
Wladislaw III en van Kasimir, waarschijnlijk menigmaal heeft
waargenomen. Onder zijn bestuur werd het dorp, dat bij het
familieslot Lask gelegen was, tot eeiie stad verheven (1422).
Na den dood zijner vrouw Anna (144^) ondernam de strijd-
bare vrome held, die reeds een goede vijftiger was, eene
bedevaart naar het heilige graf. Als „miles Jerosolimitanus"
keerde hij van d^ir weder; op de terugreis werd hij te Nico-
medië ziek, en verloor het gezicht. BÜnd werd hij nog naar
Lask gevoerd, alwaar hij spoedig daarop stierf; zijne vier
zonen, Andreas, Johannes, Matthias en Peregrinus,
hebben hunnen vader in de kerk te Lask begraven (1451).
Nog Vüoi-dat de vader zijnen pelgrimstocht had aanvaard,
had hij zijnen zoon Andreas met Barbara, uit het adel-
lijke geslacht Rembieszow (Randyeszow), in den echt zien
treden. Behalve een paar dochters , van welke echter slechts
flauwe sporen , nauwelijks meer dan gissingen , tot ons geko-
men zijn , ontsproten uit dit huwelijk vier zonen. De oudste,
naar zijnen vader Andreas geheeten, was Custos van Guesen,
1) Ik Tolg liierbü de iii hsndsolirift i66r mij llggendo „Oeneslogis farailiae
Lukï de atemniBte Eorab, oHuudae ei oppido Lask ïd ontiqua Palatmatu
Siradienii silo, titulo Comitum in eodem Liuk coudecoratite couquiaita et
ntncU el aotia terreitribu* et cutrenaibua." Verg. ook Hecbari, VI, 207.
31
Erakau en Cujavië, en bezat een kanonikaat in Posen. Toen
\üj in 1512 stierf, werd hij door zijnen broeder in de
kathedrale kerk te Gnesen begraven. Deze zijn broeder,
Johannes, in 1456 op het stamgoed te Lask geboren,
Torkre^ de hoogste geestelijke waardigheid in Polen, en
stierf als Aartsbisschop van Gnesen, in het jaar 1531. Wij
sollen in het vervolg dikwijls op hem moeten terugkomen.
Van den jongsten broeder, Michaël, die vroeg schijnt ge-
storven te zijn, valt niets te vermelden. Zijn oudere broeder,
Jaroslaw, de vader van onzen held, treedt bij onze beschou-
wing op den voorgrond. Hij was erfheer van Lask. Van
1492 tot 1506 ontmoeten wij hem als Tribuun van Sieradz, in
welke betrekking zijn jongere broeder hem opvolgde, toen hij
zelf Palatijn van Leczyc geworden was. Elf jaren later is hij
Palatijn van Sieradz, in welke waardigheid hij in 1523 stierf.
Als Palatijn of Woiwode was hij aanvoerder van de troepen van
zijn district in den oorlog; in tijden van vrede riep hij den pro-
vincialen raad van den adel bijeen, in welke vergaderingen
hij den voorzittersstoel innam en rechtsprak. Hij moest den
prijs der koopwaren bepalen, en had het toezicht te houden
op maat en gewicht ; de Joden van het district stonden onder
zijne bescherming. 1 ) — Onze Woiwode, die hoog in aanzien
stond (die van Sieradz nam, in de rangorde der 31 Palatijns
van het land, in den Senaat de zevende plaats in), was,
sinds het jaar 1493, gehuwd met Suzanna van BakowaGora,
uit de familie Nowina of Ptomicnczyk. ^) De beide echtge-
nooten bevonden zich meestal op den vaderlijken burcht te
Lask, alwaar ook vermoedelijk de meesten hunner kinderen
geboren zijn. Drie zoons en vier dochters kwamen uit dezen
echt voort De sporen der dochters zijn bijkans verbleekt;
aan den levensavond van onzen Johannes zien wij eenige
neven hunnen teruggekeerden oom begroeten. Over den mid-
delsten der drie zonen handelt onze geschiedenis.
1) Cromer, S. 507.
2) Aeto Cftp. Gnesn. I, 49.
Johanaes a Lasco aanschouwde het levenslicht op den
burcht zijner vaderen, waarschijnlijk om'itreelts het jaar 1491). i)
Hier, in het schoon-gelegen slot, bracht de knaap, in ver-
eeniging met zijne ouders, eu in den omgang met zijne broe-
dera eo zusters, zijne kindsheid door. De Poolache jeugd
dier dagen werd in groote ïreee eu diepen eerbied voor vader
en moeder opgevoed. Het werd als eene onderscheiding be-
schouwd , om langen tijd bij de ouders te mogen vertoeven ;
in zulke groote huizen toch bevonden de kinderen zich meestal
op hunne bijzondere kamers, alwaar xij aan de hoede van
dienstijodcn en opvoeders Wiiren toevertrouwd. Niet zelden
kon men op de goederen, nevens het heerenhuis of het
eigenlijke slot, een bijzonder gebouw opmerken, dat tot
woning voor de kinderen diende , en van waar uit zij slechts
1) Met Totkomene leïerhejd kan zulks aiet gezegd worden, dooh wel
met de grootste waarsaliiJDliJklieid. In liet loogeimnmde Notitiebo^k lan Mnt-
thiaa Driewicki, dat in het arphief der kathedranl Ie Gaeaeu bewaard wurdt,
vindt men liet jaar 1496 ala geboortejaar OBDgcteekend. Die korte aauteeke-
ning in het huiBboek van den oamiddullijken opvolger vtm Laaki a|> den uarta-
bisBchoppelijken aCoe! heeft iets verleidelijka. DriBwicki wa» in de gelegenlieid ,
oro nauwkeurige berichten aangaande zijnen afTalligen Deken te ïorkrijgen;
de aldua gewoDDen drie jaren zoudun met de berukening ean zijn bezoek naa
de unireraiteit , IS13, beter OTereenkomea , ook wanai^r hij ia 1521, bereids
sU Delcgaat lan het Met ropolitnsn -Dom kapittel thd Oiieeen, saa de gewes-
telijke synode te Petrikan deelneemt. Mnar doie jonge jaren yormen, wet
betrekking tot dien tijd, gpcn unoïerkoraelijken hinderpaal. Wij geioeleo ons
daaroiD verplicht, iu weerwil van de sebriftelijk geopperde belangrijke beden-
kingen van den met de getiehiedeiiis der Oneaenaehe geestelijkheid meent ver-
trouwden oudenoeker, dan Domcapitnloria , Licentiaat Korjtkowaki, ona ttan
den gewonen dalun te houden. De later te vermelden aynodale protocoüen
van 1560 leggen uitdrukkelijk, dat Laiki iu den onderdom van 61 jaren ge-
itorren is. Tolgeua eeu gedenkpenning met zijn borstbeeld, die in mijn bezit
i», zal hij zelfs eont in 1S57 den leellijd van 56 jaren gehad hebben, doch
dit ie zeer zeker eene dwaling. (Torgel. den afdruk bij Racijnaki, I, 169.)
De gewone ouderstelUug, volgens welke hij te Warschau geboruii ia, bemst,
naar bet achijnt. op wankelen grond. Herhaalde navariehingeu, t^ Warschau
bewerkstelligd, hebbeo mij niets doen ontdekken, dat deze oude ra telling beves-
tigt. De doopaclen te Laak bevatten uit dien tijd geene inanhruving betref-
fende de slotbewonera , wellicht omdat de oom den doop liad voltrokken, en
hij dien vervolgena te G-neasn of te Poeeii heeft doen iuachrijven. Wil men
nii eenmaal eene andere geboorleplaal* trachten te vinden, zuo zou die nog
eerder te Crakau, dan te Waraehan te zoeken zijn.
33
tot hanne ouders kwamen , om hun als het ware een bezoek
te brengen.
De eerste levensjaren zijn waarschijnlijk voor de kinderen
ongestoord en te midden van een frisch, vroolijk landleven ver-
streken. Ging het ook in het heerenhuis, bij de groote gastvrij-
heid des lands » bij de talrijke familiebetrekkingen , en den hoogen
rang 9 dien het hoofd van het geslacht bekleedde, niet zelden
levendig en loidruchtig toe, zoo drong nochtans weinig daar-
van tot het verblijf der kinderen door, die van het gedruisch
en de verstrooiing van het gezellige leven verwijderd gehouden
werden. Vroegtijdig nam het onderwijs van de kinderen
eenen aanvang. In de steden waren scholen, of men zond
de aankomende jeugd naar de dichtst-bij gelegene klooster-
school; de gegoede adel nam een jongen priester of een
opvoeder in huis, aan wien alsdan de geheele leiding werd
toevertrouwd. De adellijke jeugd werd, in die dagen, met
groote zorgvuldigheid onderwezen. Vooral aan het aanleeren
van de Latijnsche taal werd veel moeite besteed -, de knapen
en meisjes namen gemeenschappelijk daaraan deel, en beide
geslachten verkregen zulk eene vaardigheid in het Latijn,
dat zij zich met gemak, zoowel in het mondelijk^ als in
het schriftelgk verkeer, van deze vreemde taal bedienden,
die hun meer bekend en gemeenzamer was, dan de klank
der moedertaal.
Zelden kwamen de kinderen, zoolang zij klein waren,
buiten den ouderlijken burcht. Zij leefden daar in hunne
eigene wereld , van alles afgezonderd en op zich zei ven ; met de
lieden daarbuiten kwamen zij bijkans in het geheel niet in aan-
raking. Het opgaan naar de kerk, wanneer zij op den leeftijd
kwamen, om derwaarts te worden medegenomen, voerde hen
voor de eerste maal in het stadje, voorbij de vreemde lieden.
Dan viel ook voor hen de ophaalbrug aan de slotpoort, en
over den wal en de gracht, die den ouderlijken burcht tegen
iederen plotselingen overval beschutten, mochten zij naar
buiten in de vreemde wereld. Met eene gracht was ook het
stadje tegen overrompeling beveiligd. Bij zulk eenen kerk-
gang hadden de kinderen vroegtijdig gelegenheid, om den
DAXTOV. 5
'34
armzaligea toeetiDd der bewoners op te merken, die uit
hunne ellendige hutten naar liuiten traden, wanneer de zonen
van den slotheer voorbijgingen , en hen in diepe onderwor-
penheid groetten. Hier waren het de arme, vreesachtige
Kmeten, boeren, die zonder eenigen gron'i in eigendom te
bezitten, torh met een zeker erfrecht op hun hof. aan hun-
nen landheer cijns- en dienstplichtig waren; ginds de aan-
hoorigen van het goed . die in eenen toestand van nog zwaar-
der verdrukking leefden, geringe handwerkers en leenmannen,
die als brouwers, bakkers, kunstdraaiers, steenbakkers, bosch-
wachters, hond en op passers, paardenknechten enz. hunnen heer
ten allen tijde moesten ten dienste staan, en buitendien nog
eene zware schatting hadden op te hrengen.
Bij de ellendige aar<!en en bouten hutten van het stadje
stak de steenen kerk inil ruk wekkend af, die als een bij-
kans bevreemdend sieraad in die armoedige omgeving, zelfs
het heerenhuis in zijn uitwendig voorkomen overtrof. Het
moest eenen vroegtijdigen en duurzaoien indruk op het
vroom gemoed der kinderen maken, als zij bespeunlen, hoe
hoog in eer het heiligdom van het godshuis gehouden werd ,
en met welk eene offervaardige zorg zich de familie aan de
verfraaiing der kerk gelegen liet zijn.
Hun grootvader Andreas, zóó werd aan de opmerkzaam
toeluisterende kinderen verhaald, had, reeds meer daneene
halve eeuw geleden , eene steenen kerk , die aan de heilige
Anna was toegewijd, op dezelfde plek gebouwd, waar vroeger
een klein , armzalig kerkje van den heiligen Michael gestaan
had. Nog grootere offers en tevens bepaalde kunst werden
door zijnen zoon, hunnen oom Johannes, juist in dien tijd
aan de kerk van zijne woonplaats ten koste gelegd. Met
zijnen levendigen familiezin, met zijne innige gehechtheid
aan zijne geboorteplaats rustte hij niet, voordat hij aan de
kerk zijner kindsheid verhoogden glans en roem verleend
had. Hij zette het door , dat in den jaie 150Ü , de Aarts-
bisschop van Gnesen bij de kerk een collegiaat-sticht vestigde.
Zoodra hij zelf aartsbisschop geworden , en van zijnen tocht
naar Rome teruggekeerd was, liet hij, ten deele door Italiaan-
35
sche bouwmeesters in Krakau, de kerk verbouwen en ver-
grooten. Het vernieuwde gebouw ontving den naam van kerk
van de onbevlekte ontvangenis der maagd Maria en van den
heiligen Michaël. Als grootste heiligdom, behalve vele andere
rehquieën en kostbare vaten, schonk hij haar het beeld van
Maria , uit wit marmer vervaardigd , dat hem , den getrouwen
katholiek , door Paus Clemens VII geschonken was , en waar-
van het spoedig — gelijk wij reeds gehoord hebben — in
den bijgeloovigen omtrek ruchtbaar werd, dat het een won-
derdadig beeld was, en dat hulpelooze kranken door zijne
aanraking genezen werden. Allerminst tot nadeel voor
LaskI Want vele tientallen van jaren achtereen ging men
uit verren omtrek ter bedevaart naar het beeld, dat heden
ten dage slechts weinig meer bezocht , en welks hulp slechts
zelden ingeroepen wordt, verscholen als het daar is in het
door de wereld vergeten vlek, en bovendien nog verborgen
achter het altaarstuk, zoodat het slechts aan den kundige
zijne schoone trekken vertoont. Menige andere vrome stichting
van zijnen oom, zooals die kostbare Monstrans, kon den
knaap de getrouwe verknochtheid der zijnen aan de Kerk
voortdurend in herinnering roepen. Tot aan zijn einde bleef
de Aartsbisschop deze offervaardige liefde koesteren. Nog
terwijl zijn neef den omgang met Erasmus genoot, vergrootte
hij het vóór twintig jaren gestichte college tot eene der-
gelijke inrichting voor prelaten en kanunniken. Ia de kerk
koesterde onze Johannes de eerste droomen en gedach-
ten in zijn vrome kinderhart, dat ook hij, door de zijnen
voor de geestelijke loopbaan bestemd, eenmaal zijne krach-
ten, ten behoeve der Kerk, gewillig aan God had toe te
wijden, terwijl hij destijds ook met kinderlijk verlangen be-
reid was , om zulks op het voetspoor zijner vaderen te doen.
Want in andere vormen en op eene andere wijze kon hij zich
geen godsdienst denken; deze vervulde geheel zijne jeugdige
ziel. Wel trok reeds een andere luchtstroom door menig
kerkgebouw, ook in Polen, gelijk aan den zacht wegstervenden
toon eener Aeolusharp. Wij hebben echter geene aanduiding
gevonden, dat het oor van den knaap, ook reeds in de kerk
3*
36
van den Kanselier te Lask, dien wonderbaar aangrijpenden toon
heeft opgevangen, welke b. v. in het schrijven van Bern-
hard van Lublin aan Sinion van Krakau verneembaar
was, nog voordat Luther zijue Stellingen aan de slotkerk te
Wittenberg had aangeslagen, dat men alleen het Evangelie
geloovig heeft aan te nemen, en dat alle menschelijke instel-
lingen ook zonden kunnen worden opgeheven.
Slechts hunne kindsheid brachten de knapen in landelijke
afzondering op het stamgoed te Lask door. Wellicht reeds
sinds de kroning van koning Sigismnnd (1507), of anders
eerst sinds hun oom aartsbisschop van Gnesen geworden was
(1510), liet deze zijne neven in zijne aartsbisschoppelijke re-
sidentie te Krakau tot zich komen, ora hun aldaar, meestal
onder zijn toezicht, eene hoogere opvoeding te laten ten deel
vallen 1). Met groote liefde was de Aartsbisschop aan zijne
familie gehecht, inzonderheid aan zijnen broeder , den Palatijn
van Sieradz, en diens talentrijke, hoogbegaafde zonen. Gaarne
liet de vader aan den Rijkskansetier , ook nadat deze vervolgens
aartsbisschop geworden was, de vrije hand in de opvoeding
van zijne zonen. De Aartsbisschop behoorde, in die dagen,
tot de beroemdste persoonlijkheden aan het Poolsche hof.
Zijne groote verdiensten ten opzichte van zijn vaderland had-
den hem die hooge waardigheid als Primaat des rijks be-
zorgd , en hij bekleedde dezen rang op schitterende wijze ,
gelijk een aanzienlijk kerkvoogd en uitstekend staatsman past.
Reeds koning Kasimir wenschte den schrijver en kanselier
van zijnen rijkskanselier aan zijnen onmiddellijken dienst te
verbinden, en evenzoo ook, maar insgelijks voorshands te
vergeefs, koning Johan Albrecht. Enkele gezantschaps-
reizen kon Laaki intusschen niet van de hand wijzen. Hij
bevond zich te Rome, toen de troepen van Karel VIII de
stad inrukten (1494), en eene tweede maal bij het groote
jubelfeest (150Ü); evenzoo zien wij hem, in 1497, te Brussel.
37
In 1502 wordt hij eerste geheimschrijver des Eonings , en in
het volgende jaar reeds rijkskanselier. Wij kunnen den bui-
tengewonen man niet van schrede tot schrede volgen bij al
die werkzaamheden , door welke hij zich in deze waardigheid
zoo hooge verdiensten ten aanzien van koning en vaderland
verworven heeft , totdat hij, op den leeftijd van nog slechts
54 jaar, de hoogste waardigheid in het rijk verkreeg.
In hem aanschouwen wij het belangwekkend beeld van
eenen invloedrijken kerkvorst uit dien tijd. Zijne beteekenis
ligt veel meer op staatkundig, dan op kerkelijk gebied. Met
groote schranderheid neemt hij zijn aanzienlijk ambt waar,
en is daarbij ten allen tijde door warme vaderlandsliefde be-
zield. Bij zijne handelingen laat hij zich in de eerste plaats
besturen door zijne beschouwingen als PooL Als zoodanig
geeft hij den Koning zijnen raad, als zoodanig verheft hg
zijne indrukwekkende stem in den senaat, gelijk op de bij-
zondere landdagen. De Kerk is hem, voorzeker, allerminst
onverschillig. Hij is een Poolsch katholiek , en wil niets an-
ders zijn, dan dit. Innig en trouw is hij aan zijne Kerk
verkleefd , en ook aan hare zoo grove dwalingen , gelijk aan hare
zoo bijgeloovige gebruiken dier dagen , terwijl zijne geestelijke
ambtgenooten te Rome daarvoor denzelfden medelijdenden glim-
lach overhebben, als voor de waarheden van het Evangelie.
Het is niet slechts overleg, dat hem^ met gunstig gevolg,
voor zijne uitgave van de staatswetten eene goedkeurende,
pauselijke Breve doet aanvragen; hij wil niets gedaan hebben,
wat den Paus onwelgevallig zou kunnen zijn ^). Evenmin is het
bij hem slechts navolging van een overgeleverd gebruik , maar hij
koestert werkelijk de vrome meening ^ dat hij in meer ge wij-
den grond zal liggen ^ wanneer hij aarde uit Jeruzalem en
van den grafheuvel van den heiligen Gregorius voor zich
medebrengt, en die buiten, vóór de kathedraal te Gnesen,
1) Verg. Theiner, II, 362; waaruit blijkt, dat de AartsbiBschop het La-
teraansohe concilie niet Torlaien beeft, zonder yan Leo X de absolutie yer-
kregen te hebben yoor alle feilen, die somB in deze yersameling yan wetten
mochten gevonden worden.
laat ophoopen ter plaatse, waar eens zijn gebeente zal rusten.
In eene werkelijk goilsdieiiatige stemming neemt hij de reli-
quieën in ontvangst, ilie men hem te Rome vereert; hij heeft
voor zulk eene gave geen vernuftige scherts bij de hand.
Niet om met zoodiinig goochelspel eene bijgoloovige menigte
te esploiteeren , en er een aanzienlijk voordeel voor den eige-
nen Iniidel uit te trekken neemt hij die reliquieëu met welge-
vrtlleu aan, maar hij voert ze als kostbare herinneringen
met zii'h naar zijn vaderland , en is zelf één der eersten ,
die bereidwillig de knie voor het heiligdom buigen, i) Met
allen ijver stelt hij zich. in de bres voor do rechten zijner
Kerk, en wil haar tegen het gif der vakche loer hesnhutten.
Zijn vrome, gehitene, Slavische geest behoedt hem voor den
waan, alsof zulk eene beschutting in den brandstapel gelegen
is, die het lichaam van ileo ketter verteert,
Als een Poolscb kerkvorst leefde de Aartsbisschop op eenen
grooten, schitterenden voet. Het is eene breede lijst van
kostbaarheden, die hij in een testament aan vi-ienden en
verwanten vermaakt. *) Die lange litanie doüt ons haast
vergeten, dat het de nalatenschap van eenen dienstknecht
is, wiens Meester, armer dan vos en vogel, niet had, waar
hij zijn hoofd zou nederleggen. Zijne waardigheid noodzaakte
hem, om niet" enkel te Gnesen zijne hofhon<iing te hebben;
oük te Krakau had hij zijne residentie, in welke de aanzien-
lijksten des lands uit- en ingingen.
Naar laatstgeuoemdo stad liet hij zijne drie neven over-
komen, toen zij de jaren bereikt hadden, dat zij eene hoogere
opvoeding moesten ontvangen, ten einde hen voor de loop-
haan te bekwamen, die hij, in overleg met hunnen vader,
voor hen gekozen had. Hieronymua en Stanislaus waren
voor eene poHtieke betrekking liestemd, terwijl voor onzen
Johannes, die ook de lieveling van zijnen oom schijnt ge-
weest te zijn , reeds vroegtijdig aan eene kerkelijke loopbaan de
1) Zoo fiertt hij ook, bij gulegenlieid rnn nijne rei< nmir Bomc. in 151&,
(OOP de licEOelters van de kafliedraal, hijnldien ilj bepimlde ïoopaehriftBn
in «cht namsn. uiteebreide ailrvtcn verworreo. Zie TliBiiier, II, 564.
2) Verg. Zeiflsberg. Ü. J08, ï.
39
voorkeur gegeven werd. Wij hebben ook zelfs niet den minsten
grond om te meenen , dat de neef zich met tegenzin aan zooda-
nig besluit onderworpen heeft. In hooge mate had de goddelijke
genade hem tot het voortreffelijk ambt toegerust, al zou hij
het ook zoo geheel anders vervullen , dan de oom , dien men
niet onverdiend van nepotisme beschuldigd heeft , ten zijnen
aanzien gedroomd had. Hoe menigmaal heeft hij wellicht
in die dagen den stillen, zachtaardigen knaap met zijne
groote, vrome oogen, vriendelijk aangestaard, als den erf-
genaam , niet alleen van den naam , maar door zijnen mach-
tigen invloed ook eenmaal van zijne waardigheid.
Het was eene groote verandering, inzonderheid voor het
vatbaar gemoed van een knaap ^ om uit de stilte van het land-
leven, uit de afzondering van den vaderlijken burcht, op een-
maal in het levendige Krakau en in het paleis van den hoogaan-
zienlijken aartsbisschop verplaatst te worden. Krakau door-
leefde destijds de dagen van zijnen hoogsten glans. Koning
Kasimir de Groote, die de stad zoozeer bemind had, had
haar, bij zijne troonsbeklimming , uit hout en leem gebouwd
aangetroffen, doch haar, bij zijnen dood, uit steenen gemetseld
achtergelaten. In de voorafgaande eeuw was de welvaart der
stad in buitengewone mate toegenomen, en hand aan hand daar-
mede een opgewekte lust tot het stichten van grootsche ge-
bouwen , die een schoon getuigenis van den levendigen kunstzin
afleggen , welke aan dezen rijkdom eene duurzame uitdrukking
zocht te verleenen. De zoo geheel veranderde omstandig-
heden der laatstvoorgaande eeuwen hebben deze uitdrukking
niet geheel en al kunnen uitwisschen. Ook nog heden ten
dage bUjft de stad met hare oude, aanzienlijke gebouwen
onze belangstelling boeien, en de oudheidkundige ontdekt nog
menigen trek, die hem de schitterende dagen uit den tijd
der Jagello's vertegenwoordigt. Eén trek, die inzonderheid
veelbeteekenend heeten mag, is ook thans nog te bespeuren.
De dubbele strooming namelijk, die het geheele leven van
den Poolschen staat en van het Poolsche volk destijds door-
drong, heeft in de gebouwen der stad eene uitdrukking
vol leven verkregen. Op den Wawel, waar het trotsche slot,
en op het slotplein de dom zich verheft, aldaar heeft de
I'oolsche Koning zijne paleizen geboawd, en iii aansluiting
aan hem , aan den voet van den heuvel en in enkele aan-
grenzende straten , de hooge adel en do hooge geestelijkheid.
Beneden, in de eigenlijke stad, trok de Duitache handelaar
en handwerker zijne gebouwen op, die op welsprekende wijze
van zijnen rijkdom, maar ook van zijnen burgerzin, van zijn
zelfgevoel getuigen. Onder de bouwheeren ginds op den heuvel
treedt vooral meester Bartholomeus van Florence op den
voorgrond , die de kapel der Jagello's, een pronkstuk der Re-
naissance , voltooide. De Duitschers , beneden in de stad , waren
uiet ingenomen met den nieuw-opkomendeu stijl, noch met
de vreemde meesters uit Italië; de kunstenaars, welke zij
van ooode hadden, ontboden zij uit Neurenberg. Jaren ach-
tereen heeft, in bet genot van eene schitterende bezoldiging,
de hoogberoemde meester Veit Stoss voor hen aan zijn
hoofdwerk, het hoogaltaar in de Mariakerk op het markt-
plein, gearbeid. Zij hadden groote voorrechten verkregen,
deze Duitsche kolonisten te Erakau; zij bezaten hun eigen
stadsrecht, en vormden bijna eenen zelfstandigen staat in den
staat. Zij gingen niet op in Poten , maar leidden in het land
een leveu op zich zelf, zoo geheel gelijk het door de physi-
ognomie der stad werd aangeduid. In de benedenstad , op
het marktplein, waren zij hunne eigene heeren, en slechts
de koninklijke residentie op den Wawel verhief zich boven
hen , terwijl zij door dezelfde borstwering van den stadsmuur om-
geven waren. De vreemdeling , die Krakau bezocht , waande
zich in Neurenberg verplaatst. De lieden op de straten onder-
hielden zich in zijne vadorlandsche klanken. De ontzaglijke
handel, die in dit toenmalig brandpunt van het verkeer tus-
schen het Oosten en het Westen , beide te water en te land ,
zoo uiterst levendig was, berustte in Duitsche handen. Ook
het bloeiende handwerk was op zuiver Duitsche leest ge-
schoeid, met de oude, op vasten voet ingerichte gilden des
vaderlands, in welke de van oudsher gewone, nauwkeurig
geregelde instellingen en gebruiken der Duitsche burgera
werden in acht genomen.
41
Overal op de straten, in de huizen, in de gildekamers
en hallen heerschte het opgewektste , bedrijvigste leven. Het-
geen in deze dagen, juist in eene stad als Erakau, gunstig
in het oog moest vallen, het was, nevens de schitterende
pracht en heerlijkheid der residentie van eenen Koning , wiens
stem zoo veelvermogend was in den kring der gekroonde
hoofden, meer bepaald het krachtig optreden van het bur-
gerlijk element, dat zich van zijne beteekenis volkomen be-
wust was, en met fierheid, ook tegenover eenen trotschen
adel, zijne rechten wist te doen gelden. Op dusdanige wijze
kwam genoemd element intusschen volstrekt niet overeen met
de overige toestanden in het land. Destijds ook wist men
nog niet, dat de adel, die zooveel machtiger was, tot ver-
derf des lands dit zoo gewichtige element allengs van zijne
voorrechten berooven en het geheel verdringen zou.
Met groeten ernst en met nauwlettende zorgvuldigheid
hield de oom het toezicht over de opvoeding zijner neven,
die aan zijne hoede waren toevertrouwd. Hij eischte veel
van hen en daarbij strenge tucht, omdat hij van zins was,
om hun eenmaal veel te schenken , en hij dit slechts
doen wilde aan mannen, die door hunne kracht en be-
kwaamheid geroepen zouden zijn, om een sieraad van hun
vaderland te worden. Krakau bezat in die dagen reeds
zeer flinke scholen; de Aartsbisschop gaf echter, gelijk zulks
bij den hoogen adel het gebruik was, voor zijne pupillen
de voorkeur aan eene huiselijke opvoeding, die dan aan
eenen paedagoog werd toevertrouwd. Dit werd hier des te
meer gevorderd, daar de oom dikwijls en gedurende langen
tijd zich in andere oorden moest ophouden , terwijl voor zijne
neven Krakau de vaste woonplaats bleef. Zulk een opvoeder
werd als een lid der familie beschouwd. Jaren lang bleef
hij in het huis, begeleidde de zoons naar de universiteit,
en vond dan in den regel ook op zijnen ouden dag de eene
of andere bezigheid, gewoonlijk als secretaris of als rent-
meester bij zijnen vroegeren kweekeling, en dan ten laatste
eene vriendelijke verzorging. Wellicht mogen wij, reeds ge-
43
durenile Jen tijil van hun verblijf te Knikau. denzelfden
Johannes Braniczky ala dezen paedagoug der knapen
beschouwen, dien wij als hun begeleider te Bologna weder-
vinden, dien daarop later de oudste der broeders, Hiero-
nymus, onder zijne huisgenooten („familiai'is") opgenomen,
en Tan wien zich ook de oom niet zelden , als van een soort
van vertrouwd personage, bediend heeft. ')
Ondanks ijverige navorschingen ontbreken ons onmiddellijke
berichten, aangaande den gang van het onderwijs bij onze
knapen in het aartsbisschoppelijk paleis. Daar wij echter
geenen grond hebben om aan te nemen, dat het genoemde
onderricht zich wezenlijk zal hebben onilerscheiden van dat,
hetwelk de jeugd t(( Krakau in den toenmaligen tijd gewoonlijk
ontving, zoo mogen wij de verkregene indrukken, betreffende
den heerschenden vorm van het onderwijs, ook op het onder-
richt der neven toepassen. Eene voorzeker niet onjuiste
voorstelling verkrijgen wij uit de in die dagen te Krakau
verschenen leerboeken , die in hunne titels en zelden ontbre-
kende opdrachten spraakzamer zijn, dan onze hedendaagsche
schoolboeken, en den onderzoeker alzoo, op naïeve wijze,
met menigen belangwekkenden trek bekend maken. Een
opgewekt leven heerschte. ook op dit gebied, in de hoofdstad
van Polen bij den aanvang der zestiende eeuw. Reeds spoedig
na de uitvinding der boekdrukkunst hadden leeriingen dezer
kunst nich naar Polen begeven, bijna louter Duitschei-s, gelijk
van zelf spreekt, znoals ook de namen Ilaller, Houhfeder,
ünger, Scharf fenberger enz. te kennen geven. Hunne
werkplaatsen hadden zij te Krakau gevestigd. In het tweede
vierendeel der eeuw begint hunne leveudigste werkzaamlieid
in het uitgeven van boeken; van 1470 — 1525 is het echter
ook geen gering aantal van werken, die op de boekmarkten
te Frankfort, te Leipzig, te Thorn eu elders voorkomen, en
die als plaats . waar zij gedrukt waren , het vergelegen Krakau
opgeven. Gelijk elders bij de herleving der wetenschappen,
zoo namen ook in Polen de di'ukkers en uitgevers, in den
l)Z
iiberg, 8. 694.
43
regel één en dezelfde persoon^ eene aanzienlijke plaats in
onder de humanisten. Met de eerste liefde voor de wonder-
bare kunst paarde zich bij deze mannen de levendigste geest-
drift voor het opnieuw ontwaakte leven der oude Romeinen
en Grieken. Zij droegen de bewustheid met zich om , dat zij
boven anderen geroepen waren , om het in breede kringen als
heilig beschouwde vuur aan te blazen. Nevens Aldus Manutius
te Venetië, en deFroben'ste Bazel, plaatst zich, wat Polen
betreft, als hun evenknie de boekdrukker Halier, wiens lof
nog op de titelbladen zijner boeken weerklinkt , immers in de
beschrijving, die men aldaar niet zelden kan aantreffen: dit
werk is gedrukt op kosten van den zeer edelen en humanen
man, den heer Johannes Halier, burger van Erakau, den
uitstekendsten beschermer der geleerde mannen. ^) Uit het
groote aantal leerboeken , die , inzonderheid voor de classieke
talen, in die dagen te Erakau verschenen zijn, mogen wij
eene gevolgtrekking maken ten opzichte van de toenmaals
bestaande navraag, en evenzeer uit de vroegtijdig alhier
vervaardigde uitgaven, zoowel van Latijnsche, als ook van
Grieksche schrijvers. Wat zoodanige uitgaven betreft, hebben
Johannes van Glogau, leeraar aan de universiteit, ^) en
Johannes Sommerfeld, leerling van Geltes, ^) zich hier
bijzonder verdienstelijk gemaakt
Het onderricht, hetwelk onze drie knapen, nadat zij van
het familieslot te Lask naar de stad waren overgekomen,
aldaar genoten, bewoog zich in hetzelfde spoor als tot dus-
1) „Impressum antem est hoc opus ad impensas optimi humanissimique
viri Domini Joaanis Haller Civis Gracoyiensis Tirorum doctorum fautoris
exoellentissimi." Yergel. Jocher, I, 72 en eld.
2) Vergel. b.y. Jocher, 1, 14, alwaar wij, in den medegedeelden titel
Tan een bij Haller, in 1504, yerschenen leerboek, aldus lezen: „ut igitur
ingeniosis adolescentibus ejusdem Forphyrii de qninque nniyersalibus intentio
reaolutior existat Ego magister Johannes Glogoyiensis almae florentissimaeque
uniyersitatis studil Gracoyiensis majoris Gollegii artistarum collegiatus pro
laude Dei famaque uniyersitatis nostrae in oommunemque adolescentum pro-
fectum magiKtri Johannis Versoris super yeteri arte quaestiones in leyiorem
modom resolyere institni.'*
3) YergeL Zeissberg (I), S. 407, en Jocher, I, 111.
V.
ü
ver I alleenlijk met verhoogdu eischen , die met de meer gerijpte
krachten in overeenstemming waren. De verschillende vakken ,
welke een jongeling te beoefenen had, die in dio dagen eene
hoogere , classiekc beschaving zocht te venverven , werden
in de beide hoofdafdeelingen dor Grammatica en der Dialec-
tica samengevat. Tot de rubriek der Grammatica werd ge-
bracht het aanleeren van de Latijnsche, en vervolgens ook van
de Griekache taal , alsmede de lectuur van die Latijnacbe en
Griekscbe schrijvers , wetke bij den leeftijd pasten. Als spraak-
kunst diende voor de knapen de kleine uitgave van „Donatus,"
aan wiens band reeds sedert duizend jaar de weetgierige jeugd
op het gebied dezer vreemde taal de eerste schreden gezet had.
Keeds in 1503 had Jo hannes Glogovienais de „achtdeelen
der taal" van dien ouden spraakkunstooaar voor de Poolsche
jeugd uitgegeven , „opdat de lust der nieuwelingen en de geest
der eerstbegionenden , naarmate zij van de lichtere tot de
zwaardere opgaven voortgaan, ook des te meer in opgeruim-
den ijver toenerae." Mogelijk heeft hij er wel aan gedacht,
hoe zuur het eenen levenslustigen jongen valt, zich met die
droge vragen gemeenzaam te maken; daarom roept de uit-
gever, reeds op bet titelblad, de hulp in van Christus Jezus
en van zijne moeder, de heilige maagd Maria, opdat het
begin der studie door hen gezegend worde, en da eeuwige
God met zijnen zegen die studie tot aan het eind begeleide i).
Nadat op die wijze den jeugdigen knaap een vrome moed ia
ingeboezemd, en bij het boekje, benevens eene daar.mn zich
aansluitende syntaxis — destijds het in 150-1 te Krakau ver-
schenen tweede deel van het handboek van Alexander Gal-
licus,^) — ten einde gebracht heeft, wordt het, met het
toenemen der jaren, meer en meer het doel, om zich de
1) Jooher, r. 59.
2) All attabeveliüg Tan deie ajntaiiB voegt de uitgever, Johaunea Oio-
(toviemi», het rolgoude hij den titel: „AleiBniiri Gallioi, quom plurimi
ordinia minuruni sacroe pngiiiae profBsaorem cicallontiaaimuni oatalogoque
aULClorum iiiscriptum affiraianl. Secuad» pHra dortriiialis uui de artiBoioaa
dictiouum ponalfuctioiie, ordiiic et rtgimine ciim compcadioan clacidatione
pro guniö
45
Latijnsche taal, in gebonden en in ongebonden stijl, in die
mate eigen te maken, dat men zich op eene gemakkelijke,
naar het voorbeeld van Cicero gevormde wijze van uitdruk-
ken, zoowel in het schriftelijk, als in het mondelijk verkeer
van haar bedienen kan. Ook hierbij ontbrak het niet aan
de noodige leerboeken. Er bestonden reeds verscheidene
handleidingen voor briefstijl („modus epistolandi'*), die aan
onze hedendaagsche „Briefschrijvers" doen denken, en aan-
wijzingen behelzen, wat het schrijven betreft, voor bijkans
alle toestanden des levens , in werkelijke of ook in ver-
dichte voorbeelden. Bovendien waren ook te Erakau reeds
verscheidene uitgaven van de Brieven van Cicero versche-
nen , met name van zijne ,,epistolae familiares" , over welker
ontdekking eenmaal Petrarca zich zoozeer verheugd had , ter-
wijl hij de grondige studie daarvan , ter verkrijging van eenen
goeden stijl, met bezielde woorden aan de jeugd had aan-
geprezen. Sommige van deze Poolsche uitgaven waren voor-
zien van nauwkeurige aanteekeningen en van eene bloemlezing
van classieke spraakwendigen als aanhangsel; en dat onze
Johannes zich reeds vroegtijdig in de kunst moet hebben
geoefend y dat toont zijne voortreffelijke schrijfwijze in latere
jaren.
Met deze drogere grammaticale studiën ging de lectuur
der classieke schrijvers gepaard. Een blik in de omstreeks
dien tijd te Krakau verschenen uitgaven verleent ons ook hier
eene nadere aanduiding, ten aanzien van de wijze, waarop
de Poolsche jeugd met de Latijnsche literatuur werd bekend
gemaakt. Reeds in 1510 ziet de onvermijdelijke „Eutropius"
het licht. Yito v. Fürst, keizerlijk raadsheer, en Johan-
nes Euchenmeister, raadsheer van den Aartsbisschop van
Mainz, die gedurende den winter van 1509 — 1510 te Erakau
moesten vertoeven , en middelerwijl den genoemden Latijnschen
kroniekschrijver der vierde eeuw, die vóór eenen menschen-
leeftijd het eerst te Rome gedrukt was^ met den meesten
ijver bestudeerden, bewogen Haller tot deze Poolsche uit-
gave. De titel doet uitkomen, dat gedurende het drukken de
rijksdag te Petrikau gehouden werd; dus zal de Rijkskanselier
46
wel niet gedraald hebben, hot geschrift der mannen, met
wie hij persoonlijk liatl omgegaan, aan zijne leergierige neven
ter hand te stellen, Siillustius eu Coruelius Nepus werden
ook reeds omstreeks dien tijd te Krakau nagedrnkt; alle
prozaschrijvers echter werden, wat de verspreiding hunner
werken aangaat, overtroffen tloor Cicero, die als de onover-
trefbare meester, als weergaloos model eenstemmig geprezen
werd. Het zou te ver voeren, om op te sommen, hoevele
Krakau'sche uitgaven van afzonderlijke geschriften van dien
beroemden man reeds beschikha^r waren voor onze jeugdige
latinisten.
Ook met de Latijnsche dichters werden zij vroegtijdig ver-
trouwd. Vruchteloos hebhen wij omgezien naar eene Kra-
kau'sche uitgave van Dionysius Cato uit het eerste tiental
jaren der zestiende eeuw; maar de vele uitgaven, die in het
derde en vierde decennium snel op elkander volgden, geven
genoegzamen grond om te onderstellen, dat deze verzameling
van zedenspreuken , die gedurende al de Middeleeuwen door
de jeugd vlijtig bestudeerd werd , ook aan onze jeugdige lati-
nisten niet vreemd zal gebleven zijn. Tot bewijs daarvan mag
ook Bti-ekken, dat eene in latere jaren (1531) aan onzen
Johannes gerichte opdracht van een geschrift van Luciaitus
met eene zedenspreuk van Ca.tü hegint, en de uitgever die
kernspreuk hij zijnen Maecena^i als bekend vooronderstelt Juist
aan dezen schrijver beproefden bijkins het eerat (153;i) Pool-
sche en Duitscbe vertalers te Krakau hunne kunst, die
voor den leerling de moeilijkheden der taal tracht te ver-
lichten, en toch niet in staat is, om woordelijk de spreuk in
dichtmaat weer te geven ^). Bekend is de lofspraak van
1) Ter;ie]. de voorrede der uitf^TP, ander den titel
morftlJB Knsmo Botnvdamo Latino cutigatore,
msnico idiomate
noQQunqi
negk
rillinioram oonclua
miDR diount, — I
J}uitac)ie TertAÜQg.
CracoTÏBB UDXLIIII: ..Fideliter iaterpretautes,
Terbuni vorbo reddere, turn ob difficilem verborara
urn ob inuaitataiD et disaonam in aimililcr padonlctn
em." De spreuk: ,,8i deus est aaimua, nobia uC car-
lïbi pnecipue >it purn meute oolenduii," Inidt iu de
iDieweii Guit iat ei» enig Weaeii, — Als wir in dcii
47
Lather op den nu geheel vergeten moralist uit de zesde eeuw,
dat hij het dankbaar erkent als eene bijzondere genade Gods ,
dat hij dit boekje, benevens de fabelen van Aesopus, als
twee nnttige en heerlijke werkjes, in de scholen heeft mogen
behouden ^). Ook de fabelen van Aesopus in het Latijnsche
gewaad, dat Phaedrus haar gegeven heeft, bleef aan onze
jeugdige beoefenaars van het Latijn niet vreemd; of La ski
in later tijd aan die fabelen dezelfde waardeering geschon-
ken heeft, als de Duitsche Hervormer in het aangehaalde
dischgesprek , weten wij niet ^). Terdege moesten de jongens
Yergilius en Horatius bestudeeren. De Brief van den laatst-
genoemden aan de Piso's had reeds in 1505 te Erakau het
licht gezien. De aesthetische grondstellingen van den hoog-
geroemden dichter, welke hij in dien Brief op zulk eene
levendige wijze uiteenzet, moesten aan de knapen tot leid-
starren strekken, wanneer zij hunne Latijnsche oefeningen
in gebonden stijl hadden te bewerken.
De voortreffelijke wijze, waarop de drie broeders zich van
de Latijnsche taal bedienden , gelijk wij die ook in hun later
leven, zoowel wat het mon delijk, als wat het schriftelijk
verkeer betreft, van de verschillendste zijden hooren roemen ,
is gewis voor een deel de vrucht van die vroegtijdige oefening.
De hooge begaafdheid voor vreemde talen, die alle Laski's
onderscheidt, werd grootelijks bevorderd door de liefelijke
gave, die Polen, juist op dit gebied, aan zijne zonen
op hunnen levensweg medegaf en geeft. Snel en gemakke-
lijk maakt de Slavoniër zich met een vreemd taaleigeu ge-
meenzaam ; in korten tijd gelukt het hem , om de andere taal
Gesehriftea leeen, — So wölst denselbon dorch sein gut — Eren Toranss
mit lauterm gemat." Denzelfden rijkdom van woorden heeft de spreuk in de
daftrbij geroofde Poolsche overzetting.
1) Lather. LXH, 459.
2) Lather, LXII, 459: Aesopus hat feine , liebliche „res et picturaa ac
si moralia adhibeantur adolesoentibus, tum mnltum aedificant." Und als viel
ich arteile und yerstehen kann, so hat man nttchst der Bibeln keine bessere
Bücher, Aenn das ,,Catonis scripta" und die „^fthulas Aesopi."
4S
in zulk eenc mate ta beheerschen , alsof zij zijne moedertaal
geworrlen was.
Aan de studiën iu de Qrammatica paarde zich het onder-
richt in de Dialectica. Deze technische uitdrukking omvatte
in dien tijd méér, dan wij tegenwoordig in engere bepaling,
ouder dat woord verstaan: behalve de wijsgeerige studiën,
ook nog mathematica en arithmetica. Met vele wijsgeerige
onderwerpen werd toenmaals reeds de aankomende jongeling
gekweld. Het was de groote leermeester Aristoteles, die,
gelijk zelden eenige menschelijke geest, eeuwen achtereen op
zijn gebied als onbestreden alleenheerscher gehuldigd werd ,
wiens leerstellingen reeds vroegtijdig aan de scholieren , tot
eene oefening van den geest , werden medegedeeld. Ook te
dezen aanzien had de magister Johannes van Glogau het
zijne gedaan, om dea jongeling het betreden van de ge-
wijde voorhoven der philosophie gemakkelijker te maken.
Verachillende schoolboeken getuigen van zijne werkzaamheid ,
zooals o. a. zijn werk: „Liber posteriorum analecticorum
Aristotelis", ') hetwelk reeds in 1499 te Krakan versche-
nen was. Op de Logica van Aristotelea werd daarom zulk
een nadruk gelegd , omdat men den opwassenden jongeling
alzoo op degelijke wijze wilde voorbereiden voor de studie
van Duns Scotus, wiens grondstellingen destijds in Polen
het hoogste i-ezag bezaten. Ongetwijfeld zal ook onze Jo-
hannes , de toekomstige priester , zich ijverig hebben toegelegd
op de „Vragen der ouda en der nieuwe Logica", welke
Johannes Stobnicensis in 1508 te Krakau in het licht
1) De ToUedige titel vaa het book (Jorlier, I, 123) brongt ons uagonueg
Toldorode op dr hoogte , loowet irnt den inhoud , >U ook wat de bedoeliug
TBD deu uilgever betrett: „Üt ïtaque Aristotelis in libris posterionmi pro-
CDssus et ars demonstrativa sd iulcIligeDduin ail facilis, quaastlomimque Ma-
giatri JohaaniH versoria in lïbros posteriaruin Aristotelin intellectua siC planior
et addiacentibna levior, ego Magtater Johaunes Qlogovieiiaia pro laude Dei,
gloria famaque uuiversitatii nostrae communemque adulescentum profectum
Dodoaam et perpleinin quaentioaum librorum posteriomm Ariatolelia aeaten-
lüm ia leTiorem modum reoaUigere institui. Egidii romam doctorin, Tliouiae
Aquinatia, Pauliquc de Veitetüa tiri duotiaaimi et aUoriim Inlflrprotationes
et eiplauationeij adducam."
49
zond y en in de opdracht van welk geschrift aan den vice-Kanse-
lier van Ej-akau hij bekent, dat hij voor de degelijke vorming
van een jongeling geen nuttiger werk kent , dan deze „logische
onderzoekingen", die , op den grondslag der Logica van Aris-
toteles, het eerst door Michaël Parisiensis waren uitgegeven.
Ze zijn, volgens zijn gevoelen, zoo helder, zoo juist, zoo
veel omvattend; hij kent geen ander werk, dat zoo gemak-
kelijk en zeker als dit, den leerling de meening van Duns Sco-
tus doet verstaan. Uit deze onderzoekingen heeft hij zelf , gelijk
h^ verklaart^ de eerste beginselen zijner wijsgeerige kennis
gepot , en vele andere jongelingen hadden zich dit geschrift op
gelijke wijze ten nutte gemaakt. Of in het vervolg onze Johannes
zich zelven onder deze schare gerekend heeft, weten wij niet;
in elk geval toonen zijne latere werken , dat hij alle scholas-
tieke terminologie, indien hij zich die ooit heeft eigen ge-
maakt, geheel en al had afgelegd. Dit alleen wordt ons
bericht, dat, terwijl de jeugdige godgeleerde zich mogelijk
in zulke dialectische studiën verdiepte, zijn jongere broeder
Stanislaus, met groote voorliefde en tevens met uitnemend
gevolg, zijne krachten aan mathematische studiën wijdde.
Juist in die jaren, in welke, als één der schitterendste sterren
der Erakau'sche universiteit, Albert v. Brudzewo, deleer-
meester van Eopernicus, voordrachten hield over wis- en
sterrenkunde, en een groot aantal bezielde leerlingen aan
zijne voeten verzameld zag , drong de lust en liefde tot dozo
vakken ook reeds tot de schoolvertrekken door, en maakte
zich meester van de jongelingen, die neiging tot dat vak
bezaten. Wellicht ook van onzen Johannes, zoo wij althans
onder de redenen, die, in 1531, Joseph Struthius be-
wogen, om aan hem, als zijnen hooggeprezenen Maeccnas,
zijne uitgave der Astrologie van Lucianus van Samosata te
wijden y ook deze onderstellen mogen, dat hem het bedoelde
gebied niet vreemd gebleven was.
De strenge en geleerde oom lette er scherp op, dat zijne
neven, onder ernstige tucht en oefening, zich de noodige
kundigheden verwierven; hunne groote leergierigheid, de
hooge begaafdheid, die zij reeds vroegtijdig aan den dag
DALTOV. 4
50
legden, vervulde gemakkelijk en gewillig de gestelde eischen.
De tijd werd niet uitsluitend in wetenschappelijke studiën
gesleten; ook op flinke lichamelijke ontwikkeling werd bij
de zonen van den Poolschen adel bijzonder gelet Reeds
vroegtijdig zette de knaap in het vaderlijk slot zich in
den zadel, en bet duurde niet lang, of hij wist, als een
geoefend ruiter, naar hartelust zijn paard te besturen. De
paardenatal in het aiirtabisschoppelijk paleis was ruim genoeg,
dat de jonge baronnen de kunst, in welke zij zich geregeld
geoefend hadden , in de stad niet behoefden vaarwel te zeggen.
De hanteering der wapenen bleef den vrijgeborenen knaap
niet lang vreemd, zoodra hij slechts de noodige krachten,
om ze te voeren , verkregen had. Dan werd echter ook reeds
tijdig zijn dringend verlangen verwezenlijkt, om nl, aan het
jachtvermaak der grooten te raogen deel nemen. Daarbuiten,
in het onherbergzame woud met zijne ruwe hindernissen, of
op den vochtigen moerasgrond, werd het jeugdige lichaam
gesterkt en gehard, en in het onverschrokken overwinnen
van menig gevaar in het aan wild zoo rijke geboorteland ,
reeds tijdig de zenuw gestaald. Hetgeen de knapen, met
betrekking tot het jachtvermaak, te huis genoten hadden,
daarvan behoefden zij , gedurende hun verblijf te Krakau ,
niet geheel en al afstand te doen. De schilderachtige en
vpild-romantiscbe Karpathen lokten tot menige jachtpartij uit,
en nahijgelegene goederen der familie van moederszijde (Lans-
koron) boden de gelegenheid , om dezen lust te bevredigen.
Voor zoover het ons mogelijk is, om uit de spaarzame
mededeelingen aangaande de opvoeding van den Poolschen
adel van den toenmaligen tijd ons een helder beeld te vor-
men, herinnert ons dat niet zelden meuigen in het oog val-
lenden trek der opvoeding, gelijk die nog heden ten dage
pluats vindt in de oude scholen van Engeland , op welke de
snel wisselende tijd nauwelijks eenigen merkbaren invloed heeft,
Ook daarin ontmoeten wij eenen belangrijken ü-ek van over-
eenkomst, dat in de huizen van den adel, zoowel hier, als
ginds, de opwaaeende zoon verneemt, wat het gemoed der
vaderen beweegt Nog mogen de knapen niet persoonlijk
51
aan het onderhoud deel nemen , maar ze zijn stille , opmerk-
zame toehoorders , en verkrijgen op deze wijze , in het gezellige
bijeenzijn met den rijpen leeftijd « bijkans zonder inspanning,
een deel van hunne bijzondere ontwikkeling. Hunne vaders,
destijds in Polen, hedendaags nog in Engeland, waren niet
werkelooze toeschouwers van hetgeen in de wereld voorviel.
Zij gevoelden zich geroepen, om ook zelve werkzaam in te
grijpen in de lotgevallen des vaderlands; en het vaderland
van eenen Pool was toen minstens van even groote be-
teekenis, en oefende eenen even machtigen invloed op de
gebeurtenissen des tijds, als heden ten dage de stelling van
Engeland in den raad der volken. In het trotsche gevoel
hunner nationaliteit staan echter de bewoners van beide
landen naar waarheid met elkander gelijk. Het bijkans uit-
sluitende zoogenaamde classieke onderricht heeft bij de zonen ,
ginds van den Poolschen senator, hier van den Engelscheu
lord, oog en oor ontsloten, en geenszins deze organen des
geestee door eene overmaat van voorwerpen verzwakt en
verstompt; en met het aldus gewekte verstand verkrijgt de
jongeling vervolgens, door den omgang en het leven zelf,
de noodige ervaring voor zijn bijzonder beroep. AUeeniyk
in meerder ontzag en dieperen eerbied voor de volwassenen
en de bejaarde leden der familie werd de Poolsche jongeling
opgevoed; bij het levendigst gevoel van piëteit voegde zich
de volstrekte eerbiediging van den wil der ouders en der-
genen, die in hunne plaats de opvoeding bestuurden. Ook
in dezen trek vertoont zich een schoon kenmerk van het
Slavische karakter met zijne, op innige vroomheid berustende,
gewillige onderwerping aan zijne meerderen, tegenover het
even schoone, krachtige gevoel van onafhankelijkheid en de
vrijheidszucht van den Angelsakser.
Ten einde aan zijne neven het groote voordeel te kunnen
verschaffen, hetwelk het vroegtijdig samenleven met de aan-
zienlijke mannen des vaderlands voor de jeugd oplevert,
uit dien hoofde voornamelijk had de Rijkskanselier en Aarts-
bisschop de veelbelovende knapen uit hun vaderlek slot op
'ê
bet land tot zich in de stad laten overkomen. Het buis van
den hoogaatzienlijken man vormde eene verzamelplaats van
bet uitgelezenste gezelschap. Reeds zijne hooge waardigheid
bracht mede, dat de toongevers op tweeërlei gebied ge-
meenzaam met bem verkeerden. Den Aartsbisschop kwamen
de bisschoppen des lands bezoeken, bij den Primaat ont-
moette men de staatsHeden des rijks en de gezanten der
vreemde hoven. Nog eene bijzondere aantrekkingskracht
oefende Laski's persoonlijkbeid. Zijne groote geleerdheid,
zijn rijp oordeel, ook op wetenschappelijk gebied, de booge
adel van zijne denkwijze, de geheele voortrefFelijkbeid van
zijn wezen , in vereeniging met zijn verlangen naar geestrijkeo
omgang, maakte het gastvrije huis, dat voor elk toegankelijk
was , aantrekkelijk voor zoovele begaafde mannen der weten-
schap en der kunst, als Krakau destijds binnen zijne muren
bevatte. En in dien bloeitijd van Polen waa bun getal, voor-
waar, niet gering.
Ook op geestelijk gebied bad het rijkgezegende land juist toen
bet toppunt zijner ontwikkeling bereikt, en maakte zich wel-
licht in datzelfde tijdsgewricht gereed , om van die hoogte weder
af te dalen. De beschaving van den Poolschen adel , omstreeks
dien tijd , trok de verbaasde blikken der andere volken tot
zichj hetgeen buiten Polen de geesten in beweging bracht,
vond bier levendigen weerklank , geopenden toegang en
vrijmoedige bescherming. Ook het Humanisme, door het
herleven der wetenschappen in de vijftiende eeuw ont-
waakt, overschreed, op zijnon tocht door de beschaafde lan-
den van Europa, de Poolache grens, vestigde zich in het ook
te zijnen aanzien gastvrije land, en werd spoedig onder de
hoogere standen der maatschappij algemeen gebiUdigd. In-
zonderheid was dit het geval in Krakau, werwaarts, in
het jaar 1 400 , koning W 1 a d i s t a w de universiteit , die
reeds in 1364 door Kasimir den Groote gesticht was, uit
de vochtige stad Kasimir verplaatste. Het was voor de
zonen van den adel de mode geworden, om zich een paar
jaren buitenslands, in de hoofdzetels der wetenschap, aan
de studiën te wijden; leergierig en begaafd als zij wai'en.
53
zg BKt eoA TMbdULT gemoed de iiieawe« loo diep-
hoBumisdsoiie beweging dier dd^A in lioh
ofL Duama ^ in hnn groote Tsderiand « op hunne een-
zune sloüen ttroggekeeid « hielden zg de door hen ver-
Lidene opvekking lerendig, gedeeltelijk in rereeniging met
hmne leeizazne zosters. met welke zij toch ook gezaweii-
Igk in Troeger jaien« op het raderlijk slot, door den
paadagoog des huizes in de Latijnsche taal onderwezen wan>n«
De iQsteloozey ongestadige b^^eerte om te reiien« liie zioh
Tan niet weinige humanisten had meester gemaakt, en hou
Tan oord tot oord deed zwerren, om in oude kloosters naar
Terloren geraakte handschriften onderzoek te doen, of om
de pas verkr^ne kundigheden in alle richtingen te versprei-
den, had reeds verscheidene van deze ,,dolende liodon'* i>ok
naar het verre land der Sarmaten gevoerd. Hunne verbazing
was dan niet gering, wanneer zij op de burchten, to midden
Tan eene ruwe wildernis , zoo veel beschaving en konnis aan*
wezig vonden, en wanneer zij in Krakau en in do andere
steden met eene grootendeels Duitsche burgerij oen zoo op«
gewekt leven, eene zoo bedrijvige beweging aantroffen. Do
beroemde geschiedschrijver Dlugosz kan aan Zbigneus,
den toenmaligen (1450) , bijkans alvermogenden Bisschop van
Krakau, aan wien de Paus den kardinaalshoed vorloondo,
berichten, dat Aeneas Sylvius, de latere paus Pius II|
die als één der voornaamste schrijvers van zjjnen tijd, on
tevens door zijne welsprekendheid in het Latijn beroomd was ,
zijne verwondering had betaigd over het schrijven, dat hij
uit het gewaande barbaarsche land ontvangen had. Volgens
den berichtgever had Aeneas de aanwezige Duitschors tot
jaloezie geprikkeld door te zeggen , dat deze brief eene schande
voor hen was, want hij was zoo schoon en rijk in donkbool-
den, dat hij zelf niet wist, of hij er wel in slagon zou, om
dien geheel naar waarde te beantwooüden. Do brief was in
zijn oog een bewijs , dat er in Polen , zoowel wat do thoorio ,
als wat de practrjk betreft, uitstekende koppen waron, tor-
wijl, naar zijne meening, in geheel Duitschland wol niemand
zou te vinden zijn, die in staat was, om in oven voortreffo-
61-
lijke bewoordingen te schrijven ^). Toen de hooggeëerde hu-
manist Filippo Buonaccorsa da Gemignano, meer be-
kend onder zijnen auteursnaam Callimachus, uit Rome
vluchten moest, dewijl paus Paulus II van het Humanisme
afkeerig was, begaf hij zich, door weetgierigheid en reislust
gedreven, naar Polen (1470), vestigde zich te Krakau als
student aan do universiteit, en werd opvoeder en nader-
hand vertrouweling der koninklijke prinsen. Zijn invloed ,
dien hij aanwendde om het Humanisme in Polen te versprei-
den, was niet gering; een Italiaansch bisschop vervaardigde
op hem het niet geheel onjuiste epigram:
„Toea ïODi
Heeft hij 6
Terwijl Callimachus voor het Humanisme in Polen den
weg baande, vertoefde te Krakau Koenraad Celtes, dit
echte type van eenen zwervenden humanist uit den toenma-
ligen tijd. Hij was te Rome een leerhng van Pomponiits
Laetus geweest, en had van den Duitschen Keizer bereids
den doctorshoed ontvangen . maar achtte bet nochtans niet
beneden zich , om zich aan de Poolsche universiteit als student
te laten inschrijven (1497). Zoo was hij dan nu inderdaad
leerling en leeraar te gelijk! Terwijl hij, den eenen dag, aan
de voeten van Albert v. Brudzewo gezeten was. en diens
voordrachten over wis- en sterrenkunde aanhoorde , verzamelde
bij, des anderen daags, eenen kring van bezielde leerlingen
rondom zich, voor welke bij als gast voordrachten hield over
dicht- en redekunst, Ja, zelfs eene loot der Platonische
Academie verplantte hij van de Tiber naar de Weichsel, ter-
w^l hij te Krakau het letterkundig genootschap stichtte , dat
1) I ZeUsberg, 3. 2U.
2] BIJ Bnacoe il, H) luidt het atdtu: „CHlUmaohus, Biirbos fugisna ex
iirin' fiirorcB. Barbsni quae ftierant regna, Lstin» feeit." Psulua II mw,
gelijk belceod ii. afkoniBtig uit het huia Bsrbo, dnt meemiHlaD in dea loop
des tijda, in ea\e\e TBrlugenwoordigsn , BDaUiding tot dergelijke hekeleode
tul gcgereu hocfL
55
zich naar de Weichsel noemde („Sodalitas litteraria Vista-
lana*'). Ook eene jonge, edele Poolsche, Hasilina v. Rzy-
tonicz, treedt in nadere betrekking tot den Duitschen hu-
manist, de in zijne Oden hooggevierde „noordsche EIsala'\
van wie hij de Poolsche taal leerde , terwijl hij haar in zijne
moedertaal onderwees 0. Het is een voortreffelijk schrijven,
dat de Poolsche , vertoornd over zoodanige openbaarmaking ,
aan den dichter richtte, een ondubbelzinnig getuigenis van
het kiesche gevoel voor eer en fatsoen, hetwelk de Poolsche
vrouw bezielde, en haar angstvallig deed terugbeven voor
elk te voorschijn treden in het openbaar^).
Gallimachus was, wel is waar, niet meer inleven, toen
de jonge La ski 's te £j*akau werden opgevoed, en ook
Celtes was, een tiental jaren geleden, weder naar Duitsch-
land vertrokken; doch de invloed van zoodanige mannen en van
dienen, die van eene gelijke gezindheid waren als zij, hield
met hun heengaan niet op. De geestelijke beweging, die zij
hadden opgewekt, strekte zich in eenen broeden kring uit,
en de frissche en krachtige golfslag liet niet na, zijne wer-
king te doen gevoelen aan het gezelschap, dat zich ge-
woonlijk in het huis van den Aartsbisschop vereenigde. Deze
laatste, die met Gallimachus in zijne krachtigste jaren
bekend was geweest, was zekerlijk ook niet vreemd aan de
„ Weichsel- Vereeniging." De opgroeiende jongelingen , die
zelven met den meesten ijver zich aan de studie der clas-
sieken overgaven, moesten natuurlijk in hooge mate door
zulk eene omgeving in hun streven ondersteund worden.
Dat was de geestelijke lucht, die de jonge Laski's, ge-
1) Jocher (I, 467) yenneldt het Tenje yan CelteB: ^Candidus interpres
Hasilinae stepe fuisse — Germanam lingnam sprevit ut illa meam. — Turn
ego oondidici te praeoeptore puella — Sarmaticae linguae barbara yerba loqui."
Terzelfder plaatse is ook zijne XIII. Ode »,ad Hasilinam'' afgedrukt.
2) De brief is opgesteld in de Boheemsche taal, die destijds yr\j algemeen
in de sloten yan den Poolschen adel, ook door de yronwen, in hot schrijyen
en spreken gebezigd werd. Aschbach geeft» in zijne boeiende yerhandeiini;
oyer de yroegere omzwenringen yan Koenraad Celtes» het origineel, beneyens
eene yertaling. (Bericht aangaande do ycrgadering dor Koninklijke Academie
der Wetenschappen te Weenen, LX. 147).
durende hunne vorming te Krakau, inademden. Hun later
leven bewijat, dat deze atmosfeer hun kracht gegeven, en hen
vooi' de toekomstige levensroeping terdege voorbereid heeft.
Zij hadden in den loop des tijds de jaren bereikt , dat zij ,
au,n de huiselijke opvoeding ontwiiBsen, op eene hoogeschool
hunfie laatste vorming verkrijgen moesten. De Poolsche univer
aiteit zou wel in staat gevïeest zijn , om hun die te verleenen.
Zij telde het getal harer studenten bij vele honderden ,
en uitstekende professoren in verschillende vakken droegen
tot het aanzien der universiteit niet weinig bij. Maar het
was nu eenmaal de gewoonte van den adel , om zijne zonen ,
tot voltooiing van hunne studiën, naar het buitenland te
zenden. Parijs , Bologna en Piidua bezaten voor de I'olen ,
die gaarne vreemde landen bezochten, eene grootere aan-
trekkingskracht, dan de vaderlandsche universiteit Voorheen
behoorde ook het stamverwante Praag tot deze bij voorkeur
bezochte hoogescholen , maar de oorlogen met de Hussieten en
de dientengevolge uitgevaardigde verordeningen tegen het be-
zoeken van deze academieatad , die door de ketterij besmet
was, hadden nadeelig op deze voorliefde gewerkt. Wat onxe
jonge Laski's betreft, lag de besUssing, waar hunne studiën
moesten worden voortgezet, in de hand van hunnen oom;
zijne ambtsbezigheden in dien tijd bepaalden de keuze der
universiteit.
3.
De eerste studiereis in het Buitenland.
a) Te Rome.
Het begin van het jaar 1512 ging, wat Erakau betreft,
met groote feestelijkheden gepaard, en voerde eene groote
menigte van aanzienlijke gasten, vooral uit Hongarije en
Polen, derwaarts. Den 8"*«° Februari had het huwelijk en
de kroning plaats van prinses Barbara^ de éénige dochter
van Stephanus von Zapolya, welke vorstin met koning
Sigismund in den echt trad. De trou wrede hield Johannes
Staphileus, die door paus Julius II gezonden was» om
den Koning uit te noodigen tot het zenden van afgevaardigden
naar het Lateraansche concilie. Twee punten waren in de
schriftelijke uitnoodiging op den voorgrond gesteld. Voor-
eerst moest het de taak van dit laatste concilie vóór de
Reformatie wezen, om „de Kerk, die zonder vlek on rimpel
behoort te zijn , door eene heilige reformatie , gegrond in de
liefde tot God en den naaste, tot hare vroegere waardigheid
en tot ware godsvrucht te vernieuwen, en vervolgens alle
krachten der gezamenlijke Christenheid, met den meesten
ijver en eenparig , te richten tegen de vijanden van den chris-
telijken naam", i) Koning Sigismund beloofde, dat hij door
1) yfTomioiana /' II» 15: », . . . quo et ecclesia Dei quae debet ctse sine
maoulB et sine ruga, per sanctam reformationem in caritate Dei et proximi
fandatam, ad pristinum decus et reram religionem reformetur et tandem
uniTersae christianomm Tires, paccatis inter eosdem rebus, adiersus chris-
tiani nominis hostee studiosissime ac unanimiter convertantnr. . ** Het maakt
eenen berreemdeuden indmk, doch is tevens kenmerkend, dat sulk een ont-
zijne gezanten het ontworpen concilie zou laten bijwonen, en
benoemde daartoe als geestelijken zendbode den Aartsbisschop
van Gnesen, als wereldlijken den Burchtïoogd („Kastelein") van
Kalisch, Stanialaus Ostrorog. Beide afgevaardigden maak-
ten intUBSchea , en wel met toestemming des Konings , weinig
haast met hun vertrek ; men toonde , over het geheel , niet veel
ijver om deel te nemen aan een concilie , dat, in den grond der
Baak , allereerst slechts eene demonstratie van den Paus tegen
het concilie van Pisa was, en van welks reformatorische
pogingen de reeds al te vaak ontgoochelde , en eindelijk mis-
moedig geworden volken zich slechte weinig beloofden. Slechts
een paar van de vreemde gezanten waren aanwezig, toen,
op den 3° Mei 1512, de beroemdste kanselredenaar van
zijnen tijd, Egidius van Viterbo, de openingsrede hield.
Het zou echter wenschelijk geweest zijn, dat juist bijzonder
vele en volgzame toehoorders deze belangrijke rede hadden
bijgewoond, in welke de vrijmoedige Generaal der Augustijners
de Kerk en haai- toenmalig zoo krijgshiiftig opperhoofd opriep .
om, met het oog op de voorgestelde overwinning, de rechte
wapenen aan te gorden, nl. godsvrucht, waarheidsliefde,
gebed als het pantser des geloofs, en het zwaard des
lichts 1), — Gewichtige onderhandelingen, inzonderheid met
de Duitsche orde en haren grootmeester, Alhrecht van
Pruisen, en ter oorzake van den dreigenden oorlog met de
Russen, Tartaren en Turken, hielden den Primaat des rijks
nog op den rijksdag te Petrikau terug. Ook bij het generaal-
convent van Posen , dat onmiddellijk daarop volgde , was de
Aartsbisschop , overeenkomstig den wenach des Konings , tegen-
woordig. Berst tegen het einde van Maart 1513 kon Laski
zijnen tocht naar Rome aanvaarden.
EBgliJk Toornemen . nan den vooravond der Befoi'instiH zAvc, door den
kriJRahsftigeo Faui en zijnen ifgelant, diu gi'heel in liumnnisliseho studiSn
verdiept waa, liBrhaaldelijk ap gemceDplaataeu vau Cicero gpgroud, mnar de
Heilige Schrift diurentegeii met gevn eukel woord remiold wordt. Voorwaar,
dat waren de monneu niet, om de Kerk lol di' wnre güdsvruehl terug te
1)1
.rdt. IX,
.79.
59
De reis voerde allereerst naar Krakau. Hier bereikte hem
het bericht, door den Koning hem med^edeeld, aangaande
den dood van Jnlins II. Sigismand liet het aan het goed-
danken Tan zijnen gezant over, of hij zich, al dan niet,
^oor die onverwachte gebeurtenis wilde laten ophouden. Laski
spoedde zich na echter zooveel te meer, ten einde de ver-
gadering der kerkvorsten in de beslissende are bij te wonen.
Hi) liet den Barchtvoogd van Kalisch achter, om de nieawe
geloofsbrieven af te wachten, terwijl hij zelf in de eerste
week van April zijne reis vervolgde. Zijne beide oadste
neven, Hieronymns en onze Johannes, moesten onder
zijn oog te Rome hunne stadiën voortzetten ; de eerst twaalf-
jarige Stanislaus bleef vooreerst bij zijnen vader achter.
Daarentegen vernemen wij van eenen anderen studiemakker,
dien de Aartsbisschop, op zijne kosten^ zijne beide neven liet
vergezellen. Wij zijn echter, ofschoon een paar brieven van
zijne hand ons bewaard zijn gebleven, wat de persoonlijk-
beid betreft, in het onzekere. Laski, die, op eigene kos-
ten, aan de universiteit van £j*akau eenen lector in de
theologie onderhield, en op onbekrompene wijze de weten-
schappen en hare beoefenaars ondersteunde, verschafte tege-
lijkertijd aan een aantal jongelieden de middelen, om zich
aan hunne wetenschappelijke studiën te wijden. Het was
wellicht één uit hun getal , die met de neven van den Aarts-
bisschop innig bevriend was, mogelijk een lid van het ge-
slacht Korab ^).
l) De mededeeling Tau deze brieven hebben wij te danken aan den ge-
leerden Domcapitularis Korytkowski te Gnesen. De drie in het Gne-
Mnsche archief ontdekte zendbriefen aan den Aartsbisschop zyn onderteekend :
^Joannes Ba serntor humilis." De schrgfer schetst den Aartsbissohop ala
„tanquam dominus et patronus noster gratiosissimus." Aangaande zgucn
ziek geworden broeder zegt hij, dat hem eene behandeling ten deel gevallen
was „quasi esset proprius nepos;'' aan de neven en studiemakkers betuigt hy
zijnen dank , omdat zij hem , orereenkomstig het verlangen van den Aarts-
bisschop , met broederlijke liefde behandelden. De gelukkige ontdekker meent
te mogen gissen, dat de briefschrijver niemand anders geweest is, dan Jo-
haanes Bybienski, een zusterszoou van den Aartsbisschop (?). Togen deze
onderstelling is echter een groot bezwaar. Want de genoemde was, biykens
Wellicht dat de beide neven in tijds reisvaardig waren , om
te gelijk met hunnen oom den verreu en vermoeienden tocht
te ondernemen , welhcht ook dat zij , in geselschap van
zijnen reisgenoot, hem eerst te Bruck aan de Mur inhaalden,
werwaarts, over Olmiitz, Stanislaus von Ostrorog met
de nieuwe volmachten den Aartsbisschop , zoo snel hij kon,
nareisde, Van het schilderachtig gelegen stadje in Stier-
marken begaf zich het niet kleine reisgezelschap vervolgens ,
midden door de heerlijke Alpenstreken , allereerst naar Ve-
netië, een geheel nieuw, ongewoon schouwspel voor de jonge
lieden, die voor de eerste maal, uit het vlakke land van
Polen, de wereld der hergen betraden. In de Lagunenstad
moest men zich gedurende eenen korten tijd ophouden;
Laski toch had zich van eene opdracht zijns Eonings bij den
Doge, Leonardo Loredano, te kwijten '). Polen en Venetië
hadden . in die dagen , tegen denzelfden machtigen vijand
de wapenen aangegord, slechts met dit onderscheid, dat,
gelijk Laski voor den Doge uiteenzette, Venetië voor zijnen
roem, voor de uitbreiding van zijne macht, ook wellicht
uit heerschzucht strijd voerde ; Polen daarentegen , omdat
het zich ats het bolwerk der Christfinheid tegen de Heidenen
beschouwde, en zijn hoogste geluk vond, niet in de over-
schrijding van vreemde grenzen, maar in de bescherming
van het zijne s). Van Venetië ging de reis vervolgens, zonder
bet teattuneat lui dea ABrtebiwchop (Zeiaaberg, 8. 643), reeds iti 1S04
ProoBt van Eruachviti, en alioa wiurgchünlijlc ciut tien juir lat«r atudeut ta
Bome ea te Bologna. Op grond van de afkorting zouden «ij aan den zoon
TBD eene zijner zustere kunnen denkeu, die met eeosa Rambieszki gehuwd
gewewt ia (Theiuer. Il, 348, eu „Toroiciana" , VI. 59). Bén tsd deze
zonen, UaFtinns, viena uaam door deu oom meermalen in zyn t4»tamoat.
en ook tt^enorer dou Koning gtmoemd wordt, waa, gelijk «ij later xullen
hooren, de oorzaak dnt onze Jobanues, in 1517, tn Rome geSicommuniceerd
werd. Wij weten evenwel niet, of, en bod ja. lioBvele broedera deze Mwlino»
beeft gehad.
1) „Tomieian»," II, 178.
2) Bij hot laatste deel der rade maakt Zeieaherg !8. biO) de niet onjuiste
opmerking, dat men dit rnii Poolsohe zijde, we! is waar, yaiik beweerde,
manr dat deze verzekering niet altijd met de feiten in orereensleraming «as-
61
stoornis, naar Rome, alwaar men in het begin van Juni
aankwam 0-
Vele en gewichtige werkzaamheden had de Aartsbisschop
bij den Paus en in tegenwoordigheid van het concilie te veryol-
len. Het zoude ons te ver van onze bijzondere taak afleiden,
indien wij de worstelingen en moeiten wilden beschrijven, die de
machtige Primaat yan Polen, gedurende zijn verblijf van meer-
dere jaren te Rome, zoowel tegenover de Curie, ten einde
de wenschen van zijne lastgevers in het vaderland te be-
vredigen, als ook tegenover deze laatsten zelven, had te
wederstaan , wanneer het ook aan zijne groote diplomatieke
bedrevenheid niet altijd gelukte ^ om elke .begeerte door
te zetten. De zevende zitting van het Lateraansche con-
cilie, op den n^ Juni, was de eerste, die hij bijwoonde;
in deze overhandigde hij ook zijne geloofsbrieven. Tennjl
zgn metgezel, Stanislaus von Ostrorog, in het protocol
onder de gezanten gerangschikt wordt, vinden wij Laski
in de opgave van de patriarchen en assistenten van den
Paos. Leo X ontving den Primaat van Polen met groote
eerbewijzingen; h\j benoemde hem in de gewichtige commissie
van het concilie, in welke over alle vragen, betreffende de
totstandbrenging van eenen algemeenen vrede onder de;christe-
lijke regenten, alsmede betreffende de uitroeiing van het
schisma, beraadslaagd werd. In de achtste zitting, den 19den
December 1513, had Laski, in zijne hoedanigheid als assis-
tent van den Paus, de opdracht ontvangen, om een pauselijk
schrijven aan de vergadering mede te deelen ^). Kenschet-
1) Laaki rermeldt den Sden Juni 1513, als den dag sljner aankomat te
Some (Zeissberg» S. 664). Deze datum, een jaar later in zyn testament
amngeteekend, berust vermoedeiyk op eene feil yan het geheugen, daar Laski
reada den 3n Juni door den Paus aan eene bepaalde commissie ran het con-
cilie wordt toegeroegd. (Hardt, IX, 1681.)
2) Hardt, IX, 1719. De rergadering had plaats in de Basilica yan het
Lateraan, in tegenwoordigheid en onder yoorzitting yan den Paus. Eerst
nadat, oyereenkomstig het gebruik, alle diegenen zich yerw'uderd hadden, die
alechts zitting, maar geen stem in de yergadering hadden, kon Laski het
paoaeiyk document beginnen yoor te lezen. In den yan oudsher gewonen
onriaal-atyi luidt de hoofdstelling als yolgt: „contra hiyuamodi pestem op-
•5?-
seuil is de inhoud van het schrijven , inzonderheid voor den
oom van den toekomstigen Korkhervormer. Het liaiidelt over
de bestrijding van het heerscheude ongeloof, hepaaldelijk van
den wijd en zijd verspreiden twijfel aan de onsterfelijkheid
der ziel. Leo, die zoozeer het gelukskind van zijnen tijd
waa, dat hij aan dien tijd zijnen naam geschonken heeft , en
die even weinig, als ?.ijn vriend en geheimschrijver Bembo,
geneigd was , om den wensch der geloovigen te vervullen , en
het werk van den vermaardsten wijsgeer, Pietro Pompo-
nazzo, hetwelk de onsterfelijkheid der ziel loochende, t^
veroordeelen ' J , — Leo waande, de Kerk tegen het gif eener
ongeloovige leer ddardoor te kunnen beschermen, dat hij aan
hai'e aanstaande dienaren in het vervolg nog slechts eene
tijdruimte van vijfjaren vergunde, om zich aan de humanis-
tische studiën te wijden , terwijl zij , na afloop daarvan , zich
op do wetenschappen van hun vak moesten toeleggen 3). Met
zoodanige middeltjes meende men toen nog in Rome den
onheilspeilenden geest te kunnen bezweren, en de Kerk te
kunnen beschermen en hervormen. En dat op een tijdstip,
waarop Luther reeds te Wittenberg zijne bezielende voor-
drachten hield over de Psalmen en den Brief aan de Romeinen,
en daarbij reeds voor zich zelven en voor hen , die hem hoor-
den , het ruischen des Geestes vernam , aan wien te allen
tijde door God de macht gegeven wordt, om de Kerk en de
wereld te hervormen!
Wij hebben ook zelfs niet de geringste aanduiding kunnen
vinden, noch te Rome zelve, noch ook op eenig ander spoor,
dat wij daartoe -gevolgd hebhen, hoedanig wel de loop der
studiën van onze jonge vrienden in de hoofdstad mag geweest
poitmu remediB adliibers onpieu(«s hoc uscro spprobonte concilio damnamnt
et roprobtimus omDSB aHerentes aniinkm intellectirim mortalem ease lut uni-
cani in cuoctis hotninibus et hasc in dubiam verteatea. . . Omoes hujusmodi
erroria udertïonibus iiibkei«utes. veluti damnBtisiiiiiHs liapjrtwis acniiiBates,
por omuin nt deteïUbiles et aboniinnbiln hHcreticüa et inSdelm, CHtlialiinm
Sdem Ikbcfactantes vilandoa i
1) Roacoe, IT, 2S2.
. pUDlEIK
Aoa fore deccriiii
63
zijn. De éénige zekerheid, die wij bezitten, dat zij nl. bij
hunnen oom te Rome geweest zijn, hebben wij te danken
aan eene toevallig ontdekte plaats in eenen brief, terwijl wij ,
wat betreft de omstreeks 15 maanden van hun verblijf te
Rome, ons moeten bepalen tot gissingen, die wij suxn het
geestelijk leven der stad ontleenen.
De laatste twintig jaren waren voor de humanistische studiën
in Rome niet gunstig geweest Een verpestende adem voor
elke gezonde ontwikkeling eener ernstige wetenschap was
van Alexander VI uitgegaan. Julius II, die hem opvolgde,
had voor alle kunsten des vredes, op zijne wijze, in groot-
schen stijl , gevoel en vatbaarheid ; maar toch trok hij nog liever
het zwaard voor de bevrijding van Italië , voor de vergrooting
van den Eerkelijken Staat, en onder het aanhoudend krijgs-
rumoer konden de studiën niet bloeien, die stilte en rustig
nadenken vereischen. De gunstige tijd daarvoor brak aan
onder den fijn-beschaafden, geestrijken Mediceër. Van den
b^inne aan schonk deze al zijne belangstelling aan het
Gymnasium, dat reeds vóór meer dan 70 jaren te Rome
gesticht was. Juist in het jaar , waarin onze jonge studenten
zich te Rome ophielden, bezat deze inrichting, die het aan-
kweeken van eene grondige geleerdheid ten doel had, bijna
honderd geachte leeraren^), die hunne voorlezingen hielden
over godgeleerdheid, burgerlijk en kerkelijk recht, artsenij-
kunde, zedeleer, logica, welsprekendheid en wiskunde. De
opmerkzaamheid in het gymnasium was, in dien tijd, hoofdza-
kelijk gericht op de studie van de Grieksche taal. De beroemde
Johannes Laskaris, door den Paus, welhaast na zijne
troonsbeklimming, daartoe geroepen , bestuurde het Grieksche
Ck)llege te Rome, aan hetwelk vervolgens, op uitnoodiging
van den Paus, ook één van zijne voortreffelijkste leerlingen,
Markus Musurus, werkzaam was. Het is wel aannemelijk,
dat onze jeugdige vrienden de voorlezingen, zoowel in het
gymnasium, als ook in het Grieksche college op den heuvel
Esquilinus bijwoonden, te meer daar de Paus, door hetver-
1) Botcoe, II, 109.
leeiien van voorrechten en vrijheilen , 2dcli beijverde om leer-
ÜDgeo voor die inrichting te winnen, voor welke (ie profes-
soren, des vóór- en des uamiddags, en uog bovendien zou-
der op de talrijke feestdagen den arbeid te staken, verplicht
waren om hunue voorlezingen te houden. Indien niet reeds
te Krakaa de eerste beginselen der Grieksche taal waren
geleerd geworden , dan bood zich nu daartoe de overvloedige
gelegenheid aan. Niet onwaarschijnlijk is het, dat reeds hier
onze veertienjarige Johannes met de geschriften van Plato
bekend gemaakt werd, inzonderheid daar Musurus, in het
jaar L513, de eerste uitgave van diens werken bij den be-
roemden Maoutius had doen verschijnen i).
Hoe gaarne evenwel zouden wij het zwijgend duister zien
opgeklaard , en wenschen te vernemen , welk een indruk het
verblijf te Rome op de vatbare jeugdige gemoederen gemaakt
heeft. Maar niets hoegenaamd vinden wij dienaangaande
vermeld. Ën toch was het een geweldige, diep-ingrijpende
tijd voor Rome , deze vooravond der Reformatie , op welken
reeds menigeen uit de heerschende zoele luchtsgesteldheid
den naderenden storm voorspelde. Heeft dat oponthoud bij
onze jonge Polen geen enkelen blijvenden indruk achter-
gelaten? Hebben zij zich, in deze zoo vatbare jaren, laten
bezielen door den ademtocht der boog-vereenle Knnsfr' Biif aël
had juist zijne wonderbare meesterstukken, zoo vol ernstige
diepzinnigheid en reine schoonheid , in de „Camera della
Segnatura" voltooid. In de Sixtijnache kapel waren de steigers
afgebroken, en onbelemmerd kon de verbaasde blik de schep-
pingen beschouwen , die , als eene openbaring op het gebied der
kunst, door Michel Angelo aan de zoldering getooverd
waren. Voor de neven van den Primaat van Polen waren de
nu gewijde plaatsen toegankelijk : hebben zij aldaar vol geest^
I) In Mne Griskaahe wntetkaning, saa het alot der uitere , woedt 1j«o
gaprozen als berordBraar van vnarachtiga opvoeding en aU bemieuwer dar
Oriekeche woteuichap, ali irtB vaa het kranke Italië, als berrijder van het
onderdrukte Griekenland, en als weldoener van het leven der menachén.
(Ver
.e. II, 115.)
65
drift geluisieTd naar de geheel ééoige taal, in welke deio
beide geliefkoosde jongeren der kunst het geestelijk leren der
menschen, alsook de daden Grods Tolgens de Heilige Schrift
▼ertolkten? VTij weten, dat de drie jongelieden « met hunie
bgzondere begaafdheid Toor talen « zich ook de Italiaansche
taal spoedig hebben eigen gemaakt Welk eenen indruk heeft
dan op ben de zoete welluidendheid van eenen Petrarca«en
bovenal de majesteit, de kracht, de verheTeno schoonheid
en waarheid van eenen Dante gemaakt, wiens uitlegger
Ariosto kort te voren de eeuwige stad bezocht had? Op
deze, ^lijk ook op zoo menige andere vraag, die zich aan
ons opdringt, ontvangen mj tot onze teleurstelling geen ant-
woord ^ en zijn bijkans in verzoeking om aan te nomen, dat de
jongelieden weinig in aanraking kwamen met den geest, die
ons , later geborenen , met zulk een vurig verlangen den blik
doet wenden naar die dagen en hunne aesthetische genietingen,
voor welke velen der tijdgenooten zelven zich onverschillig be-
toonden Is dit vermoeden juist, dan mogen wij ook aannemen,
dat het vrome gemoed van onzen Johannes niet verontrust is
geworden door al het goddelooze drijven , hetwelk zich in die
ongeloovige dagen bijkans nergens schaamteloozor vertoonde ,
dan onder het oog van den gewaanden Stedehouder Gods. (leon
enkele plaats in zijne latere geschriften verraadt, dat hij toen-
maals gezien en gehoord heeft, wat Luther op zijnen pelgrims-
tocht naar Rome heeft opgemerkt, en wat in de vertelling van
Boccaccio dien Jood beweegt, om zich te laten doopcn.
De geheimzinnige sluier, met welken God zelf het oog dor
jeugd zoo zorgzaam bedekt, heeft waarschijnlijk voor den
jongeling het schouwspel eener godvergetene wereld verbor-
gen , in welke juist de dienaren van den AUerhoogsto , op de
onbeschaamdste wijs , het heiligdom aan bespotting prijsgaven
en gruwelen op gruwelen stapelden, zoodat Luther zelf al-
daar uit den mond van pauselijke hovelingen de bekentenis
moest hooren: de toestand is niet langer houdbaar, de Kerk
moet noodwendig te gronde gaan^).
1) Lnth6r, LXII, 435.
DALTOV.
L«
De oom wonschte niet, dat zijne neïen te Rome hunne
studiën zouden voltooien. Inzonderheid voor Johannea waa de
nabij gelegene, wereldberoemde universiteit van Bologna van
veel belang, ora zich aan zijne bijzondere studiën in het
kerkrecht te wijden. De Primaat zelf was genoodzaakt,
om nog eene wijl de zittingen van het concilie bij te woneu ,
ten einde bij het pauselijke hof, dat maanden achtereen on-
genegen was om de wenschen van Polen in te willigen , de vele
en zeer moeielijke opdrachten, hem uit het vaderland ge-
worden , ten uitvoer te brengen. Deze taak rustte thans
op hem alleen, daar reeds aan het einde van het jaar 1513
zijn metgezel, de slotvoogd van Ealisch, op bevel van den
Koning naar Spanje gereisd, en van daar onmiddellijk naar
het vaderland teruggekeerd was. Tegen den afloop van het
jaar 1514'-) kreeg de opvoeder der jongelingen, Johaunes
Braniczki, den last om met hen naar Bologna te vertrekken.
Het voorname reisgezelschap had vier dagen noodig, om
zich van Rome, Wiiarschijnlijk over den bergpaa van Fnrlo,
naar Bologna te begeven. Slechts langzaam vervolgde men
den weg, die thans, in de late, frissche herfstdagen, zoo
veel bezienswaardigs aanbood.
b) Te Bologna,
Ook in die lang vervlogene dagen zou een student, die uit
verren lande te Bologna was aangekomen , niet licht verzuimen
om den Torre Asinelli, één der beide scheeve torens op den
Mercato di Mezzo, te bekUmmen. Het is inderdaad de moeite
waard , om van den 83 meters hoogen toren den blik te laten
weiden over de stad , en verder naar olie zijden over de
vruchtbare, goed bebouwde vlakte aan den voet der Apen-
nijnen. Het beeld , dat de stad , uit dit verhevene gezichts-
punt, aan den beschouwer vertoont, moest op onze jonge
I) Wellicht magen wij het tijdstip tot op het midden ^
■ohuivati , dur liet begin der Toorlexiageu voor de dccretii
op den dag na Bt. Lucw (19 October)iTai vailgeateld. (Tergel. 8 ■'
in OctOijCT TCl-
■en to Bolugna
ieiiï,iii,23s.)
67
Polen, die tot het familiewapen Korab behoorden, eenen
zeer eigenaardigen indruk teweegbrengen; het is toch een
oud gezegde, dat Bologna, van dit standpunt beschouwd,
eenige gelijkenis heeft met een schip, van uit de hoogte der
mars gezien. Alsof het hun eigen wapenbeeld was, op reus-
achtige schaal vergroot, zóó deed zich aan de jonge La ski's
de muzenstad voor, in welke zij zich, ter wille van hunne
stadiën, gedurende een paar jaren hadden op te houden. In
Bologna en Padua waren de studeerende zouen van den adel
uit alle landen der wereld gewoon, om bij hun vertrek hun
wapenschild, als een soort van vrome schenkiug, in de
universiteitshallen op te hangen. Elen herhaald, opmerkzaam
onderzoek op beide plaatsen heeft mij^ tot mijn leedwezen,
het wapen der Laski's onder de honderden van dergelijke
onderscheidingsteekenen niet doen ontdekken, en zoo moest
de aanblik der stad ook als eene vergoeding voor het ge-
miste wapenbeeld dienen.
De eerste paar dagen van hun verblijf te Bologna brachten
onze vrienden in de openbare herberg door, totdat zij eene
woning gevonden hadden , die aan de behoeften beantwoordde.
De reis en de vertering in het logement gedurende deze drie
dagen, die zij aldaar gehuisvest waren, bedroeg te zamen
dertien en een halven dukaat, gelijk de opvoeder bericht aan
den Aartsbisschop , die te Rome van alles nauwkeurige reken-
schap verlangt. Wij zien, dat de vrijgevige oom de zijnen
niet op een al te zuinigen voet laat leven. Eenige toevallig
ontdekte brieven verleenen ons een klein, belangwekkend
kgkje in het rustige en aan de studiën gewijde leven van
deze onze vrienden.
Wij zien allereerst een paar nieuwe aankomelingen in den
kring onzer oude bekenden verschijnen. In Mei 1514 had
de Aartsbisschop zijnen maarschalk, den slotvoogd van So-
chawczew, Nikolaus Wolski, die met groote trouw aan hem
was verknocht, en die later ook door zijn huwelijk aan hem
▼ermaagschapt werd , met eene belangrijke boodschap tot den
koniog van Polen gezonden. In den herfst (8 September)
gelukte het den Poolschen veldheer Konstantijn von
5*
Ostrorog, om den Russen, onder aanvoering van den groot-
vorst Wasailij Iwanowitsch, bij Orsza eene beslissende
nederlaag toe te brengen '). Daardoor namen ook de aan-
gelegenbeden van Polen aan bet pauselijke hof eenen gun-
stigen keer, zoo als Laski bij zijne onderhandelingen weldra
bespeuren mocht. Het was toch eene overwinning , niet
slechts over den dreigenden vijand van bet afgelegene Polen ,
maar voor Rome nog meer in het bijzonder eene overwinning
van den getrouwen zoon der Roomsche kerk over den af-
vallige. In de vreugde van zijn hart, en ten einde de gunstige
stemming in Rome te bevorderen, zond de Koning den aarts-
biss eb op pel ijken maarschalk met een aantal adellijke Russi-
sche gevangenen, om die aan den Paus als een geschenk
in handen te stellen. Een koninklijke geleibrief moest dienen,
om aan den slotvoogd van Socbawczew, op zijne reis naar
Rome, bescherming voor zich en zijn eenigszins eigenaardig
geschenk aan den Paus te verzekeren. In Weenen was men niet
geneigd . ora den geleibrief te eerbiedigen-, de overwinning bij
Orsza had de Oostenrijkscbe politiek gedwarsboomd, en, daar-
over misnoegd, bield men Wolski met zijne gevangenen te
Hall bij Insbruck aan. Den Poolschen gezant liet men nu ,
wel is waar, ongehinderd zijnen weg naar Rome vervolgen,
doch de tien gevangen Russen bevrijdde men van de ketenen ,
en zond ben over Lülieck terug aan den grootvorst van Mos-
kau, ten einde althans op deze wijze eene uitdrukking te geven
aan bet onbehaaglijke gevoel over den zoo onverwacbten af-
loop van den veldslag. In Itome billijkte men deze handel-
wijze des Keizers op geenerlei wijze. Leo X eischte, in een
schrijven aan Maximiliaan, hetwelk uu nochtans te Iaat de
plaats zijner beslemming bereikte, de uitlevering en overzen-
ding van de gevangenen, en de op bet noncilie vergaderde
vaders , met den Paus aan het hoofd , vierden de schitterende
I) De apostoliache legaat Pisa, die hij de icgefeealen Ie Wiln» .lanwaiig
WBB, geeft eeu aitvoerig bericht vbii den alag en de Bchitlerende överwinüiug
(„Toniiciaiis ," III. 202j. Vet^l. aldaar ook de legeliedcreo van Ürioiusj
eu ToorU „Tomiciuia ," III, 6.
69
overwinning y die Polen behaald had, als eene ze^praal der
Kerk over de ketters ^).
Daar Wolski, op zijnen boTengenoemden tocht, nch had
voorgenomen, over Bologna te reizen, had men van de ge-
schikte reisgel^enheid gebruik gemaakt^ om het gezelschap
van onze vrienden met een paar studenten te vermeerderen.
Allereerst met den jongsten broeder, Stanislaus, die nu,
volgens het oordeel zijns vaders, oud en rgp geno^ was,
om zijne studiën te Bologna voort te zetten. Hij werd ver-
gezeld door eenen broeder van dien Johannes, aangaande
wiens familie en betrekking tot het geslacht Korab wij te
voren in het onzekere gebleven zijn; ook hij, insgelijks Sta-
nislaus geheeten, studeerde, evenals zijn broeder, op kosten
van den Aartsbisschop. Verder bracht Wol ski twee jonge
Radziwiirs^) met zich, nl. Stanislaus en Johannes, die
zich reeds een tijdlang te Weenen hadden opgehouden, en
nu in Italië hunne studiën moesten voortzetten. Ook de on-
derwijzer van Stanislaus, met name Matthias, waarschyn-
lijk de opvoeder van den jongen Laski, die alleen op het
vaderlijk slot was achtergebleven, behoorde tot het reisge-
zelschap, en bleef te Bologna. Zoo bestond de kleine huis-
houding uit tien personen, nl. uit de drie neven, de beide
Radziwill's, de beide verre verwanten, en bovendien uit
den opvoeder Branizki, uit den zoo even genoemden leer-
meester Matthias, en uit eenen arts van gelijken naam,
dien de zorgzame oom aan zijne hem toevertrouwde voedster-
lingen had medegegeven. Ook een kok wordt nog genoemd ,
en zeker zullen nog wel een paar andere bedienden bij de
vermogende jongelieden van den Poolschen adel aangesteld
zijn geweest. Het is bevreemdend, dat een andere verre
1) Vergel. „Tomiciana ," III, 7. 333.
2) Ook de uitroerige monographie over de Badziwill's („Galorja nioswieznIcA
portretow Badziwillowskich przez Kotlubaja. Wilno, 1S57") geeft ons gocn
aitsluitflel aangaande deze zonen van het beroemde geslacht. Do AartubiHschop
is, zooals uit zijn testament blijkt (vergel. Zei ss berg, S. 611), aan de
£ynilie Tennaagachapt , en dit is ook waarschynlijk de reden, dat ecu paar
sooeu uit dat huis in zulk eene nauwe yereeniging met zijne neven studeeren.
bloedTerwant, tot bet wapen Korab hehoorende, MatthiaB
Slijwnicki, die destijds, en waarschijnlijk op koaten van den
Aartsbisschop, — want Bninizki brengt aan dezen bij icekere
gelegenheid twintig dukaten in rekening, dour hem uitgegeven
tot betaling van eene schuld van Slijwnicki, — te Bologna
in het Romeinsche recht studeerde, niet in den kring der
gemeenschappelijke huishouding i.s opgenomen, Wellicht
is de genoemde onderwijzer Matthias en deze Slijwnicki
één en dezelfde persoon, die in het beknopte bericht zich
in die twee gestalten verdeeld heeft, volgens Kijne beide
werkzaamheden als leeraar en als leerHng. De Aartsbisschop
hechtte ook in latere jaren hooge waarde aan deze degelijke
kracht, die hera de offers, voor hare ontwikkeling gebracht, in
rijke mate vergold. Als doctor in de baide rechten werd Slijw-
nicki dombeer te Gaesen, aartsdiaken te KaHsz, ja ten
laatste kanselier van Laski en proost te Posen, tei-wij! bij,
in zijne wetenschappelijke werken, niet weinig tot het ver-
dringen van het Maagdenburgsche recht in Poleu beeft bij-
gedragen.
Daar het verblijf te Bologna een paar jaren moest duren,
kwam het er op aan , om zich huiselijk eu gemakkelijk in te
richten , eu wel in ieder opzicht. Aan den oom wordt dien-
aangaande door den opvoeder nauwkeurig rekenschap gege-
ven. Allereerst moest de kleeding, die nogal geleden had,
door eene nieuwe vervangen worden, welke overeenkwam met
het in Bologna gebruikelijke fatsoen '). Zeventien dukaten
kosten de beide opperkleaderen van gelijke snede, die onze
Johannes en zijn vriend Stanislaus Radziwill zich laten
maken, ten einde alzoo ook reeds op straat in hun uitwen-
dig voorkomen zich als gelijkgezinden te doen kennen. Ook
1) De Btatuten der uoireralteit beratten , t>ok met betrekkÏDi; tot de bleediag
der etadenl«D, Dsiinkeurige ferardeningeu ia het 3e boek, pag. !>2. Zoo
leest mea aldaar o. a.: om ootioodige uitgaTC» te yoorkomen, bepalen wij:
„Quod unllai acolaria emat alium psanum quam paooum qui vulgariter Tocatur
pgiuma de BtHtulO vel de paaao coloris nigri , queni pannum pro habilii
elipcriori Capps tabirdu ve! gabano vel conBimili reete coniLUetB pro tuac
lonftiore leate ïuTeriori et clausa a lateribua ac etiam fibulstu seu itinapiliila
antenna ciroa collum portare l^neantur."
71
de onderkleederen en het schoeisel werden voor het geheele
gezelschap hersteld en vernieuwd, het paar nieuwe schoenen
is berekend tegen twee dukaten; de haarsnijder ontvangt
wekelijks drie mark, om éénmaal in de week bij het zevental
jongelieden den baard in orde te brengen. De gehuurde
woning y waarschijnlijk een afzonderlijk huisje, moest van de
noodige meubelen voorzien worden; de behoeften in dit opzicht
zijn nog zeer eenvoudig , maar toch is de som der afzonder-
lijke posten in het kasboek voor al deze inkoopen niet gering.
Bedden, tafels, stoelen worden aangekocht; elk der jonge
studenten krijgt zijne eigene werktafel, van eenen lessenaar
met behoorlijke sluiting voorzien, opdat niet de een den
ander bij zijne studiën hindere. Daarbij verzuimt de opvoeder
niet om op te teekenen , dat hij ook zeven geelkoperen lam-
pen heeft aangeschaft, opdat ieder zijner kweekelingen den
arbeid tot negen uur des avonds (,^ad tertiam noctis") zou
kunnen voortzetten.
Behalve voor de woon- en slaapvertrekken wordt ook voor
de keuken behoorlijk gezorgd; tafellakens^ handdoeken, ser-
vetten, messen, vorken enz. worden, zij 't dan ook slechts
in eene verwonderlijk geringe hoeveelheid , aangeschaft ^). Zij
hebben hunnen kok uit Polen met zich gebracht , en koopen
zelve de benoodigde levensmiddelen in. De jonge Radziwill
toont daarvoor eene bijzondere geschiktheid. Wanneer des
morgens de handelaars komen, om vleesch en visch en andere
mondbehoeften te koop te bieden, dan ziet hij hun scherp
op de vingers, en weegt hun op de weegschaal, die voor de
huishouding werd aangeschaft, nauwkeurig na, opdat de
listige kramers en handelaars hem niet bedriegen. Want zij
moeten spaarzaam zijn: slechts iets meer dan drie dukaten
wordt wekelijks voor het onderhoud van het geheele gezel-
schap bestemd, behalve de uitgaven voor wijn en hout. De
eerste zes weken, toen Wolski nog niet met de andere
jongelieden was aangekomen, hadden zij vier manden met
1) t^mi aatem tres scatollas stagneas, octo talaria, octo cochlaria, duo
«gnaalia, tria manutergia, deoem serretaa etc''
wijn verbruikt, iiii echter natuurlijk meer. Het linnengoed
wordt buitenshuis gewaaschen; de waschvruuw ootvaogt maan-
delijks vier caroüjnen.
Het duurde niet liiiig , of de jongelieden waren ook geheel
te huis in hunne wetenschappelijke werkzaamhedea aan dezen
zetel der Muzen, Werpen wij allereerst een blik op hunne
huiselijke bezigheden. Meestal is het stil in de studeervertrek-
ken, waar elk met zijnen bijzonderen arbeid bezig is. Slechts
wanneer hij daartoe uitgenoodigd wordt, spreekt één hunner,
en wel bij afwisseling den eenen dag in het Italiaansch , den
anderen in het Latijn, waarmede zij nog beter vertrouwd zijn.
De Poolsche taal werd volstrekt niet gehoord, zij scheen in
vergetelheid geraakt te zijn. Zelis gedurende den maaltijd
werd het onderricht niet gestaakt. Gelijk in de eetzaleu
(„refectoriën") der kloosters onder den eten één der monniken
eene stichtelijke beschouwing voorleest, zoo werd hier, in
onzen kleinen kring , aan tafel eene afdeeliog van de Boheem-
ache geschiedenis voorgelezen, met grooter opmerkzaamheid ,
zooals te hopen is, dan ik in Russische en Romeinsche
klooster-eetzalen heb aangetroffen. Gelijk van zelf spreekt,
was het stuk, dat men voorlas, in de Boheemsche taal ge-
schi'even, die in de verblijven van den Poolscben adel van
den toenmaligen tijd door mannen en vrouwen met eene even
groote gemakkelijkheid gebezigd werd, als heden ten dage
waarschijnlijk de Fransche taal. Na tafel disputeeren de jon-
gelieden over hetgeen zij des voormiddags gehoord of be-
studeerd hebben, en éénmaal in de week ondervraagt do
professor hen in alle die zaken, welke hij hnn gedurende
dio week heeft voorgedragen.
Ia zijne brieven aan den Aaiisbisschop gewaagt Briinizki
met veel lof van de jongelieden: ze zijn zeer vlijtig en deugd-
zaam {„adolescentes studiosisstmi et virtuosi sunf). Eene
groote leergierigheid bezielt de beide neven, die met innige
liefde aan elkander gehecht zijn. De kennis, die de één
zich verworven heeft, wil ook de ander zich eigen maken,
ofschoon zij nu, hij de uiteenloopende richting vrin hunne
bijzondere studiën, afzonderlijke wegen bewandelen moeten.
73
Wat bekvaamheid beti^ft^ stelt Hieronjmus hen allon in
de schaduw; hem fait zonder voorbehoud do lotVpmak ton
deel , dat hg een zeer begaafd jongeling !<;. Van zijnon goliof-
koosden broeder » onzen Johannes« Tornomon wij nit don
mond Tan den opvoeder de getuigenis « dat hij hom do liof^to
z^ner kweekelingen en ten hoogste deugdzaam is. Braniiki
verklaart, dat hij nimmer zulk eenen jongeling goxion hooft,
en ontboezemt den vurigen wensch, dat hem oon lang lovon
vergund mocht zijn. (^Carissimus dominus Joannos nepos R
P. tnae, ibi est summa virtus, nunquam vidi h^ju8 modi
puerum; utinam esset longe vivens/*) Dit is het oersto on-
middellijke getuigenis^ hetwelk wij aanguando onzon hold
hebben kunnen machtig worden: het roert die snaar van
zijn wezen aan, die levenslang eenen zoo zuiveren, boeien-
den toon heeft doen hooren, een toon, die, een tiental
jaren later, eenen man als Erasmus als do woUuiitonste
klank, vol smachtend heimwee, in het diepst zijnor ziel gegre-
pen heeft, en naar welken wij zelven in de volgende blad-
zijden, wanneer de edele gestalte, tot volle ontwikkeling
gekomen, ons in woord en daad gemeenzamer worden zal,
meer dan eens met vreugde zullen luisteren. Deze adel on
beminnelijkheid des gemoeds, die de jongeling zoo vroogtydig
op verrassende wijze aan den dag legde, oefenden hunne
uitwerking niet slechts op hen, die, zonder hem to kounon,
met den man in aanraking kwamen, maar ovonzoer ook op
de naaste aanhoorigen des huizes, die in don diigolijksc/hon
omgang met hem steeds eenen gelijken, woldadigon indruk
van zijne zedelijk-reine persoonlijkheid ontvingen. Toon do
beide broeders een tijdlang van elkander gCHcheidon gewoiïHt
waren, schreef Hicronymus uit Bologua aan zijnen oom: ,/roen
mijn veelgeliefde broeder J o hannes alhier terugkeordo , hen
ik een geheel nieuw mensch geworden; door hem werd allo
tegenzin in het leven verre van mij verwijderd, alle vorvcling
verdween , en al mijn lust tot den arbeid in met hem in ver-
hoogde mate wedergekeerd. Zijnen geest en zijne kenriiM,
van welke hij in gebonden en in ongebonden stijl de bewijzen
levert, heeft hij, gedurende zijn verblijf in LhiitHchland , in
tt
veel hoogere mate vermeerderd, daii de andere joDgelieden;
hij Tieeft inderdaafl zijnen tijd niet verbeuneld en verknoeid,
maar de oitstekendste schrijvers gelezen en gehoord. Bewon-
deren niOBt men de kracht van het geheugen , de vol-
harding, den ernst („constautia et severitas"), door welke
de jongeling hezield is, zoodat wij allen met ontnag en
eerbied jegens hem vervuld zijn („ut eum omnes facile
timemus et veneramur") '); ééne zaak ameeken wij met
den meesten aamlrang van God af, nl. dat hem vele levens-
jaren mochten vergund zijn. Ik prijs hem niet daarom ,
omdat bij mijn broeder is, maar veeleer omdat ik hem ken
als eeneu voortreffelijken en hoogst achtingswaardigen jon-
geling, met wien ik, zoolang wij hier te zamenzijn, met al
mijne mannelijke kracht, mij gemeenschappelijk op de weten-
schappen wil toeleggen," Dat ook de broeder, evenals de
opvoeder, den wensch dat de buitengewone jongeling lang
mag gespaard worden, niet onderdrukt, geeft ons maar al
te veel grond om te vermoeden, dat het lichamelijke lijden,
waardoor wij den met werkzaamheden overladen man later
bezocht zullen zien, zich waarschijnlijk reeds vroegtijdig
heeft doen gevoelen.
Doch keeren wij terug tot onzen leerling en zijne studiën
aan den zetel der Muzen te Bologna!
Als Polen waren onze jeugdige studenten bij de universiteit
der „Ultramontani" ingelijfd, welke, in tegenoverstelling aan
de universiteit der „Citramoutanï ," uit leerlingen van 18 ver-
schillende vreemde natiën was samengesteld. Als zoodanig
genoten zij het volle burgerrecht, te gelijk met de aanzien-
lijke rechten, die Bologna, in onderscheiding van de Sor-
bonne, aan de leerlingen toekende. Want te Bologna vormden
van oudsher de scholieren de corporatie, die zelve uit haar
l) Mocht ik eeiien theoloog dei- ncgeutieodo txaw üoemeti, aan wienB rer-
Bchijaiiig Dok, TBQ zijne jeugd af san, deiellile eerbiedige bewondering ten
ileul viel, dan (reedt de edele geatalta van mijoea onver ge telij keu leermeester,
Karl Immaniiel Nitiaeh, mij voor den geeat. (Vergel. BejBclilag, S, 7.)
75
midden hare hoofden verkoos; de leeraren waren aan hen
onderworpen ^). Oorspronkelijk slechts eeae dubl^ele ivohts-
school, kwam er reeds in het b^u der Teertiende eeuw
eeoe ..artisten-uniTersiteit" bij voor de beoefenaars der wijs-
begeerte en voor die der geneeskunde, en vervolgens, als
Tierde universiteit, de theologische school, door Innocentius
VI in de tweede helft derzelfde eeuw gesticht, die op eigen-
aardige wijze naar het voorbeeld der Sorbonue was inge-
richt, zoodat derhalve in haar, niet de leerlingen, maar de
professoren de corporatie vormden. Zoowel in de rechts-
school, als ook in de artisten- en de theologische school ,
had onze Johannes bepaalde voorlezingen bij te wonen , daar
vooreerst de humanistische studiën nog niet ten eimlo ge-
bracht waren, terwijl in het vervolg de verdere studiën, be-
treffende het canonieke recht en hetgeen de theologische
faculteit aanbood, zich daarbij aansloten.
Juist in die jaren verheugde zich Bologna in een eenigszins
hoogeren bloei der wetenschappen. Don grootsten invloed
hierop oefende het edele geslacht Ben tivoglio: Bijkanseene
halve eeuw had Johannes Bentivoglio de vorstelijke waar-
digheid bekleed , en gedurende al dien tijd zich aanmerkelijke
verdiensten met betrekking tot de bevordering der wetenschap-
pen verworven; nog hoogeren roem behaalden te dezen aan-
zien zijne drie zonen en opvolgers, Hermes, Hannibal en
Galeazzo. Humanisten van veel beteekenis werden aan de
hoogeschool verbonden. In een vluchtig bericht in een brief
vonden wij toevallig een paar voorlezingen vermeld, die in
het jaar 1516 aan de „artisten-faculteit" gehouden wer-
den , en wg mogen wel aannemen , dat onze ijverige leerlingen
uit Polen daaraan hebben deel genomen. In den vroegen
morgen (de ochtend- voorlezingen eindigden reeds te negen
1) Vergel. hieroYer Savigny (III» UI), tot wiens meefiteriyken arbeid»
die nu reeds 60 jaren ond is, wij ons nog altijd wenden moeten, wanneer
wij ons een nauwkeurig beeld van de ,,univcrBitaire'' toestanden, ook aan de
rechtsschool te Bologna, ontwerpen willen. Wanneer worden toch eens ein-
delijk de rijke archieven der aldaar gevestigde universiteit geschift en produc-
tief gemaakt?
ureo) werd behandeld „Cicero ad Atticum" en de „Georgica"
van VergUiua; in de namidtlag-voorleziugen Thucydides en
AristopLanes , andermaal Cicero, en Propertiua '}. In een
schrijven van onzen Johannes, uit ilen eersten tijd van zijn
verblijf te fiologna , aau zijnen oom , ontlueot de jeugdige
beoefenaar der humanistische wetenschappen eene zedenspreuk
aan Salluatius, en de volzin eindigt in dichtmaat, met woor-
den, wellicht uit de vlugge pen van den briefschrijver zelven
gevloeid 2). In een ander schrijven roemt hij professor Mo-
destus, als die door hen allen het hoogst vereerd werd.
Het is te betreuren , dat wij onzen aankomenden geestelijke
niet bij zijne bijzondere studiën te Bologna kunnen begeleiden.
Alle pogingen, om aldaar het juiste spoor te vinden, dat
ons tot eene voorstelling der toenmalige theologische studiën
zou hebben gevoerd , zijn mislukt. Een aantrekkelijk beeld
zou het niet geworden zijn; geestdrift voor zijn „treffelijk
ambt" kon een leerUng in die dagen zeker niet ontleenen
aan de theologische voorlezingen, die zich bijkans geheel tot
de kennis van het canonieke recht bepaalden, Cochlaeus, in
de volgende jaren een zoo verbitterd tegenstander van Luther,
en op meer dan indringende wijze werkzaam, om het afge-
legene Polen tegen het gif der Reformatie te beschermen,
hield zich tegelijkertijd wegens zijne studiën te Botogna op;
reeds na korten tijd echter is hij van de theologische lessen
aan de hoogeschool verzadigd. Aan zijnen weldoener, den be-
roemden Wilibald Pirkheimer te Neurenberg, wiens neef hij
als opvoeder op zijne reis naar Bologna vergezeld heeft, geeft
bij, in een ongetwijfeld eenigszius overdreven en al te verdrietig
schrijven vol jammerklachten, eene beschrijving van den toe-
stand der theologische studiën. „Het is," zoo schrijft hij,
1) VergeL Heumann, S. 3.
2) De plsRts i» aui )iet aadate achriFtelIjke documeut rsn Duzea h^ld
ontleend, hetnelk nog onuitgegerea in het ivchJeC te Qnesen geronden ircrd.
De beduolde ptïBtn luidt aldus: „Etenim, ut Salustiiu inqutt. diTitïarum et
formse gloria Saza atque fragiliB eat, lïrtus olara etemaque hAbetur. Idnireo:
NomiaiH atite mei veiiicut obliFÏrv in orbem, Peelure guatn pielas ail tua
77
^eene ellende, om zich hier met de heilige wetenschappen
bezig te houden, zonder leeraren ^ zonder boeken, zonder
hulp. De voorlezingen worden gehouden door erbarmelijke
monniken; met hen wil ik mijnen tijd niet zoekbrengen,
het zijn louter sophisten, zij jagen schaduwbeelden na. Uit
dien hoofde woon ik geen voorlezingen bij, maar leef als
opgesloten in mijn huis" ^). Gelijkluidende klachten uit
hij over de leeraren van het canonieke recht. De ge-
leerdste van hen heeft geene geschiktheid om te onder-
wijzen, de andere spreekt zoo zacht, dat hij niet verstaan
wordt, de derde is zoo geleerd, dat hij dikwijls naar de verst
verwijderde onderwerpen afdwaalt, een vierde is een klapper,
een vijfde een jong mensch zonder kennis.
Ook als wij van het aanmatigend , smadelijk oordeel van
den Duitscher, die tegen de Italianen was ingenomen, iets
afdoen , toch blijft er eene kern van over , die ook van andere
zijde bevestigd wordt De theologische studiën waren , in die
dagen, geheel en al overvleugeld door de humanistische. Ter-
wijl hier een nieuw leven begon, niet ongelijk aan de bo-
wling en herleving, die de Profeet aanschouwde, toen de
Greest de dorre doodsbeenderen bezielde ; terwijl hier , in ver-
rassende schoonheid, de wereld der Grieken en Romeinen
voor den opgetogen blik als uit een graf oprees, en
alle geestelijke energie der tijdgenooten , op schier kramp-
achtige wijze zich daarop richtte, om als met reuzenkracht
dezen éénen zoo wonderbaren schat op te graven: was de
theologie achtergebleven, en bleef zij haar overoud spoor
vervolgen. Ongeschokt door al datgene, wat de gemoederen
der tijdgenooten , als met de kracht van eene aardbeving , tot
op den bodem toe bewoog, naderde zij, op bijkans zorgelooze
wijze, zonder iets te vermoeden, het punt, waar hare scholas-
tieke mijnlamp door den rukwind van den nieuwen tijd wordt
uitgebluscht
Juist zulke oude, beroemde hoogescholen , als Bologna,
vervallen er lichtelijk toe, om aan het overgeleverde hard-
1) fienmann, S. 12,
nekkig vast te botiden. Het mogen monniken geweest zijn,
die rondom de overgeleverde leerstellingen dene oneindige
reeks van vragen, van gronden en tegengronden , van defi-
uitiën, distinctiën, syllogismen en corollariën opeenstapelden ,
gelijk een graf door den herfstwind met dorre bladeren be-
dekt wordt: maar onverdraaglijk moet zulk een getob geweest
zijn voor een jengdig gemoed . dat nn reeds sinds jaren de
heldere, zuivere, verfrisschende lucht der oude auteurs bad
ingeademd, dobbel pijnlijk in eeneu tijd, toen zicb op ieder
gebied een nieuw leven openbaarde, en ook de Scholas-
tiek, op meer dan ééne plaats, de kiem der zelfoplossing
vertoonde. Immers had reeds het pauselijk ïichrijven, hetwelk
de oom, een jaar te voren, aan de vergaderde vaders van
het concilie bad mede te deelen , met het wezen der Scholastiek
gebroken, hoe zeer het ook nog van het zelfgevoel, dat haar
in de dagen van haren glans vervulde, doordrongen is, zoo-
dat het, van dit gevoel uitgaande, eenvoudig datgene decre-
teert. wat men zich te zwak gevoelt om te bewijzen. Slechts
van éénen theoloog, bij wien onze leerling zekerlijk de voor-
lezingen heeft bijgewoond, hebben wij den naam kunnen
machtig worden: het is Chrysostomus Casalenua. Leo X
had aan Petrus Pomponatius vergund, een verdedigings-
schrift van zijnen reeils vermelden arbeid over de onsterfe-
lijkheid der ziel in het licht te zenden , doch enkel onder
deze voorwaarde, dat genoemde professor der theologie te
Bologna daaraan antithesen zon toevoegen , en deze laataten
te zamen met dat verweerschrift zouden worden gedrukt. Het
18 te bejammeren, dat wij dit werk („defensorium") niet
konden opsporen: behalve dat zulk een zeldzaam, op pauselijk
bevel uitgegeven geschrift, waarin het vóór en het tegen
(„aic et non") uiteen gezet wordt, en hetwelk den geest van
dien tijd in helder licht stelt, reeds als zoodanig al onze
belangstelling waardig is , zou bovendien bet boek voor ons
gewichtig geweest zijn, om den meester te leeren kennen,
aan wiens voeten onze Laski gezeten heeft.
Voor de uitlegging van de Heilige Schrift bezat Bologna
ook eenen leerstoel) maar reeds sinds langen tijd was, onder
den invloed der Scholastiek, dit belangrijk vak ontaard of
79
Terwilderd tot eene uitlegging van de uitloging, in welke
de spitsvondigheid van de heerschende theologische richting
eene aangename, uitgestrekte speelplaats had. Doch dese
laatste werd haar meer en meer betwist Reeds in 1516
verscheen te Genua een Psalterium in vier talen ; twee jaren
Yieeger was het eerste deel van den grooten Complutensischen
Bgbel van den kardinaal Ximenez^ aan paus Leo X opge-
dragen, in het licht verschenen, en ook de Grieksche uitgave
van het Nieuwe Testament van E ras mus was in Italië in
veler handen. Men las en verklaarde het boek, evenals zoo
menigen anderen pas-ontdekten Griekschen schrijver, wij
zouden zeggen: uit een zuiver philologisch oogpunt, zonder
te beseffen, welke ver reikende gevolgen deze studie aan
gindsche zyde der bergen reeds zoo spoedig hebben zou.
Ook het Oude Testament begon men in de grondtaal te
lezen. Men kon zich daarbij , wat Bologna betreft , beroepen
op de bekende verordening van Clemens V, op de kerk-
vergadering te Yienne, in 1311, volgens welke ook aan deze
universiteit zes leeraren in de Oostersche talen moesten
worden aangesteld , niet om de igeestelijken in de gelegenheid
te stellen, de Heilige Schrift in de oorspronkelijke taal te
leeren verstaan, maar om wél-toegeruste kampioenen tegen
Joden en Mohammedanen te vormen. Die verordening was
in den loop des tijds bijkans vergeten. Thans echter, juist
in hetzelfde jaar, toen onze vrienden zich naar Bologna
begaven, was Theseus Ambrogius — een soort van Mez-
zofanti der zestiende eeuw, want men verhaalde van hem,
dat hij in achttien talen ervaren was , — door den Paus als
professor in de Oostersche talen aangesteld geworden >). Wij
weten zeker, dat onze jonge godgeleerde zich de aldus aan-
geboden gunstige gelegenheid niet ten nutte maakte, want
bökans een tiental jaren later leerde hij het Hebreeuwsch;
de Aartsbisschop was waarschijnlijk van gevoelen, dat de
kennis van deze taal weinig nut zou aanbrengen met betrek-
king tot de loopbaan, die hij van zins was, om voor zijnen
gelief koosden neef in de vaderlandsche Kerk te ontsluiten.
1) Bosooe, II, 151.
"15
Eene bijzondere levendigheid heerschte, gedurende het
verblijf van onze vrienden te Bologoa, op het gebied der
wijsbegeerte , op hetwelk een scherpziend oog reeds destijds
bovenal de werking van den geest zou hebben kunnen be-
speuren, die aan den tijd der Middeleeuwen een einde
maakte, en voor Italië zijne herschepping tot i1e gestalte
der Renaissance krachtig bevorderde. Wij mogen nauwe-
lijks aannemen, dat onze jeugdige beoefenaar der god-
geleerdheid reeds bet ruischen van deinen geest gewaargewor-
den is. Tot dusverre had Aristoteles en zijne dialectica
eeuwen achtereen het denken op znlk eene wijze beheerscht,
als zeker geen ander wereldwijze ooit eenen invloed geoefend
heeft. De bedrevenheid der humanisten in het opsporen had
nieuwe geschriften des meesters ontdekt, die den kring zijner
kennis belangrijk vergrootten. Inzonderheid sedert den val
van Constant! nop et had zich ook de kennis van Plato's ge-
schriften tot ver in Itahë verspreid , en van de vurige liefde
Toor dezen wereldwijze getuigde zoo menige „Platonische
academie," Beide heroën des geestes vonden hunne harts-
tochtelijke vereerders , in 't eerst nog niet op eene elkander
wederkeerig uitsluitende wijze, maar hoe langer hoe meer
met scherper accentueering van de verschillen. Er is toch
eene andere richting des geestes in de beide Dioscuren ,
het overoude verschil , dat zich ook in de krachtigste dagen
der Scholastiek geopenbaard heeft. Juist te Bologna leerden
destijds voorname vertegenwoordigers der beide richtingen.
Eenen belangrijken invloed oefende Alexander Achilinus,
zelf een Bologueezer, die in 1518 in zijne vaderstad stierf.
Uitter oordeelt aangaande hem , dat zijne wijsgeerige geschrif-
ten nog geheel en al den stempel der Scholastiek vcrtoonen,
en aan de leeringen van den beroemden Averroes grooten
invloed op zijne onderzoekingen toestaan '). Maar de tvrijfel
aan hare stellingen laat zich toch reeds gelden. Achilinus
wandelt in de wegen van eenen Duns Scotus; hij vat het
realisme weder op; in dezen zin verklaart hij de woorden
1) Bitter, IX. 382, f.
81
▼au Aristoteles. — Nevens hem leerde aan de hoogeschool
in die jaren de reeds herhaaldelijk genoemde Petrus Pom-
pon atius, die, ofschoon nog in scholastische stellingen
bevangen, toch nog meer bepaald voor den twijfel toegan-
kelijk was. Door den bekenden Platonischen wijsgeer Fici-
nns is hij met Plato's geschriften vertrouwd geworden; hij
vermoedt wel, dat de beide wereldwijzen niet overal van het-
zelfde gevoelen zijn, doch het ontbreekt hem aan eene ge-
noegzaam ernstige zucht naar waarheid, om de verschiDen
na te gaan, en zich aan de voor dien tijd zoo belangrijke
gevolgtrekkingen te onderwerpen. Tusschen Pomponatius
en Achilinus ontspon zich te Bologna menigmaal een weten-
schappelijke wedstrijd. „Men verhaalt, dat zij zich in dis-
patatiën met elkander maten, en dat gene aan het gewicht
der wetenschappelijke gronden, welke deze wist te doen
gelden, zich door geestige wendingen zocht te onttrekken ^)."
Hoe gaarne zouden wij er iets naders van vernemen, of,
en welk eenen invloed deze worstelingen des geestes en deze
wetenschappelijke pogingen op de ontwikkeling van onzen
held geoefend hebben! Maar alle moeite, om nadere berich-
ten aangaande den loop zijner studiën te Bologna op te
sporen, was te vergeefs. Ons restte slechts de zoo even in
het werk gestelde bescheidene poging, om de schrale, ten
opzichte van zoo vele vragen onvoldoende , hier en daar ver-
strooide berichten bijeen te zamelen, ten einde daaruit ten
minste den aard van den invloed te loeren kennen, aan
welken La ski, gedurende zijn verblijf te Bologna, bij zijne
theologische studiën blootgesteld was, of, gelijk wij ons
wellicht voorzichtiger en bescheidener moeten uitdrukken , zou
hebben kunnen blootgesteld zijn.
Ook wat het predikambt betreft, schijnt onze jeugdige
godgeleerde aan de hoogeschool geene bijzonder geschikte
voorbeelden te hebben aangetroffen. Wij zien ons hier weder
uitsluitend verwezen naar de, zooals het ons voorkomt, over-
dreven voorstellingen van Gochlaeus, die de gebruikelijke
1) Ibid., S. 427.
DALTOir.
preekwijze in de volgende, aterk sprekende trekken geeselt:
„De meeste vastenpredikera zijn op den kansel, als ik het
zeggen raag, meer potsenmakers of declaraeerende schouw-
spelers, dan predikers, dan Apostelen, dan Aognstinusgen.
Terwijl velen , wanneer zij in gesticulatiën en in hunne stem
op eeoe dwaze wijze de palen te buiten gaan, Paulus of
Cicero reeenen na te volgen , spreken en ageeren zij toch
slechts huichelachtig voor de oogen en ooren des volks. Is
het te verwonderen, ala zij op deze wijze niets uitrichten?
Wanneer zij heftig willen zijn, dan jagen zij in hunne rede
onophoudelijk voort, zonder eenige de minste rust; af en
toe bewegen zij hunne hoofden ala kraaien, springen op,
loopen op den predikstoel heen en weder, schreeuwen, scher-
men met hunne armen, en keeren aan de gemeente don rug
toe, inzonderheid wanneer zij tot het kleine crucifix, dat
achter hen staat, voor de gemeente bidden. Uiterlijk weenen
zij , maar innerlijk lachen zij , en behagen zich zei ven uiter-
mate ')."
Niet geheel ongestoord door de dingen der wereld, gingen
de studiejaren te Bologna voorbij. Een paar gebeurtenissen
moeten hare omtrekken ook in het rustige leven onzer ken-
nissen geworpen hebben. Meestal, voorzeker, leefden zij
afgezonderd en op zich zelven. Branizki had, ten einde
zijne kweekelingen aan hunne woning te verbinden, een paar
citers aangeschaft, welke de RadziwilI's en de Laski's
met vaardige hand wisten te bespelen; eene plaats in een
brief, door onzen vriend in tateren tijd aan Beatus Rhena-
nus gericht, doet ons zien, dat hij veel van de muziek
hield, en ook in baro theoretische kennis niet onervaren
was. Maar de rang der famiJiën van onze jonge Poolsche
edelen was in hun vaderland van te veel beteekeuis , dan dat
zij geheel onopgemerkt, en onder ongestoorde toewijding
hunner krachten aan de studiën, hunne dagen in de muzen-
atad zouden hebben kunnen doorbrengen. De kardinaal-aarts-
bisschop van Bologna, Achilles de Grassis, was Protector
1)1
83
van Polen bij den pauselijken stoel, en de oom stond in
voortdurende vertrouwelijke betrekking met deze hoogaanzien-
lijke persoonlijkheid; eene betrekking, die gewis ook aan
de neven ten goede gekomen is.
In December 1516 had, zooals bekend is, te Bologna de
beroemde en belangrijke samenkomst plaats van Leo X
met Frans I. Sedert de roemrijke overwinning van den
ridderlijken held en koning van Frankrijk bij Marignano
moest de Paus alle middelen in het werk stellen, om met
den overwinnaar tot eene vriendschappelijke verstandhouding
te geraken : de samenkomst te Bologna moest aan deze pogingen
hare uitdrukking verleenen. Groote voorrechten werden hier
aan den Franschen koning toegekend. Wel werd de vaak
zoo heftig bestredene pragmatieke Sanctie opgeheven, maar
de belangrijkste voorrechten en vrijheden, welke zij bevatte,
werden door eene bijzondere akte vernieuwd, die vervolgens
de grondslag van de „vrijheid der Gallikaansche kerk" ge-
worden is. Voor den levensloop van onzen held werden deze
dagen d&drdoor van beteekenis, dat hier, gelijk wij grond
hebben om te vermoeden, zijn jongere broeder, Stanislaus,
voor het eerst in aanraking kwam met den koning van
Frankrijk: door wiens tusschenkomst dit geschiedde, kunnen
wij, bij gebrek van de noodige gegevens, onmogelijk beslissen.
Meer dan éénen naam zouden wij hier , met meer of minder
waarschijnlijkheid, kunnen noemen; doch waartoe zou het
dienen, zoolang niet de minste zekerheid voorhanden is?
Weinige weken na deze plechtige samenkomst waren onder
de Bologneesche studenten ernstige botsingen tusschen de
verschillende corporatiën van landgenooten ontstaan. De
Duitschers stonden tegen de Lombarden op ; het jonge , vurige
bloed tastte snel naar den degen en het zware vuurroer;
twee dagen duurde het bloedige oproer in de straten, Aan
de zijde der Duitschers stonden, onder andere corporatiën
van landgenooten, ook de Hongaren en Polen. Of ook onze
ridderlijke, in den wapenhandel bedrevene Polen naar het
zwaard gegrepen hebben, weten wij niet; in ieder geval
echter hoorden zij, in die stormachtige dagen, eenen held-
6*
haftigen Duitschen ridder als pleitbezorger der Duitschers ,
en DU ook der met hen verbonden Polen, ter zake van de
krenking, die hun was aangedaan, nadrakkelijk hunne be-
langen verdedigen tegenover den partijdig-gezindengoeverneur;
het was niemand minder, dan Ulrich von Hutten i).
Noch hij Laski, noch bij Hutten is ons eeiiige aanduiding
voorgekomen, die grond geeft om te onderstellen, dat zij,
gedurende bun gelijktijdig oponthoud te Bologna, persoonlijk
met elkander bekend geweest ziju. Zoo menigvuldig ala de
aanrakingspunten zijn , die men in het wezen dezer beide
mannen kan vinden, zoo diepgaand zijn ook de verschillen,
en juist op dat punt, van waaruit een schitterend licht op
de reine gestalte van onzen Laski valt, die bovoudien meer
dan een tiental jaren jonger waa , dan de dolende Duitsche
ridder. De naam van Hutten doet de vraag bij ons oprijzen,
of ook in de woning onzer Polen het schijnsel ia doorge-
drongen, dat van de pas verschenen „Brieven der duister-
lingen" is uitgegaan, en dat geheel den geestelijken horizont
als in vlammen zette, bet onvergelijkelijke hanengekraai ,
hetwelk verkondigt , dat een lange , duistere nacht verstreken
is, en dat in het zegevierend schertsen der Humaniteit het
morgenrood aanbreekt, hetwelk eenen nieuwen, achoonen
dag VOO rapé It. Aan de sameua telling van het tweede deel
dezer Brieven heeft Hutten een werkzaam aandeel genomen '),
en wel van Bologna uit. De portretten van de briefschrijvers
had de Duitsche held op zijne reizen en omzwervingen door
Duitscliland genoegzaam leeren kennen, en bijaldien soms
in het zonnig Italië de trekken dezer duisterUngen voor hem
mochten verbleekt zijn, dan konden hem Rome en Bologna
lieden van hetzelfde soort verschaffen. Want deze duister-
lingen zwierven , zonder vaste woonplaats , overal in de wereld
rond; evengoed te Keulen, als te Bologna ontmoette men
1) Yrrgel. het bericht, door Hutleu aou Sraamus ge\
treffelijke uitgsre zijoer werken bij B5QkiDg, I, 116.
2) Men Tiudt dil tuuigetoond bij Strauaa, I, 26G f.
85
hnnne gelaatstrekken^ en vernam men hun Latijn, dat ons
telkens opnieuw het Duitsch der Poolsche Joden herinnert^
eveneens zulk een zwervend volk zonder vaste woonplaats,
met een koeterwaalsch ^ dat half dood en half levend is«
Wanneer wij ons de schildering van de vastenpredikers
herinneren ; gelijk wij die bij Cochlaeus vinden, op wien
Hutten, met zijne frissche scherts en zijn talent voor satire,
te Bologna zulk eenen sterken indruk maakte, zoo is het mij,
alsof zij ons, met vleésch en bloed bekleed, in de Brieven
van Hutten aanstaarden.
De zomer van 1516 was drukkend heet^). Het schijnt,
dat onze Johannes, wiens gezondheid, gelijk reeds werd aan-
gestipt, niét bijzonder krachtig was, zich door de gloeiende
hitte naar noordelijker streken heeft laten verjagen. De groote
vacantie, die zes weken duurde, begon in Bologna, wel is
waar, eerst den dag vóór Maria-geboorte (7 September) 2),
doch waarschijnlijk heeft Johannes, uit hoofde van de groote
hitte en wegens zijnen lijdenden toestand, zijne studiën reeds
vroeger geëindigd, en zich voor de reis naar het koelere
noorden gereedgemaakt. Met dezen zomertijd brengen wij
althans die aanteekening in den als handschrift ons bewaard
gebleven brief van Hieronyraus in verband, die, wat wel
te betreuren is , geene opgave van dag of jaar zijner samen-
stelling behelst, en in welken wij die schoone uitdrukking
van vreugde over den terugkeer des geliefden broeders ge-
vonden hebben. Naar welke deelen van Duitschland de reis
gericht was, en welke persoonlijkheden van beteekenis hij
aldaar heeft leeren kennen, dienaangaande vernemen wij
niets, ondanks alle in 't werk gestelde navorschingen.
Het verblijf te Bologna naderde intusschen zijn einde. In
1) Heumann, S. 9: „annus grayis fait, aestas calidissima , hierna frigidis-
sima, qaalin in hominum memoria non fiiit, nix alta, glacies diutuma, Pndus
Telot Hister concretus, ligna cara, qoaraquara fumida." Dose winter van
1516 op 1517 zal onzen Polen, die aan gestrenge winters in het yadorland
gewoon waren, reeds meer naar den smaak geweest zijn.
2) SaTigny, IH, 232.
Mate gevallen bleven de vreemdelingen drie jaren afui
de univei-siteit ; dit was zoozeer de gewoonte, dat ieder stndent
het recht had, om drie jaar iu zijne woning te blijven, ge-
durende welken tijd de biiisheer hem de huur niet mocht
opzeggen '), Onze Polen echter brachten hun triennium niet
geheel ten einde. De oom had reeds in de eerste dagen
van Augustus 1515 Romo verlaten, en na een kort opont-
houd te Weenen en bij den kardinaal-aartsbisschop van
Gran, in October zijnen intocht in Krakan gehouden, alwaar
hem de prelaten en kanunniken aan de stadspoort nabij den
Wawel plechtig verwelkomden. Voor het onderhoud van zijne
neven en studenten te Bologna had hij eene toereikende som
geldg in het baukiershuis der Fugger's te Uome nederge-
legd. Hij was in voortdurende schriftelijke gedachten wisseling
met hen gebleven; in het jaar 1517 beveelt hij in zijn testa-
ment zijnen neef Johannes, student te Bologna , aan zijnen
opvolger op den aartsbisschoppelijken zetel aan. Hij noemt
hem leergierig , vroom en dankbaar van aard ^.
In het volgende jaar bevreemdt ons eene afgebrokene plaats
in hetzelfde testament. Vermoedelijk dagteekent zij van het
begin des jaars, en heeft het bedoelde voorval plaats gehad
tegen het einde van 1517. „Onze neef Johannes heeft zich,
ik weet niet tengevolge van welke afdwaling, overreding of
aanleiding , van de universiteit Bologna verwijderd ; ook weet
ik niet, werwaarts hij zich begeven heeft. Ik vrees, dat dit
geval mij onkosten veroorzaken zal^)." Geruimen tijd echter
kan onze Johannes niet uit Italië afwezend zijn geweest, want
in het vooi^'aar van 1518 was het, dat hij te Rome geës-
commnniceerd werd. Zijn neef, Martinus Rambiewski.
bad namelijk te Rome, op naara van onzen Johannes, zon-
der dat deze er iets van wist, eenen wissel getrokken, ten
bedrage van 670 gulden. Rambiewski schijnt te Rome in
eeuigszins lichtzinnige kringen geraakt te zijn , en in lande-
1) Ibid., B. 1B5.
2) Zeiasharg, 3. 679.
3) Ibid. , a. ess.
87
lijke yermakeny akook in het aankoopen Vcin kostbare schil-
derijen méér geld te hebben uitgegeven, dan zijne middelen
hem veroorloofden, en in deze omstandigheden, door zijne
schuldeischers gekweld en ook in een kwaad oogenblik ver-
leid ^ tot dien bedenkelijken , voor onzen Johannes zoo nood-
lottigen uitweg zijne toevlucht genomen te hebben *). Daar
deze op den vervaldag de genoemde som , op welke hij geens-
zins verdacht was, niet betalen kon, werd hem deze, in
zulk een geval gebruikelijke straf opgelegd, en wel voor zoo
lang, totdat de oom voor zijnen onschuldigen neef de wissel-
schuld voldaan had ^). Voor zulke misslagen werd destijds in
Rome de excommunicatie , men mag wel zeggen : misbruikt. Zij
was tot eene eenvoudige politiestraf ontaard, tot eene soort
van arrest wegens schuld, zonder eenige verdere nadeelige ge-
volgen, zelfs voor eenen priester, zoodra slechts de aanleiding
was opgeheven. Zóó werd de straf ook door den oom be-
schouwd. In een uitvoerig schrijven aan zijnen koning , waarin
hij ook van dit voorval melding maakt, zegt hij : ,, Zoowel vele
geestelijken, als ook vele leeken van hoogen rang, zijn reeds
door deze straf getroffen geworden, zonder dat zij deswege
voor slechte menschen zouden mogen gehouden worden. Reeds
meermalen zelfs is deze straf aan keizers en koningen opge-
legd geworden, zonder dat daardoor de minste vlek op hen
kleefde ^y
Ook onzen Johannes schandvlekte zij niet, vooral daar hij
haar zoo onschuldig onderging. Ook teen hij later, wegens
veel ernstiger oorzaak, zich de straf der uitbanning, zij
't ook zonder rechtstreeksche vonniswijzing , op den hals
baalde, was zij echter onmachtig, om zijn karakter aan te
tasten, of hem door zulk eene machtspreuk der Kerk van
zijnen Heer en Heiland te scheiden.
1) YergeL ook „Tomioiana'', YII, 23,
2) Zeissberg, S. 701.
3) „Tomidana", VI, 68.
Weder in het Vaderland.
Na eene afwezigheid van vijf jaren koerde onzo Johnn-
nes in het vaderlaail terug- Wij hebben heoi op zijne stuilie-
reis vergezeld, en zijn hem, voor zooverre bet donker der
geschiedenis de sporen niet heeft uitgewischt, op den voet
'gevolgd. Zoo dikwijls als eene gunstige beschikking ons ver-
gunt, om iieiu van meer nabij gade te slaüu, herkennen wij
geheel dezelfde , helaugwekkende trekken van den jongeling ,
die , rein en streng van zeden , met een Tfoom gemoed zijnen
weg bewandelt; die zich door zijne hooge afkomst, door de
machtige bescherming zijner familie niet laat terughouden
van ernstige studiën; die zijnen tijd uitkoopt, gelijk één,
die, zoo bij in de wereld wil vooruitkomen, alleen op zijne
eigene kracht heeft te steunen. Op tal van plaatsen zouden
wij een nauwkeuriger inzicht in den loop zijner studiën be-
geerd hebben, ten einde wellicht reeds in deze jaren en in
den gedachtengang des jongelings eenig spoor van de be-
doeUngen te ontdekken, die de man daarna met zoo vaste
hand heeft aangegrepen. Met zulk eene geringe winst echter,
als vrucht van uitgebreide onderzoekingen, moesten wij ons
tevredenstellen. Of gelukkiger en grondiger navorschingen
ons een nauwkeuriger inzicht in de ontwikkeUng van het
zieleieven van onzen held verteenen zullen, is twijfelachtig,
dewijl die tijd, in zijne modedeelingen aangaande zulke in-
nerlijke toestanden, voor ons verlangen maar al te karig is.
Welke bewijzen van zijne geschiktheid voor de aanvaarding
van 'het gekozen beroep Laski, bij zijn huiswaarts keeren,
van de hoogeschool met zich bracht, weten wij niet Wel-
i
89
licht hebben wij die onkunde niet uitsluitend aan de ongunst
der spaarzame mededeelingen te wijten. Examens, in den
zin yan onzen angtvalligen , omzichtigen tijd, werden niet
vereischt, om den drempel van officieele eere- en lastposten
te mogen betreden. Het examen voor cle verkrijging van
den titel yan Licentiaat , of zelfs van Doctor in het canonieke
recht heeft La ski te Bologna niet ondergaan ^), waarschijn-
lijk dewijl hij het niet ondergaan wilde, daar zijn levens-
weg, zooverre zich voorzien liet, eene andere richting nam,
zoodat hij zulke waardigheden veilig ontberen kon. Alleen
had het voor hem zijn nut, zoo hij zich, ter wille van zijne
studiën, een tijdlang aan eene beroemde hoogeschool had
opgehouden: op welke wijze men zich dan werkelijk deze
jaren ten nutte maakte, dat beteekende niet veel, inzonder-
heid wanneer men zich in de bescherming van invloedrijke
persoonlijkheden verheugen mocht. Aan dien steun nu ont-
brak het ongetwijfeld den zoon van eenen hooggeëerden pa-
latijn, den neef van den Primaat en aartsbisschop van Gnesen,
in geenen deele^ en de eerste rijpe vruchten van zulk eene
verwantschap waren hem reeds in den schoot gevallen , nog
voordat hij de grenzen van zijn vaderland overschreden had.
Van zoovele verwijtingen, die aan den aartsbisschop van
Gnesen door zijne vele en besliste tegenstanders , die meestal
ook benijders waren, gedaan werden; is geen enkele ge-
gronder, dan deze, dat hij het nepotisme gehuldigd, en van
zijnen hoogen rang gebruik gemaakt heeft, om zijne ver-
wanten in hunne loopbaan te ondersteunen.
De oom was, gelijk reeds vermeld werd, in 1515 van
de Lateraansche synode naar Polen teruggekeerd, rijkelijk
met bewijzen, zoowel van de persoonlijke gunst van den
Paus, als van de erkenning zijner hooge waardigheid be-
giftigd. Onder andere werd bij als de eerste, en na hem
alle zijne opvolgers op den aartsbisschoppelijken stoel, tot
een ,4egatus natus" benoemd , eene hooge onderscheiding , die
slecbts aan weinige bisdommen ten deel gevallen is, en die
1) De Tereischteii tot de Promotie besobrijfb Savigny, III, 193 i.
90
den tijdeiijken bezitter van den aartsbisBchoppelijken stoel
tevens met den rang en de waardigheid van een pauselijk
gezant beleent, die ook als zotulanig in onmiddellijke betrek-
king staat met den paus en met den gebieder des laods.
De welwillende aartsbisaohup bleef niet in gebreke, zijnen
neef op de eerste sport der ladder te verheffen, wier bovenste
hij zelf beklommen had , terwijl bij voornemens was , om
deze zijne plaats eenmaal, bij zijnen doud, aan den veelbe-
lüvenden jongeling in te ruimen. Nog terwijl de student zich
te Bologna aan zijne studiën wijdde, maakte hij hem tot
domheer („canonicus") aan het coUegiaat-sticht te Leczyc ,
de hoofdplaats van het palatinaat van gelijken naam, in
hetwelk de vader, van 15lX> tot op dit jaar der benoe-
ming van zijnen zoon tot kanunnik (1517), de waardigheid
van palatijn bekleedde. Evenmin als ile vader, zal zich waar-
schijnlijk ook de zoon in dit ongezonde, overal door moe-
rassen omgevene oord hebben opgehouden. Den 3U*'^" Decem-
ber 1517 kwam er reeds eene andere, hoogere waardigheid bij.
Terwijl hij zich gereed maakte, om de terugreis naar aijn
vaderland te aanviiarden, werd hij tot coadjutor der decanie
van Gnesen benoemd ')■ Eu het scheen, dat er nog altijd
te weinig waardigheden op het jeugdige hoofd vereenigd
waren , hetwelk op dat zelfde tijdstip nog te Bologna over de
folianten van het canonieke recht gebogen was. In hetzelfde
onheilspellende jaar , waarin de hamerslagen aan de slotkerk te
Wittenberg zoo krachtig en aanhoudend het geheele gebouw der
Kerk doordreunden , verleende Leo X aan den nauwelijks acht-
tienjarigen jongeling de provisie op de custodie vau Leczyc, en
buitendien nog de canouicateu van Krakan en van Plock *).
Waarlijk genoeg prebemlen bij het begin der loopbaan !
1) Yolgena de uittreksels uit de ,.Aola Capit. Ghmq.". die mij op <lo yoor-
komeadate wijie door den domcïpituIftHa Korjtkow«ki werden rentrekt.
2) Iheiner (II, 37S)i „I<«> episcopua etc Dilect^ Hlio Jaaaiii Juvalai
de Laaoa, cmtodï ecol. B. Mariae LaocitienïiB Qntta. dioeceai» BFautero etc.
Confert ip«i diclHin euatodiam necQOQ oaaonji-atura et prebeiidam ia Craeo-
rieoii et Ploeensi eceleaiis. Datum Bomse apud Sanctum PstruiD. anno etc.
UDXVn. Frid. Kal. Deoembr. FoutiftcBtus nontri aooo quinto."
91
De pauselijke bekrachtiging voor deze posten zijns neven
te verkrijgen , kwam den oom op niet geringe kosten te staan.
Wij zijn nauwelijks meer verrast of verschrikt, wanneer wij
onvoorziens eene afzonderlijke plaats aantreffen, op welke
wij den post van uitgaaf voor zulk eene provisie bij den
pauselijken stoel dier dagen met eene onschuld geboekt zien,
alsof er sprake was van het koopen van een hamel: juist
destijds was in Rome alles veil, en alleen hij, die den prijs
betaalde, verkreeg de simonistische koopwaar. Veertienhon-
derd gulden , — zóó teekent de zorgvuldige oom in zijn testa-
ment aan, onder het jaartal 1517, — in duizend goudguldens
gewisseld, heb ik naar Rome gezonden, om de aangelegen-
heid betreffende de custodie van Plock en Leczyc te bevor-
deren. Mijn maarschalk Nikolaus Wolski kent de orde
(„ordinem" i), in welke deze duizend gulden moeten worden
uitgegeven, en dit geschiedt ten voordeele van mijnen neef
Johannes ^).
De welwillendheid van den oom bepaalde zich niet tot de
verzorging met deze prebenden en waardigheden. Het kwam
er op aan, om aan den neef toereikende middelen ter be-
schikking te stellen, opdat hij overeenkomstig zijnen stand
zou kunnen leven. Reeds de inkomsten, die hij uit de zoo
even vermelde posten genoot, waren niet gering. De eischen
echter, die in dien tijd reeds aan den jeugdigen kerkvorst
gedaan werden, wogen ook rijkelijk op tegen een inkomen 9
dat door opeenhooping van betrekkingen tot een aanzien-
lijk bedrag was opgevoerd. Daarbij kwam de zorgelooze
vrijgevigheid, de vroolijke, onbekrompene gastvrijheid, die
den Pool eigen is, en die zijnen adel ten allen tijde onder-
scheiden, maar ook altoos ernstig benadeeld heeft, en zulks
waarlijk niet alleen op het gebied van zijn vermogen. Het
was alzoo noodig, om verdere bronnen van inkomsten te
openen.
1) Het woord duidt waanchijniyk aan, onder welke reeks Tan beambten,
en in welke erenredigbeid die som moest T^rdeeld worden.
2) Zeissberg, S. 676«
92
De aartsbisschoppen van Gnesen haddea in het palatinaat
Tan Kawa, in Masovië, groote bezittingen, vooral in Lowicz
en öiiuierniewice , welke steden hun toebehoorden , en alwaar
zij versterkte sloten bezaten '). De inkomsten , die zij van
deze uitgestrekte goederen trokken , waren niet gering. Reeds
in het jaar 1517 verpachtte („arreudeerde") de oom de beide
goederen aan den bisschop van Chelra, Nicolaus Kosc-
zieleczky, en aan zijnen neef Johannes, terwijl ileze nog
te Bologna was, voor 3000 gulden jaarlijks; en toen in het
volgend jaar de Bisschop stierf, ging het vrij geworden deel
der „arrende" op het kapittel van Gnesen over. Zoo was ,
ook met betrekking tot een toereikend inkomen, voor den
geliefden neef gezorgd, ilie onder omstandigheden, zoo gunstig
als slechts mogelijk was, zijne loopbaan begon ^).
In latere jaren, toen onze Johannes in het hcht des
Evaugelie's wandelde, en zijnen hoogsten roem er in stelde,
een arm, maar getrouw dienstknecht van zijnen armen en
getrouwen Meester te zijn, had hij ook een open en helder
oog voor het ernstige nadeel, dat de Kerk door zoodanige
verdeeliug en opeenhooping van bare geestelijke bedieningen
geleden heeft. Bij zulk eene ernstige kwaal is het slechts
een kranke troost, dat in dit geval niet aan één, die het ambt
geheel onwaardig was, zoo veel onderscheiding in zulke jonge
jaren te beurt viel. Dat echter de jeugdige kanunnik van
Erakau en Plock, die van zijnen rang van een eenvoudig
1) Ia de „Oollectio msgns" (II, 182. 483) wordt bij Lo»icium Termeldi
,iArobiepUoo|ii Snezii. aedes. cujus nn in medüs paludibui site eat"; bij
BquiornieTirc! .,ubi Archiep. Qiiezri palatïam habet." Vbii dit oude
pnleia lieb ik goooo sporen meer aanweiig gevonden; intusachBU wsren mij,
bij miju slechti kortntoadig oponthoud , niet alle piutaen vati de uitgoatrekta
biMitling toegBokdijk. L o ir ï o i behoorde , in het begin inn deïe eeuw
(180;-IS14i Tsrg. Mülte-Brun, I, 22G) , iian mnarBchalk Dsroust. Ve
gemaÜH van deu grootvorst KoiistaiitiJQ Pawlüwitsch had vao Aleiaiider I
den (itol van Vorstin van Lowiei oulvangeii. Sqiiio rni evi ce. met lijn
heerlijk park du rer uilgeitTekle wacdeld reren , wae ia bot bezit van den OD-
UngB overledeuen veldmaarsi^hiilk, vont Bariatiniki, en lya grliefkooad Ter-
blijf, naar hij, in zijne laatite teveasjaren, lioh meeiteiit|jda ophield.
2) Ze'iBiberg. S. 689.
93
coadjutor te Gnesen, sedert zijne priesterwijding in 1521,
tot dienstdoend deken aan de Metropolitaan-kerk aldaar was
opgeklommen , boven zijne ambtgenooten uitgeblonken , en de
oogen van het kapittel tot zich getrokken hebben moet, is
daaruit af te leiden, dat hij, als vertegenwoordiger van het
Metropolitaan Domkapittel te Gnesen , aan de gewestelijke
synode te Petrikau deel nam. Eene zoo eervolle zending
had hij niet maar aan zijne verwantschap met den Aarts-
bisschop te danken; het hoogaanzienlijke kapittel lette er
op, dat het bij zulk eene gelegenheid door eene geleerde en
bekwame persoonlijkheid vertegenwoordigd werd. De proto-
collen der synode heb ik niet bij de hand. Van de sterke >
reformatorische bewegingen, die Duitschland sedert bijkans
▼ier jaren beroerden, had nog geen enkele golf den verwij-
derden oever dezer synode bereikt; eerst in het volgende jaar
wordt in de vergaderingen een weergalm vernomen van het-
geen in zoo menig adellijk slot van Polen, gelijk in zoo
menig burgerhuis zijner steden aireede was doorgedrongen.
Het waren andere vraagstukken^ die de gemoederen, ook
op deze gewestelijke synode , in beweging brachten , o. a. eene
oorlogsbelasting ^ aan welke ook de geestelijken verplicht
waren deel te nemen. De zware oorlogen met de Duitsche
ridderorde , ofschoon tot dusver voor Polen niet onvoorspoedig ,
waren nog niet geheel en al beslist; op een convent te
Bromberg (het Poolsche Bidgostia) , den 4den December 1520,
was de belasting vastgesteld ^). De Aartsbisschop had zich
naar deze verordening geschikt, en zijnen neef en deken,
i-eeds in Maart van hetzelfde jaar, met 600 gulden naar
Tbom gezonden, alwaar de Koning in die dagen zijn ver-
blijf hield 2).
Maar ook in Polen begon de geest te ontwaken, die in de
1) „TomicianA" ) Y , 338: „a dero, a plebanis, a oivibus, a colonia, ab
omni denique hominam ordine grave tribntam exactum, quo nunquam antea
majut in Polonia fuisse auditum est." Over het verloop yan den bedoelden
krijg, sie Yoigt, IX, 575 f.
2) „Tomiciana", V, 366.
n
Reformatie zijnen omtocht hield door alle landen. Wij behoeven
hem niet op zijnen gang door het land te vergezellen; onze
taak bepaalt ons verhaal binnen engere grenzen. Ook hier
was voor de Hervorming de vreg gebaand door menige voor-
loopige werkzaamheid , middellijk , gelijk ook overal elders ,
door de zoo duidelijk in het oog vallende krackheden , aan
welke de Kerk en hare dienaren op schrikkelijke wijze leden,
terwijl zij bovendien hier te lande bevorderd werd door den
vromen, ernstigen geest, die het volk en ook niet weinigen
van zijne uitnemendste eu aanzienlijkste vertegenwoordigers
van den adel bezielde. Op m enigen anderen middellijken
voorarheid , die in de eigenaardige verhoudingen des lands ,
waarin nog de Hussitische beweging nawerkte, gegrond wae,
heeft de inleiding reeds gewezen.
Het ontbrak echter ook niet aan eene onmiddellijke aan-
raking. Hoe zon deze te vermijden geweest zijn bij den boogen
rang, welken Polen in die dagen in den raad der volken be-
kleedde, en bij den reislust van den adel, die zijne zonen
bij voorkeur naar vreemde hoogescholen zond ? Reeds vroeg-
tijdig worden Poolache jongelingen ook te Wittenberg onder
de honderden van studenten aangetroffen , die aldaar uit alle
landen der wereld samenvloeiden. Daarbij kwam het zoo
krachtige Üuitsche element, dat in schier alle steden, in-
zonderheid van Groot-Polen, den toon aangaf, en dat voor
de gebeurtenissen in bet oude vaderland eene levendige be-
langstelling bleef koesteren. Dantzig werd het aanvangs-
punt dezer beweging op Poolsch grondgebied. Reeds in
1518 verhief aldaar de Dominicanermonnik Jakob Knade
zijne moedige stem tegen de misbruiken der Kerk; onbevreesd
verbreekt bij zijne kloostergelofte, en is één van de eerste
monniken, die zich in het huwelijk begeven. De door hem
veroorzaakte beweging deelde zich spoedig mede aan de stad,
en tastte welhaast de andere Duitache zustersteden van Polen
aan. In Thorn, Posen, Elbing en Braunaberg vertoonen zich
gelijke onheilspellende voorteekenen , waar maar de vurige taal
van eenen stontmoedigen Evangelieprediker in aanraking kwam
met de brandstof, die in de steden rijkelijk voorhanden was.
95
De Poolsche bisschoppen ontdekken reeds hier en daar den
akeligen Tunrgloed, en beginnen het dreigend gevaar te be-
speuren. Een van de eerste waarschuwende roepstemmen
Tan hunne zijde is, als ik mij niet bedrieg, het schrijven van
den beroemden vice-kanselier Peter Tomiczki aan den
„castellaan'* van Posen en kapitein-generaal van Groot-Polen *).
Maar hoe weinig beseft nochtans deze bisschop van Posen
den eigenlijken grond en het gewicht dezer beweging, hoe
weinig kent hij de gezindheid van Lukas v. Gorka^ wan-
neer hij aan hem schrijft: „Ik hoor^ dat de Luthersche sekte
zich in het gebied van Posen dagelijks verder uitbreidt („pul-
lulare"), ©n ongestraft alles doet. Uwe Heerlijkheid zal inzien,
hoe verderfelijk dit gif is, daar zulke gebeurtenissen, niet
uit de deugd , maar uit de schaamteloosheid voortkomen ....
Zulke kwade gevolgen zijn te wachten , wanneer men niet aan
de eerste Ibeginselen wederstand biedt" Te Krakau, zóó ver-
meldt de Bisschop , heeft de Palatijn , in vereeniging met de
burgers en de geestelijken, ijverig en met groote inspanning
dergelijke buitensporigheid beteugeld. Hij kan niet begrijpen ,
waarom men in Posen ongestraft gedoogt, dat de verboden
boeken van hand tot hand gaan, en lijdelijk toeziet, hoe in
de kerken losbandige en godslasterlijke redevoeringen gehou-
den worden, die daarna bij de drinkgelagen en in de ver-
eenigingen haren gereeden weerklank vinden.
Het schrijven van den vice-Kanselier was een voorbode van
de strenge maatregelen, die de regeering in het volgende
jaar in het werk steWe, toen de onweerswolken der Refor-
matie zich steeds dreigender boven het land samenpakten. Ook
het bevelschrift des Konings, dat in den zomer van 1523
verscheen, vertoont de duidelijke sporen, hoe de raadgevers
van Sigismund het wezen der Reformatie ook nü nog niet
begrepen, en deswege aan den Koning maatregelen aanraad-
den, over wier onmacht, om het beoogde doel te bereiken,
wij slechts kunnen glimlachen. De Koning, aan wiens vrome
gezindheid ook hierbij niet valt te twijfelen , koestert bovenal
1) „TomidMis" , VI. 87.
öfr
den wensch, om zijn laml ïoor de pest der ketterij, die in
het naburig gebied woedt, onbevlekt en ongeschonden te
bewaren. Hij ia van raeening, dat hem dit nog gelukken
zal door den invoer van de geschriften der Hervorming ge-
streng te verbieden. Met dit oogmerk stelt hij eene soort
van geloof srechtb ank in, voor welke alle, tot dit gebied be-
hoorende zaken gebracht moeten worden, en aan welke hij
het recht toekent, om iu alle huizen nasporingen naar zulke
kettersche boeken te doen plaats hebben i). Met ongewone
gestrengheid, zóó wordt gedreigd, zal men zoowel tegen de
bezitters van zoodanige hoeken, als tegen de verspreiders
van zulke kettersche dwaalleeren te werk gaan. Bij den blik
echter op het gevolg van den maatregel , dat de overtreders
met den dood en het verlies van al bunne goederen gestraft
moeten worden, ziet men opnieuw de waarheid van het
spreekwoord gestaafd , dat strenge heeren niet lang regeeren .
De geestelijkheid, in haar aangenaam leven door de ver-
ontrustende gebeurtenissen in het naburige land opgeschrikt,
keurde zulke maatregelen goed, en vertrouwde, dat zij van
genoegzame kracht zouden zijn. Ook de man, die aan het
hoofd der Poolsche Kerk geplaatst was. Wij moeten beken-
nen, dat de Aartsbisschop, gedurende eene lange, schitte-
rende loopbaan in den dienst van Staat en Kerk , al te
zeer kerkelijk staatsman geworden was, dan dat bij nog,
aan den avond zijns levens, een goed inzicht in de refor-
matorische denkbeelden zou hebben kunnen verkrijgen. Het-
geen daarvan tot zijnen zoo hooggeplaatsteu stoel doordrong,
dat kwam hem, den kerkvorst, voor als een revolutionnair
opzeggen van de schuldige gehoorzaamheid aan de Kerk, en
alzoo, naar zijne vaate overtuiging, aan het Hoofd der Kerk ,
Jezus Christus zelven. Voor zulk een misdrijf kon hij geen
straf te zwaar achten. Spoedig na de uitvaardiging van het
koninklijk bevelschrift, waarin wij gewis ook de stem van
den machtigen Primaat booren weerklinken, verzamelde hij
1} Het gebe«l« beveiachrifl is aTgcdrukt „Toruicisaa" , YI, 289 , en op vele
uidsre plutam.
97
de geestelijkheid tot eene synode te Leczyc (7 October 1523)«
alwaar de beruchte bul yan Leo X tegen Luther, alsmede
het koninklijk manifest tot richtsnoer genomen werden , op
grond waarvan de synode „in den ban doet en vervloekt («.ex-
communicamus et anathematizamus'') iedere ketterij , die zich
tegen het heilige, orthodoxe en katholieke geloof en tegen de
Boomsche kerk verheft, inzonderheid die, welke van Luther
en Hns is uitgegaan" ^}. — Alsof zulke machtspreuken en
banvloeken in staat konden zijn, om den Greest te blusscheu,
die van (jod uitgaat!
Onze Johannes woonde deze synode reeds niet meer bij.
Niet, dat hij destijds aireede aan zulk een inquisitoriaal
drjgven opzettelijk vreemd zou hebben willen blijven. Wij
hebben volstrekt geen grond voor de meening, alsof hy zich
in die jaren van de beschouwingen zgns ooms zou hebben
losmaakt, en alsof hij de beweging, die in de verte plaats
greep, met andere oogen zou hebben aangezien, dan de
voornaamste vertegenwoordigers zijner Kerk. Nog was hem
de prikkel niet in het hart gedrukt, tegen welken ook een
Saulus zich onmogelijk heeft kunnen verzetten. Langs de
ladder van kerkelijke waardigheden klom hij gedurig hooger.
Nauwelijks was hij deken te Gneseu geworden, en alzoo, in
zijn 24»^ levensjaar, bereids aan het hoofd van het kapittel
geplaatst, of de oom dacht reeds aan nieuwe, hoogere waar-
digheden voor zijnen neef, die, gelijk hij hoopte, hem een-
maal zou opvolgen. De bisschop van Plock, Ë rus mus
Giolek, één van de verbitterdste tegenstanders van den
Aartsbisschop, met betrekking tot wien deze laatste zich,
een paar maanden te voren, in een op zeer waardigen
toon gesteld verdedigingsschrift tot den Koning gewend had ,
was den 22*^^ September 1522 overleden. Bijkans een jaar
verliep, zonder dat die belangrijke plaats was bezet gewor-
den, daar toch, betreffende hare begeving, tusschen den
Paus en den koning van Polen oneenigheden ontstaan waren.
1) Vergel. Wesyk, pog. 273, alwaar ook de bul ,,exurge Domino" ig af-
gedrukt.
PAliTOV. 7
98
Gedurende het generaal -conveat te Krakau, in de zomer-
dagen van 15'23, trachtte de Aartsbisschop den KonÏDg er toe
over te halen , om zijnen neef tot coadjutor van het IiisJom
van Piock te benoemen. Dit achtte de Koning dan toch te
veel voor den, wel is waar, veelbelosfenden , maar niettemin
nog zoo jongen man. Terwijl hij deze bede aan zijnen
Primimt weigerde , stemde hij er evenwïl in toe . om door
een schrijven bij den Paus er op ann te dringen, dat aan
den neef van den Aartsbisschop, bij de eerstvolgende be-
noeming, de proosdij van Leczyc verleend worden mocht i).
Voor den hoogen rang, tot welken wij den Aartsbisschop
onophoudelijk bezig zien. voor zijnen neef den weg te banen,
strekte het tot aanbeveling , als men , ook wat aangelegen-
heden van den staat betreft, eene goede voorbereidingsschool
had doorloopen. Aan den wensch van zijnen oora , om hem
zulk eene oefenschool te ontsluiten, had onze Johannes het
ongetwijfeld te danken, dat hij reeds in 1521 onder do
geheimschrijvers des Koniugs werd opgenomen. Cromer be-
schrijft dezen post, kort en juist, als een seminarie van den
senaat. ^) Zoodra de geheimschrijvers don eed hadden af-
gelegd, mochten zij de verhandelingen van den senaat bij-
wonen , zonder evenwel daarbij zitting of stem te hebben.
Alle deze onderscheidingen waren intusschen niet in staat,
om den jongen man in het land te kluisteren; geeue eer-
gierigheid dreef hem aan , om zich nu op de aangewezene
plaats te onderscheiden, en vlug de verdere trappen te be-
khmmen, in eenen tijd, waarin alle omstandigheden in het
vaderland tot zijn voordeel schenen te zullen samenloopen.
Een onbedwingbaar verlangen dreef hem aan, om zich we-
derom naar het buitenland te begeven. Wat zijne beweeg-
redenen betreft, zijn wij in het onzekere. Vermoedelijk had
het leven, dat hij eenige jaren geleden in den vreemde
genoten bad, zulk eenen indruk bij hem achtergelaten, dat
b^ smachtte naar den ziel verkwikkenden omgang met de
1} Men TBTiiel^ke hierOTer het tioouend berii^ht v
Tl, 2S2). 2) Ciomer, i»g. 506, 511.
^>^
SAaser., Se, iUkn he? hvx^fd der hainAuisiisoho Ivwx^wjs
ft^&AS'ie. «xk bij hem Ie liefde tot de siUvliëiK al^^uKsie x;eu
veosch EAar een n^awer samenleven met hen hadden 0|>)^s
wekt. Ma^ftr er was ook xeel in het vaderlands dat \vx^l v^^
schikt was, om hem daaruit te venirijven, en hem xiit eene
maatschappij te veijagen, in welke het hatelijke drijwn van
lage intrige eenen diep smartelijken indruk op hom maken
moest. Welk een nijd, welk eene vijandschap onder de hi>t\g-
ste, kerkelijke waardigheidbekleeders in die dagen juui het
Poolsche hof! Met welk eene meeiloogenUn^ze satirt\ met welk
een giftigen hoon en spot stond de eene part(j tegtMi de
andere over, en wel in zulk eenen gn^ad van verhittering, dat
men zich moet inspannen, om niet uit het oog te verHey.en,
dat het geestelijken , jongeren van den zachtmoedigon en van
harte deemoedigen Zoon des meuschen zijn , dio elkander op
die wijze bestrijden. Het zijn oude twisten over don voor-
rang, die telkens weder bij vernieuwing den bissolïop van
Krakau geneigd maken tot verzet togen don ntaclitigoron
aartsbisschop van Gnescn, en die dozen laatston wodorom
met argwaan jegens den vermeenden bonijdor on ondorstoldou
▼erkorter van de rechten eens priraaats voi*vullon. Hot \h
de heftige strijd, dien Laski wedor op nieuw doet ontbran-
den, dat de hoogere kerkelijko waurdighodon HltMihlH aan
den adel voorbehouden móesten zijn; en evonwol haddon
reeds mannen van geringe afkomst, hotzij door oigoiio uit-
stekende verdiensten, of door niachtigo boschorming, zic^h
tot de bisschoppelijke waardigheid vorhovuu, (*n vormdoii oon
gevaarlijk element tegen de voorrechten van d(jn adel. Daarbij
kwam eene toenemende persoonlijke ontstemming tuHschmi
den Aartsbisschop en den zeer invloedrijken bisHcliop van
Krakau, Tomiczki, den vice-kanselier dos rijks. Wij ach ton
bet niet noodig^ de oorzaak dezer verand(!ring vjin oono
vroegere vriendschap in wederkoerige ontHtemming on rniH-
kenning napier in het licht te stellen. Alle benijders van don
Primaat, allen, die over hem misnoegd waren, von;onigdon
zich rondom den vice-Kanselicr , en versterkten zijnon wrok.
Niemand schijnt méér olie in het vuur gegoten, kni<;btiger
7»
100
den gloed aangeblazen eu onderhouden te hebben, ilan de
geestrijke, eergierige Andreas Krzycki, in die jaren proost
te Posen, en weldra reeda bisBchop van Przemisl, die in
het troebele vaarwater van huichelachtige kuiperij zich naar
hartelust bewoog. Ook zelfs van de bitterste sarcasmen is
deze geestelijke niet afkeerig , om die , in vertrouwelijke brie-
ven , of in naamlooze zinspreuken . over den primaat des
rijks uit te storten: er is nauwelijks ééne persoonHjkheid
onder de aanzienlijke mannen der Kerk van het toenmalige
Polen zóó geschikt, om ons den verdorven toestand der
geestelijkheid en de behoefte aan eene reformatie voor oogen
te stellen , als deze meedoogenlooze tegenstander van Luther,
wiens verschillende vijandigheden men toch altijd weder ge-
neigd is, aan persoonlijke ontstemming of zelfzuchtige be-
doelingen toe te schrijven ').
1) Sme r^ke broa roor de lieiuu* ook vut drae rywidsohsp t^en dm
Aarts buaobop, ii)a de kostbare, au reeda toa raak ntet Tracht gebaiigde
„Acts Tomiciuia." Eeue volledige en onpurtijdtge roorstelliiig ïaa den stand
van lakon bieden zij niet, daar ijj meestal slechts de bewiJBStukkeu uit bet
archief fan Tamioki leveren. Maar welk ecnen smarteiytea blik in het leveo
der gseatelijkheid rerschafien ona deie vertrouwelijke lendbriereo, in welke de
proost van Poaen en biaecliop van Pnemial rau zijneu meerdere eu autsbiA-
achop slechte ale van eene Hydra spreekt (lurgel. b. t. „Tomidana ," VI. 291,
en eld.), af dat beleedigende paskwil, hetwelk de nog Jonge mennch aan de
alnzienlijkate manneo der Kerk Ie dier tijde — gciyk van zelve spreekt ano-
njin — naar hat hoofd slingerde, en waarin eik homier slechts bij zlJQ wapeo
«n met eene karakteristieke beaobrijviug genoemd wordt, welker tegendeel be-
doeld is („Tomicians ," T, 160; de Aartsbisschop wordt daarin gehekeld als
iiintegra corbita"), of dat smadelijke epigram tegeu Laeki, hetwelk eindigt
met de woorden: ,
„Singula qnid repetam, te major hjpoorita et harpii;
Hemo , aee srdelio, nee sjcophanla fuit.
Beete igitur prae te fertur cmcifiius Jesus,
Omne tnnm rursus quem crucifigit opue."
Ais een bewya van de bedrevenheid in de taal, aan dezen smater en bia-
iohop eigen, ma^ eindelijk nog dal distiohon tegen den Aartsbisschop dieneo,
hetwelk, VBQ achter naar voren gelezen, de eigenlijke meening des dichters
□penburt (vergel. Taraowaki, LVI):
101
Indieii aan onzen Johannes, die zich ook in die jaren
meestal te Erakaa ophield, de gelegenheid werd aangebo-
den, — en hoe zon zij zich aan hem niet hebben moeten
aanbieden? — om deze ynilaardige gezindheid van zoo Tele
aanzienlijke geestelijken, wier drijven inderdaad met alle
macht de Kerk tot eene hervorming drong, van meer nab\j
te leeren kennen, dan kan het ons niet verwonderen, dat
hg verlangde om zich nit zolk eene omgeving te verwijderen,
en dat hij niets liever wenschte, dan om vreder voor eene
poos, verre van al dat schandelijke agiteeren, de zuivere
lacht der humanistische studiën in te ademen, en den om-
gang te genieten van mannen, tot welke hij met hoogachting
kon opzien.
Ik twijfelde , of het aan Duitsche bedrerenheid in de taal en het rertalen
gelukken soa, om het Tenje met zijne rernuftige scherpte weer te geren,
maar wendde mij , om er de proef van te nemen , tot het in ruimen kring
Tcrspreide tydschrift „Bie Gegenwart" (1879, N^ 47). Beeds na 8 dagen
waren bij de redactie meer dan 20 rertalingen ingekomen. Als de best ge-
slaagde daaronder de TertoUdng ran Dr. Schauenburg, directeur der reaal-
school te Crefeld („Gegenwart/' 1879, N . 49):
JDich nbersohüttete Glans, Fürstbischof, heiliger Lasko,
Himmliwoher, heut' triomphiert Tren' über Schelmeugesüoht."
De tweede studiereis in het Buitenland.
Het waren beete dagen, in ieder opzicht, de tijd van den
rijksdag, die iets later dan gewoonlijk, in Juni en Juli 1523,
te Eralcau was gehouden geworden, dewijl in het hegin des
jaars zich in Petrikau de pest vertoond had. In ?.ake de
vervuUiog van den bisschopszetel van Plock , welko ook in
de zwoele zomerdagen te Krakau ter sprake gekomen was,
kon men maar niet tot eene beslissing koroen; de Primaat
had aan menige zware tegenkanting het hoofd te bieden, In
gesloten gelid atond de machtige tegenpartij tegenover hem ,
en ook bij den Koning kon hij niet, zooals meermalen te
voren , zijne wenschen doorzetten. Ook ditmaal weder , gelijk
nog hij zoo menig volgend convent, was de Luthersche ket-
terij, nis een zorgwekkend sclirikbeeld, in de verhandehngen
opgedoemd. Deze ketterij, die zich steeds verder verspreidde,
begon als eene booze nachtmerrie veler gemoed te bezwaren,
en wel hoe langer hoe drukkender, omdat geen goed geweten
het noodige tegenwicht bood , en de onzekerheid aangaande
den eigenlijken grond der beweging hare verderfelijke uitwer-
king op verkeerd gebied vreesde. Geestelijke en wereldlijke
raadsbeeren beraadslaagden, onder voorzitting van den Aarts-
bisschop, over de maatregelen, die genomen moesten wor-
den tegen deze verwoestende kmnkheid , tegen welke men
voornemens was om met eene even onverbiddelijke gestreng-
heid te handelen, als men heden ten d;ige tegen de pest,
waar zij zich vertoont, zonder versthooning te werk gaat.
Met bijna jeugdigen ijver nam do bedaagde kerkvorst deel
aan het met Poolache levendigheid gevoerde debat over
103
deze hardnekkige beweging, die, in weerwil van de macht-
spreuken in het vorige jaar, niet tot rust had willen
komen ^).
Na den ingespannen arbeid was nu de reactie gekomen.
De oude heer, die zich zeer vermoeid gevoelde en daarbij
eenigszins verdrietig geworden was, had dringende behoefte
aan verademing. Nauwelijks waren de zittingen geëindigd,
of de Aartsbisschop haastte zich , om de enge , bedompte stad
te verlaten, ten einde de heete Augustusdagen in het scha-
duwrijke park van zijn slot te Squierniewice door te brengen.
Hier , in de landelijke stilte en de voor zijn gemoed zoo wel-
dadige afzondering, werd ook het testament weder eens ter
hand genomen, welks inhoud op niet weinige plaatsen de
boeiende waarde van een dagboek bezit. Onder den datum
van 17 Augustus^) vinden wij aangeteekend , dat zijn neef,
de deken, het voornemen koesterde, om zich, ter wille van
zijne studiën, wederom naar Italië te begeven. De neef
schijnt niet in de nabijheid van zijnen oom vertoefd te heb-
ben, om zijne bedoeling nauwkeuriger voor hem uiteen te
zetten. Laat ons dan trachten, haar nader toe te lichten!
Hieronymus, de lievelingsbroeder van onzen Johannes,
met wien deze gemeenschappelijk was opgevoed, en in ver-
eeniging met wien hij ook te Rome en te Bologna gestudeerd
had, had, gelijk reeds vermeld werd, de loopbaan van een
staatsman gekozen. Eene hooge begaafdheid, die hem, reeds
na weinige ja!ren, als één der talentrijkste en bekwaamste
staatslieden der zestiende eeuw deed kennen, daarbij de in-
vloedrijke rang van zijne eigene familie, nog versterkt door
zijne echtverbintenis met de edele Anna Koscielecka, uit
het rijke en voorname huis der Rituani's, hadden ook voor
dezen neef van den Poolschen primaat vroegtijdig den toe-
gang tot eene schitterende en aanzienlijke loopbaan ontsloten.
Reeds in 1520 is hij koninklijk voorsnijder 3). Terstond in
1) „Tomiciwia /' VI, 291.
2) Zeissberg, S. 692.
3) Orer de beteekenis Tan deze betrelddng TergeL O romer, pag. 508.
het jaar ilaarna ontmoeten wij hem reeda als PooUch gezant
jian het hof va» Karel V te Brussel, en het volgende jaar
in gelijke hoeiiaiiigheid te Keulen '). Gaarne bediende de
Koning zich van den adellijken, vluggen en in de talen zoo
geoefenden, ja in alle beschaafde zeden uitmuntenden jongen
man tot zendingen aan verschillende hoven, en wel in klim-
mende mate tot de moeielijk^te , die de zeer ingewikkelde
toestand der wereld in die dagen, in welke de stem van
Polen zoo veel «erm ogend waa, in groote menigte aanbood.
Zulk een moeielijke last van zijoen koning voerde den be-
dreven diplomaat, in het voorjaar van 1523, een jaar nadat
hij kapitein van Inowlaclaweok geworden was ^) , naar Parijs
en naar Rome. Laski was zich van de moeielijkheid der
ontvangen opdracht volkomen bewust; bescheidenlijk verklaart
de jeugdige staatsman op beide plaatsen met zoo veel woor-
den, dat hij in de wapenen, wel is waar, niet ongeoefend,
maar daarentegen onhandig is in het voeren van de pen ^).
In Rome kwam het er op aan. om tegenover eeneu Adriaan,
die eerst een jaar geleden op Leo X gevolgd was, en die
ernstig en rechtschapen, in eenen konimervollen tijd, de van
alle kanten aangevallen rechten der Kerk zocht te bescher-
men, de oude rechten der Poolsche kroon bij het bezetten der
bisdommen te doen gelden. Aan het hof van koning Frans I
moest van den val van Rhodus gebruik gemaakt worden,
om tot een vredelievend samengaan van Polen en Frankrijk
den weg te banen, en in geval van eenen goeden uitslag,
op grond daarvan in bet geheim onderzocht worden naar de
mogelijkheid, of niet door een huwelijk tusschen de beide
koninklijke faniiliën de band der aan te knoopen vereeniging
enger zou kunnen worden toegehaald *).
Het schijnt, dat Hieronjmus nog in den zomer des jaars
van zijne zending teruggekeerd , en bij het generaal-conveut
2) Zeiiiberg, S. 606, en Gn
3) „TomicUna, VI, 212.
1) Ibid., p. 20!. iU.
105
te Krakau tegenwoordig geweest is. In den naherfst kwam
het er op aan , de in Parijs aangeknoopte draden verder te
Tervolgen i). Ditmaal werd Rome niet meer betreden , maar
aan den koninklijken afgezant den last gegeven , om zich ook
aan het hof des Keizers te begeven. Mogelijk geschiedde het,
ten einde den argwaan, dien het levendig verkeer tusschen
Polen en Frankrijk lichtelijk kon opwekken, af te leiden of
geheel " te doen verdwijnen. Karel V bevond zich omstreeks
dien tijd in Spanje; dus kon de gezant van den koning van
Polen, zonder veel opzien te verwekken, op de heen- of op
de terugreis den groeten weg over Parijs naar de Pyreneën
inslaan. In het gevolg van eenen koninklijken gezant te rei-
zen , had in die dagen , in meer dan één opzicht , eene groote
aantrekkelijkheid; reeds de daardoor gebodene bescherming
in vreemde landen , op de onveilige heirbanen , op welke zoo
vele „zwervende lieden" doelloos en zonder middelen rond-
doolden, werd op niet geringeu prijs gesteld. Zoo behoefde
het dan den gezant niet veel moeite te kosten , om zijne beide
broeders over te halen, de reis in zijn gezelschap te doen.
«
a) Eerste verblijf te Bazel.
Op welk tijdstip onze drie Poolsche vrienden Krakau ver-
laten , en langs welken weg zij hunnen verren tocht aanvaard
hebben, is niet meer met zekerheid na te gaan. Op eene
verwijderde plaats 2) hebben wij hen onvoorziens onderweg
ontmoet Tegen het einde van December 1523, of in het
begin van Januari 1524, treffen wij de broeders, nog steeds
op hunne reis naar den Keizer, te Bazel aan, en aldaar in
vertrouwelijkeu omgang met E ras mus. De groote huma-
nist, die zich juist in die dagen in de verdrietigste stem-
ming bevond , dewijl men hem openlijk in de muzenstad voor
1) De herhaalde reis naar Frankrijk hinnen het tijdsrerloop yan een jaar
leid ik daamit af, dat in eene aanteekening bij de instructie Tan den gesant
de hertogin van Milaan , Isabella, als overleden wordt aangeduid, wier dood
eent tegen het eind van 1523 heeft plaats gehad.
2) Bij Boeking, II, 399.
een tweeden Bileam gescholden had, verbindt den oorsprong
van deze voor hem zeer ergerlijke beuaniiiig met het bij-
eeDKÏjn met deze Polen. Met Hteronymus was Ërasmus
reeds sedert zijn verblijf te Brussel bekend; thans zagen zij
elkander dikwerf. Op zekeren dag, terwijl zij in de boekerij
van den grooten geleerde zitten te praten , komt het onder-
hoitd ook op den eenvoudigen prediker , die nu reeds sinds
jaren de wei'eld in beweging hield. De Pool is met al het
vuur van zijn karakter tegen Luther; de indrukken , die hij
np het generaal-convent te Kraknu ontving, zijn hem nog
levendig bijgebleven. Hij heeft wellicht bemerkt, dat zijn
koning dan toch niet den rechten lust bezit, om met de-
zelfde gesti'engbeid in de uitroeiing van de Luthersche ketterij
in zijne landen te werk te gaan, als de beethoofden van den
rijksdag wel zouden willen. Daarom rekende de diplomaat
het van belang, zich bij zijnen koning te kunnen beroepen
op een even ongunstig oordeel van den man , op wiens in-
vloedrijke stem Paus en Keizer on Koning gewoon waren te
letten. Maar op dit punt begon de beschroomde stem van
den geleerde geweldig te trillen. Op de tafel lagen een paar
brieven van den Hervormer , die onlangs , buiten weten en
zonder toestemming van den briefschrijver , van Straatsburg
uit door den druk openbaar gemaakt waren, en in welke
opmerkingen over Erasmus voorkwamen, die eenen heldereu,
ondubbelzinuigen toon aansloegen. Ook een bijzonder schrij-
ven van den Wittenberger moet daar gelegen hebben'), en
de huisheer bemerkt, boe zijn Poolsche vriend den brief be-
geert met zich te nemen , ten einde dien in het vaderland
te gebruiken , om zijnen koning tot een krachtiger optreden
te bewegen. Eraamus belooft hem een afschrift van den
brief, en evenzoo ook van de beide in dmk verschenen bria-
I) Rrumus legt het lelf; bekcud is mij uit dien tijd tüééa de een Tierea-
drel jaan lator guschreren bri^f Vïu Liitlmr aau Enamua (de Wette, II
198), die, in ïljaeu ssnlief, een l&ngdurig voorafgegaau stïlzwijfKU onderstelt.
Db beide bOTeagenoemdc in druk vcrschoneu hrïevDTi knii men i iiideu bij do
Watte, II. 129. 200.
107
ves. en Teixoekt den gezant « hunnen inhoud ook aan den
KfiriT mede te deelen.
Het boTenstAanJe bericht verleent ons eeneu indruk van
de atmosfeer, in welke zich onze Johannes omstreeks dien
tgd noig bewoog, en die zoo geheel tegenovergesteld is aan
den frisschen, heilzamen luchtstroom der Hervorming, Kras*
mus had een levendig welgevallen ia do drie l\H>lsoho jougi>
mannen, die, tot den hoogsten adel behooroude, zich voor
den adel des geestes vuu den humanist met eerbiedige toe-
genegenheid bogen 1).
Slechts korten tijd, naar het schijnt, hobbon do bnuvlors
op hnnne doorreis zich te Bazel opgehouden , maar toch lang
genoeg, om in dien hoogst opwekkenden humanistischon kring
een paar vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen, dio sterk
genoeg waren, om onzen Johannes, na oene afwoxighoid van
meerdere maanden, gedurende langei^en tijd in do vriondol\jko
muzenstad te kluisteren. Bij zijnen terugkeer zullen wij go-
legenheid vinden , om zelve in die kringen te huis to gorakon.
Slechts op ééne persoonlijkheid wenschton wij hier to w\j/.on ,
met welke Laski thans in aanraking kwam, doch dio liy
bij zijne wederkomst niet meer aanwezig vond ; zij had toon
aireede, ook in Bazel, den reeds zoo vaak omklonulon wan-
delstaf der verbanning weder mooton opnomcn. Hot waH
Farel, de vurige held uit Frankrijk , dio zijn schocmo vaderland
vaarwel gezegd had , en in vreeindelingKchap was gaan dolon ,
ten einde uit zijn geloof te kunnen leven. Hot iH oono in
hooge mate boeiende verschijning, deze man, dio , uit Frankrijk
voortvluchtig, zich sedert maanden in Zwitserland opliiold ,
alwaar de golven der Reformatie zich reeds tot aanmerkelijke
1) Dewijl 't liet eente oordeel van ErasmuH oyer Joliaiineti mi jsijrio }mHi'
den is, vinde het hier zijne plaatn. AUereerHt luidt het aangaando den oud-
sten: „Comperi juTenem quum non rulgariter eruditum tuni eT^a tri#flior«M
lït^ra^ farore sio^Iari ac reli^OM quadam Tcnoratione afTecrturn. lu hun
legatione secum ducehat duo» fratrcn suon, J'^anneni aliquanto natu minorem
et Stanialaoin, ntromque pnlehrc literatum nee aliter affWHum i,T((a \tonMn
literas quam erat ip^e; in quitma quoniam omnea nibi pemuaaerant me tmttn
aliqoid, ipsiü ocnlis ac fro:ite. totoque quo<l diritur orirpore minim quandam
ia me «pirabaot benerolentiam/' (Boeking, II, 400.)
ti
hoogte verhieven, en die, in ile eerste weken van het jaar
1524, herbergzaamheid in het vrije Bazel gevonden had,
een landgenoot van Calvijn, en tevens zijn voorlooper en
wegbereider in Zwitserland. Zwijgen kon de krachtvolle zoon
der Daupbiné, ook in de stad, die bera gastvrijheid geschonken
had , niet lang. Reeds den 23»'e" Februari zette hij het , in
weerwil van de tegenspraak der universiteit, door, om over
dertien stellingen , in welke de geest der Hervorming zijnen
miichtigen vleugelslag deed hooren, eene openbare disputatie
te houden, bij welke Oecolampadius hem als tolk ter zijde
stond '). De zegevierende uitslag van dezen redetwist voerde
Bazel eene aanmerkelijke schrede nader tot het gewichtige
besluit, waarbij zich de stad ten gunste der Hervorming ver-
klaarde. Voor den levendigen, onverschrokken Franschman
duurde het echter te lang, totdat bij eene rustige ontwik-
keling der dingen de beslissende teerling zou gevallen zijn.
Reeds na een paar maanden had hij , door zijne niets ont-
ziende rondborstigheid en zijn onstuimig aandringen op eene
spoedige beslissing, zijn gastrecht in de stad verspeeld. Het
was dan toch nog te vroeg, om ongestraft Erasmus eenen
nieuwerwetschen Bileam te noemen. Omstreeks Pinksteren
reeds werd aan den lastigen man het verder verblijf in de
stad ontzegd ; de telkens opgejaagde vluchteling begaf zich
allereerst naar Straatsburg.
Onze Johannes was, gedurende dit eerste oponthoud te
Bazel, met den levendigen, ernstig gezinden Franschman
in persoonlijke aanraking gekomen, ja, had zijn vertrouwen
gewonnen. Dit kan ons wel bevreemden, met het oog op
de destijds nog zoo principieel verschillende verhouding dar
beide jonge mannen ten opzichte van de Kerk. Tot ver-
klaring mag ook gewezen worden op de innerlijke verwant-
schap van den Stavischen en den Eomaanschen aard, die
1) Ue theses, ïo haren Lat^aachen tekst op^noinen door Adam (p. 13),
kui men meermalen riaden oagedrukt en verUuld. Den loUedigan afdruk van
de apro^ing, gelijk die destijds upciibBar gemaakt irord, treri men aua by
Serminjard, I, 193.
109
destijds reeJs io vele trekken te bespeuren wh;»^ DaArh\j
kwam de iJTer, die den Pool bezielde • om zijn ih^ vinn* aUo
Terschijnselen des levens op geestelijk gebie^l jj^mjhmuI to
houden. Wie wil bovendien, bij de schrale, uit dien tyd
tot ons gekomene berichten de mogelijkheid UHKhonen^ dat
dan toch wellicht die stellingen, al braohteu asij ook in het
eerst den in zoo gansch andere beschouwingen levenden uoef
van den Poolschen kerkvorst in grooto verbaxing, niettemin
een lichtstraal in zijn binnenste wierpen , waainloor ^hmio tt^t
dusver nog in duisteren nacht gehulde werelil duidelijk 7.ioht'
baar werd? Hoe het ook zij, de aohtergelatone indruk was
zóó sterk, dat nog na het vierde eener eeuw, op oonon
tijd, toen de dagen van zijn verblijf te Bazel als met fris-
sche kleuren in zijne herinnering herleefden, Laski ook
aan zijne gesprekken en betrekkingen mot don moodigtm
Franschman gedacht, en in eenen zendbrief lum Culv\jn
den onvermoeiden , onbevreesden prediker dos ElvangoUü's laat
groeten i).
Tot het bittere woord van Farel over I<Irasmu8, wiuirin liy
hem een nieuwerwetschen Bileam noemt, hebbon do roolHclio
broeders, zonder het te vermoeden, de aanleiding gogovou.
Bij hun heengaan uit Bazel gaf llioronymUB mot PoolHcho
mildheid aan den hoogvereerden humanist, die voel liioM
van kostbare gaven te ontvangen, oen zilveren vuatw(^rk
ten geschenke. Juist in die dagen had zicli to Bazel lust
gerucht verspreid, alsof Erasmus zich beroomd had, dat
hij in het bezit was van een middel, om met oónon slag
den Lutherschen brand te kunnen blusschen. Dit middel,
zóó verhaalde men nu, had hij medegegeven aan <len Pool-
1) CalTiJD, XIV, 42. Het is te betreuren, óbï de oornprtmktWjkn hrlef
Tmn Lttki niet meer heeft kunnen ontdekt worden. Uet mf>ei wol emus dwik
ïiny lijn, Tcroorzaakt door den Uugen duur ran den tuntmhtmïiKfi^tnuUru tgd,
wanneer Laski opgeeft: ,,quam apud Kraitmum degerct.'' Kun;! werfJ in Ifi24
uit Basel rerbannen, welke itad hij emt na de tweedo u^rtntAs ir%u \a%\l\
betnd. Eent bij siju tweede Terblijf te Basel munwiti I^Mki bij
IQ 8; bet L4 nanwelijkn te denken, dat bij gedurende dezen tijd met d«m ver'
bincrdan tegenstander Tan zynen gastheer vertrouweiyk zal hebben omg^^gaan*
110
schen afgezant aan den Keizer, en het zilverwerk was de
smadelijke küüpprijs geweest. Erasmus leed geweldig onder
dit gebabbel; in een uitvoeng schrijven aan den rechtsgeleenlo
Botzemius te Conatanz, voor wien hij zijn bezwaarde hart
uitstort , zinspeelt hij slechts van verre op hem . dien hij
verdenkt van de bewerker te zijn van dezen laster. Hij
moet later het stellige bericht gekregen hebben , dat het
bedoelde woord , in eenigszins bruske openhartigheid , door
Farel was gesproken geworden, en daarop rustte hij niet,
voordat hij den tegenstander uit Bazel verwijderd had ').
Maar dat geschiedde, toen de Laski's reeds geruimen tijd
de stad verlaten hadden. Wij hebhen geen enkel bericht
betreffende het t^dstip, waarop zij van daar vertrokken zijn ;
ja, wij tasten nog zoozeer aangaande de volgorde der ge-
beurtenissen in het duistere om, dat het alleen waarschijn-
lijkheidsberekening ia, als wij onzen Johannes nu, na een
slechts kortstondig verblijf te Bazel, zijnen tocht naar Parijs,
waar hij zekerlijk geweest is, laten aanvaarden. Toekomstige,
gelukkiger navorschers doen mogetijk nog de ontdekking van
eeueo zekeren datum ; tot zoolang vergunne men aan de
gissing baar bescheiden plaatsje.
b) Te Parijs.
Is onze gissing juist, dan was het omstreeks den vroegen
lentetijd van 15^4, dat onze drie Polen de hoofdstad tan
Frankrijk betraden. Niet als aanzienlijke vreemdelingen, die
zich eerst in de hoogere samenleving hunnen weg moesten
hanen. Hieronymus was reeds herhaaldelijk aan het ko-
ningshof geweest, en daareulioven , met name de voorgaande
maal, in eeue zending, die noodzakelijk den gevolmachtigde in
vertrouwelijker betrekkingen bracht tot (leu Koning. Frans I,
1] Tergul. Haag, V, 61, alwiiiir ook bel. ourdeL'l van EraHmuH ovpt FbtcI
te lezen ie: „nihil vidi unquara mendacius, tiruleutitm aut swlitloaiuii j" en
dit oordeel, vol van OTerachuimeuden, anrechbnatigeu wrok, wordt geriolit
uu Pen OTerheïdaperaoon (e Besniifoa:
111
wien aan eene nauwe verbintenis met Polen veel gelegen
was, bewees den hoogbegaafden zendbode zijne welwillend
heid, en dat te meer, daar ook de ridderlijke persoonlijkheid
hem boeide. De jongste broeder had of aireede bij eene
vroegere gelegenheid , gelijk reeds vermeld werd , de konink-
lijke gunst verworven, 5f ontving die thans, en wel in zulk
eene mate , dat hij zich in den dienst des Franschen konings
begaf, en in zijne naaste omgeving menigmaal in lateren tijd
bewijzen gaf van zijne oprechtste verknochtheid aan Frans I,
ook in de moeielijkste dagen van zijnen rampspoed. Zoo
was het ook voor onzen Johannes gemakkelijk en geheel
natuurlijk, dat hij aan het hof uit> en inging.
Het was voor eenen ijverigen godgeleerde een belangwek-
kende tijd, in welken Laski te Parijs vertoefde. De ont-
zaglijke beweging, die vóór een paar jaren van Duitschland
was uitgegaan, had aan den Rijn niet halt gehouden; hare
sterke kringen bereikten spoedig ook den anderen oever,
en reeds kon men in het hart van Frankrijk, ja aan het
koningshof zelf, de werking dier beweging bespeuren. Zij,
die als de geestelijke zonen en erfgenamen dezer beweging
in dat land wonen, zijn zelfs van meening, dat de eerste
sporen van het nieuw opkomende reformatorische leven in
Frankrijk zelf zouden moeten gezocht worden. Op onzen
Poolschen deken moest het eenen eigenaardigen indruk ma-
ken, als hij zag, hoe door de Sorbonne tegen de kettersche
leer geheel dezelfde , zij 't ook machtelooze maatregelen ge-
nomen werden, tot welke hij zelf, het vorige jaar, op de
synode te Leczyc zijne toestemming gegeven had. Juist het
verbod van de geschriften der Hervorming was destijds,
evenab heden ten dage, een zeer dankenswaardige hefboom
tot hunne verspreiding. Maar aan de Seine was men dan
toch eerder, dan aan de Weichsel geneigd, om de heftige
woorden ook door ruwe daden te laten volgen; men deinsde
er niet voor terug, om eene inquisitoriale hand tegen die-
genen op te heffen, die niet zonder reden verdacht werden,
dat zij aan de nieuwe, gevaarlijke leer bedenkelijken ingang
verleenden.
112
Zij, die een geopend oor hadden voor het Kvangelie, ver-
zamelden zich hoofdzakelijk rondom de eerwaardige gestalte
van den bisschop van Meaux, Bri^onnet, den geestelijken
raadsman van de zuster des Konings.Margareta van Valois.
Inzonderheid gedurende de eerste jaren van zijn bisschop-
pelijk bestuur, is uit de handelwijze van deu vromen zielen-
herder een innig medelijden met de hem toevertrouwde kudde,
alsmede eene diepe smart over de duidelijk in bet oog val-
lende krankheden zijner Kerk te bespeuren. Het is als eene
frissche lentekoelte in de Gallicaansche kerk, wanneer men
ziet, hoe deze herder, in eene bijkans Evangelische prediking,
aan zijne gemeente bet Woord Gods laat verkondigen; hoe
zijne geestelijken, door eenen gelijken ijver der liefde bezield,
onophoudelijk tusachen Meaux en Parys heen en weder trek-
ken, om in eene getrouwe herderlijke zorg hunne roeping te
vervullen; boe uit het midden van dezen evangelisch-gezinden
kring geschriften uitgaan door het geheele land , die , al-
hoewel nog in eene voorzichtig-angstvallige taal, en zonder
een zweem van den luid jubelenden vrijheidstoon, dien wij in
de ontvlammende woorden van den Duitschen hervormer ver-
nemen, desniettemin reeds, als een leeuwerikszang in den vroe-
gen morgen, tot op verren afstand in bet land weerklonken,
hetwelk ook, wat althans ile ernstige gemoederen des volks
betreft, reikhalsde naar het aanbreken van den nieuwen dag.
Onder deze mannen ontmoeten wij ééne van de boeiendste
gestallen onder de voorloopers der Hervorming. Het is de
destijds reeds hoogbedaagde J. Fabre d'Etaples, die, van
de humanistische studiën uitgaande , moedig , als één der
eersten, zich tot het onderzoek der Heilige Schrift had be-
geven, in 't eerst ongetwijfeld slechts met de belangstelling,
welke men in die dagen op h&i'tstocbtelijke wijze aan elk
document der Oudheid betoonde. Juist deze nuchtere "yze
van beschouwing, die enkel de juiste beteekenis der woor-
den in het oog vatte, maakte hem vrij 'van de ketenen,
met welke men sinds eeuwen het Woord Uods bad zoeken
te omvaugen, opdat het alleenlijk nog aan alle mogelijke
leerstellingen en bcpabngen der Kerk zijn zegel mocht becb-
113
ten. Bij het verdere, rusteloos voortgezette onderzoek echter
oefende de heilige inhoud van het Boek zijne onmisbare wer-
king op den vromen man uit. Zoodra hij deze zaligmakende
werking aan zich zelven bespeurd had, rustte hij niet, voordat
hij ook den grooten kring zijner leerlingen aan de Parijsche
hoogeschool onder het bereik van dien zelfden invloed ge-
bracht had. Zijne uitlegging van afzonderlijke geschriften
des Nieuwen Testaments is een arbeid, die op dit gebied
eene nieuwe baan geopend heeft i). Juist in die dagen (1522
en 1523) waren zijne verklaringen op de vier Evangeliën,
en in eene snelle, verdere voortzetting die op de Algemeene
Brieven in druk verschenen, en hadden het grootste op-
zien, en aan de Sorbonne niet geringe ergernis teweegge-
bracht. Deze boeken kwamen nu aan onzen Poolschen vriend
in handen. De naam van den schrijver was hem , reeds sedert
zijne schooljaren , niet vreemd. De schooluitgaven en de ver-
klaringen op de Latijnsche en Grieksche classieken van Faber
Stapulensis werden bijna alle te Krakau nagedrukt, en
uit de menigvuldige oplagen mag men afleiden, dat van deze
geschriften, ook in het vaderland van Laski, door velon ge-
bruik werd gemaakt ^). In die dagen van zijn verblijf te Parijs
schijnt Laski met den erustigen, vromen onderzoeker van
den Bijbel ook in persoonlijke betrekking gekomen te zijn. In
de éénige plaats uit zijne werken , zoover ik mij althans herin
ner, op welke hij van den Franschen Schriftuitlegger, en wel
met hoogen lof gewaagt, doet hij ook bij den Leroeindcu man
eigenschappen uitkomen, die hem, naar alle waarschijnlijk-
heid , uit eenen persoonlijken omgang bekend geworden zijn ^).
Faber was destijds nog in de vaste meening, dat hij voor
zijne beschouwingen, ook al werden zij door de tegenstan-
ders reeds op de heftigste wijs bestreden , toch nog op toege-
1) Ver^l. Graf, S. 24 f.
2) Id den naowkeurigen en zorgmldigen arbeid yan Graf zijn. in de chro-
nologische opgave van de geschriften van Faber, de in Polen verschenen uit-
gaven niet vermeld (vergel. S. 222 f.j; de belangrijke arbeid van Joch er is
hem ontgaan.
3) Kujper, I, 53.
DALTOV. S
i
114
venfUieici en verdraagzaamheid io zijne moederkerk aanspraak
kon maken. Nog was het moeielijk oogeublik der beslissing
voor den grijsaard niet gekomen. Angstvallig ontweek hij
de gevreesde stunde. Maar nog op zijn sterfbed, in 15i(ti,
kwelde den 86jarigen man de gedachte, dat hij in de ure
des gevaars zwak geweest was, en hem de moed van een
geloofsgetuige ontbroken had, en dat hem zóó de kroon
des levens ontgaan waa, die zijne heldhaftige leerlingen en
vrienden, de edele Pauvant en de onverschrokken belijder
Berquin, door hunne getronwheid tot in den dood op den
brandstapel verworven hadden.
Uit het midden dezer evaugelisch gezinde mannen, en in
denkwijze en streven aan hen verwant, verheft zich in aan-
trekkelijke Bchoonbeid de gestalte der beroemde Margareta
van Valois. Zij behoort tot de uitverkorene dochteren van
baar schoone vaderland , en in gelijke mate ook tot de ge-
liefkoosde dochteren der Renaissance, ter stede, waar deze
zich naar de zijde der Hervorming wendde. De strooming
op het gebied des geestes in die groote dagen, welke bij
haar eene fijn gevoelende vatbaarheid aantreft, maakt op
hare bijkans mannelijk sterke ziel eenen levendigen en diepen
indruk. Met volkomen verstand van zaken en tot hare ver-
kwikking leest de hoogbegaafde j edele koningsdochter de
Latijnsche, Italiaansche en Spaausche schrijvers^ in het
Grieksch en het Hebreeuwsch is zij niet onervaren. Een
gelijke hai'tstochteltjke leerzucht, als de humanisten dier dagen
onophoudelijk voortdrijft, heeft zich ook van haar meester
gemaakt. Maar met een juisten, vrouwelijken tact verliest
zij zich niet in zulk een rusteloos navorachen ; hare vrome
geaarilheid doet liaar, bij de voortzetting van hare ernstige
studiën, in de diepte van het Woord Gods doordringen,
Zy treedt in betrekking met de vrienden des Heeren te Meaux.
BriQonnet is voor haar meer dan een biechtvader, ja, in
den schoonen, evangelischen zin des woords, haar zielver-
zorger; voor hem stort zij haar heiibegeerig hart uit in
aangrijpende brieven, die ons bewaard zijn gebleven, kost-
bare getuigenissen van hare vrome ziel en tevens van haren
115
tyd. Zij geldt als beschermengel der machtige reformato-
rische beweging in Frankrijk; doch om voor deze beweging
de baan te effenen en haar de overwinning te verschaffen ,
▼oor zulk eene verhevene, zware taak was zij te zeer ,,mig-
nonne,'^ gelijk de Koning meestal, met eene juist ken-
merkende benaming, gewoon was zijne innig geliefde zuster
liefkozend te noemen. Ieder oogenblik verwachtte men , haar
de beslissende schrede te zullen zien doen , door zich openlijk
▼oor de Hervorming te verklaren. Zij was zóó beslist op
den voorgrond getreden, en had op veelbeteekeuende wijze
zóó stellig hare aanstalten gemaakt, dat de anderen met
eerbied het door haar te geven teeken verbeidden, en
daardoor zelven besluiteloos draalden. Maar ook zij zelve
aarzelt; in het laatste oogenblik deinst zij terug, gewis niet
uit vrees voor het leed, dat haar zou kunnen wedervaren;
immers, zij heeft eene volle, geschudde maat onderworpen
gedragen. Maar zij is nu eenmaal de „mignonne'' baars
broeders, en de Koning bijna haar afgod. Zijn misnoegen
op te wekken, en zich van hem door eenen dergelijkeu
stap wellicht te moeten scheiden, de gedachte aan zulk
eene mogelijkheid rijst niet eenmaal in hare hartstochtelijk
liefhebbende ziel op. Zij zou de laatste strophen van het
Duitsche Hervormingslied wel hebben kunnen zingen, maar
alleenlijk niet, wanneer men, in stede van de daar gevor-
derde goederen, van haar het offer geëischt had, haren
broeder vaarwel te zeggen. Evenals de rijke jongeling in
het Evangelie zou zij zich van den Heer, wegens zulk
eenen zwaren eisch, bedroefd verwijderd hebben. Mocht men
den vaak onbegrijpelijken loop der geschiedenis in den weg
treden met wenschen, die, bij haren ijzeren gang, recht
dwaas te noemen zijn, het zou hier wel de wensch zijn, dat
toch deze verhevene gestalte, aan den ingang der Fransche
Hervorming, in plaats van den geestelijken raad van eenen
Brifonnet, die in een zeker mysticisme rust vond, den
raad van haren grootsten tijdgenoot en landsman, nl. van
den groeten Galvijn, ontvangen had, en dat door hem de
heilige waarheid weerklank in haar geweten mocht hebben
8*
116
gevonden, dat Christus te belijden ook het offer yan de
trouwste broederliefde waard ia ! De geschiedenis beeft voor
bet schoone land eenen anderen weg ingeslagen. Frankrijk
heeft de Hervorming gewehldadig uit ziju rijk gezegend ge-
bied verbannen, en moest daarop dientengevolge de Om-
wenteHng verdragen , wier bloedige , noodlottige stuiptrek-
kingen tot op dezen oogenbbk bet zwaar beproefde land niet
tot rust laten komen.
De loop der gedachten heeft ons op aanraerkelrjken afstand
van ons uitgangspunt verwijderd. Wij keeren ijüngs tot dat venv
jaar van Laski'a bezoek aan het koningshof terug. Frans I
had zeer veel met zijne hoogbegaafde zuster op, eii waar-
deerde haren wijzen raad. Dikwijls geschiedde het, dat hij
de vreemde gezanten, na hunne boodschap te hobbcn aan-
gehoord, ook naar zijne zusier verwees, en over eene be-
slissing met haar raadpleegde, ja zich daarin door haar leiden
lieti). Inzonderheid wegens zijnen geheimen last zal Frans I
den gezant van koning Sigismund aan zijne zuster voor-
gesteld hebben; door hem verkreeg ook onze Johannes toe-
gang aan het hof. Dat hij de hooghartige Margareta van
Valois in die dagen persoonlijk heeft leeren kennen, getuigt
die plaats in bet sehiijven van Erasmus aan de Prinses,
waarin bij melding maakt van de brieven, die zij aan hem,
gedurende zijn verblijf te Bazel, gericht had*). De onge-
twijfeld hoogst l.elangrijke briefwisseling sehijnt verloren ge-
gaan te zijn; eigene en anderer navorschingeii te Parijs en te
Ëazel hebben geen enkel spoor van haar doen ontdekken. Dit
is te betreuren, want de gedachtenwisseling der beide schrij-
venden zou gewis het intellectueele leven van onzen Laski in
die dagen in een belder licht gesteld hebben. Wij mogen
wel aannemen, dat de jeugdige en zoo ernstiggezinde Pool-
sehe geestelijke , met zijne warme belangstelling voor de studiën
en met zyn vrome hart, de Vorstin beeft kunnen boeien,
gelyk eveneens de eerbiedwekkende vrouwelijke gestalte eenen
1} (I) Merls d'AubigD
2) BrasmUB, ptg. 970.
117
diepen indruk bij hem heeft moeten achterlaten. In de geestes-
richting dezer beiden laten zich vele innerlijk verwante trek-
ken aanwijzen. Laski destijds nog ten volle in de Roomsche
kerk wortelend^ Margareta tot aan haar einde in de ge-
meenschap dier Kerk volhardend , beiden door de overtuiging
bezield , dat het erkende diepe bederf nog door de Kerk zelve
hersteld . kon worden. Ongeveer de lengte van een hoofd is
zij, de oudere ook in jaren, den man op den weg naar de
Hervorming vooruit, maar aan het eind wordt de Fransche
vrouw nochtans door den enistigeren Pool voorbijgestreefd,
die de éénige is van deze beiden, die het schoone doel
bereikt , dewijl hij bereid was een offer te brengen , voor het-
welk de vrouw terugdeinsde.
Hoe lang onze Laski zich nog te Parijs ophield, nad^it
zijn broeder, ter uitvoering van den hem opgedragen konink-
lijken last, verder gereisd was, konden wij niet ontdekken;
even min, of hij zich van daar onmiddellijk naar Zwitserland
terugbegeven , of dat de loop zijner studiën hem nog naar
andere plaatsen gevoerd heeft. Wij ontmoeten hem slechts
tegen het einde van 1524 te Bazel, en het is ons, als het
ware, eene verademing, aldaar met hem te zijn aangekomen,
dewijl wij van nu aan vasteren grond onder onze voeten
hebben , en er op dit tweede verblijf dan toch een helderder
licht valt, dan het schemerlicht, waarin wij tot dusver onzen
onzekeren weg meestendeels moesten afleggen.
c) Het tweede verblijf te Bazel.
Het gelukkige Bazel ook in de zestiende eeuw, en juist
in die dagen in het tijdperk van zijnen schoonsten, rijkst-
gezegenden bloei! Aan de grensscheiding van twee landen
gelegen, ja, in beide landen, aan deze en aan gene zijde
van den Rijn, vast geworteld, heeft de stad, in dien tijd
der beslissing, toen zij zich aan Zwitserland aansloot, zich
in het bezit van het burgerrecht des geestes in de beide nabu-
rige staten weten te handhaven. De burgers zijn, wat hun
wezen betreft , van eenen Duitschen geest bezield gebleven , en
«8
hebben de sterke vnjheirlszuclit van den Zwitser in zich op-
genomen: ten allen tijde heeft die dubhele gave baren goe-
den naam gerechtvaardigd. Reeds Aeneas Sylvius geeft eene
loftuitende achildering van de stad en hare bewoners uit den
tijd, toen hij, gedurende het Bazelsche concilie, binnen hare
vroolijke eu levenslustige murou vertoefde, Den gezonden, krach-
tigen nard, dien liij roemt, hadden de bewoners, ir. den loop
der eeuw, niet verloren; zij onderscheidden zich thans echter
bovendien door eenen grooteren ernat en eenen wetenschap-
pelijken ijver, alsook door eene levendige belangstelling in de
vrijen, die op het oogenhlik de geesten in beweging brach-
ten. Bazel was een hoofdzetel van het Humanisme aan
deze zijde der Alpen geworden, een toevluchtsoord en eene
verzamelplaats der geleerden, die zich hier ongestoord aan
hunnen hartstocht voor de studiën konden overgeven. Van
den trefltenden ijver, van den bijkans ontstellenden , verslin-
denden gloed der geestdrift , die de humanisten ten opzichte
van de herleefde wetenschappen beüielde , levert Bazel ons
meer dan één boeiend bewijs, Of, ia liet niet eene kostelijke
verschijniug , die Thomas Platter, van wiens trekken de
meesterhand van Freytag in het beeld van een zwervend scho-
lier der zestiende eeuw gebruik gemaakt heeft')? Wij kun-
nen ons niet onthouden, eenen anderen, niet gebruikten trek
hier te vermolden. De arme herdersknaap , die, als /wer-
vend scholier zonder vaste verblijfplaats, Duitachland was
ingetrokken, is nu, na vele en moeielijke omdolingen, bij
het touwslagers ambacht te Bazel beland. Aan den strik,
dien hij op de lijnbaan te draaien heeft, bevestigt hij eene
houten vork, die de afzonderlijke vellen van een hem ge-
achonken Plautua vasthoudt. Zoo draait hij het louw, al
achter" aarts gaande, en houdt te gelijk zijn geest zich bezig
met de bezielde gestalten van den Romeinschen dichter. Zóó
heeft hij het Latijn , zóó het Grieksch , ja ook het Hetireeuwsch
beoefend , en als touwslagersgezel ook in de school van Dr.
Oporinus geleeraard. En nu verhaalt hij, in zijn dagboek :
1) Freytag, II, 2. S. 13 C.
119
„lm selben jar (het was omstreeks den tijd, toen Laski zich
te Bazel ophield) kam ein Frantzosz von der künigin No waren
UBZgeschik Hebraisch zu lemen ^ der kam ouch in die schuil
un wie ich inhe ging in minen schlechten kleidern , satzt ich
mich hinder den offen, was ein fin sitzlin und liesz die stu-
denten bei dem tisch sitzen, so sagt der Frantzosz : „quando
venit noster professor?" („Wanneer komt onze professor?") Opo-
rinus zeigt uff mich . do gsach er mich an und verwundert sich ,
vermeint an zwifell, ein sömlicher solt anderst kloidet sin, den
80 schlecht, do die letzgen usz was, nam er mich by der
hand , fürt mich über das biügglin uszhi und fraget mich , wie
das zu gienge, das ich so bekleid kamme, sagt ich: „mea res
ad restim rediit" („mij schoot maar over, een strop te koopen").
do sagt er, wen ich welt, er welt fiir mich der künigin von
rainet wagen schryben, sy wurde mich zu einem gott ufif werfen,
ich solt im nur volgen; aber ich wolt im nit volgen..."*)
Liever destijds fs Bazel een arm touwslagersgezel, dan te
Parijs als een koning geëerd zijn: het is het trotsche ant-
woord van den vrijen humanist, die te dezer plaatse gevon-
den heeft wat hij behoeft. Niet weinig droeg tot dezen roem
der stad bij, dat zij de werkplaats van aanzienlijke boek-
drukkers geworden was. Bovenal de beroemde Frobenius,
en vervolgens ook lieden als Amerbach, Oporinus en zoo
menig ander. De drukkunst was nog niet oud, en die in
haren dienst stonden, doorleefden den onvergetelijken tijd
der eerste Uefde voor de nieuwe, verwonderlijke kunst. Zij,
die de wonderbare uitvinding in toepassing brachten, be-
schouwden zich als kunstenaars, niet als handwerkers. Zij
waren bezielde herauten in den dienst der humaniteit; niet
weinigen onder hen waren de grootste bevorderaars der we-
tenschap, en hunne werkplaats was een bornput van geleerd-
heid. De winst, die hun beroep opleverde, was voor deze
mannen eene bijzaak; hunne wijding ontleenden zij aan het
bevredigend gevoel, eene wezenlijke schakel te zijn in de
keten, in welke de grootste geesten dag en nacht geschaard
1) Boos, S. 55.
stonden, ten einde den wedergevonden schat aan het licht te
brengen. Zij beschouwden zich zelveo, in zekeren zin, als
ile koninkhjke muntmeesters, die het verkregene goud tot het
gemeenachappelijk goed der beschaafden stempelden ; op ge-
heel hun doen mat in die dagen nog de schoone glans van
eene daad des geestes, die in zich zelve haar loon vinlt.
De boekdrukker Frolienius was de krachtige magneet, die
in die jaren eenen Erasmus, den vriend en weikomen gast
der koningen en der hoogste geestelijke en wereldlijke waar-
digbeidbekleeders , naar Bazel trok; een magneet, die sterk
genoeg was. om hem ook dan nog in de stille stad van nede-
rige burgers te boeien, toen Margareta van Oostenrijk, in
weerwil van de keizerlijke bevelen, de uitbetaling van de toe-
gelegde jaarwedde afhankelijk maakte van den terugkeer van
dezen koning der wetenschap aau het Brabantsche hof. ')
Ten tijde van zijn verhuizen naar Bazel werd Erasmus
algemeen erkend als koning op het gebied van het weten en
van de humaniteit. In deze schrale gestalte, raet den scherp
vooruitstekenden, spitsen neus, met den fijnen, vastgesloten
mond, over welken een lichte, peinzende glimlach zweeft,
gelijk ons de stift van Holbein den man als het echte lieeld
van een geestrijk geleerde geteekend heeft, was als in een
brandpunt al datgene vereenigd , wat aan de humanistische
beweging gestalte en leven verleende. Hetgeen later eenmaal ,
op een gansch ander gebied, Zinzendorf van zich zelven
beleed, dat hij nl. slechts éénen hartstocht had, en die was
Christus, dat woord van den éénen, alle andere bewegingen
van het binnenste verterenden hartstocht, het geldt ook van
Erasmus, alleenlijk juist met betrekking tot het andere voor-
werp der sedert kort herrezene wetenschap. Met eenen door-
dringenden geest, met een schrander inzicht begaafd , en daarbij
van de perken van vroegere tijden ontslagen, wierp Erasmus
zich op het gebied , dat zich eerst zoo even ontsloten had ;
met grootere onstuimigheid heeft geen jongeling ooit zijne
bruid omklemd, dan hij aan de pas ontwaakte, herlevende
1) FeugÈi
121
wereld der Ouden den kus zijner liefde en geestdrift op de
lippen drukte. Het is eene reusachtige vlijt, die de man
met het ziekelijke lichaamsgestel levenslang ontwikkeld heeft;
in alle, zelfs in de verst verwijderde schuilhoeken dringt hij
met vorschend oog door, niets blijft hem vreemd, op het
nieuw ontdekte gebied is hij weldra overal te huis. Tegen-
over zulk eene getrouwe toewijding is de geest der Ouden
niet ondankbaar: hij openbaart zijne schoonheid aan den on-
vermoeiden aanzoeker, zoodat het is, alsof de Ouden zelven
door hem spraken, zóó zuiver, zóó helder, zóó gelijkmatig
en levendig is de stroom van zijne Latijnsche rede.
Ook als humanist vertoont Ërasmus eenen Duitschen aard.
Deze is ernstiger en diepzinniger, en dringt meer onmiddellijk
tot de levensbronnen zelven door, dan het andere karakter ,
aan gene zijde der bergen, in het zonnige, levenslustige
Zuiden. Voor eenen Boccaccio, of zelfs voor eenen Ar e tin o
hebben wij geen eigenlijk vaderland. De allereerste uitwer-
king van de Herleving der wetenschappen laat zich in al de
landen, door welke zij haren zegetocht liield, vergelijken
met het juichend gejubel van eene schaar van knapen, die,
na langen tijd in het enge schoolvertrek met zijn stof en
mufheid opgesloten geweest te zijn, plotseling de vrijheid
herkrijgt, en nu naar buiten stormt, waar het intusschen
lente geworden is, en aldaar met volle, krachtige teugen de
wonderbare Meilucht mag inademen. Gewis, zóó groot was
het onderscheid tusscheh den frisschen ademtocht, die uit
de studie van de levend geworden Grieken en Romeinen den
humanisten tegenstroomde, in vergelijking met de dompige
stiklucht, die zich allengs in de onderzoekingen der Scho
lastiek opeengehoopt had. Wij zullen niet al te streng in
het gericht mogen gaan met de eerste uitbarsting van een
ook wellicht <lol gejubel op de heropende speelplaats, en
aan den eersten tijd der uitgelatenheid geen al te gestrengen
maatstaf mogen aanleggen. Maar het leven mag niet op
deze speelplaats j^esleten worden, en de levenstaak is niet
maar een aangenaam genieten.
Het is in Duitschland geweest, dat de humaniteitsstudie
te rechter tijd ernstiger wegen inaloBg, ea ouder degenen, die
ook in deze richting vooropging<in , rinden wij Erasmue.
Op zijne onderzoekingstochten, die met stouten sprong de
platgetreden sporen der Scholastiek verre achter zich lieten,
verdiepte hij zich in de geschriften dor Kerkvaders; verbazend
is de menigte der uitgaven, welke hij i-an die onde getuigen
des geloofs in het licht zond. Frobeniua had nauwelijks druk
persen genoeg, om bij die nijvere vlijt niet ten achteren te
blijven. Bij de geachrifcen der Vadera staakte de humanist
geenszins zijnen rnsteloozen gaug; tot aan de bron zelve
drong hij door. Zijne uitgave vau het Nieuwe Testament
verscheel) in 1516. Het is een haastige arbeid, Erasmus
zelf gaf zulks toe; ') maar dat de uitgave het hcht z^ig, was
in die dagen eene daad. Het was de zegevierende terugkeer
tot het Woord Gods, het uit den weg ruimen van al dat
oneindige struikgewas van menschelijke inzetting, die den
toegang tot de bron zelve belet had. Het Nieuwe Testa-
ment wenl lieschouwd als nu óók weder uit het stof verrezen,
gelijk een pas ontdekt geschrift van Cicero of van Plato,
en werd door velen zóó ook gelezen. In den beginne was
dit bevorderlijk aan de juiste opvatting; al dat ongelukkige
allegoriseeren der Scholastiek loste zich op bij de nuchtere,
graramnticale behandeling van den tekst der Schrift, gelijk
de doordringende zonnestraal do nevelbeelden verstrooit. Deze
bevrijdende werking der humaniteitsstudiën , in haren gunstigen
invloed op de Hervorming, kan met de beteekenis der tochten
van Alexander ten opzichte van de eerste uitbreiding des
Christeudoras vergeleken worden. Ximenez bad de voorbe-
reidende werkzaamheden voor zijne Polyglotte van het Nieuwe
Testament veel vroeger begonnen, en iedereen 'verwachtte
haar verschijnen met ongeduld; Erasmus bad zich tot den
haastigen arbeid laten verleiden door den wensch, om, zoo
mogelijk, deu Spanjaard voor te komen. De Duitsche huma-
nist stelde zich echter niet tevreden met eene uitgave van
ril«ert, p. 95, de pltiatl ui
D teatAmoutam praecipitatun
12S
den tekst: vroom van gemoeil vatte hij te gelijk de ver-
hevener taak in het o<^, om den juisten zin der Heilige
Schrift voor zijne tijdgenooten te ontsluiten. VoortrefFelqke
wenken te dezen aanzien, die tot op dit oogenbUk hunne
hooge waarde hebben , laten zich uit de daarop betrekking
hebbende geschriften van E rasmus bijeenverzamelen , mede»
gedeeld door eene van den heiligen inhoud des Woonts aan-
gegrepene ziel, die zich aan den indruk van het goddelijk
Woord overgeeft, en dat nog op eene zekere naïeve wyie ,
die de wijde strekking van dezen indruk niet vermoedt
Door deze plaatsen gaat een reformatorische luchtstroom;
niemand kan het loochenen. In haar openbaart zich een geest,
die niet bij de bescheidene of ook angstvallige zelfbeperking
past, die Erasmus, in een beeld, als de hem aangewezene
levenstaak aanduidt. Hij vergelijkt ergens zijne stelling mot
de beeldzuilen van Mercurius in het oude Romeinsche rijk,
die, aan de kruiswegen geplaatst, den wandelaar den weg
wijzen, zonder dien zelve te betreden. De humanist heeft
dien betreden, doch week helaas verschrikt terug, toen hy
bemerkte, wat hem op dezen weg zou kunnen bejegenen.
Zij, die daarna dien weg onbevreesd hebben ingeslagen,
hebben dikwijls op bittere wijze over den achterblijvende
den staf georoken. Milder en ook billyker is ons oordeel ,
na een tijdsverloop van meer dan driehonderd jaren. Wy
hebben den groeten humanist niet slechts naar den m^iatstaf
van diegenen te beoordeelen, rlie van het Humanisme tot do
Hervorming zijn doorgedrongen, maar wij hebben hem ook
aan datgene te meten, waardoor het streven van den Duit-
Bchen humanist zich van dat der humanisten aan gene zijde
der Alpen zóó wezenlijk en voordeelig onderscheidt. Nog
voordat het tusschen den Duitscheii Hervormer en den Duit-
schen Humanist tot eene besliste breuk gekomen was, ver-
klaarde Luther, aireede in het voorgevoel der naderende
scheiding, maar nog in den ban der hoogachting voor den
buiteugewonen man, dat E ras mus, wel is waar, als een
Mozes, zijn volk uit Kgyptelaud bevrijd, maar het niet in
het land der belofte had overgebracht Nooit heeft zich
m
Erasiiius zoozeer verontrust over de zaligheid zijner ziel,
als de Augiistijnertnonnik te Erfurt. lu geheel zijne ver-
schijnJDg is hij het schitterend , onwedersprekelij k bewijs ,
wat loutere pogingen der humaniteit vermogen tot stand
te brengen, hoe onder haren bezielenden ademtocht eene
schoone wereld, voor eene wijle door den vollen en zui-
veren glans der Kunst verhehlerd, te voorschijn treedt, raa^r
hoe haar licht nimmer in staat ia, om de nevelen der
zonde te verdrijven , ons met God te verzoenen , ons te heili-
gen. God heeft ons echter niet tot taak gesteld, om eeu
schoon leven te genieten, maar om heilig te zijn, gelijk Hij
heilig is. De humaniteit is wellicht hij machte, om vooreen
oogenblik de ernstige stem des gewetens door hare wellui-
dende raeloilieën te laten verdringen, maar nooit kan zij aan
deze stem, die tot God roept, gelijk het hert schreeuwt naar
de waterbronnen, een troostrijk antwoord of eene zalige
bevrediging schenken. De stempel van dit haar onvermogen
is diep in hare scheppingen ingedrukt. Ook bij Eraamus,
die, vol angstige vrees, lafhartig wegduikt, als het ware,
voor de waarheid der ilervorming. Wanneer de heldere
wateren hem daarop overstroomen, en zijne trekken eeniger-
mate verwringen, is het ons vaak, alsof wij ia den gr'ioten
man reeds iets zien van datgeue, wat vervülgeos in later tijd
op het gelaat der Bayle's, der Encyclopedisten, in lichten
graad zelfs op dat van een Voltaire te lezen is: dien „sar-
kanten" trek , die er behagen in schept , den twijfel te wekken ,
en toch behoedzaam zorg draagt, zijne laatste bedoeling niet
te verraden, die wijze van handelen, welke Sainte Beuve
ergens zoo eigenaardig als a:inval en verdediging te gelijk
beeft aangeduid, die haren weg vervolgt onder het masker
der geleerdheid. '}
Toen Laski zich naai' Bazel begaf, stond Erasmus aan
l) Feugère (p. 236): „Cette mfiUioiie" — adon Stc BeuTP — „d'alU-
que et de «ape, qui tb son tmïn aou^ sir il'^rudition et que Jane^nius ddfi-
niBMÏt BÏ bten en disHnt : qu'elle consUtait i produire les difllculUs contre la
fbi aoui forme óe quoationi ot k inadrer » qui éUit aoulevé li^deaiiiu."
125
den beslissenden kruisweg vóór of tegen de HervormiDg,
welke laatste in Duitschland en in Zwitserland reeds genoeg
in kracht had aangewonnen, om den vorst der humanisten
tot eene pijnlijke beslissing te noodzaken. Wij weten, dat hij
zijnen teerling anders wierp, dan Ulrich v. Hutten, van
wien hij zich juist in die dagen, op zulk eene in het oog
loopende wijze had afgewend. De humanist, die door zijne
openlijke verloochening van de Hervorming , en dientengevolge
door de verstoring van eene gezonde levensontwikkeling , zijne
schreden inhoudt, ziet zich den terugweg tot den bescher-
menden schoot der Roomsche kerk afgesneden. Beide stroo-
mingen werpen hem op het heete oeverzand^ waar hij een-
zaam wegkwijnt: het is moeielijk uit te maken ^ of de pijlen
van Wittenberg, dan wel die van de Sorbonne te Parijs en
van de hoogeschool te Leuven, kwetsender waren voor den
eenzamen, diepgewonden man.
In onze schets van deze boeiende persoonlijkheid, die bij
dat groote keerpunt op zulk eenen aanzienlijken post staat , dat
haar lot eene typische beteekenis verkrijgt, zijn wij reeds eenigs-
zins den tijd vooruitgeloopen, in welken onze La ski haar van
meer nabij leerde kennen. Wellicht is de teekening voor ons
paneel te breed en uitvoerig uitgevallen; wij lieten ons door
de verzoeking medesiepen , omdat de invloed van den buiten-
gewonen man, gedurende geheel een tiental jaren, in den
leTensloop van onzen held te bespeuren is. Het groote besluit,
waartoe hij eindelijk kwam, om zich aan de zijde der Her-
vorming te scharen, werd door de indrukwekkende pei*soon-
lijkheid des vereerden meesters wezenlijk vertraagd : gedurende
geruimen tijd was hij in het oog van den beschroomden ge-
leerde een sprekend bewijs « dat men zich aan de schoone,
warme strooming der humaniteitsstudiën onverdeeld en met
geestdrift kon overgeven , zonder ontrouw te worden aan de
moederkerk.
Wij hebben reeds gezien, dat La ski niet eerst bij zijn
tweede verblijf te Bazel met den gevierden man in persoon-
lijke aanraking kwam; de oudere broeder had hem reeds met
bet erkende hoofd der weteDschappen in kenniB gebracht.
De atreelende erkenning van den jongen Pool, in het vorige
jaar, schonk hem het recht, om nu andermaal bij den meester
den toegang te vragen. De gunstige indruk werd niet iedere
ontmoeting versterkt, en wei van weerszijden, Den oudeu
heer, die, juist in die blagen, van alle zijden zoo ruw werd
aangevallen , — wij herinneren er aan , dat de uit den twist
met Hutten ontstane slagen nog niet verkropt waren, en
het er nu reeds weder op aankwam, zich tegen deu Dnit-
Bchen hervormer en zijne uitdagingen te wapenen, — den
ouden, veelszins gekwelden beer deed het waarschijnlijk aan-
genaam aan, door dezen fijn beschaafden, beminnenswaar-
digen Pool, die in zijn vaderland tot de hoogste kringen
behoorde, en die zich hier met schuchteren eerbied in de
tegenwoordigheid van den geleerde bevond, met zulk eene
hartelijke, oobekrorapene welwillendheid bejegend te worden.
De groote humanist, die tot dusver als een koning door elk
was geprezen geworden, was voor hoof sche hul de betooningen
en betuigingen van vereering maar al te toegankelijk. De
stroom der algemeene gunst was bedenkelijk aan het ebben;
het is, alsof de zoo lang verwende man zich des te harts-
tochtelijker aan de hem nog verleende gunstbewijzen vast-
klemde , en er zich op toelegde , om uit de verte de schatting
te verzamelen, die de naaste omgeving hem dreigde te
weigeren.
Erasmus, die ongehuwd was, had de gewoonte om kost-
gangers in zijne huishouding op te nemen. In zijne woning,
in bet buis van zijnen drukker Frobenius, bad bij genoeg
vertrekken , om eene kamer aan eenen jongen geleerde af te
staan, Daur hij het deed om zijn inkomen te vermeerderen ,
konden slechts rijke jongelingen de gunst deelachtig worden,
huisgenooten van den beroemdstea geleerde te zijn. Onze
vrijgevige Pool , die in zijnn jonge jaren reeds in het bezit van
niet onaanzienlijke prebenden, en volgens de gewoonte zijns
volks in geldzaken volkomen zorgeloos was, zal denkelijk de
genoemde gunst, die hij in de laatste helft van zijn verblyf
te Bazel genoot, duur genoeg betaald hebben. Dne en een
127
halTen galden gaf hij maandelijks voor zijne kamer, ^) en de
kosten der kenken schijnt hij geheel met zijne middelen
bestreden te hebben, zoodat Er as mus bij zich zelveu te
gast was, en den ?ri;geYigen gastheer langen tijd smartelijk
Tenniste, toen deze Bazel verlaten moest. Op groothartige
wijze kocht La ski voorts van zijnen huisheer diens rijke
boekverzameling , met de beminnelijke vergunning, dat de
geleerde y tot aan zijn einde, het vruchtgebruik der gedurende
zoo langen tijd bijeengezamelde schatten mocht blijven ge«
nieten. Den geheele koopprijs heeft La ski destijds niet
kannen betalen; er bleef nog eene som van tweehonderd
galden te voldoen, en Erasmus toekent in zijn testament
aan « ') dat bij zijnen dood de boeken slechts dan moesten
worden afgeleverd, wanneer de resteerende som vooraf aan
zijnen erfgenaam betaald was geworden. Die betaling schijnt
achterwege gebleven te zijn; toen Erasmus stierf, was
Laski bijkans zonder middelen, en op het punt om de
Roomsche kerk te verlaten.
Het waren niet deze uiterlijke voordeelen, die Erasmus
aan zijnen nieuwen huisgenoot boeiden. Iets bijkans overwel-
digends kwam den ouden man in die jeugdige gestalte te
gemoet Erasmus is in zijne brieven niet gierig met woorden,
als hij van iemand iets lofwaardigs wil zeggen , inzonderheid
dan, wanneer het uitzicht bestaat, dat de geprezene zelf er
inzage van verkrijgen zal. Wanneer wij echter de verschil-
lende plaatsen in zijne brieven over den jongen vriend over-
zien , dan maken zij toch den indruk , alsof de woorden niet
slechts de pasmunt van het gezellige verkeer zijn, en alsof
veeleer de ernstig-zedelijke persoonlijkheid van Laski zelfs
over den ouden man macht verkregen , en büjvenden invloed
op hem uitgeoefend heeft. Wat Erasmus in onzen vriend
roemt, het zijn dezelfde trekken, :illeenlijk thans verder ont-
1) Yergel. het zeer seidzame f^chriftjc, boTattoude de bijzondere brieven
▼BQ Brasmas aan Amerbach (Ba» MDCCLXXIX), dat mij in de stads-
bibliotheek te Bazel in handen kwam.
2) In de zoo e^en aanjrehaalde private brieven van Amerbach is , op bladz.
122 , het testament afgedrukt.
wikkeld, op welke wij reeds door den opvoeder te Bologna
werden gewezen , dezelfde trekken , die wij versterkt in
liet gerijpte leven van den man zelven terugvinden. Dene
getuigenis heeft nu echter bijzondere waarde, dewijl wij
haar vernemen uit den mond des mans, die maanden lang
op den meest vertrouwelijkeo voet met hem heeft omge-
gaan. Het is bijkans jeugdig vuur, aangrijpend verlangen
der liefde, wanneer de man van LiO en meer jaren aldus
over zijnen hui-sgenoot oordeelt: Behalve dat hij eene niet
alledaagsohe geleerdheid bezit, is Laski in zijn leven vlek-
keloos rein, als versch gevallen sneeuw, vriendelijk en be-
mi nnens waardig , zoodat iedereen in zijne nabijheid als her-
leeft, en allen bij zijn scheiden een gevoel van verlaten-
heid hebben, een gemoed van goud, een echte parel, en
daarbij zóó bescheiden en zóó zonder eenige de minste aan-
matiging, ofschoon bij geroepen is, om eenmaal in zijn
vaderland ééne der hoogste plaatsen in te nemen, 'j De
1) Bene Ueias bloemleziog rsii Braamisaoftohe uitoprokeu orer Luki viade
hier cene plsaCa! Aan den beroemden Ignstius achrijfl; hij (ï;9): „Johaanw
• Iabco PolanUB, illustri 1<ko iiatua apud euos, brerique surnmus futurua ,
noribui! ent pluie anti», aihil mogia anreum sut gemmeum etae potesl." —
Aan Thoma* Luptetue beschrijft hij hem (7SI}): „Fraeter eruditioarai haud
quequam fulfprem morihui est adea faoiUbns. cindidis ut amicia, ut mïhi
jam »il4 coeperit adluheacere. e» ejus domestjoo eoovietu veluti ropubesoenti." —
Aia den liumaoist LaanarduB Casimbrotas bericht hij (7S2}: „Jurenia citni
aiTogiutifim eruditiis, eitra auperci'.ium migoua ao felix , aed moribus adco
oandidia > amici^, joeundis, ut per ejua amebilem coasuetudinem paene repu-
buerim, alioqui jam morborum, laborum et obtreotaMrum Uedio marcea-
oena." — Aan lijnen broeder Hieronymua meldt hij : „Ejiis conïictua qnaniam
mihi tam fuit jurunduB ut vii aliud in vila jucundiua, non poteat oon esae
moleatisaimua illius abitua. Sijua nunvisaima eojuuetudiae propemodum rcpu-
buemni. Uagia hbet vestrae Polooiae gratolari, qoBin meum priTatuni de-
plorare inmmmodum." — Aan deu hiaachop van Plook wordt medegedeeld
(783): „Joannea a Laaco miiltos hominea et inter hoa Eraemwn hie occidit ,
tantum siu deaideriam reliqnil abiena, cura quibuacunque Imbuit coDauetu-
dinem." — In eca aohriJTen aan den palat\jn van Erakau wordt de reinheid
Tan tedeii cu de bescheideulieid van Laaki geprezDo: „ut parem hactenua noo
temere in quoquam alio repereriin" (I738J. - — Ten beaiuite eindel'jk dau aog
het achoone woord, dat de rtooIb geleerde, in de opdracht van lijnen Am-
broaiua aan deu Aartabiaschop , met betrekking tot diens neef duet hooroii
129
jonge Pool met zijne ond-Roroeinsche rechtschapenheid van
inhorst („prisca integritas") dient aan Er as mus, gelijk hij
zich in eene opdracht aan den woiwode van Krakau uitdrukt,
ten bewijze y dat „Astraea, de aarde ontvluchtende, de laatste
sporen van haar verblijf onder het Poolsche volk heeft
achtergelaten.*' Nog jaren daarna verklaart de beroemde
man onbewimpeld , dat hij in het samenleven met Laski beter
geworden is , en dat hij , de grijsaard , van hem , den jonge-
ling, geleerd heeft wat anders gewoonlijk de jeugd van den
ouderdom ontvangen moet^ nl. de nuchterheid, matigheid,
eerbied, beteugeling der tong, bescheidenheid, kuischheid,
zuiverheid van karakter.
Met groeten eerbied was Laski aan den meester gehecht ,
en beroemde er zich in die dagen op ^ dat hij zijn jonger was.
Door hem liet hij zich verder in zijne, met zoo groote geest-
drift voortgezette humanistische studiën leiden; maar het is
niet de herinnering aan de diepere en rijkere kennis, op
dit gebied verkregen, die hem in latere jaren het meest tot
dankbaarheid stemt. Hooger nog roemt hij het in den
groeten man , dat hij zijne ziel het eerst op geestelijke dingen
gericht heeft, en dat hij onder zijne leiding begonnen is^ op
het gebied van den waren godsdienst den weg te vinden, i)
Zeldzame, en toch in die dagen niet verrassende belijdenis
uit den boezem der Roomsche kerk. Hij, die reeds op
jeugdigen leeftijd de ladder van kerkelijke waardigheden tot
aanzienlijke hoogte beklommen, en die, jaren geleden, zich
langen tijd te Bologna aan de theologische studiën gewijd
heeft, hij leert nu eerst te Bazel, en aan de voeten
▼an den Duitschen humanist, de eerste beslissende be-
ginselen van zijne betrekking! Ook hier wederom is het
Erasmus, die den stoot geeft tot eene beweging, welke
(1585)t „Illad non possum non fateri senex juyenifl conTictu factas sum
melior ac sobrietatem, temperantiam , yerecundiam , lingnae moderationem ,
modestiam , padicitiam, integritatem , quam jnyenis a sene discere debueratt
a juwtÈie senex didioi. O gentem pietati natam."
1) Kuyper, II, 569: „Erasmus mihi aator fuit, ut animom ad sacra
•dyioerem, imo vero ille primus me in yera religione institaere coepit."
DALTOV. 9
K
130
met noodzakelijkheid voert langs wegen, die de meester
zelf niet gewaagd heeft te betreden. Hoe mild en schoon
oordeelt La ski , in latere jareu , over deze zwakheid en
halfheid van den Humanist , die hij gedurende zijn verblijf
te Bazel reeds genoegzaam had leeren kennen. „Een ieder,"
zóó schrijft hij, „heeft zijne hepaalde mate van gaven, en
één mensch vermag niet alles op elk gebied; ook voor ous
is er heden nog veel, dat wij niet weten. Het ia onze zaak,
ons zelven geluk te wenschen met datgene , wat God , naar
bet raadsbesluit zijns wils , ons overeenkomstig de mate van
ons geloof gunstrijk heeft willen verleenen. Uit dien hoofde
moeten wij ons ook verheugen over de gaven van Erasmus,
die waarlijk groot en belangrijk genoeg geweest zijn, en
bebooren God in haar te erkennen. Wanneer wij echter
meenen , dat wij verder gevorderd zijn , laat ons dan beden-
ken, dat ook dit ons enkel van God verleend is." ') Inder-
daad, dat is de bescheidene wijze van spreken, door welke
reeds de jongeling den grijsaard tot voorbeeld gediend heeft.
De geschriften van Erasmus en zijn levend woord in den
persoonlijken omgang waren wel in staat, om een vroom
gemoed van de beerlijkheid der geestelijke bediening te door-
dringen, en om het, met vermijding van al de gegravene ,
bedriegelijke bronnen der scholastische geleerdheid , en met
voorbijgang van de kerkvaders, te leiden tot de levende
bron van het Woord' Gods zelf. Hoe zoude een geschrift,
als de reeda in 1515 verschenen „Handleiding om tot de
ware godgeleerdheid te komen," zijnen invloed op Laski
niet hebben uitgeoefend? *) En welke heerlijke en opwek-
kende, verkwikkende plaatsen vindt men in de omschrijvingen
en verklaringen van enkele deelen der Heilige Schrift door
Ërasmus! Ook bij deze exegetische onderzoekingen is het
niet moeielijk, om den behoedzamen tred des m:ins op te
merken, die slechts tot aan den drempel deï> heiligdoms
doordringt, dan zijnen gang staakt, en zich met uiterlijk-
1) Kuyper, II, 5P4.
2) Vei^. de nanwkeurige acheM b
131
heden tevredenstelt Het zgn de helden der Herrorming
geweest, die onyerschrokken den dorpel overschreden, en
daarop in het heiligdom Jezus gezien hebben, en Jezus
alleen.
Met één van deze helden is Laski gedurende zijn verblijf
te Bazel in persoonUjke aanraking gekomen, vermoedelgk
slechts zeer vluchtig, maar toch lang genoeg, om zich door
hem den goddelijken prikkel in de ziel te voelen di'ukken^ tegen
welken geen mensch ter wereld, al ware hij ook een Saulus,
zich verzetten kan. In zijn verdedigingsschrift tegen West-
phalns gewaagt hij op twee plaatsen *) van den invloed, dieh
Zwingli op hem geoefend heeft. Op zijne doorreis naar
Frankrgk, zegt hij d4&r, heeft hij hem te Zürich ontmoet, ')
en is door hem het eerst tot het onderzoek van de Heilige
Schriften gebracht geworden; aan hem, zóó verklaart hij,
heeft hij de grootste opwekking te danken. Hij verweert zich
echter beslist tegen de bewering van Westphalus , dat hy een
Zwingliaan is. daar hij niet in den naam van eenig mensch
gedoopt^ en ook Lnther, zoomin als Zwingli voor hem
gekruisigd is, terwijl hij bovendien de leer van den laatstge-
noemden ook niet in alle deelen aanneemt. Alle pogingen,
om aangaande deze ontmoeting met Zwingli te Zürich nader
uitsluitsel te verkrijgen, zijn mislukt; noch in de brieven van
den Hervormer, noch in de uitvoerige brieven van hen, die
in die jaren met Zwingli in betrekking stonden, was eenige
aanwijzing te dezen opzichte te vinden. Het gastvrije huis
van den edelen Züricher stond voor allen open; niet licht
sou eene persoonlijkheid van beteekenis verzuimen, om aan
den stoutmoedigen man een bezoek te brengen. Doch aan-
gaande onzen Laski vernemen wij niets, zoodat wij ons met
zijne eigene, stellige verklaring moeten vergenoegen.
1) Kuyper, I, 282. 338.
2) Zoa dese opgave , na een tgdsTerloop taü 34 jaar* ook foms op eene
ftnl Tan Laski's geheagen bemeten, loodat het niet op de doorreis naar
Frankrijk geschied is, waarheen hy zich in gezelschap Tan zijne broeders be-
gaf, maar ran Basel uit?
9*
132
De dagen, die Laski te Bazel in wetenschappelijk verkeer
met de lieroemdste mannen doorleefde, bleven voor zijne
herinnering onvergetelijk. Door zijnen huisheer kwam hij ,
gelijk van zelf spreekt , in aanraking met het huis , dat voor
Erasmns de grond geweest was, om zich metterwoon in
Bazel te vestigen. In den kring der Froben's aloot hij zich
bij voorkeur bij Bonifacius Amerbach aan, die in 1Ó24
hoogleeraar in de rechten te Bazel geworden was. Als wij
de scbuone beeltenis van den jongen rechtsgeleerde, door
zijnen vriend Holbein geschilderd, aandachtig beschouwen,
dan is het ons, alsof wij onzen Johannes in het tijdperk
zijner jeugd vóór ons zagen '). En ook inderdaad, indien men
ons vroeg, om in den kring der bekenden van onzen vriend te
Bazel eene persoonlijkheid te noemen, van nature aan onzen
Laski verwant, zoo zouden wij op den genoemden hoog-
leeraar moeten wijzen , die bijkans van denzelfden leeftijd was
als hij. en die in geestelijk opzicht de treffendste trekken
van overeenkomst met hem vertoont. In de brieven van den
beroemden schilder luiden de plaatsen, waarin bij over dezen
zijnen liefsten vriend handelt, eveneens, alsof zij op Laski
betrekking badden ^). Daarin wordt de zuiverheid van zijn
wezen, zijne rechtschapenheid, zijne nauwgezetheid, zijne ge-
trouwe pHchtsbetrachting , de strengheid zijner zeden geroemd.
Dan weder doet Holbein zijne liefelijke gaven voor het ge-
zellig verkeer uilkomen, zijne levendigheid, bet vroolijke ver-
nuft in bot onderhoud, een schoon dichterlijk en muzikaal
talent, Gaarne luisterde men naar den professor, wanneer
hij op de luit een door hem zelven gedicht liedje , misschien
op de destijds vaak gezongene melodie „adieu mes amors"
1) Ben oogenUik hoopten «ij , in de nog onbekende beeltenis in de Beielnche
Tenameling, No. 10. de trekken lun ooien Laski Ie kunneu onlcijrereu. Dtt
BOU Toor ona oene buileogewoon kostbare ontdekking gewoeal ïijn; een beeld
vin Luki uit die dagen, ca door de mee^tcrhand vun Holbeiu, niet irien bij
in den kriag vsa Am«rbach persooulyk bekend moet geworden e^d, op Toor-
teeffelüke w^jm nilgeroerd! Een nauwkeurig oiiderioek ecliler heeft die lioop
veminigd.
2) Woltm&n, I, 262.
133
voordroeg. In zulke vrije uren van gezellig samenleven
heeft dan wellicht ook onze Laski zijne citer ter hand ge-
nomen, en daar hij nog sedert zijnen studententijd in het
spel ervaren was, aan de vrienden zijne Poolsche volks-
liederen voorgedragen. Door eene gunstige beschikking is ons
een aantal brieven van Laski aan zijnen vriend Amerbach
bewaard gebleven ^). Het zijn voor een deel slechts haastige
r^els op eene strook papier; maar juist de vluchtige,
alledaagsche inhoud verleent ons heden ten dage eenen
boeienden blik in de aangename vertrouwelijkheid van den
wederzijdschen omgang. Bij zijnen gegoeden vriend leent de
zorgelooze Pool kleinere en grootere geldsommen, wanneer
de voorhanden zijnde voorraad opgebruikt, en de bode nog
niet teruggekeerd is, dien hij naar Augsburg gezonden heeft,
om bij zijnen bankier aldaar, den vermaarden Fugger, geld
ie beuren. Op oenen anderen keer meldt hij hem, dat hij
bij een spel , om zijne lichaamskrachten te oefenen , met den
groeten toon tegen eenen steen gestooten , en nu slechts met
moeite de trap bij Erasmus beklimmen kan. Ook nadat
hij van Bazel afscheid genomen heeft, wordt door de beide
vrienden eene drukke briefwisseling onderhouden.
Het was een buitengewoon opwekkend, verstandelijk verkeer,
dat in die dagen te Bazel heerschte , en in welks volle stroo-
ming de huisgenoot van Erasmus zich geplaatst vond. De
humanistische en de reformatorische beweging, ofschoon gewis
reeds op het punt om zich van elkander te verwijderen, gin-
gen hier nog vreedzaam hand aan hand. De hoofden, die
morgen reeds gedwongen werden, om elkander beslist het
hoofd te bieden, verkeerden heden nog met elkander, ge-
deeltelijk in eene naïeveteit, die ons thans vreemd voorkomt.
In een gezellig onderhoud konden ook aan Er as mus uitin-
gen, b. V. over het heilige Avondmaal, ontvallen^ die hem
een standpunt aanwezen, nog verder naar de linkerzijde, dan
Zwingli zelf innam. De tegenstellingen en verschillen waren
1) Nog onmtgegCTen en tot dasver ongebruikt berinden lij zicb in het
Archief Tsn het antisteriam te Bazel.
nog niet voor aller oog duidelijk aan het licht getredeo, eu
hailden zich Dog niet van elkander losgemaakt. Zoo zag
men ook nog in een levendig, wederzijdsch verkeer met den
beroemden voorganger, en rondom hem geschaard, ter eener
zijde mannen als Oecolampadius en Pellicanus, aan
den anderen kant mannen als Gl are anus en Beatus
RhenanuE, en onze Laski ontving en genoot den zegen
van dezen dubbelen omgang. Werpen wij eenen vluchtigen
blik op een paar van deze iijannen, die op het beweeglijke ,
vatbare leven des geestes van onzen vriend eenen blljvenden
indruk gemaakt hebben.
Wellicht reeds bij zijn eerste, kortstondige verblijf te Bazel
was Laski met Oecolampadius in aanraking gekomen,
waarschijnl^k door Farel, die dischgenoot bij deu lateren
Hervormer van Bazel geweest ia i). Laski hield den uit-
nemendon man voortdurend in vereerende gedachtenis. Nog
na twee decenniën verklaart hij aangaande hem, dat hij met
den hoogsten eerbied zijner gedenkt wegens zijne zeldzame
eenvoudigheid en vroomheid, niettegenstaande al zijne groote
geleerdheid '^j. De werken des meesters versieren zijne boek-
verzameling; hij wenacbt alles te bezitten, wat Oecolam-
padius geschreven beeft. Eene nauwkeurige vergelijking zou
ons doen zien , welk een getrouw en ijverig lezer van zijne
werken , inzonderheid van zijne uitlegging der Heilige Schrif-
ten, onze Laski geweest is. In het verre vaderland zullen zij
mogelijk voor den Roomschen priester vriendelijke, eenzame
wegwijzers geweest zijn, om hem tot een steeds grondigere
kennis van de Schrift te voeren, en hem alzoo, als natuur-
lijk en noodzHkelijk gevolg daarvan, van den ban der Room-
sche overlevering en dwaalleer langzaam, maar zeker te
bevrijden.
Zoo menigmaal in latere jaren de dagen van zijn verblijf
1) HBrmiajird, I, 299, itrmoedt, dat P. Tduuüd de heriohtgiTer v»a
hat aldair Tennelde dischgHprek geveest ia. Zou het echter niet oom Liiki
kunnen geweeet i\)n, de „vir integritatïs
2) Kayper. II, S76.
135
te Bazel in aantrekkelijke schoonheid aan Laski vóór den
geest kwamen > was het inzonderheid de herinnering aan
Conradus Pellicanus^ die zijn hart verkwikte. Nog in het
geestelijk gewaad van eenen gardiaan der Minorieten , en met
eene oprechte, aandoenlijke verknochtheid aan het stille , be-
schouwelijke kloosterleven, heeft toch de rechtschapene ,
eenvoudige geleerde reeds in die dagen, als een heraut der
Hervorming, zulke luide wekstemmen door het land laten
weerklinken ! Het is eene schoone , zachtaardige , en daarbij
toch besliste en eerlijke verschijning in den kring dier uit-
stekende Bazelsche mannen, deze Pellicanus, die, door den
treffendsten ijver voor de humaniteitsstudiën bezield, met
steeds inniger overtuiging en met steeds klaarder bewustheid
den weg der Hervorming betreedt ^). Laski gevoelde zich
in hooge mate door dezen man aangetrokken, aan wien hem
gelijkgestemde snaren zijns gemoeds boeiden. Na een tijds-
bestek van twintig jaar knoopt hij, in eenen brief aan
zijnen leermeester en studiemakker, de oude betrekkingen
weder aan, in welk schrijven zulk een innige toon van
verlangen, bijna zou men kunnen zeggen: van heimwee,
vemeembaar is, dat men daaruit moet opmaken, dat zij op
de hartelijkste wijze met elkander hebben omgegaan ^). Pel-
licanus had den Poolschen deken in de Hebreen wsche taal
onderwezen; de Hervormer in Friesland betreurt het zeer,
dat deze studiën destijds , door zijn plotselinge terugreis naar
1) Welk een kostelijke tegenhanger bij dien boyenvermelden ijver van Platter
in het leereu en onderwij seu is het boeiende bericht, hoe Pellicanus in het
beat van het eerste Hebreeuwsche handschrift geraakt. Yergel. Riggen-
bacb, S. 16: ,.Post aiiquot dies superveuiei s Paulus Scriptoris, magnum
codicem gestayerat in humeris, talis et tantus vir, a Moguntia ad Pfort^on,
ot stadiis et desideriis meis gratificaretur, quae probabat yalde, quum ipse
qooqoe jam antea graoca didicerat, a Renchlino eateuns instrnctus, ut epia-
toUnm graece eidem scriptum a Paalo yiderim et legerim. Nihil in eum
diem mihi aociderat gratins, quam ubi eum codicem grandem hebraicum
Tiderem mihi allatam. erat autem volumen in pergameno scriptum, elegan-
tissimo charactere, magnifice, et eum ma'^oreth, tantao amplitudinis , quantum
praestare posset cutis integra vituiina. . . /'
2) Kayper, II, 583.
136
het vaderland, zóó vroegtijdig ziJD gestaakt geworden ; sedert
dien tijd, zóó verklaart hij, heeft hij de kenDÏs van deze taal
verloren. Doch uiet slechts tenBis van de Hebreeiiwsche taal
verwierf Laski zich aan de voeten van dezen man. Reeds
Oecolainpadius was vóór een paar jaren begonnen, Jesaia
en den Brief aan de Romeinen in wetenschappelijken vorm
Toor de studenten uit te leggen , de Brieven van Johauues
echter in eene reeks van stichtelijke beschouwingen voor de
burgers, en wel onder grooten toeloop des volks. Dat op-
wekkend voorbeeld der prediking had onze gardiaan der
Minorieten gevolgd , en met hem deze en gene vrome klooster-
broeder. Juist in die dagen was Pellicanus aan de uitleg-
ging van Genesis'). Wij dwalen wel niet, wanneer wij ver-
moeden , dat Laski zich onder de talrijke toehoorders bevonden
zal hebben, en in dat geval heeft ook hij den hartewenach
des leermeesters kunnen vernemen, „dat maar het rijk van
Christus mocht komen, en dat het Evangelie gepredikt, en
door geloovige ooren mocht worden aangenomen." De bis-
schop van Bazel, Christoffel v. Utenbeïm, wien de neef
van den aartsbisschop van Gnesen niet vreemd gebleven is,
waa destijds jegens zulke pogingen nog niet vijandig gezind;
hare noodwendige strekking, mogen wij zeggen, was nog niet
aan het licht getreden, en Oecolampadius mocht aan den
vromen en tevens geleerden zielenherder zijne in 1524 in
druk versebenen beschouwingen over dé Brieven van Juhannes
opdragen.
Hadden deze beide mannen met vasten tred den weg der
Hervorming ingeslagen, zoo ontmoeten wij in den upwekken-
ilen kring, in welken Laski te Bazel verkeerde, twee andere
belangwekkende gestalten, die zich van het enger omgrenad
gebied van het Humanisme ia den hooggerezeu vloed der
intellectueele beweging, aan deze zijde der Alpen, ntet lieten
afdringen. De één, Beatus Rhenanus, staat ongetwijfeld
op den tweesprong. Weleer een hoogbegaafd leerHng van Le
1) VergeL E'unea boeieadeu brief bui Pirkheimi
137
FèTre te Parijs, daarna te Bazel innig bomend met Eras-
mii8, heeft hy zijne betrekking met dezen beroemden yoor-
ganger op het gebied der hamanistische studiën niet afge-
broken, toen deze met de Hervormers in onmin geraakte,
en zich naar Freiburg begaf, waar hij zich als in eene soort
van pmilhoek terugtrok. Dit verhinderde echter onzen wak*
keren Elzasser niet, om voortdarend met den opgewektsten
ijver de geschriften van Luther in Zvntserland te versprei-
den, en Zwingli in een belangrijk schrijven bij de aanvaar-
ding van zijn predikambt in Zürich geluk te wenschen ^). Zgne
voornaamste kracht evenwel lag op het gebied van het Hu-
manisme. Erasmus schatte den fijn beschaafden geleerde
zeer hoog. Aan hem heeft hij zijne schoono «uitlegging van
den eersten Psalm opgedragen, met de woorden in lapidair-
stijl: „Mitto Beatum Beato." Deze man kon aan den huis-
genoot van Erasmus niet vreemd blijven. Laski nam ook
deel aan de grondige studiën van den geleerde , en zulk eene
vruchtbare deelneming vorderde eene nauwkeurige en liefde-
rijke studie van de Romeinsche geschiedschrijvers. Want
Rh en anus heeft, gedurende den tijd van het verblijf van
Laski te Bazel, niet onbelangrijke critische werken over
Tacitus, Livius, Plinius den oudei-en, en Veilejus Paterculus
uitg^even. Ook na de terugreis naar zijn vaderland bleef
Laski in een levendig verkeer des geestes met den humanist.
De aanzienlijke Pool werd door deze mannen als een soort
van Maecenas beschouwd. Rhenanus doet ergens, in eenen
brief aan Laski, met nadruk uitkomen, dat hij den verren
vriend niet deswege een klein geschrift heeft opgedragen , tcti
einde alzoo, gelijk het bij zoo vele humanisten dier dagen op
indringende wijze het gebruik, of veeleer het erge, stuitende
wangebruik was, van den veel vermogenden, gegoeden bescher-
mer eene gave te verkrijgen, maar in dankbare herinnering
aan de weldaden , die hij van hem te Bazel genoten , en aan
de hartelijke liefde, die hij hem ten allen tijde bewezen had ').
1) Zwingli, \II, 57.
2) Gabbema, pag. 10.
De andere in het oog vallende gestalte in den kring der
bekenden van onzen Laski, nl. HeDri<m8 Glareanus, keerde,
op evöB besliste wijze als Erasmus, aan de Hervorraiog bij
hare verdere ontwikkeling den rug toe. Glareanus was een
^n beschaafd humanist, iti den beginne evenneer met Zwingli,
als met Erasmus bevriend. Dit was echter reeds wezenlijk
anders geworden, toen Laski bij Krasmus zijnen intrek
nam. De reformatorische beweging was hem eene pijnlijke
Btoornis in zijn aangenaam studieleven. Verdrietig ontweek
hij haar, en alzoo, gelijk van zelve spreekt, ook hare leiders,
verbrak, in kwaden luim, de oude vriendschappelijke Uetrek-
kingen, en bewandelde, hoe langer hoe meer van de anderen
verwijderd, haud in hand met Erasmus, eenzame, verbitterde
wegen. De invloed van zulk eene persoonlijkheiil moest van
zelf hij onzen Laski een blijvend spoor achterlaten. Voor eene
veelbelovende toenadering tot de Hervorming, tot welke onze
Pool reeds in eene niet geringe mate de opwekking ontvangen
had, moest zulk een omgan>: eene bepaalde belemmering
zijn ; de groote mannen dor Hurvonning leerde hij niet anders
kennen, dan in het spiegelbeeld, dat hunne gestalte in den
gezichtskring dezer eenzijdige, kleingeestige humanisten had
aangenomen, en in de vergramde stemming van de zoo heftig
aangevallen mannen werd dat spiegelbeeld bijkans van maaml
tot maand doffer. Do getroffenen , ja zwaar gewonden toonden
aan den fijn beschaaflen, teergevoeligen Pool den vaak kwet-
senden prikkel van eene ruwe buitenzijde in den verbitterden,
meedoogenloozen strijd. Wij behoeven ons dan ook niet te
verwonderen , dat hera de lust ontbrak , om , zonder zich door
zulk eene onvriendelijke buitenzijde te laten afschrikken, tot
de kern van den aanv.al door te dringen. Met zijne gekrenkte
vrienden gevoelde hij zich door don aard van den strijd terug-
gestoüten, en bracht dan spoedig den opgevatten tegenzin op
den aanvaller over. Zijn geheele wezen, versterkt door zijne
positie iu de vadeHandsche Kerk, moest méér behagen vin-
den in het uitzicht, op welks verwezenlijking deze vrienden
en humanisten toch nog bleven hopen, om namelijk, in plaats
van openlijk en gewelddadig met de Kerk te breken, zich te
139
begyeren, haar langs vreedzamen weg te zuiveren van de
verkeerde toestanden , die ook zij niet konden loochenen. Met
Glareanus schijnt Laski innig vertrouwd geweest te zijn.
Ook nadat zij reeds jaren lang van elkander gescheiden ge-
weest zijn» hondt de bedrijvige, buitengewoon vlijtige huma-
nist den verwijderden , hooggeplaatsten dienaar der Kerk nog
altoos op de hoogte betreffende zijne studiën ; de omstandige
beschrijving van deze laatsten doet zien, hoe veelzijdig de
studiëngang van onzen vriend te Bazel moet geweest zijn,
en hoe hij^ ook te midden van de vele practische bezigheden,
die zijne hooge bedieningen hem oplegden, eenen geopenden
blik en eene warme belangstelling ook voor ver afgelegen
domeinen der wetenschap behouden heeft In de brieven van
z^nen vriend vindt men mededeelingen over de rekenkunde
bg de Ouden, de moeielijkste vragen betreffende de oude
muziek worden toegelicht; dan weder wordt verslag gegeven
aangaande z\jne verzameling van aanteekeningen op Livius,
studiën, die zelfs nog in onzen tijd de aandacht van eenen
man als Niebuhr tot zich getrokken hebben, en die Grla-
reauus gewis aan zijnen vriend, ook nadat zij elkander in
geen jaren ontmoet hadden, niet zou hebben medegedeeld ,
indien h\j niet eene hartelijke belangstelling bij hem bad kun-
nen onderstellen ').
Dooh het wordt nu eindelijk ook voor ons hoog tijd, om
van Bazel afscheid te nemen, en den schoenen kring der
mannen te verlaten, in wier midden onze Laski zich zoo
l/yzonder gelukkig gevoeld , en b\j welke zicii ook onze schil-
dering maar al te lang opgehouden heeft Spoediger nog,
dan hy zulks verwacht en gehoopt had, moest hij de hem
lief geworden banden losmaken, eu de stad verlaten, in
welke hy zich in eene mate tehuis gevoeld had , als in geene
fmdere, ook niet in het vaderland.
1) YergeL Oabbema, pag. 11 t. Hersog, V, 167.
d) De teru
Italië.
Het was in Septemljer 1525, i!at Hieronymus, ile veel-
bereisde kiiiiinklijke gezant, die wederom met eene diploiia-
tieke zeniting belast was, zich te Bazel bij Erasmus aan-
meldde. Uit het vaderland bracht hij voor zijnen broeder
deo stelligen last luede, om onTerwijM Bazel te verlaten, en
zich over Itilië met kleine dagreizen huiswaarts te liegeven.
De verhoudingen in Polen waren ^oo uiterst gespannen ge-
worden, dat zij den teragkeer van den jeugdigen en begaaf-
den proost wensclielijk maakten. Gedurende Laski's afwe-
zigheid had men strengere maatregelen genomen tegen het
gif der Hervorming, dat zich steeds verder verspreidde; men
achtte het dringend noodzakelijk, de strijdkrachten bijeen te
trekken , van welke men hoopte zich in den aanstaanden
strijd te kunnen bedienen. Ook op den neef van den Primaat
en den vriend van Erasmus werd, als op een bekwaam kam-
pioen der bedreigde Kerk, gerekend. Zijne beide broeders
badden reeds openlijk kleur bekend; het was de beslist ker-
kelijke, aan de Hervorming tegenovergestelde kleur van het
huis Laski; het spvak bijkans van zelf, meende inen, dat
de jeugdige kerkvorst zich aan hunne zijde zou scharen.
De koninklijke gezant bracht aan Erasmus bet heftige
smaadschrift over, hetwelk bisschop Krzycki, dien wij reeds,
en wel van ongunstige zijde hebben leereu kennen , tegen Luther
en zijne aanhangers gericht bad^). Den vriend van Ërasmua
voor znlk eenon ondergeschikten dienst te bezigen , ten einde
dwrdoor met het gevierde hoofd der humanisten in persoon-
lijke betrokking te komen , déArvoor was in de schatting van
den laaghartigen smader de neef van zijnen gehaten aarts-
bisschop dan toch goed genoeg! Op den rijksdag van 1523
was de schrandere en in het schrijven bij uitstek bedrevene
bisschop, zoowel door den Koning, als ook door zijne col-
1) Tot myue teleuretelling heb ik, ook in de rijke bibliotheken te Pel«n-
burg. bet genoemde gesohrift niet kunnen bernachtigen , zoodst de inhoud
diartan mij iileohte uit uittreksels eu mededeelingen iu andere werken bekend
ia geworden.
UI
lega's tot het veryaardigen van dit geschrift bewogen gewor-
den y ofschoon zij daarbij gewis niet bedoeld hadden , dat de
inhoad zich door zulk eene grofheid zou kenmerken. Nu
bekent hij aan Erasmus in een begeleidend schrijven, dat
bij de samenstelling ook de wensch hem geleid, en op den
vorm niet zonder invloed geweest is, om nl. de verdenking,
alsof h\j zelf de meeningen van Luther heimelijk huldigde,
te ontzenuwen ^). Gelijk het van onedele naturen , die de
waarheid niet liefhebben , te verwachten is , deed hij het met
de diepste verachting van zijne tegenpartij. Luther schynt
het werk niet onder de oogen gekregen te hebben , ten minste
in zijne geschriften heb ik geen enkele plaats ontdekt, die
daarop betrekking heeft. Indien hij het lasterlijke boek ge-
zien had, dan zou hij het wellicht ook van zich geworpen
hebben met het woord: ,,Teufel, du leugest! Hanswurst , wie
leogest du! O Hans Wolfenbüttel, welch ein unverschampter
Lugener bist du! Speiest viel und nennst nichts, lasterst
und heweisest nichts"^). E ras mus heeft zich aan eene critiek
van het geschrift niet gewaagd; het was hem dan toch wel-
licht al te kras 3). Hij beantwoordde het geschenk met de
toezending van een werk van den bisschop van Londen, T on-
stal 1, die insgelijks met heftigheid tegen de Hervorming was
opgetreden.
Bezwaarlgk heeft de Poolsche vriend en contubemaal nog
den tijd gevonden, om dit smaadschrift uit het vaderland
aandachtig te doorlezen. Zijn vertrek was ophanden. Het plan
was , om over de Alpen naar Boven-Italië te reizen , zich een
tijdlang te Padua en te Venetië op te houden, en aldaar
nadere voorschriften af te wachten, wanneer, en langs welken
weg h\j moest terugkeeren. Als eenen geliefden zoon voor-
ziet Erasmus zijnen vriend met aanbevelingsbrieven aan de
aanzienlijkste humanisten, in de steden, in welke Laski
voornemens was zich op te houden. En mét welke harte-
lijke woorden beval hij hem aan mannen als Egnatius, Lup-
1) YergeL ,,TomioiaQA", YII, 344.
2) Lather, XXYI, 6.
3) £rasmii8, pag. 783.
14^
setus en Casimbrotus aan, hij, de meest gevierde huma-
nist! ')
Den Ö^en October 1525 rertrok Laaki uit Bazel ^). Hij
werd op zijne reis vergezeld door Karel Ütenhove, een
begaafd jong man uit Gent, die als een soort van amanu-
ensis bij Erasraus woonde, dikwijls door dezen, inzonder-
heid tot het overbrengen van belangrijke brieven, gebruikt
werd, en nu ook weder met eene zending naar Rome
belast was. Over zijn Latijn had de meester ongetwijfeld te
klagen; van de classieko taal bediende de Gentenaar zich
niet met eene gelijke gemakkelijkheid en vlugheid, als de
jonge vriend uit Polen; maar Erasmus verheugde zich in de
getrouwe toewijding van den Vlaminger, en bij het klimmen
van zijne jaren strekte diens bijzijn hem tot troost'}. One
boeit in dezen reisgenoot vooral , dat waarschijnlijk bij deze
reis naar Rome de banden met de familie werden aange-
knoopt, die, na tientallen van jaren, Karels broeder, Jo-
hannes, zoo innig en oprecht aan Laski gehecht deden
zijn. Ook Kaï-el was hem als tochtgenoot lief geworden; met
betrekking tot hem berichtte hij aan zijnen Amerbach, dat
hij zich geen getrouwer gids , noch ook een aangenamer reis-
gezel zon hebben kunnen wenschen.
De eerste brief van de reis, welke ons is bew&ard geble-
ven, is uit Venetië geschreven, den 26*'*'' November 1525,
en vol heimwee naar de vrienden te Bazel *). Of de reizigers
zich zoo lang onderweg hebben opgehouden, of wellicht een
1} Ibid.. p^. 719.
2) EraamUï beschrijft de afreize met de krachtige woorden: „moltoa bon
et inter hoa Brasaiuin uccidit, tautura aui de«ïderium reliquit abieai,
quibiiBCunquF habuit conauetudiDeiu" (784).
3) Hermiajard. XI, 183.
4) „Plaoe TÏdeo, Amerbachie clariatiinie , «erum etae camitmi volup
moerorem . qui cum incredibilem aemper ei
capere et roluptatem ut frootum, niiac taol*
litteri» modo «d nee Terbia quidem «tplicere
amïcorum amïcïasime et me ot coepisti ama
mendcs, Olareano uunc profecto acribere nou nsiraTlt. Kaal
ao etiam Pellieanimi meum ei me cupio diligenter >alut«ri."
B deeiderio t<
t Erasmo i
. . Jamque vale
o snbïnde com-
taum et Beatum
143
irerblijf yan meerdere weken te Padua reeds is voorafgegaan ,
is niet met zekerheid nit te maken. Voorshands ziet onze
vriend zich genoodzaakt, om gedurende langeren tijd in de
dogenstad te vertoeven ; hij heeft eenen bode naar Erakau
gezonden, wiens terugkeer hij moet afwachten. Omstreeks
dezen tijd echter gevoelt hij eene sterke begeerte, om zich
naar Spanje te begeven. Te Madrid, in een klein vertrek
Tan één der vestingtorens, met het troosteloos uitzicht over
de kale oevers der Manzanares ^), verkwijnde in smadelijke
gevangenschap Frans I, wiens trotsche intocht te Bologna
als overwinnaar van Marignano de gebroeders La ski mede
aanschouwd hadden, zonder destijds te vermoeden, dat één
van hen de getrouwe metgezel des Eonings in zijne gevan-
genschap zijn zou. Sedert Hieronymus zijne beide broe-
ders op zijne gezantschapsreis had medegenomen (1523) , was
Stanislans aan het Fransche koningshof achtergebleven;
Frans I had in den jongen, fijn beschaafden Pool, die
zoo welbespraakt was, en daarbij in alle ridderlijke
kunsten uitmuntte, behagen gevonden, en hem eene plaats
vergund in zijne naaste omgeving. Stanislaus week voortaan
niet meer van des Konings zijde. Hij vergezelde hem op zijnen
tocht naar Italië, en bracht met hem den winter van 1524
in LombardiJQ door ^), doch onderging dan ook met hem den
smaad van Pavia. Laski behoorde tot de gevangenen; als
Pool erlangde hij, wel is waar, de vrijheid, maar uit eigene
beweging bleef hij in de omgeving van den koninklijken ge-
vangene. In de eerste plaats spoedde hij zich naar Parijs,
om de treurige tijding over te brengen; van daar reisde hij
naar Madrid, waarheen men den Koning gevoerd had. In
de sombere winterdagen werd de Koning, zonder eenig uit-
zicht op bevrijding, in den eenzamen toren gevangen gehou-
den. Johannes wilde zijnen edelmoedigen broeder bezoeken-
waarschijnlijk echter kreeg hij in die dagen het bericht van
1) Michelet, YIII, 251.
2} Miohelet (VIII, 228) haalt de plaats yan Guiccardim aan: „Le roi
■'amoaait, donnant tont au plaisir, rien aux affaires. Un hWer d' Italië,
passé atnsi, Ini semblait assei doux."
zijne afteis. Margareta van Valois had zich in Septem-
ber ten spoedigste tot haren Ujdenclen, zoo innig geliefden
broeder begeven. De reis was ontegenzeggelijk een waag-
stuk, hetwelk inlnsschen de zelfverloochenende zusterliefde
der koninklijke „mignonne" geen oogenblik aarzelde te on-
dernemen. Hare tegenwoordigheid wekte bij den wegkwij-
nenden broeder de levensgeesten weder op. Toen zij een
paar weken Later naar Frankrijk terugkeerde , nam zij den
trouwen Pool ais reisgezel met zich '). Den Poolschen ge-
zant te Toledo, den beroemden Johannes Dantiscus, was
de afreis van zijnen invloedrijken landgenoot zeer ongelegen
gekomen; hij had gehoopt, door zijne tusschenkomst aan den
Keizer brieven te kunnen doen geworden, als deze de eerste
samenkomst met zijnen koninklijken gevangene hield, by welice
een gezant geen toegang had.
De eene week na de andere zng onze Laski te Venetië
verstrijken, zonder dat de uitgezonden bode terugkeerde;
nog itt Januari van het volgende jaar was deze niet te Krakau
aangekomen. Laski beklaagde hem als één, die op de reis
was vermoord geworden . iets , dat in die onrustige dagen ,
toen het op alle heirbanen onveilig was , maar al te dikwijls
plaats vond. Een winter te Venetië doorgebracht was ook
reeds te dier tijde een genot, dat men ook met de onzeker-
heid aangaande hetgeen men in de naaste toekomst beginnen
moest niet te duur betaald achtte. De meeste a.inzienlijke
Polen namen in die dagen hunnen intrek in het „Fondaco
de Tedesclii," het schoone gebouw, dat, ten oosten van de
Rialto-hrug aan het Groote kanaal gelegen, nog heden ten
dage den blik gekluisterd houdt. De levendige kunstzin van
de rijke Duilsche kooplieden had geene kosten ontzien, om han
eigendom op eene wijze te verfraaien, die aan de toenmalige
koningin der zeeën niet geheel onwaardig was, en Venetië
huisvestte in die dagen, gelijk wellicht nauwelijks ander-
maal in vroegere of in latere tijden, eene menigte van kun-
stenaars , gereed om op ieder gebied aan zulk een streven de
l) „TomiciaoB," 'VIII,
145
schoonste en Tolkomenste nitdrakking te ?erleenen. Titiaan
en Giorgone wedijverden met elkander, om de beste ?oort-
brengselen hnnner knnst in het koophois der Daitschers te
doen bewonderen. De schilderingen, met welke Giorgone
het gebouw aan de zijde van het kanaal zoo kunstig ver-
sierd had, waren nog nieuw, en Titiaan, wiens genius
juist te dier tijde zijne hoogste vlucht begon te nemen,
had dien arbeid voortgezet Wat moet dat destijds voor
een gondeltocht geweest zijn, langs het „Ganale grande,*'
waar al deze heerlijke zaken, eerst kort te voren ontstaan ,
in eene actualiteit vol leven den aanschouwer begroetten,
en niet gelijk heden ten dage, als overblijfselen eener onder-
gegane wereld, vreemd en weemoedig in eene zoo geheel
andere omgeving prijken. Of onze Laski met Titiaan nadere
betrekkingen heeft aangeknoopt, gelijk hij Holbein te Bazel
bij zijnen vriend Amerbach heeft leeren kennen, dienaan-
gaande bezitten wij geen enkel bericht; bijkans zouden wij
geneigd zijn, om het te betwijfelen. Juist omstreeks dien
tijd kwam Titiaan in kennis met dien veraohtclijken Are-
tino, en zoo lang deze omgang duurde, kon Laski, die
zich door strengheid van zeden onderscheidde, geene aan-
knoopingspunten bij hem vinden.
Ongetwijfeld hebben wij onzen vriend hoofdzakelijk te zoe-
ken in den kring der hooggeachte humanisten, bij welke hij
door de hartelijke aanbeveling van Er as mus zich den toe-
gang verleend zag. Erasmus betuigt later schriftelijk zijnen
dank, zoowel aan Gasimbrotus, als ook aan den beroem-
den Egnatius, voor de hartelijke ontvangst, die deze beide
mannen aan zijnen Poolschen vriend verleend hebben. ^) De
huisvriend der Froben's en der Amerbach's zal gewis te
Venetië in het huis van den niet minder hoog geachten boek-
drukker Aldus gemeenzaam verkeerd hebben. De aanzien-
lijkste huizen stonden voor den jongen Pool open. De Doge,
bij ¥den de oom, vóór meer dan een tiental jaren, zich van
1) YarfsL Brttmni, p. IIOS. 1107.
DALTOV. 10
den koninklijken last gekweten had, was evenwel niet meer
in leïeo. Ook Kijn opvolger, de bijkans negentigjarige Gri-
mani, wiens vaste, karakteristieke trekken wij in de on-
sterfelijke afbeeldingen van Titiaan, tintelend van leven, ons
voor oogen gesteld zien, was reeda gestorven, en de trotsche
tiara droeg nu Andreas Gritti. Deze had, in vroegere
jaren, als gevangene in Konstantinopel gesmacht; hij bad in
het wisselvallige geluk van Frans I in Italië gedeeld, en was
nochtans sluw en behendig genoeg, om zijn Venetiaanache
leger van den slag van Pavia verwijderd te houden. Moeïe-
lijke dagen waren voor Venetië's macht aangebroken; ginds
in hot Oosten verliief de Sultan op onrustwekkende wijze zijn
zegevierend hoofd, voor beide mogendheden even gevaarlijk,
zoowel voor Polen , dat oniniddellijk aan Turkije grensde , als
ook voor Venetië, de kouingin der Middellandsche zee. Te
midden van het gemeenschappelijk gevaar voor beide volken
zai de tegenwoordigheid van den neef van den PooUchen
primaat te Venetië niet onopgemerkt gebleven zijn, al bezit-
ten «ij ook geen genoegzaraen grond om aan te nemen, dat
Laski met den Doge in aanraking gekomen is.
Reeds naderde de maand Februaii, en nog steeds was de
bode uit Krakan niet aangekomen, noch ook eenig bericht
van daar met nieuwe voorschriften ontvangen. Vóór Pinkste-
ren verwachtte Laski stellig eene beslissing; weUicht, dat
deze zóó uitvalt, gelijk hij aan zijnen vriend in Bazel meldt,
dat bij , vóór zijn huiswaarts keeren , nog eenmaal Zwitser-
land en Frankrijk bezoeken zal. Die vertraging was hem
pijnlijk. Hij had van Amerbach voor zijne reis geld opge-
nomen, en was door het uitblijven van den bode niet in staat,
om de schuld binnen den vastgestelden termijn af te lossen,
In Maart eindelijk ontving hij bet lang verwachte bericht
uit het vaderland , en spoedig daarop werd de terugreis aan-
vaard. Reeds den 8»*^° April kan hij zijne aankomst te Posen
melden. Hier, in deze bloeiende handetstad, heeft hij ook
weldra kooplieden gevonden, die zich naar Bazel begeven, en
die bereid zijn, om een deel van de gemaakte schuld aldaar
af t« betalen. Ook kostbare geschenken nemen zij voor de
147
Trienden in Bazel mede: twee sabehellen, en twee bundels
hermelijnsvellen.
Slechts weinige dagen vertoefde Laski te Posen, en spoedde
zich daarop verder naar Erakau, alwaar hij, na eene afwe<
zigheid van twee en een half jaar, omstreeks het midden ?an
April aankwam.
10*
Het laatste tiental jaren als Katholiek
in het Taderland.
a) Moeielijko ervaringen te huis
Het koatte onzen Laski thans vrij wat meer moeite, dan
tien jaren te voren, om zich aan de oude toestanden in bet
vaderland te gewennen. Ook in die dagen, in welke Polen
zich gereed maakte, om het toppunt zijner geachieilenis en
van zijnen bloei te beklimmen, viel het zelfs aan een lands-
kind, dat gedurende een paar jaren <le andere lucht in de
hoofdzetels der humaniteitsstudiën had ingeademd, in 't eerst
niet licht, om zich in het vaderland weder te huia en op
zijn gemak te gevoelen, Het was zulk een heerlijke tijd, dien
onze vriend in den vreemde had doorgebracht, vol van de
belangrijkste opwekking, in een onvergetelijk samenleven met
de uitstekendste mannen, geheel aan het genot der studiën
overgegeven, en, overeenkomstig de neiging van zijn hart,
in (te aangename rust van een vrij en onbelemmerd leven.
De scboone levensdraad wrs als door eene onvriendelijke hand
doorgesneden, en Laski zag zich weder verplaatst in de
oude toestanden, die hij vóór bijna drie jaren ontvloden was,
en die zich in den tusscbentijd bijna niet gewijzigd hadden.
In 't eerst was zijn blik voortdurend achterwaarts gericht ,
om althans in den geest met de vrienden te blijven verkeeren.
Eene levendige briefwisseling werd onderhouden; slechts losse
fragmenten zijn ons door eene gunstige beschikking bewaard
gebleven, echter meer brieven, aan Laski gericht, dan wel
van zijne hand. Eene gelukkige vondst, wat laatstgenoemden
149
betreft, die de karige proeTen, in de complete uitgHTe nun
's mmns werken Toorkomende^)» op verblijdende wgie Mn*
Tullen, doet ons bopen, dat wellicbt nog hier of daar« in
oade Yerzamelingen Tan geschriften , bricTen Terborgen xyn»
die mogelijk Toor een later, Toorspoediger ondenoeker tot
eene aangename belooning zullen tijn voor dikwijls zoo mooie*
lijke, Tergeefsche nasporingen. Ook uit de brieven dervrien*
den Iaat zich opmaken , welke de inhoud van de briovon van
Laski naar alle waarschijnlijkheid geweest is. De oude studie*
makkers laten hem deelnemen aan de voortzetting van hunne
wetenschappelijke werkzaamheden; ook de schijnbaar verst
verwijderde gangen hunner onderzoekingen houden zij niet
voor te afgelegen^ om door nauwkeurige mededeelingon Laski
uit te noodigen, hen te vergezellen. Nu eens draagt oou
studievriend hem een werk op over de aardrijkskunde, dan
weder wordt hij door een ander op de hoogte gehouden aan-
gaande zijne uitgave van eenen ouden classieken schrijver,
of ontvangt hij gevraagde mededeelingen over de muziek b\j
de Ouden; kortom, wij zien, hoe de levendige drang naar
kennis, die zijnen meester, E rasmus, bezielt, ook op onzen
Laski is overgegaan, die zich met geestdrift zijnen leerling
noemt Korter en schraler zijn de mededeelingen over de
groote vraagstukken van den dag, die de wereld in beweging
brengen. Bijkans slechts voor zoover do hooggaande golven
tot in het studeervertrek van den geleerde doordringen, ont-
vangt de neef van den primaat van Polen dienaangaande
bericht, meestal in eene verdrietige stemming geschreven»
immers inzonderheid van de zoodanigen, die zich door den
geweldigen gang der gebeurtenissen in het nauw gebracht,
voelen, en die nog slechts eenen rustigen hoek op aarde
begeeren, waar zij zich van de wereld kunnen afzonderen,
en over den met hunne verwachtingen zoo geheel strijdigen
loop der dingen kunnen pruilen.
1) Kq jper (II, 547. 548) heeft ilechto 2 briereo yaa Leeki voor eeoe tyd*
mtmte Tan 14 jaren, atrikt genonien voor de eerate 40 Jaren sijna lerena.
Ona atondcp nog 14 andere brieten van den Herrormer ter beacbikking.
Het bloot schriftelijke verkeer bood onzen vriend , die zich
zoo verlaten gevoelde, geenszins eene geuoegzame vergoeding
voor het rijke genot van een persoonlijk samenleven, Als hij
bericht ontvangt van eene bedenkelijke krankheid van Eras-
mus, zou hij 'tliefst alles in den steek laten, en zich naar
den hoog vereerden meester spoeden, ten einde de laatste
uren van zijn aardsche leven met hem door te brengen. Maar
de plichten van zijn ambt houden hem na met onlosmake-
lijke handen in het vaderland terug. Daarom tracht hij ile
vrienden te bewegen, om zich naar Polen te begeven. Het
scheeMe niet veel, of zijn liefste studiemakker, Amerbach,
zou zich door hem tot zulk eene verandering van woonplaats
hebben laten overhalen. Een brief van den laatstgenoemden
aan Zasius, uit het jaar 1526, is nog bewaard gebleven i),
in welken de Bazelsche rechtsgeleerde bericht, dat hij een
paar dagen te voren (de brief is des Dinsdags vóór Bartholo-
meus gesuhreven) door Johannea a Lasco op de schitte-
rendste voorwaarden was uitgenoodigd geworden, om naar
Polen over te komen. Hij was niet ongeneigd, om de zeer
aanlokkelijke uitnoodiging op te volgen ; aan het eind besloot
hij evenwel te Bazel te blijven, daar hij de zijnen uiet wilde
verlaten, en weerhouden werd door zijn levendig gevoel van
gehechtheid aan het vaderland, dat ons, gelijk hij zich zoo
schoon uitdrukt, den rook van het vaderlijk huis heerlijker
doet voorkomen, dan het vreemde vuur („dein quod ita nobia
natura iusitum est, ut fumum patrium igni alieno luculen-
tiorem credamua"), Over het geheel openbaarde zich in die
dagen in Polen de wensch , om aan mannen van beteekenis
eene vrijplaata aan te bieden , inzonderheid aan zulke ge-
leerden, die, met den woeligen loop der gebeurtenissen niet
voldaan, eeue rustige toevlucht begeerden, Krzycki uoodigde
Erasmus in warme bewoordingen, om uit de onrust daar-
buiten naar het rustige Polen te vluchten, waar Idj ongehinderd
voor zijne studiën leven , ea ongestoord de boege achting en
bewondering gemeten kon , die door den Poolschen adel aan
I) Stil
151
dezen koning der wetenschappen onbekrompen werd toegewijd.
Maar Erasmus, en dat wel te recht, beschouwde ook Polen
reeds niet meer als zulk een veel geprezen toevluchtsoord ^).
Doch onze La ski was niet in het vaderland teruggeroepen
geworden, om in het schriftelijk verkeer met zijne vrienden
in het buitenland een aangenaam en rustig leven te leiden.
De neef van den aartsbisschop van Gnesen bekleedde zelf
reeds eenen te hoogen rang, dan dat het vaderland in de
dreigende verwikkelingen niet ook op hem zou gerekend heb-
ben. Naar de meening van Erasmus had de Kerk juist zulke
mannen noodig, gelijk hij er éénen gevonden had in dezen
zijnen jeugdigen vriend, die zich door zulke schitterende
gaven onderscheidde. Hij schrijft aan den bisschop vanPlozk,
dat in den tegenwoordigen tijd niets méér voordeel aanbrengt
aan de Kerk^ dan mannen ^ die zich tot hun leedwezen ge-
roepen zien, om de liefelijke studiën der wijsbegeerte vaar-
wel te zeggen , ten einde met hunnen raad het vaderland van
dienst te zijn ^), Deze raad , voor zoover hij voornamelijk op
Laski doelde, was echter mistrouwd geworden, en onze
vriend had zich allereerst van den argwaan te zuiveren, die
donkere schaduwen op hem geworpen had. Als de deken van
Gnesen zóó lang in het buitenland vertoefde, en inzonderheid
te Bazel, van waar zoo menig kwaad gerucht tot Krakau
was doorgedrongen , waaruit viel op te maken , dat ook d&dr
reeds de snoode dwaalleer steeds dieper wortel schoot, en
als te huis zelfs het bericht ontvangen werd , dat deze priester
der vaderlandsche Kerk aan Zwingli te Zürich een bezoek
gebracht had, wiens naam intusschen niet zóó bekend,
en daarom ook niet zóó gehaat was, als die van Luther:
toen was weldra, voornamelijk in de kringen, die op den
Aartsbisschop verstoord , en vijandig jegens hem gezind waren ,
het gerucht ijverig in de weer , om den neef van den Primaat
1) Erasmus, pag. 1127.
2) Era sinus, pag. 1127: „Orbi christiano nalli sant magis utiles quam
qai reluctantm a Philosopliiae duloissimis stadiis ad patriae consulendum
iwocantar.*'
tot eenen ketter te stempelen, en aangaanrie hem te beweren,
Hat hij, gelijk reeds zoo menig priester, zich in het huwelijk
begeven had. Indien hij slechts de honderde voorbeelden in de
vadertandBohe Kerk gevolgd , en zich met eene vrouw ver-
bonden had , enkel om zijne lusten te voldoen , dan zou de
beschuldiging niet zóó bezwarend geweest zijn ; maar om met
eene echtgenoote, in eene eerlijke, Gode welgevallige verbin-
tenis, leed en vreugd levenslang te willen deelen, dat be-
echouwden de farizeërs dier dagen als een doemwaardig mis-
drijf! Voor den bejaarden Aartshisschop zou het de bitterste
lijdenskelk geweest zijn, als hij zijn eigen gelief koosden neef .
van wien bij jaren achtei'een gehoopt en gemeend had , dat
hij zijn toekomstige opvolger zijn zou , in de rijen der afval-
ligen had moeten aantreffen, die zich van de moederkerk
hadden losgemaakt Van hem ging vermoedelijk de drin-
gende aansporing uit, om Bazet, dat in eeaen kwaden reuk
stond, onverwijld te verlaten; aangaande Italië had de Pool-
sche primaat nog niet vernomen, dat zich ook reeds dMr
reformatorische bewegingen vertoond hadden. Daarom moest
de terugreis niet over Augsburg, Leipzig en Wittenberg naar
Posen volbracht worden , maar liever langs eenen omweg over
de Alpen en Italië, en wel langzaam, en met een langduriger
verblyf te Venetië, opdat eventueele bedenkelijke beschuldigin-
gen door de nabijheid van Rome zouden ontzenuwd worden.
Toen onze Laski eindelijk in het vaderland teruggekeerd
was , kon hij zijnen oom vrijmoedig en zonder eenige terughou-
ding onder de oogen treden. Een huwelijk had hij in den
vreemde niet aangegaan, gelijk waarschijnlijk zijne benijders
hadden uitgestrooid, en anders dan in het echtverbond, he-
geerde hij, de man van reine en strenge zeden, geenen om-
gang met de vrouw. Maar ook wat de andere beschuldiging
betreft gevoelde hij zich onhozwaard. Merle d'Aubigné
meent den zuiveringseed van den jongen Laski te moeten be-
schouwen als eenen afval van de hoogte, die hij in den om-
gang met de vrienden in Bazel reeds bereikt had '). Een
I) Mei
ubigDé, Tn, b72: „ToatsFoie ce u
it prèté par de Lisco
153
zoo scherp oordeel kunnen wij op geenerlei wijze vellen. Bïj
zijnen terugkeer in het vaderland onderscheidde zich onze
Laski, wat zijne beschouwing over de Hervorming aangaat,
nog hoegenaamd niet van zijnen leermeester Erasmus. Met
hem was hij van de noodzakelijkheid eener hervorming der
Kerk in hoofd en leden doordrongen; zoowel in het vader-
land , als op zijne vele reizen , die hem ook met de hoogste
kerkelijke persoonlijkheden in aanraking gebracht hadden,
was hij ruimschoots in de gelegenheid geweest , om de diepe
en zware wonden op te merken, aan welke de Kerk leed.
Evenals Erasmus was ook hij overtuigd , dat de grootste
schade door de dienaren der Kerk zelve aan haar werd toe-
gebracht, en dat de heftigste klacht over hen en hun on-
geestelijk leven maar al te rechtmatig was. Maar met zijnen
leermeester koesterde hij dan ook de hoop, dat deze nood-
zakelijke hervorming der Kerk kon plaats hebben zonder de
scheuring, die hij tot zijn diepste leedwezen van dag tot dag
grooter zag worden. Met al de innigheid en oprechtheid van
zijn gemoed was La ski aan zijne moederkerk gehecht, bui-
ten welke hij zich geen heil kon denken. Voor hem, den
Pool , die in de kerkelijk-staatkundige denkbeelden van zijnen
oom en van het hof, gelijk van geheel de geestelijkheid zijns
vaderlands tot man was opgegroeid, was elk breken met de
Kerk een breken met het vaderland : tot zulk een stap zou
zijn hart, dat voor Kerk en Vaderland gloeide, destijds on-
mogelijk in staat geweest zijn. Dat Christus ook zulk een zwaar
offer van zijnen jonger kan eischen, kwam niet bij hem op;
daartoe was hem tot dusverre de evangelische geest, die de
Hervormers bezielde , persoonlijk nog te zeer vreemd gebleven.
In het buitenland bewoog hij zich allereerst als Pool, die
niets gemeen heeft met hetgeen enkelen in de omstandigheden
des vaderlands bewoog, om steeds verder te gaan op den
weg, die tot de afscheiding voerde. De aanraking met Zwingli
kan slechts eene zeer vluchtige geweest zijn, langdurig ge*
fat ainsi que sa mondaoité ane yéritable chüte!" Het zou den hoogrereerden
yerhaler yan de Befonnatie moeielijk geyallen zijn , ook yoor de laatstgenoemde
bewering, nL yan Laaki't wereldiche geiindheid, het bewija te leyeren.
154
noeg, om hem den prikkel in de ziel te drukken, die hem
in de diepten des Evangelïe's doet indringen, alsook beslissend
genoeg, om, nog na tientallen van jaren, met een dankbaar
hart op hem te wijzen, als op den man Gods, die hem met
krachtige hand den eersten stoot tot die heweging gegeven
heeft, welke slechts in i'e Evangelische kerk kan uitloopen.
maar toch weder niet langdnrig en krachtig genoeg, om reeds
destijds van zijn geweten het zwaarwichtige offer der heslis-
Bing te vordeien. Van die belangrijke plaats, waar Laski,
dertig jaren later, over zijne ontmoeting met Zwingli spreekt,
heeft men , bij gemis van uitvoeriger berichten aangaande den
gang zyoer ontwikkeling, meestal ten koste der psychologi-
sche waarheid gebruik gemaakt. Oecolampadius en Pel-
licanus hadden, gedurende zijn verblijf te Bazel, zelve nog
niet den laatsten stap gedaan, die tot eene openlijke breuk
voeren moest. De helden ge stal te van den Duitschen Her-
vormer was onzen Pool, helaas, slechts te gemoet getreden in
de straalbreking , in welke zij in de omgeving van Erasmus
«ch vertoonde. Dat was niet meer het heldere , groote licht,
gelijk ook de beroemde humanist, ten tijde van bet eerste ont-
vlammen der Reformatie, het nog zag en waardeerde; reeds
W88 de nevel opgerezen, die het aan Erasmus hoe langer
hoe meer onmogelijk maakte, om, achter de doffe, onzekere
omtrekken , de ware trekken van den leider der Hervorming
t« onderscheiden en naar waarde te schatten. De noodlot-
tige, onherstelbare breuk tusachen den leider der Hervorming
en het erkende hoofd der humaniteitsstudiën had juist plaats
gegrepen in den tijd van Laski's samenwonen met Eras-
mus. De heftige, toornige taal van den Wittenberger kwetste
ook den gastvriend , die , in zijne sympathie voor den zoo ruw
aangevallen meesier, ridderlijk partij voor hem trok, en daar-
door zich zelven de beproeving verzwaarde , om van het om-
hulsel, waardoor hij werd afgeschrikt, tot de gulden kern van
den Hervormer door te dringen. Door den vorm temgge-
stooten, was hem de toegang tot den inhoud zooveel fe
moeielijker. Hetgeen Erasmus in 'teerst, op den beschaaf-
den, bezadigden toon, van welken hij zich zoo gemakkelijk
155
en vaarclig wist te bedienen, op Luther's aanvallen ant-
woordde, dat moest behagen aan eene beschouwing, die, in
den ban van het zoogenaamde gezonde menschenverstand ,
nog nimmer eenen blik geworpen had in de huiveringwek-
kende diepte der zonde en der volkomene verdorvenheid der
menschelijke natuur, en die nog niet, aan dezen afgrond
staande, enkel om genade geroepen had, gelijk een hert
schreeuwt naar de frissche waterstroomen. Het antwoord des
meesters moest behagen aan eene beschouwing, die nog niet
den weg van eenen Paulus en eenen Augustinus gevolgd was
tot op het punt, waar zij erkent, dat wij uit genade zalig
worden, alleen door het geloof in Jezus Christus. Dat was
destijds voor onzen Xa ski nog eene verborgenheid, die met
zeven zegelen gesloten was, en de harde, meedoogenlooze taal
van den Hervormer maakte den fijn beschaafden Pool aller-
minst begeerig, om deze geheimenis te ontzegden. God leidde
hem in die dagen nog langs andere wegen, maar die uit-
liepen op hetzelfde doel.
Eene andere, verzwarende omstandigheid kwam daarbij.
Onze vriend had nog in Bazel de gelegenheid, om te be-
speuren, welk een bedenkelijk verbond de reformatorische
beweging met de revolutionaire beroering en gisting in den
boerenstand aanging, en wie stond er hem voor in, dat
niet de op godsdienstig gebied ontstane strooming op po-
litisch, ja op demagogisch gebied uitloopen zou? Immers,
het waren reeds zeer verontrustende stemmen, die zich,
bereids in 1524 en 1526, van de zijde der boeren in Opper-
Zwaben in hunne twaalf artikelen lieten hooren. Aan gene
zijde van den Rijn, in het nabijgelegene Waldshut, agiteer-
den Hubmaier en Reublin; in Klettgau bracht Münzer,
in den herfst van 1524, het boerenvolk in beweging, nadat
h\j, uit Mühlhausen verjaagd, over Neurenberg en Bazel
derwaarts getogen was. De mannen, die aan het hoofd der
oproerige volkshoopen stonden, waren, nog tot voor korten
tijd, met de Hervormers in Duitschland en in Zwitserland
bevriend geweest. Al hadden deze laatsten openlijk met hen
gebroken, hoe gemakkelijk en dienstig was desniettegen-
staande voor de vijanden Jer Hervorming de beschuldiging,
dat rleze zorgwekkende opstanden de natuurlijke vruchten der
Hervorming waren. Men moest reeds eenen ktiichtigen indruk
van het Evangolie ontvangen hebben . om met deze beschul-
diging niel in te btemmen. Voor Laski echter had zoudanige
meening iets aantrekkelijks, en hij hail zich voornamelijk in
zulke kringen bewogen, die hera in dene meening versterkten-
Met zulke indrukken verrijkt, waa onze vriend naar zijn
vaderland en in den dienst zijner Kerk teruggekeerd. Zijnen
oom kon hij waarschijnlijk spoedig overtuigen, dat de door
zijne mededingers en benijders uitgestrooide geruchten aan-
gaande zijne overhelling tot de Hervorming valsch waren.
Dat was echter voor den Aartsbisschop niet voldoende. Het-
geen de tegenstanders elkander tamelijk luid toefluisterden ,
dat moest in het openbaar wederlegd worden , en zoo eischte
hij dan van zijnen neef, dat deze. hetgeen hij hem onder
vier oogen betuigd had, in tegenwoordigheid van één zijner
meest besliste tegenstanders, nl. van den aartsbisschop van
Krakau, door eenen zuiveringseed bevestigen zou. De oor-
konde van dezen eed, door Laski eigenhandig geschreven,
wordt nog in het geheime archief te Königsberg bewaard. ')
In deze plechtige verklaring verzekert hij, dat hij met ver-
vergunning van den l'aus („ex indulto Apostolico") vele ge-
schriften ook van diegenen gelezen heeft, die de Koomsche
kerk vaarwelgezegd hebben, maar dat hij, althans willens
en wetens , geen enkele meening , geen enkele leerstelling
omhelsd heeft , die met de leer der Roomsch-Kathotieke
kerk in tegenspraak is. Mocht hij door onbedachtzaambeid
gestruikeld, mocht hij in eene dwaling vervallen zijn, gelijk
bet toch ook aan de geleerdste en heiligste mannen kon
overkomen, zoo herroept hij dit openlijk en uitdrukkelijk,
en belijdt uit eigene beweging , dat hij niet den minsten lust
gevoelt, om ooit sekten of leeriugen te volgen, die met de
éénheid der Roomscbe kerk en met hare instelUngea in
strijd zijn, en dat hij alleen datgene wil vasthouden, wat
1) Afeedrukt bij Kujp
157
door de Roomsche kerk is aangenomen en goedgekeurd. Op
gelijke wijze belooft hij aan den heiligen stoel , aan zijne
meerderen en bisschoppen in alles , wat geoorloofd en be-
tamelijk is, levenslange gehoorzaamheid. „Dat zweer ik;
zoo waarlijk helpe mij God en de heilige Evangeliën Gods.'*
Het was onzen Laski in die dagen heilige ernst met dezen
eed, die ten volle het standpunt afspiegelt, dat hij ten op-
zichte zijner kerk nog inneemt. Niets heeft in zijn oog zoo-
veel waarde, als de gemeenschap met de ééne, heilige, apos-
tolische moederkerk. Buiten haar is er geene andere. Wel
heeft zij dringende behoefte aan eene hervorming, maar als
draagster der waarheid draagt zij de genezende kracht in
zich, en zal toonen, dat zij zelve bij machte is, om de
krankheden te overwinnen en te genezen , die ook zijn vrome
blik bespeurd heeft. Waarlijk, het was allerminst vrees, om
zijne prebenden te verliezen, en in een droevig martelaar-
schap zijn geboorteland te verlaten, wat hem het woord op
de onwillige lippen gelegd heeft , en even min de achting en
de kinderlijke piëteit jegens zijnen oom. Het was zijne volle
overtuiging, die men slechts dan als eene daling, ja als
eenen val zou mogen kenschetsen , bijaldien men in staat
was, om het onwedersprekelijke bewijs te leveren, dat hij
reeds te voren , innerlijk vervreemd van de Roomsche kerk,
de hoogte des Evangelie's bereikt had. Dat bewijs is tot
dusverre niet geleverd geworden, en zal ook in het vervolg,
wanneer rijkere bronnen zullen geopend zijn, zich wel vruch-
teloos laten wachten.
Nadat op zulk eene in het oog vallende wijze al die
boosaardige verdachtmakingen tot zwijgen gebracht waren,
wijdde zich onze Laski met den opgewektsten ijver aan
zijne beroepsplichten. Krakau zou wel in staat geweest zijn,
om den jeugdigen kerkvorst te boeien, indien zijn zin op
wereldsche verstrooiing en genietingen gericht geweest was.
Hier, aan het koningshof, volgden de feesten elkander schier
zonder tusschenpoozen op. Bona, de nieuwe koningin, eene
Italiaansche vorstendochter , vol van dien levenslust, welke
158
den zutdelijlcen landaard kenmerkt, maar ook vol lust tot
looze streken en kuiperijen, hield veel van eene schitterende
hofhouding. Daarbij kwam het bei'rijvige, onrustige leven in
de residentie, gelijk de aanhoudende vrees voor zware, nood-
lottige politieke verwikkelingen zulks met zich brengt. In het
noorden stonden dreigend de Pruisen, die onwillig waren om
het Poolsche juk te dragen; in het oosten loerden de Russen,
en in het zuiden verhief de zegevierende Soliraan op angst-
wekkende wijze het hoofd. Overat , waar zijne wilde horden
doordrongen, daar was het voor tientallen van jaren met
de welvaart des volks gedaan, en Polen grensde langs eene
verre uitgestrektheid onmiddellijk aan het onklare gebied
van den dreigenden Turkschen nabuur. Feesten aan het hof
en wild krijgsrumoer waren echter niet naar den smaak van
den leerling van Erasmus. Zuchtend schrijft bij naar Bazel:
„hier slechts slagen, vreeselijke veldslagen, en anders niets." ')
Hij ontwijkt het koningshof, en wijdt zich geheel aan het
bestuur van zijne uitgebreide kerkelijke diocese.*) Maar als
eene opgejaagde ree wordt hij altijd weder met geweld daar-
van afgetrokken, en moet zijnen blik op den wilden loop dei-
politieke gebeurtenissen gericht houden. Leden van zijn ge-
slacht hebben op beslissende wijze de spaken van het wente-
lende rad aangevat; de broederliefde laat hem niet toe, het
oog te sluiten voor datgene, wat de familie zelve in hun
lijden kan doen deelen. Ook wij moeten deswege eenen blik
werpen op de gebeurtenissen op het wereldtooneel.
b) Laski'a werkza
imheid op staatkundig
ibied.
Deed de Hervorming de grondvesten der Kerk dreunen,
zoo voer gelijktijdig door het leven der staten een schok,
die eene geheele omkeering van alle bestaande toestanden
1) „Hio belU, homd> b«lU, pruUras nüiil."
2) Ata Amerbrnch meldt hy > dat hy voor eeae reié naai Baiel giarne
de ïdmiaistratie lou wUlea overgoTtm, „quim in primo huc rvditu, kulam
htgieiu, >uBGep«nm."
169
dreigde te zullen teweegbreDgen. Het Toorgeyoel van eenen
nieawen tijd doortrilt duidelijk de politiek der afzonderlgke
staten. Van de zijde Tan het Oosten scheen de beslissing
te zullen komen. In die richting , aan de grensscheiding Tan
twee werelddeelen, verhief zich, angstwekkend als een ijzer
noodlot, de ontzaglijke gestalte van Soliman den Pracht-
lievenden, die onder alle Turksche heerschers van vroeger
en later tijd de grootste en voornaamste was. Langs den van
bloed doorweekten weg , langs welken eenmaal de Vandalen ,
en in den jongsten tijd de Tataren , hunne invallen in Europa
gedaan hadden, naderde ook hij, de stoutmoedige, geweld-
dadige en door de overwinning bedwelmde Moslem , vergezeld
van scharen, talloos als een zwerm sprinkhanen, en waar
die zich ook maar voor een oogenblik hadden nedergeslagen ,
daar was vernield en vertreden, wat lange tientallen van
jaren met ingespannen vlijt hadden tot stand gebracht Op
Rhodus, het laatste bolwerk uit de tijden der Kruistochten,
wapperde de Halvemaan; in Belgrado had de Turk reeds
het Beiramfeest gevierd; in het koninklijk slot te Ofen had
Soliman overnacht, en volgens de trotsche, boenende be-
wering van zijne vizieren behoorde derhalve Hongarije aan
den Sultan, dewijl toch de plaats, waar het hoofd van den
beheerscher der geloovigen ook maar één nacht gerust had,
zijn onaantastbaar eigendom was. Het meest had Polen te
duchten, hetwelk over zulk eene lange grenslinie de naaste
buurman was van den vermetele, die aan den koning van
Hongarije eenmaal geschreven had: ,Jk heb het zóó be-
sloten, en wil van het ééne einde der wereld tot aan het
andere de grenzen mijner heerschappij uitbreiden." ^) De
bezorgdheid was te rechtmatiger, daar de andere staten, in
het onzekere verkeerend, welk eene politiek gevolgd moest
worden , en met argwaan jegens elkander vervuld , aan dezen
Yooravond van eene zoo noodlottige omkeering ook niet eens
t^n dezen erfvijand van hen allen tot een gemeenschappe-
lijk handelen konden bewogen worden*
1) Bneholti, III, 14S.
li
De koniDg van Hongarije, Lodewijk, de jeugdige neef
van den koning van Polen, had zich tot een haastig handelen
laten bewegen, en, alvorens nog alle strijdkrachten bijeenge-
trokken waren, zich aan de dreigende lawine bij de heuvelen
en in de moerassen bij Mohacz in den weg geateld. Zijne
geringe macht werd verpletterd, en de heldhaftige koning
was jammerlijk in bet moeras omgekomen. Bij al de vreeaelijke
ellende van het arme lanil, dat aan de woede van den over-
winnaar was prijsgegeven, kwam als de bitterste slag, dat
twee pretenilenten met gelijke rechten om het bezit van de
kroon strijd voerden, en het land in den broedertwist nog
dieper in den afgrond stortten. Aan de eene zijde stond
Johanoes Zapolya. de woiwode van Zevenbergen, één van
de rijkste en machtigste magnaten van Hongarije , de zwager
van den koning van Polen, — want zijne zuster was de
eerste gemalin van Sigismund geweest, — die deels op zijne
hoedanigheid als Hongaar, deels op het kiesrecht des volks ,
waarvan hij zich door eene raasche. besliste daad ten fijnen
vooideele bediend had , zijne aanspraken grondde. Tegenover
hem stond Petdinaud van Oostenrijk, de zwager van den
omgekomenen laatstvoorgaanden koning van Hongarije, die
zijne rechten deed steunen, zoowel op de oude overeenkomsten
aangaande de troonopvolging, als op de aanspraken zijner
gemalin en op den hem gunstigen uitshig der verkiezing , die
hij door zijne aanhangers had doen plaats hebben ' }. Rondom
deze beide pretendenten verzamelden zich de andere staten,
volgens de stelling der partijen, die zij bij alle politieke
vraagstukken van die dagen innamen. De beide machtigste
factoren stonden ook hier tegenover elkander. De keizer van
Daitschlund begunstigde zijnen broeder, en Frans 1 daaren-
tegen maakte er volstrekt geen geheim van dat hij voor
Zapolja partij koos. Het scherpe en juiste oog van Kaake
ontdekt ook reeds hier , in de ingewikkelde gangen der staat-
kunde, wellicht voor de eerste maal, de werking ea den
1) De nadere uileeniettiug k&u men vindea l
Lchultt, III, 178 ff.
161
inyloed der Hervorming n. Wie zou echter heden ten dage
wel willen gelooven, dat de Oostenrijksche kroonpretendent,
al was hij ook katholiek, nochtans eene gematigde houding
in acht nam , en bij zijne verkiezing tot koning van Bohemen
het verzoek van een paar Evangelische vorsten (Frederik van
Liegnitz en George van Brandenburg) heeft ingewilligd, om de
geschillen op het gebied van den godsdienst overeenkomstig
het Evangelie en het Woord Gods te beslechten?
Nevens Karel V en Frans I stond in die dagen de mach-
tige koning van Polen, Sigismund, wiens woord , wat de
vraagstukken der buitenlandsche staatkunde betreft, een niet
minder beslissend gewicht in de schaal legde, dan het hunne,
en die bij deze tegenwoordige vraag nog veel meer onmiddellijk
belang had, dan de beide andere vorsten. Elk der beide pre-
tendenten deed zijn uiterste best, om den invloedrijken koning,
die met beiden nauw verwant was , gunstig voor zich te stem-
men. De keizer van Duitschland en de koning van Frankrijk
beijverden zich op gelijke wijze, om het belangrijke 'gewicht
van Polen voor de schaal hunner staatkunde te erlangen.
Noch bij Karel V, noch bij Frans I zou de eventueele
aansluiting aan ééne der partijen zóó noodlottig voor het
eigene land geworden zijn, werwaarts de oorlog zich zoo
licht kon verplaatsen, als bij Sigismund. Hij besloot zich
onzijdig te houden, maar iedereen wist, dat hij in zijn hart
met Frans I de partij van zijnen zwager was toegedaan,
en dat het grootste en aanzienlijkste deel zijner palatijns en
bisschoppen eene gelijke gezindheid koesterde.
Om zijne neutraliteit aan den dag te leggen, werd een
streng bevel uitgevaardigd , dat geen enkele Pool zich buitens-
lands mocht begeven, opdat niet aan ééne van beide oorlog-
voerende partijen langs dien weg bijstand mocht worden
verleend 2). Hoogst onwelkom moest deswege den Koning,
1) Banke, II, 337.
2) Belangrijk, met betrekking tot de gebeurtenissen aan het Poolsche hof,
xyn de berichten van den voor Ferdinand te Erakau aanwezigen gezant Yon
Logsclian, die Bucholtz (III, 214) in voldoende uittreksels ons biedt.
Aldaar yindt men ook aangetoond, dat Sigismund het verbod, om naar het
DALTOK. 1 1
Im| de beai door tgae stutkonde opgd^de ten^wodnie. de
koeoe en agatuatiltigo stap jmM Ttn dim gmnt Tan bem
cga, wieo tn de laatstreiiooiMsi jarea de beJaagrijkste ten-
dingea aaa de meest ferechüleode boren warm toerertrotnrd
geworden, en die de opmerkzaanbeid do- regeoders tot acb
getrokken bad.
Tervrgl de gezanten des Konings te Obnntx vogeefs bsime
pogingen in bet v&k steUen, om eene vreedzame bemid-
deling tnsBcben de beide pretendenteo toot te bemden i) —
bet was m den zomer Tao 1527 — , had Hieronjrmas
a Lasco, in weervü van het onlangs mtgeiaardigde hevel,
van den Koning de vergonning ontrangen , om eene boiten-
landsche reis te ondernemen. Eene bedevaart naar Lotetto
was het geno^zaam doorzicbdge roonrendseL Op zijnen
tocht sloeg de eenigszias zonderlinge vrome pelgrim eenen
anderen weg in, en begaf zich naar Honganje, onmiddellijk
tot Jobannes Zapolya. Sigismnnd sch^'nt dan toch van
het eigenlijke doel der reis niets geweten te hebben. Hg
liet ten minste aanstonds door zijnen gezant aan het hof vao
Karel V alle medeweten beslist loochenea^). En toch be-
weerden Tomicki en zijne aanhangers, dat zij reeds lang de
bemoeiingen en de {naar hunne meeniag) Terraderlijke bedoe-
lingen der Laski's ten opzichte van het vaderland hadden
doorzien 3). Tomicki en Krzjrcki smaalden ook deswege
weder op bannen aartsbisschop, zij, die zich niet schaamden,
om zich terzelfder tijd door Zapolya — het is de eenig joiste
oitdmkking — voor geld te laten omkoopen*). Zapolya
heette den aaozienUjken Pool met blijdschap welkom. Zya stap
moest hem als de oitdmkking van de eigeuUjke gezindheid van
boiMuUiul te trcklen , tonder Uonguije te noemen , il«chta grondds op bet
dmgende geiaar raa eenea intml der Tutum.
1} Tergel. „Tomicians" , IX, 204. Eén nu ds tvee PooUcbe geiolnueh-
tigden «w Knycki, na benida luMchop tsu Floik, de loo beiJirte tegen-
■UndiT der L*iki'*.
ï) „Tomicun»", K, 150.
3) tbid., p&g. 249.
4) De gelden werden oit h«t fondi tsu bet opeugeiallen büdom tu Ve»-
priin genomen. Ycrgel. OTer dete ilechte uak „Tomicitn»" , IX, 133, ISO.
163
Polen Yoorkomen, die in elk geval, bij den snellen loop der
gebeurtenissen, spoedig aan het licht moest treden. Hiero-
nymus kon hem menig vertrouwelijk woord zijns konings
mededeelen, hem zeggen, hoe zijn oom, de machtige pri-
maat, zijnen koenen stap had goedgekeurd, en hoe er vele
edellieden in Polen waren , die op den eersten wenk zich aan
zijne zijde zouden schareü , ten einde hem krachtdadig te
ondersteunen. Van Zevenbergen spoedde zich Hieronymus,
als gezant van Zapolya^), over Zwitserland naar Parijs.
Hetgeen thans in Hongarije plaats greep scheen het plan te
bevorderen ; waaraan Frans I reeds herhaaldelijk met den
bekwamen, Poolschen diplomaat bij diens vroegere zendingen
gearbeid had. In den eenen pretendent, Ferdinand, kon de
gehate Karel V getroffen worden. Van Parijs haastte La ski
zich naar Engeland, tot Hendrik VHI, om te beproeven,
of het mogelijk was ook dezen koning voor Zapolya te
winnen. In den herfst zien wij Hieronymus weder in Hon-
garije, en wel te Coloszar, bij den aartsbisschop Frangi-
pani, den invloedrijksten aanhanger van Zapolya. Van daar
zendt hij eenen hoogst interessanten brief aan zijnen nabe-
staande, Johannes Tarnowski, den palatijn van Reuszen
en Sendomir, den beslisten partijganger voor Zapolya, bij
wien Laski zijne eigene familie in veiligheid gebracht had ^).
Het rustige verblijf in het schoone Zevenbergen , welks rijk-
dom van bodem op Laski eenen zoo gunstigen indruk maakte,
was niet van langen duur. Reeds in November spoedde hij
zich naar Venetië, om zich het bondgenootschap van den
machtigen staat te verzekeren , die in de politiek der laatste
jaren de zijde van Frankrijk tegenover den Keizer gekozen
had. Over Griekenland ondernam Laski vervolgens zijne
moeielijkste, maar ook op het luisterrijkst volbrachte zending
naar Eonstantinopel , aan het hof van S o liman, ten einde
diens hulp in te roepen. Wij schrijven niet eene geschiedenis
1) YergeL het iatereesaiite schriJTen yan Laski aan den bisBcbop van
Xameneis, ,,Tomiciana" , IX, 219.
2) De brief is algedmkt „Tomiciana'% IX, 315.
164
der staatkunde, en evenmin eene geschiedenis van het leven
van Hieronymus, en zijn uit dien hoofde vrijgesteld van de
taak, om dezen noodlottigen stap in zijne oorsprongen na te
gaan, of ook om ons best te doen, ten einde de handelwijze
van den Pool te verstaan, of om haar zelfs, zoo mogelijk, te
rechtvaardigen. Het oordeel onzer dagen zal zich, in elk geval,
kenmerkend van de beschouwing van den toenmaÜgcn tijd
onderscheiden, en ook gestrenger uitvallen i). Wij hebben
reeds gewezen op het ons onverklaarbare feit, dat tegenover
dezen aartavijand de christelijke staten niet hunne klein-
geestige twisten konden laten varen, om zich te verheffen
tot eene gemeenschappelijke, manhafte daad. Ook de andere
pretendent naar den troon van Hongarije zond eenei\ gezant
aan Solimau, doch van minder bekwaamheid en met een
minder gunstig gevolg. Hoe ook immer hel oordeel moge uit-
vallen, dezen lof kan men den koenen bode niet weigeren,
dat hij het verstaan heeft, om geheel zonder vrees, en zonder
ooit aan zijne waardigheid te kort te doen, den tegenstand van
Ibrahtm Pacha te overwinnen, en zijn oogmerk zelf, de
erkenning van zijnen pretendent door Soliman, te bereiken^}.
1) De toeumslige tijd oordeelde op dit punt veel uciiter. Miilath (III,
66) mukl opmerkzaBDi op de rede tsq daa Qrootrizinr , m welke h\} melding
mukt vaii brieT^n, die Frans I uit lijae gerangeiuchap in Spanje aan Soli-
miD gwicht heeft, in weitc hij hem smeett, om hem toch iu zijnen oood
niet te rerlaten. Ook Luther (XXXI, 102) kou, in zijne predikatie tegen
de Turken, caa het jaar 1^29, ain de ODruatnekkcode, dreigende Terseh\j-
ning van Solimaa deieu godadicnatigeu trek oulleenen: „Evenwel is de Tark
ds roede Gods en eeue bciooking over de zonde, beide der chriatmoa on der
onchrislenen of der valsaho christeaeu." Negen jaren vroeger heeft de Eer-
Tormer lelfu, in lijn geaehrift: „Oruad und ürsach aller Artikel, ao dnrch
die rOtnisthe Balie unrechtlich verdanimt wordeu", een bijlander ktpïttel
geschreven: „Tegsn de Turkeu streden is niet andera , dan zieli l^en God
versetl^n, die door de Tarkeu oiiu zonden atrati" (Luthor, XXIV, UI).
De eerlijka. Duitsche roan heeft met weenin hel pauaelijke drijven gad^e-
alsgen, dat eerat met een vroum klinkend geroep tot eenen oorlog tegen de
Turken opwekt, en rerfolgeuB de op lulk eene w^ze yerkregeue geldau voor
gelieel nndere, bijzondere bedoelingen bezigt.
2) Hieronjoiufl heeft over zijn verblijf «au meerdtrre maanden te Eonitan-
tinopel een uiterst boeiend dagboek gesohreren. Ilamraer (II, 62) kent te
recht aan de daario TOorkomnDde acbilderiog van da reden vau den Sullaa
165
Met hoogst gespannen opmerkzaamheid en met de leven-
digste belangstelling volgde onze Laski de gevaarlijke en
gewichtige zendingen van zijnen gelief koosden broeder, dien
ook hij, gelijk geheel zijn huis, ja, wij mogen wel zeggen:
gelijk geheel Polen, met ingenomenheid vóór Zap o lya partij
zag kiezen. Ook ingevolge de door Hieronymus ingeslagen
wegen, had de koning van Frankrijk, in den herfst van 1527,
Rin(on als gezant naar Krakau gezonden. De berichten
van wege het gezantschap, die Logschau naar Weenen,
aan zijnen gebieder, koning Ferdinand zond, geven ons
een aanschouwelijk beeld , zoowel van het veelbewogene leven
in Krakau, als ook van den bepaalden voorrang, in welken
de Fransche gezant zich aan het hof en bij den adel,
tegenover den Oostenrijkschen, verheugen mocht i). Ook onze
Laski was weldra met Ringon oprecht bevriend. Van ge-
boorte een Spanjaard, was hij vroegtijdig bij den koning
van Frankrijk in dienst getreden, die den begaafden en be-
kwamen man menige belangrijke zending opdroeg. Hiero-
nymus Laski kende en waardeerde zijnen ambtgenoot; de
tocht van den eerstgenoemden naar Parijs, als gemachtigde
van Zap o lya, was ook het antwoord op eene boodschap,
welke Ringon, in het begin des jaars, over Ragusa naar
Zevenbergen gebracht had. Den [6^^ September verliet de
Fransche gezant Krakau, en begaf zich, waarschijnlijk over
Hongarije ; weder huiswaarts; onze Laski deed hem tot ver
buiten de Kasimirpoort uitgeleide, en spoedde zich daarop
den volgenden dag naar Sigismund, vermoedelijk om hem
de laatste mededeelingen over te brengen^). Het onderstelde
misnoegen van den Koning tegen de Lask^i's was destijds,
naar het schijnt, reeds geweken. Ook na de afreize bleef
onze Laski in een vriendschappelijk schriftelijk verkeer met
den Franschen zendbode. Het éénige schrijven aan Ringon,
dat van hem bewaard is gebleven, getuigt van den vertrou-
aa Tan xijae vizieren eene hooge waarde toe. Uitvoeriger dan de door hem
gagerene oittrekseU, zijn die, welke men yindt bij Bucholtz (III, 225—239).
1) Uittreksels zijn te yinden bij Bucholtz, III, 214 f.
2) „Tomiciana'\ IX, 298.
weiijken omgang, dien hij met hem gehad heeft; het bewijst
tevens ook, hoe grondig onze Roomsche deken in de geheime
gangen der staatkunde is ingewijd, en hoe zeer de jeugdige
kerkTOrst, die weet, dat hij eenmaal geroepen zal zijn, om
zijn vaderland met raad en daad bij te staan, zijnen blik
ook voor de dingen der politiek gescherpt -heeft ^). Ook in
dit schrijven vinden wij eene flauwe aanduiding van de hoop,
die de Evangeliach-gezinden in Hongarije koesterden, dat zij
bij Ferdinaud eerder bescherming voor hun geloof zouden
vinden, dan bij Zapolya, die, gelijk Frankrijk en Polen,
als toevlucht en beschermer van i\e Katholieken werd aan-
gezien. Laski vermeldt, dat de inwoners van Wraklara van
Ferdinand verlangden , dat hij hen door eenen eed iu hun
Evangehsch geloof bevestigen zou. Do iloomache deken laat
nog op het woord „Evangehsch," als op eenen wreveligen
toon, volgen: „ut ipsi dicunt," d. w. z. ; „gelijk deze lieden
althans hun geloof verkiezen te noemen."
Wij houden ons niet bezig met het telkens ziob verheffende
rumoer van den krijg, die uu jareu achtereen de vruchtbare
vlakten van Hongarije met bet rijkelijk vergoten bloed der
tegen elkander strijdende stamgenooten en der Turken door-
weekte. Wij volgen ook niet Hieronymus, gelijk hij nu
eens op het noodlottige slagveld van Mohacz Zapolya aan
zijnen scbutsheer Soliman voorstelt, die met zijne wilde
horden, alles te vuur en te zwaai'd verwoestende, tot onder
de muren van Weenen doordringt; gehjk hij dan weder te
Regensburg verschynt, ten einde de aanspraken van zijnen
pretendent op den troon te doen gelden, terwijl hij met vol-
komene zelfopofTeHng zijne krachten, zijne rijke, persoonlijke
gaven, zijne eigene have en bezitting op het spel zet voor
de zaak, die hij in de overtuiging van hare rechtmatigheid
zich tot levenstaak gekozen heeft. Wij spoeden ons voort
naar den tragischen afloop, bij welken wij onzen Laskl
weder op aandoenlijke wijze voor de zaak zijns broeders zien
tusscbenbeide komen.
1) Euyper, II, H».
167
Aan niet één zijner aanhangers was Zapolya zoo warmen
dank schuldig, als aan Laski. Hij had zijnen rusteloos werk-
zamen medestander dan ook inderdaad beloond. Kesmark, in
het schoone gebied der Zips, aan den voet der Karpathen
gelegen 9 destijds echter door de furie van den krijg, meer
dan andere streken , verwoest en uitgezogen, had hij ^an
den hoogverdienstelijken Pool in leen gegeven, en aan zijnen
broeder, onzen Johannes, den bisschopszetel van Vesprim
verleend, zoolang nog zijne macht zich zóó ver uitstrekte.
Maar nu was het anders geworden. De zoon van den Doge,
Gritti, die bij den Sultan zoo veelvermogend was, en wiens
belangrijke hulp Laski eens te Konstantinopel , langs den
bij dit kreatuur alleen mogelijken weg van omkooping had ver-
worven, had, in het gevolg van Ibrahim Pacha, zich eenen
ontrustenden invloed in de Hongaarsche geschillen weten te
verschaffen. Het gerucht was in omloop, dat hij er naar
streefde , om , onder Turksche opperheerschappij , de hoogste
macht in Hongarije te verkrijgen. ') Één zijner vertrouwelingen
vermoordde Czibak, den stadhouder van Zevenbergen, op
wien de trotsche Venetiaan vertoornd was. Gritti verheugde
zich over deze wandaad, doch moest zijne vreugde weldra
met den dood bekoopen. Laski laakte den gruwzamen moord,
maar Zapolya hield zijnen ouden, getrouwen bondgenoot
voor medeplichtig, en wierp hem in eenen smadelijken kerker
te Ofen (1533). Het bericht van de gevangenschap zijns
broeders bereikte onzen Laski, 1534, in Polen. Dadelijk
maakte hij van al zijnen invloed gebruik , om den gevangene
uit zijne onrechtvaardige boeien te bevrijden. H\j schreef aan
koning Sigismund, om hem te bewegen, dat hij dezen
smaad van zijnen Poolschen onderdaan zou trachten af te
wenden; hij smeekte den senaat om zijnen bijstand, en
spoorde hem aan, niet te dulden, dat een palatijn en se-
nator van Polen zulk eene smaadheid moest verdragen.
Dringend verzocht hij, dat men een gezantschap aan den
koning van Hongarije mocht zenden. Toen hij zag , dat deze
1) Mailath, III, 81.
bede vruehteloos bleef, begaf hij zioh naar Krakau, ver-
zocht aldaar van de booge geestelijkheid aanbevelingsbrieven ,
en spoedde zich, van deze voorzien, naar Hongarije zelf.
Gedurende zijn verblijf in Hongarije hield hij zich in het
slot te Kesmark op, ééne van de dertien Duitsche steden in
het gebied der Zips, die Hieronymus in leen ontvangen
had '). Van hier uit richtte hij naar alle zijden smeekbeden
aan de machtigen , dat zij toch hunnen invloed ten gunste
van zijnen broeder mochten aanwenden. Een schrijven van
hem, onder dagteekening van IG October 1534, aan koningin
Bona van Polen is nog bewaard gebleven-). In warme be-
woordingen smeekt hij haar om hare medebutp, en wijst
daarbij op den smaad , maar ook op den nood en de ellende
der familie, die haar geheele vermogen op bet spel gezet
beeft voor de zaak van den man, die op zulk eene wijze
zijnen broeder beloont. Andere brieven werden , van Kesmark
uit, aan Frans I, aan koning Sigismund en aan anderen
verzonden.
Frans I kwam schriftelijk bij Zapoly a tusschenbeide voor
den gevangene, wiens broeder zoo trouw eens zijne gevan-
genschap gedeeld bad , en dien bij zelf als den bekwamen ,
bebendigeu en schranderen vertegenwoordiger zijner eigene
staatkunde beschouwen kon. Ook de koning van Polen schreef
1) Tydim» ecu vlut^htig beioek oau Kesmarli Leb ik iu bet araliief dier atad
vrncbtelooa gezocht nsar sporeD vbq h«t lerblijf tdq ooien Laski aldaar ge-
durende vencheideae maandeiL Het BtedoLyke arcbiet' en tneozoo het gebaime
archief Wratton nug eea paar documeutea Tau Hieron^ua, zoo ala b. r. ééa
Tsn 1535, waarin hij asn de iniroiiera Tsn Keamsrk alle htmue oude rechten,
togen BODe jaarlijkHche, in ivee termijnen te belaleu belasticg Tan 600 11.,
iTiHrborgl. De leenbeiitWr onderteekeut lïoh in du oorkonde: „Hieronjmu»
de Laaeo, Falatinaa SieradieoiÜB , Bacratiss. et christianisa. &uiciBui regia oquea
ordiaibus 3. Micbnelii, et couBiliariua , dominus iu Z^eamark et Duat^eci"
(DuoiJecE ia het );reniriviertje tuaaclien Hoogarije co Polea). Iu 1563 heeft
keiler Uaiimiliaan de weduwe Tan ilieronjmus en hare kiadereo in dit
beiit bereatigd. Jan a Lssco kon te Kcamark de ProlratBnlfttho beweging
iu volle werkiaambeid lieu. Sedert 1528 warun de priealera gehuwd; reeds
aiada de tijden der HuaaietOB l<)oadeii de BtadliewouorB hunne neiging lot
eeue he.'corming.
.iaki te
169
aan zijnen zwager, en smeekte hem om Laski te begena-
digen. In het beantwoordend schrijven aan Sigismund be-
roept Zapolya zich, tot rechtvaardiging van zijn gedrag,
ook op het woord van den Profeet: „Als de rechtvaardige
zich afkeert van zijne gerechtigheid, en onrecht doet, doende
naar alle de gruwelen, die de goddelooze doet, zoude die
leven? Alle zijne gerechtigheden ^ die hij gedaan heeft, zul-
len niet gedacht worden: in zijne overtreding, waardoor hij
overtreden heeft, en in zijne zonde, die hij gezondigd heeft,
in die zal hij sterven'' (Ezech. 18:24). Zapolya had zich
vast ingebeeld, dat de man, die ten zijnen behoeve alles,
zelfs zijn leven in de gevaarlijkste zending op het spel gezet
had, dat deze man, in verbinding met den trouweloozen
Gritti, het op zijnen ondergang had toegelegd, ja zelfs be-
reid geweest was, om hem, in geval van nood, door moord
uit den weg te ruimen i). Met Jan a Lasco was de palatijn
van Reuszen en Sendomir, Jan Tarnowski, naar Hongarije
gekomen, ten einde zich persoonlijk voor zijnen nabestaande
in de bres te stellen. Hij kon, om aan zijne voorspraak te
meer klem bij te zetten, Zapolya aan de weldaden herin-
neren , die hij hem zes jaren te voren bewezen had , toen hij
hem, den vluchteling, maanden achtereen bescherming en
steun verleend had; hij kon hem de stellige verzekering geven,
dat de gevangene, zijn bloedverwant, niet in staat was tot
datgene , waarvan hem de achterdochtige kroonpretendent be-
schuldigde.
Eindelijk zag onze Laski zijne ijverige bemoeiingen met
den gewenschten uitslag bekroond. Tegenover zulke plei-
dooien kon Zapolya niet langer doof blijven, indien hij
niet zijne voornaamste medestanders van zich vervreemden
wilde. Na vele maanden lang in den kerker te hebben ge-
smacht, werd Hieronymus uit zijne onrechtvaardige en sma-
delijke gevangenschap ontslagen. Deze heeft aan Zapolya
1) Althans de Turksche tolk Jonas Begh vermeldt, dat Soliman van
Zapolya twee brieren tot rechtTaardiging van zijne handelwijse ten opzichte
Tan Gritti ontvangen heeft, in welke brieven ook deze beschuldiging met be-
trekking tot Laski voorkomt. (Bnoholts, lY, 133.)
bet verlies van één zijner krachtigste, voorspoedigste partij-
gangers gekost; immers, met vaste, besliste band sneed de
verbitterde Poot het tafellaken door. en verbrak elke betrek-
king met den ondankbaren man, voor wien hij alles bad op-
geofferd'). Ja, in zijne verbotgenheid over den schandelijken
boon , die hem was aangedaan , en daar hem middelerwijl in
den kerker, met betrekking tot Zapolya en zijne rechten
op de kroon, de oogen waren opengegaan, bood hij, nadat
hij eenigen tijd op zijne bezitting te Kesmark in rustige afzon-
dering had doorgebracht , zijne krachten aiin (ieu tegenstander
aan , die de aangebodene hulp niet afwees.
c) Laski'a werkzaamheid op kerkelijk gebied.
Tegen zijnen wil was onze Laski ook in de verwikkelingen
van den krijg, en in al de onrust van de onstuimige woelin-
gen der partijschappen betrokken geworden. Hij zal er ver-
moedelijk dikwijls onder gezucht hebben, dat hij zich op deze
wijze jaren achtereen moest verwijderd zien van het stillere
eiland van eenzame studiën, waarnaar zijn vurig verlangen
uitging. Maar de zoo hooggaande zee der politieke gebeurte-
nissen vermocht nochtans niet, den moedigen zwemmer in
bare diepte te verzwelgen. Wij zien hem telkens bij ver-
nieuwing uit de golven opduiken, en zijn best doen om het
anker van zijn levensscheepje te laten vallen in deu vasten
grond, in welken God hem door eene bijzondere leiding zijns
levens bevestigen wilde. Wij moeten weder een paar jaren
teruggaan, ten einde hem verder op den weg zijner innerlijke
ontwikkeling te kunnen vergezellen , voor zoover de nog steeds
maar al te weinig samenhangende sporen zulk eene begelei-
ding veroorloven.
De politieke gebeurtenissen, alsook de nooden des vader-
lands, inzonderheid door de voortdurende diepgaande gistin-
1) Bncholti (IT, G3) wijst op enkele feiten, wnoruit achijat te blijkeD,
dit Luki reeds eenigeu tijd VTOegei (aedert 1530) eene Treedzune sctiiUtiog
tuMcben de beide pretendenten oBax de kroon trachtte roor te bereiden.
171
gen en de krijgsverrichtingen in de naburige staten, waren
wel bij machte , om de belangrijke godsdienstige vragen eenigs-
zins op den achtergrond te schuiven; ^) maar ook voor Polen
dreigden de genoemde vragen van zulk een brandend gewicht
te worden, dat zij noch met stilzwijgen voorbijgegaan, noch
ook gewelddadig gesmoord konden worden. Stonden zij vooral
in Duitschlaud op den voorgrond van geheel de beweging
des tijds, zoo vielen hare sombere reusachtige schaduwen
ook op Polen, dat zich als eenen zoo vasten burcht van het
Katholicisme beschouwde. Wij hebben reeds vroeger ver-
nomen, hoe ook hier het oude gebouw op verontrustende wijze
op zijne grondvesten begon te dreunen. In de laatst verloopen
jaren was men niet op eene herstelling van de bouwvallige
plekken bedacht geweest; men meende genoeg gedaan te
hebben , wanneer men zich beijverde om elk gerucht te onder-
drukken. De verscherpte maatregelen, die men nam, waren
echter van geen noemenswaardige uitwerking meer tegenover
den geest der Hervorming, die zich met onwederstaanbare
kracht zijnen weg baande. Ook de scherpste bedreigingen
bleken slechts slagen in de lucht te zijn.
Wij hebben reeds vermeld, hoe de Evangelische beweging
allereerst te Dantzig , destijds de belangrijkste havenstad van
Polen, hare zegevierende kracht openbaarde. Terwijl onze
vriend zich in het verre land op zijne studiën toelegde, had
zich de aartsbisschop van Gnesen zelf naar de geheel in
verwarring verkeerende stad begeven, maar zonder wezenlijk
gevolg. Zulk eene gisting te dempen, déértoe was de Primaat
ongeschikt, reeds daarom, dewijl hem het goede inzicht in
de zaak ontbrak. Dat getuigt duidelijk een document, waarin
hij voor den Koning zijne meening over de verdeeldheden in
Dantzig uiteenzet. ^) Ter eener zijde aanschouwt de rechts-
geleerde kerkvorst de ééne Kerk met hare leer, die sinds
1) Ook de bisschop van Breslau geeft, in een schrijyen aan den Paos, van
hei jaar 1531 (Theiner, II, 472), er zijn leedwezen over te kennen, dat
het den Koning, door den oorlog met de Torkeo, aan den noodigen tijd ont-
breekt, om aan de kerkelyke yenrarringen een einde te maken.
2) „Tomidana," YII, 387.
den tijd der Apostelen ongeschonden bewaard is gebleven ;
aan den anderen kant ziet hij meeniagen van lieden, die op
nieuwigheden belust zijn („neoterici"), wien het belieft, om
in enkele Rebruikeu en kerkelijke instellingen hun eigen hoofd
te volgen. Bij zulk eene splitsing kan in het hart des mans,
die in <le leerstellingen zijner Kerk vergrijad is, geen twijfel
opkomen, aan welke zijde het recht en de waarheid zich
bevindt.
Even luttel gevolg had ile afvaardiging van vier konink-
lijke raadsheeren. onder welke zich ook Hieronymns Laski
bevond (1525), Ook de behendigste staatkunde toont zich
overal onmachtig, wanneer het de oplossing van vragen geldt,
die, voortgevloeid uit een waar geloof, door een geweten
worden opgeworpen, dat in deu vrede des Evaugelies be-
vestigd geworden is. Dat zijn nu eenmaal stemmen uit een
rijk. dat niet van deze wereld is, en haar blijvende bescher-
mer is de heilige gestalte, die de wereld overwonnen heeft.
Waarschijnlijk als antwoord op het vertoog dezer raadsheeren
zonden de Evangelischen van Dantzig een lang en uitvoerig
verdedigingsschrift aan den Koning. Kzrycki, van wiens
scherpe en geoefende pen men zich gaarne in de raoeielijke
vragen des geloofs bediende, sedert hij door zijn smaadschrift
tegen Luther zijne sporen verdiend bad, vervaardigde het
schriftelijk antwoord , dat daai'op de bisschop van Krakau
aan de evangelische afgevaardigden van Dantzig voordroeg.
Beide documenten zijn belangrijke stemmen uit de eerste
dagen der Hen^orming; onwillekeurig noodigen zij tot eene
vergelijking uit. ' ) In het eene schrijven verneemt men de
taal van het geweten, dat zich tegen verregaande misvorming
van de goddelijke waarheid , tegen hemeltei^ende misbruiken
in de Kerk en onder hare dienaren verzet, het duidelijke,
besliste, stoutmoedige woord van eenen jonger, die, tot de
onuitputtelijke keunis van Jezus Christus doorgedrongen, van
dit vrije standpunt uit bereid is, om ook de Kerk, die hij
door het wereldsche drijven verdorven ziet, prijs te geven
1) „Tomioiïna ," VII, 358. 100,
173
en zich van haar los te maken, ten einde voortaan alleen
aan den Heiland verbonden te zijn. Bij het hooren van
deze taal gevoelt men, dat deze vrijgemaakten den bitteren
weg van een diep bewustzijn hunner zonden tot aan den
afgrond van volslagen vertwijfeling aan eigene gerechtigheid
betreden hebben, maar dat zij aan den rand van dezen
afgrond uit genade zalig geworden zijn. Het bisschoppelijk
antwoord daarentegen slaat eenen hoogen toon aan; het
is in koele bewoordingen vervat, en grondt zich op het
recht der Kerk, als het éénige lichaam van Christus, ter-
wijl het vervolgens, van de aristokratische hoogte van dit
wereldsche standpunt uit, zonder veel omslag de beschul-
digingen en bezwaren dezer geringe, ongehoorzame lieden
afwijst. Geen spoor van eenig medelijden met hunne nooden,
geen gevoel voor den angstkreet van een geweten, dat zich
over zijne zaligheid bekommerd maakt; alsof zij geen ziel-
verzorgers waren, maar slechts gerechtsdienaren van den
man, die ginds te Rome zetelde! Doch de tijd voor zulke
decreten, de dagen, in welke zij gehoorzaamheid en onder-
werping konden vinden bij hen, die de vrijheid der kinderen
Gods gesmaakt hadden, de „goede, oude tijd" was onher-
roepelijk voorbij, ook voor de priesters en bisschoppen van
Polen. Wie de noodlottige kloof wilde dempen, hij moest,
in de kracht des geloofs, met eene barmhartige hand de
zware wonden der eigene Kerk trachten te genezen.
Omstreeks den tijd van deze onderhandelingen keerde onze
Laski huiswaarts. Nog gedurende zijne afwezigheid was hij
door de zorg van zijnen oom administrator van Gnesen ge-
worden. Het schijnt, dat hij de benoeming tot deze nieuwe
waardigheid, als eene soort van welkomstgroet bij zijnen
terugkeer, in Posen gevonden heeft; althans in eenen brief,
van daar uit verzonden, voegt hij voor het eerst, en als in
zijne vreugde over dezen post, den genoemden titel aan zijne
onderteekening toe. Het komt ons voor, alsof het nieuwe
ambt aan zijne wenschen beantwoord heeft; het bood hem
de vurig gewenschte gelegenheid, om het leven en drijven
aan het luidruchtige koningshof te ontwijken, en in grootere
k.
174
afzondering voor zijn ambt te leven. Met ernst gi-eep hij in
het kerkelijke leven in. Wij hebben tot ons leedwezen niet
de minste aanduiding , in weiken zin hij aan de nu ras op
elkander volgende besluiten tegen de vermeende oproermakers
heeft deel genomen, eo of hij alle maatregelen, die van zijne
Kerk uitgingen, gebillijkt heeft. Met betrekking tot enkele
verschijnselen, van welke hij vernam, kon bij in elk geval op
overeenkomstige gebeurtenissen in Zwitserland wijzen, wier
kwade gevolgen reeds openbaar geworden waren.
De Koning weifelde nog eene korte poos, wat betreft het
nemen van strengere maatregelen, nadat bet bisschoppelijke
schrijven tegen de opstandelingen te Dantzig zonder eenige
uitwerking gebleven was. Een werkelijk vrome zin kan toch
wellicht ook zijn arm weerhouden hebben, nm in zaken des
geloofs ijlings naar bet zwaard te grijpen. Daarbij kwam de
ongunst der tijden. Overal hooggaande politieke verwarrin-
gen-, dre^ende vijanden bijkans langs geheel de breede uit-
gestrektheid van zijn grondgebied, voornamelijk in het oosten
en het zuiden, en daarbij de ernstige verwikkelingen met den
Grootmeester der Duitsche orde, die nog maar altijd niet
op bevredigende wijze beslecht waren. Iedereen gevoelde dat
een beslissende storm, in dien loodzwaar drukkenden tijd,
als het ware, in de lucht hing, en men zocht zich, zooveel
mogelijk, de handen vrij te maken, ten einde op het oogen-
blik der losbarsting met vereende kracht op het slagveld te
verschijnen. Sigismund wist, dat bij dezen aanstaanden
oorlog zijn rijk in de eerste plaats bedreigd zoude zijn; de
staatkunde moest hem ingeven, om niet nu nog, aan den
vooravond , op lichtvaardige wijze de Dantzigera al te zeer
te verbitteren, en zijnen belangrijksten sleutel tot de zee
en voor zijnen handel op bet spel te zetten. Toch mocht
hij niet dralen, met vastberadenheid te werk te gaan, toen
het aan zijne omgeving getukte, hem voor te spiegelen, dat
de laatste grond der geheele oproerige beweging, niet van
eenen godsdienstigen , maar van eenen revolutionairen aard
was, de gevaarlijke tegenkanting van het volk tegen de over-
geërfde macht des adels en der koningen. De aanval, aan
175
welken de Kerk ten doel stond, bedreigde tevens op gelijke
wijze de beide andere steunpilaren van den staat.
Te gelijk met de verkondigde vrijheid des Evangelie's was
bijkans overal in de lagere klassen des volks het thans zoo-
veel te drukkender bewustzijn van zijnen slaafschen toestand
doorgedrongen, in welken het zich aan de willekeur van zijne
heeren en machtigen zag overgegeven. Door verleiders en
door dezulken, die zich ook zelven hadden laten verleiden,
opgeruid, hadden hier en daar reeds groote scharen van
het geringe volk op gewelddadige wijze gepoogd, het on-
draaglijke juk af te schudden, hetwelk hun nu eerst recht
in zijne volle zwaarte voelbaar was geworden. In heftige
woede waren de opgehitste boeren bijna gelijktijdig in de
meest verschillende en ook in geheel afgelegen oorden in
opstand gekomen. Alles te vuur en te zwaard verwoestende
hadden zij de vaan des oproers ontplooid, en waren uitge-
trokken tegen de burchten en sloten van hunne onderdruk-
kers, als eene wilde, bloeddorstige schaar van wrekers, die
voldoening kwam vorderen voor een eeuwen heugend onrecht,
en hadden zich daarbij verstout, om tegelijkertijd aanklagers
en rechters en beulen te zijn. Hetgeen de Zwabensche boeren
gedaan hadden , dat beproefden ook hunne Samlandsche lot-
genooten. Niet in navolging van de gebeurtenissen in het
zuiden van Duitschland; ten minste het bewijs daarvoor is
nog niet geleverd geworden. De gelijke omstandigheden slechts
hebben de luchtklep geopend, en de overal rijkelijk opeen-
gehoopte dampen zijn nu met een schril gefluit uit hunnen
engen kerker ontsnapt. Wie kon echter de gevolgen bere-
kenen, wanneer de schelle toon wellicht nog dieper in de
wonden en tot de woeste moerassige laagten van Polen door-
drong, alwaar de onbeschrijfelijk ellendige Kmetonen hun
slaafsche aanzijn voortsleepten, en wanneer, gelijk niet te
betwijfelen was, die toon ook di&r eenen luiden weerklank
wekte? De brandstof lag naar waarheid rijkelijk opgesta-
peld. De adel en de geestelijkheid bespeurden het groote
gevaar, en zoo viel het hun ongetwijfeld gemakkelijk, om
ook den Koning te beduiden, dat elk toegeven op ker-
176
kelijk gebied bevorderlijk zijn zoude aan het dreigende op-
roer van den lageren atand tegen de overheid. Die voor-
stelling en de wijze , waarop men partij van haar trok ,
werd noodlottig voor de Roomsclie kerk. Wij hebben bet
als één der voornaamste bewijzen voor de goddelijke waar-
heid der Hervorming te beschouwen, dat zij met denzelfden
heiligen ernst, met welken zij zich had losgemaakt van de
humanistische studiën , die in voorname terughouding zich om
het volk niet bekreunden, nu ook met den oproerigen volks-
boop niet gemeene zaak maakte, maar alleen aan het Evan-
gelie gehoor gevende, Gode gaf wat Godes , en den Keizer
wat des Keizers is. Maar de Roomsche kerk, ook in Polen,
heeft zich zelve in den waan gebracht, dat zij in de Her-
vorming en in de boerenopstanden slechts één en denzelfden
revolutionairen geest zag heerschen, en heeft, in deze be-
goocheling berustende, den tijd harer bezoeking, in welken
zij de innerlijke schade had moeten trachten te herstellen,
ongebruikt laten voorbijgaan.
De geestelijkheid in Polen bewoog den Koning, die van
het dreigende gevaar overtuigd was, tot snelle en scherpe
maatregelen. Zij had geen tijd meer te verliezen. Hetgeen
in D.intzig was voorgevallen , dat herhaalde zich , zij 't dan
ook in zwakkeren graad , in Thorn , in Elbing , in Brauns-
berg, in Polen en in nog zoovele andere oorden, die destijds
aan de heerschappij van Polen onderworpen waren. Ja, zelfs
in Krakau en dieper landwaarts-in vertoonden zich veront-
rustende verschijnselen. Op den rijksdag te Petrikau, bij welks
sluiting eerst onze Laski huiswaarts keerde, vormden de
verwarringen op godsdienstig gebied een gewichtig onderwerp
der onstuimige beraadslaging. Reeds in de boodschap aan
de gewestelijke landdagen, in welke de Koning, onder mede-
deebng van de te behandelen zaken, genoemde lichamen
uitooodigt, om afgevaardigden naar den rijksdag te zenden,
was te kennen gegeven, dat de Koning, wel is waar, met
den hertog van Pruisen vrede gesloten had , maar dat noch-
tans het ganscbe land door de Lutherscbe ketterij in ver-
warring gebracht en verscheurd was. Ook badden reeds de
177
landlieden^ op het voetspoor der boeren in Duitschland, en
onder den dekmantel der Evangelische vrijheid, de wapenen
tegen hunne heeren opgevat, velen van hen omgebracht , en
hunne huizen in de asch gelegd. Slechts snelle maatregelen
van geweld y meende de Koning, zouden nog bij machte zijn,
onr deze wijd en zijd heerschende krankheid te onderdruk-
ken. 1) De verschrikte rijksdag gaf zijne toestemming tot
zulke maatregelen. De Koning zelf, aan het hoofd van een
groot gevolg, trok tegen Dantzig op. Aan zich zelve over-
gelaten waagde de stad niet, tegenstand te bieden; in haren
hulpeloozen staat moest zij zich voegen naar alles, wat over
haar beschikt werd. ^) De reformatorische beweging was
dientengevolge voor een paar jaren gestuit; gesmoord echter,
zoo als de spoedig gerustgestelde Polen meenden, was zij in
geenen deele.
De geest, die den laatst gehouden rijksdag te Petrikau
bezield had, deelde zich, gelijk van zelve spreekt, ook aan
de kerkvergadering mede, die de aartsbisschop van Gnesen
tegen het volgende jaar (1527) in Leczyc belegde, en aan
welke onze Laski deel nam. Als in bijzondere mate door
de pest der ketterij besmet werd met nadruk op de bis-
dommen van Breslau en van Gujavie gewezen. Men besloot,
krachtdadig te werk te gaan , zoowel tegen de openbare ket-
ters, als ook tegen hen, op wie te dezen aanzien ook maar
eenige verdenking rustte, en wel op grond van de scherpe
maatregelen, die in de vroegere vergaderingen waren vast-
gesteld. Men nam zich voor, om alle vrees bij het tenuii-
Toerleggen van die maatregelen ter zijde te stellen, alleen
God, het geloof en den heiligen godsdienst voor oogen te
hebben, en daarbij noch geld, noch arbeid te ontzien. 3)
Hier vernemen wij voor de eerste maal ook iets van eene
pogmg, om niet slechts met ruwe hand de binnendringende
ketterij te onderdrukken, maar om ook het volk te onder-
1) „Tomiciana," VIII, 9.
2) Hartknoch, S. 667, en uityoeriger ,,Tomiciaiia " TUI, 40.
3) Friese, S. 2, 47.
DALTON. * 12
richten. Mogen wij wellicht dezö wijziging van gedragslijn
aan den invloed van onzen deken toeschriJTen , die gelegen-
heid genoeg had gehad, om tot het inzien te komen, dat
uitsluitend met maatregelen van geweld de geeat zich niet
meer liet blusachen? De vergadering besloot namelijk: „Daar
nu echter ook het allernauwkeurigste onderzoek en de aller-
strengate bestraffing weinig baten zou , om deze sekte uit te
roeien , indien niet door waarlijk katholieke mannen , die
wegena hunne werken en hun voorbeeld aller achting waar-
dig, en die tevens door hunne gezonde leer tot deze taak
geschikt zijn, de rechte weide van het Woord Gods voor de
menschen ontsloten wordt, en zij geleerd worden het booze
te verwerpen, en het goede te kiezen, zoo wordt bij dezen
verordend , dat de heeren aartabiaachoppen en bisschoppen ,
voornamelijk die van Breslau ') en van Cujavië, iian hunne
hoven , alsook aan hunne metropolitaan- , kathedrau,!- on
collcgiaalkerken , hoofdzakelijk echter in die plaatsen, waar
de Luthersche sekte zich nog schijnt uit te breiden , geleer-
den , theologen en predikers van het Woord Gods moeten
aanstellen, die bekwaam zijn om het Evangelie van Christus,
de Heilige Schrift, door grondig onderricht en eene goede
voordracht aan de rechtgeloovigen bekend te maken en voor
hen te verklaren."
Wy bezitten volatrekt geen berichten, in hoeverre de bis-
schoppen , elk in bet bijzonder , in hunne diocesen den wijzen
raad hebben opgevolgd; verschillende aanduidingen geven
1) De bÏHchop VBD Breilau hid , reeda twee jiren te Toren , zijne weeklacht
OTBT de biniieiidringende kettery yóór den paueelljken atoel doen «eerklinken.
„üit het iiaburigB Mdsiea, tbu waar het monster to Wittenberg ia Toort-
gskomoQ ," — IÓ6 klaagde hij aan iljuea opperlisrder, — „heeft deie ler-
vloekte aekte ook iIJdd diaB«»e betreden, ec hetgeen men giad» in boeken
Tindt uitgeiproken , dat wordt bij hem in het Ieren verwerkelijkt" (rergel.
Theioer, IT, 431). Ook hier allljd weder aleohtB bet ggommer oter ver-
«ndering van eenige kerkelijke gebmiken, orer oalatigheid in het opbrouKen
van de tienden . oTor rerkocting van het wettige geïag der Kerk. maar geen
indringen in . immera geen b^rip Tan de dieper liggende oorxaken, ran welke
de binnendringende ongeregeldheden loch, welbeschouwd, aleclita de nood -
MkeUJke gerolgen lijn.
179
grond om te vermoeden, dat het bij de goede voornemens
gebleven is. Maar onze Laski rustte niet. Herhaaldelijk
trachtte hij den vorst der humanisten te bewegen, om aan
den koning van Polen wenken en adviezen te geven; einde-
lijk gaf de voorzichtige man aan dien aandrang. gehoor. Zijn
schrijven is met bewonderenswaardige kunst opgesteld, vol
geest, vervuld met herinneringen uit de schoone, vervlogene
wereld, die de humaniteitsstudiën tot een nieuw leven ge-
wekt hadden , innemend en waardig , en daarbij den machti-
gen koning op eene hoffelijke wijze huldigend, een welriekende
bloesem van den tijd der Renaissance, maar met al zijne
schoone woorden niet bij machte, om de diepte der wonden
te peilen en mede te werken tot hare genezing, i) Daartoe-
was Erasmus ongetwijfeld niet de man, en tragisch is de
éénige ons bekend geworden, doch gewis niet bedoelde uit-
werking van het schrijven, nl. een koninklijk geschenk in
geld aan den humanist. ^) Door nog een ander levensteeken
bewees Erasmus, in hetzelfde jaar (1527), zoowel zijne toe-
genegenheid voor de familie Laski, als ook zijnen wensch,
om door middel van den aartsbisschop des rijks opwekkend
op de Poolsche geestelijkheid te werken. Hij droeg aan den
Primaat zijne uitgave van Ambrosius op, niet slechts dewijl
op dat tijdstip juist deze kerkvader voor de uitgave gereed
lag, maar omdat de humanist tusschen den eersten prefect
der Kerk van Milaan, in dien lang vervlogen tijd, en den
tegenwoordigen primaat van Polen menigen trek van overeen-
komst bespeurde, en hij aan den aartsbisschop van Gnesen,
zijnen vromen tijdgenoot, het geestelijk beeld van den waar-
digen aartsbisschop van Milaan tot zijne bemoediging voor
de ziel wilde plaatsen. S)
1) „Tomicianft, IX, 180.
2) Br as mus, pag. 895.
3) ÊMn. de yoorrede ontleenen wij (Erasmus, pag. 1584) de daarop be-
trekkiiig hebbende plaats: ,,Quem mihi dabis, qoi pari sioceritate tractet
Mcras literasy qai caatias vitarit suspecta dogmata, qui sic abique gerat
ehriBtianuxn episcopam , qai sic spiret patema yiscera . qui summam Praesulis
aoctoritatem cum summa mansuetudine coiganzerit ? Ubiqne sentiaa illum hoo
12*
ï\
De kerkelijke omstandigheden schijnen al spoedig eenen
Terlammenden invloed op onzen La ski geoefend te hebben.
Reeds een jaar na zijnen terugkeer in het vaderland klaagt
bij zijnen geliefden Amerbach, dat op het gebied des ge-
loofs niet de minste veranderingen plaats hebben. Men heeft,
ziedaar alles , den grooten buit der monniken een weinig
verkleind. De senaat, zóó schrijft hij, heeft namelijk be-
sloten , dat geen kloostergoed onder private personen verdeeld
mag worden, maar dat het bijzondere eigendom der monniken
en der nonnen na hnnnen dood weder aan hunne nabestaan-
den vervalt. „Sic forte pauciores monachos habebimus" („Zoo
zullen wij dus wellicht wat minder monniken hebbeu"); met
dien uiti-oep zoekt de over zijne Kerk leeddragende, ernstig
gezinde deken z'nh te troosten. Het was slechts een kranke
troost. Hoe langer hoe meer begon de getrouwe zoon in te
zien, hoe de moederkerk stijfhoofdig en onverzettelijk in hare
oude sleur volhardde, en de verdrietig geworden blik werd
meer en meer gescherpt voor de gebreken dezer Kerk. Het
was in die dagen, dat onze vriend in Erakau eenen jeugdi-
gen, aankomenden priester leerde kennen, destijds nog, op
23jarigen leeftijd. Baccalaureus der hoogeschool, en gereed,
om tot voltooiing van zijne studiën eonige jaren in Padua eo
in Bologna te gaan doorbrengen. De begaafde en vrome
jongeling bad reeds de welwillende aandacht van den bisschop
van Krakau tot zich getrokken, en ook voor het scherpziend
oog van onzen Laski kon de student niet verborgen blijven,
die door zijnen ernstigen levenswandel zich zoo voordeelig
van het leven en dryven zijner studiemakkers onderscheidde.
Zeker had hy destijds niet het geringste vermoeden, dat eens
■(Bei qaod loqaitur et «dait dictiocii mo<lesta quoedim et pin jucuuditae grs'
Uque cirilitu iMque lisum eat pulchre congruere at proScÏBceretur Am-
broiius Praesul nd Praeaulem , clkria asUlibus inaignis ad uobiliiaimum , pias
«d pielstis sntintilem, erudihia ad eruditiooia eiimium patronum. vlrgo et
virginitatii prawo faoundisaimuB ad omoia pudiciliae axemplar ïucompapsbiie,
deDtque paoificator ad Kpiacopum pacis ac trauquillitntia publieae aludiosia-
limuin , cui rei dicaa Ambrüsium djriiiitus fuiue datum/'
181
nit dien jongen man, aan wien hij thans zijne vriendelijke
toegenegenheid bewees, de gevaarlijkste tegenstander van hem
zelven en van de geheele reformatorische ontwikkeling van
Polen zou groeien. Die jongeling toch was Stanislaus
Hosius. Nog na eenen menschenleeftijd herinnert Laski zijnen
wederpartijder die gesprekken, welke hij met hem te Erakau
gehad, en waarin hij niet slechts den levenswandel van vele
valsche dienaren zijner Kerk (,,pseudoëccle8iasticus") gelaakt,
maar zich ook reeds over verscheidene liarer geloofsartikelen
geërgerd heeft. Op dit punt bestond destijds tusschen Hosius
en Laski nog eene vriendschappelijke gedachtenwisseling. ^)
Zoodra Laski in zijn innerlijk leven deze paden begon te
bewandelen, en zich aan zulke inzichten overgaf, geschiedde
het van zelf, dat zij hem steeds verder deden afwijken langs
hunne, voor eenen getrouwen zoon der Roomsche kerk ge-
vaarlijke zijwegen. Hij was niet van zins, om thans in
zijnen practischen werkkring zijne ernstige studiën vaarwel
te zeggen; overeenkomstig den geheelen aanleg van zijn
gemoed moest hij , zij 't dan ook in het eerst slechts van
verre, de geweldige strooming op geestelijk gebied volgen,
die zich buiten de grenzen van Polen, in die landen liet
waarnemen, waar het Humanisme en de Hervorming oor-
spronkelijk te huis behoorden. Bijkans ongemerkt namen de
hooggaande golven hem op, die, alhoewel eerst na lange
jaren, den ernstigen man den oever der Evangelische kerk
deden bereiken. Het eerste schrijven van zijne hand, het-
welk wij in de verzameling zijner brieven bij Kuyper aan-
treffen, is gericht aan den bekenden Joh an nes Hesz in
Bredau, en gedagteekend uit Kalisch, de hoofdstad van het
palatinaat van gelijken naam, waartoe ook Gnesen behoorde.
Hesz was aan de humanisten en de hervormers in Duitsch-
land en in Zwitserland welbekend. Zijne beroemde stellingen
over het Woord Gods, over het Hoogepriesterlijk ambt van
Christus en over het Huwelijk, uit het jaar 1524, ademen
1) Zóó yersta ik den zia: ,,nec raro meoum sermones saas ea de re mifce-
Ut." Kayper, I, 396.
182
eenen fristichen reformatorischen geest ; zij drongen tot Jiep
in Frankrijk door, en Lefèvre betuigt aan Farel, in een
boeiend schrijven uit Meaux , zijne warme instemming met
huren infaoud. >) Het schijnt bijkans alsof Laski, gedurende
zijn verblijf te Bazel, niets ïan dezen Neurenberger vemo.nen
heeft, voor wien Polen tot een tweede vaderland geworden
was ; maar in Polen zelf sprak men , in de vrijzinnige krin-
gen , veel over deu beroemden Breslauschen doctor. Zoo
wendde zich ook onze Laski tot ham, allereerst bezield door
den wensch, om met den friaschen, opgewekten man in
aanraking te komen,") doch vervolgens ook, ten einde door
middel vau hem de nieuwste zaken van de boekenmarkt te
verkrijgen. Voor den Gnesenschen deken schijnen de scherpe
verbodsbepalingen bolreffemle deu invoer van Luthersche ge-
schriften niet bestaan te hebben. De „Hyperaspistes" van
Erasmus tegen Luther heeft hij destijds reeds gelezen; hij
weuscht alle geschriften te ontvangen . die sedert de uitgave
van het genoemde werk, hetzij door Krasmus, hetzij door
Luther in het Hebt gezonden zijn. De „Hyperaspistes" was
juist in die dagen verschenen, in welke onze Laski van
Venetië vertrokken was; in dat geschrift is de verwijdering
tusschen het hoofd der Hervorming en den vorst der huma^
nisten tot eene volslagene en onherstelbare breuk geworden.
Erasmus, die zich anders in zijne taal door eene zoo
groote beschaafdheid en eene voorname kalmtfi onderscheidt,
spreekt hier op zulk eenen bitteren en vergramden toon ,
dat hij, reeds wat den vorm betreft, door het vaarwel-
zeggen van zijne gewone gematigdheid, in welke zijne sterkte
berustte, zich zelven gevoelig blootgaf. Ook ten opzichte
van den inhoud staat, tegenover de diepste eo geheimzin-
nigste levensvraag, betreffende de vrijheid of de onvrijheid
van den menschelijken wil, de Humanist op een lager stand-
1) Men ïiiidt deii brief voor de eerst* maal gedrukt bij Hei
I, 219, ea uil het eind ook de Theees.
2) Zwingli aohildert hem, in eea schriJTen wn Vadianua,
lersiu Moe et Blsoer" (Zwingli, YII, 342).
183
I
pnnt, dan de Hervormer. Aan den eenen kant de Humanist,
die zijne wapenen aan de kerkleer ontleent, maar het is toch.
meer Pelagius, dan wel Augustinus, die aan het woord
komt; aan den anderen kant de monnik en held, die den
renzeustrijd tegen Rome aanvaard heeft, en zijn schild en
zwaard is alleen het Woord van God. Calvijn heeft in latere
dagen de onvrijheid van den menscheüjken wil nauwelijks met
zulk eenen nadruk op den voorgrond geplaatst, als dit door
Lathor in zijn strijdschrift geschiedt. Vele en ook ernstig
gezinde geloovigen zullen den manhaften held niet in al zijne,
Boms uiterst koene gevolgtrekkingen vermogen te volgen, en
het was voor Erasmus vrij gemakkelijk, om in een scherp,
meedoogenloos vertoog den bijval van diegenen tegen den
Hervormer te verwerven, wier zoogenaamd gezond menschen-
verstand liever met eene oppervlakkige machtspreuk over die
ernstige, moeielijke vragen heen loopt, dan ook slechts eene
poging te doen, om over hare diepte te peinzen, laat staan
dan aan hare oplossing te denken. Dorner heeft ontegen-
zeggelijk gelijk, wanneer hij over dezen strijd aldus oor-
deelt: „Enismus maakt den mensch in den beginne rijker
dan Luther, maar hoe ver is toch ten slott« Luther's begrip
der vrijheid boven dat van Erasmua verheven, bij wien het
hoogste en beste van baar opgaat in de vrijheid om te kiezen,
en die dus bijgevolg eene eeuwige mogelijkheid van het vallen
moet leeren, en de volmaking eeuwig onzeker maakt. Het
vrijheids begnp van Luther voert tot de Godegel ijkvormi ge
reëele vrijheid uit genade: te haren opzichte zon het niet
»\% eene meerdere voortreffelijkheid , maar slechts als eene
onvolkomen beid kunnen beschouwd worden, nog in het kiezen
en weifelen gewikkeld te zijn. Ook hier, gelijk in de Chris-
tologie, is 't bet doel der volkomen te verwerkelijken idee,
wat Luther het zuiverst heeft opgevat, al is hij er dan ook
minder in geslaagd , om de tusschentiggende trappen , die
tot dat doel voeren, en de factoren, die daartoe behooren,
volledig en juist te schetsen. Het vrijheidsbegrip van Eras-
mus, met zijne eeuwige, dubbele mogelijkheid en met de on-
zekerheid aangaande het heil, kan hem niet beaydenswaardig
IS-
ïoorkomen, en als een verlies kan hij het niet beschouwen,
wanneer de menscli, door de macht eener van God geschon-
kene lieftle, gelijk God krachtens zijne vrije oorspronkelijke
liefde, eens niet meer anders vermag, dan het goede te
willen." ^)
Behalve het tweede deel van het vermelde geschrift, dat
in het volgende jaar verschenen was, had Hesz, ter vol-
doening aan bet tot hem gerichte verzoek, nog verscheidene
andere werken aan onzen Laski te zenden, want met hoogst
gespannen opmerkzaamheid volgde men in de humanistische
en reformatorische kringen den loop van den bealissenden
strijd tusschen de beide aanvoerders, eo uit de beide tegen-
overgestelde legerplaatsen verhief zich nu de eene, dan de
andere stem. De levensbeschrijver van Erasmus wijst op een
paar losse uitingen van dezulken, die door de verklaringen
van Lutber zich van eene aansluiting aan de Hervorming
lieten afschrikken; 3) de definitieve uitslag echter doet ons
zien, dat niet Luther, maar de Humanist in het nauw ge-
bracht is, welke laatste zich spijtig van Bazel naar Freiburg
teiTiggetrokken , en alzoo het strijdperk verlaten heeft.
Hadden wij slechts eene getuigenis van onzen Laski aan-
gaande de uitwerking, die deze strijd in die jaren op hem
gehad heeft ! Maar geen enkele klank uit zijnen mond dringt
tot ons door, Slechts dit ééne heeft ons getroffen, dat in
de betrekkingen tasseben Krasmus en Laski reeds vóór
het jaar 1530 een Uchte verkoeling moet zijn ontstaan. Eene
lange scheiding doet immers ook zoo menige briefwisseling
van lieverlede verkwynen, In het schi'iftehjk' verkeer tusschen
den meester en zijnen leerling, dat aanvankelijk met zoo
veel ijver en warmte onderhouden werd, ontstaan steeds
grootere tusschenpoozen. Dat is echter niet zoozeer het be-
vreemdende ; van nog meer beteekenis achten wij het , dat
1) Doraer, 8. 209. Feugèrs (p. 271) valt ale Katholiek de Toontelling
Tsn deieii Duitachen. Frolmtaat, eieueeos als die van Stichart (B. 36S) ,
die zich op haar beroepen heelt, aan, maar, lOo als het ooi roorkomt, met
niet onbetwistbare groadeu,
2) Feugère.p. 2:3.
185
ErasmuS) in zijne talrijke brieven naar Polen, zijnen voor-
maligen , zoo hartelijk vereerden contubemaal steeds zeld-
zamer van zijnentwege laat groeten; ja, in den wel wat groot-
sprekendeu brief van den bejaarden Erasmus uit zijn toe-
vluchtsoord Freiburg, van het jaar 1530, in welken hij van
zijne vrienden en bekenden in Polen gewaagt, is van La ski
hoegenaamd geene sprake. ^) Was het soms het politieke
standpunt der Laski's, als aanhangers van Zapolya, dat
den angstvalligen man, met het oog op den Keizer, het
zwijgen oplegde, of had de godsdienstige denkwijze wellicht
eene spanning teweeggebracht?
Een ander vluchtig bericht nog verschaft ons de mogelijk-
heid, om onzen Laski bij zijne eenzame studiën te bespie-
den. Hij had zijnen vriend Amerbach verzocht, hem de
Lucubratiën van Sadoletus toe te zenden^) (1527). Wij
dwalen wel niet, wanneer wij ons Laski in die dagen op
het standpunt van den rechtschapenen, schranderen en be-
kwamen bisschop van Garpentras in het graafschap Avignon
voorstellen. Sadoletus, die reeds in zijne jonge jaren, ten
tijde dat Laski als knaap met zijnen oom te Rome vertoefde,
te gelijk met Petrus Bembus tot geheimschrijver van Leo X
was benoemd geworden, had zich, zonder rechtstreeks aan
den strijd tusschen Luther en Erasmus deel te nemen,
in de belangrijke vraag op een onzijdig standpunt tusschen
de beide strijdenden trachten te handhaven. Hij kende aan
de goddelijke genade eene ruimere plaats toe dan Er as mus,
verklaarde zich zelfs vóór de leer van de rechtvaardigmaking
alléén door het geloof, ^) en stond met mannen der Her-
vorming, als Bucerus, Sturm en Melanchthon in eene
briefwisseling, die van wederzijdsche hoogachting getuigde.
Hij bleef aan zijne Kerk getrouw , en zocht zijn kerspel van
alle aanraking met het Protestantisme te zuiveren, maar tot
eene vervolging van de Protestanten wilde hij zich niet laten
1) Erasmus, pag. 1383.
2) Gabbema, pag. 7.
3) Herzog, XIII, 299.
i;.
bewegen; vee! liever wenschte hij do handen aan het werk
te slaan , om aan grove gebreken in de moederkerk op
liefderijke en zachtmoedige wijze een einde te maken. Wij
kunnen ons nochtans voorstellen, dat zijne geschriften bij
gelijkgestemde gemoederen in zekeren zin ala eene brug dien-
den, om tot een geestelijk verkeer met de mannen en de
leer der Hervorming te leiden, hoe beslist ook de Bisschop
tegen zulk eene werking zijne stem zou verheven hebben.
Betrad onze Laski wellicht deze brug, toen hij zijnen vriend
in Bazel om de toezending van die boeken verzocht?
d) De scheiding van Kerk en Vaderland.
Zoo snelden de jaren voor onzen Laski in het vaderland
voorbij. Onstuimig, wat het uitwendige betreft, wanneer het
lot der zijnen hem opriep, om aan de wereldgebeurtenissen
deel te nemen. Onstuimig echter ook in zijn gemoed, dewijl
hij innerlijk deel nam aan den strijd der geesten in zijnen
tjjd, en dewijl zijne ziel de vragen doorleefde, die de Her-
vorming opwierp met een kracht en nadruk, die van een
vroom hart antwoord en ook oplossing vorderde. Smartelijk
viel het hem bovendien, bij den blik op zijne vaderlandscha
Kerk te moeten bemerken , hoe hare dienaren zonder het
noodige inzicht, onverschillig voortleefden, bereid om met'
poHtiemaatregeleo iedere vrijere beweging te keer te gaan,
maar zonder eenigen lust, om aan het eigene leven met
ernstig berouw de genezing van de duidelijk zichtbare wonden
der Kerk te beginnen.
Te midden van deze beweging overkwam hem eene zware
beproeving. De laatste levensjaren van zijnen oom waren
veelszins beneveld. De vijandige stemming van zijne invloed-
rijke en vast aaneengesloten te werk gaande tegenstanders
had hij meer dan ééns op grievende wijze moeten onder-
vinden. Hij zag de verontrustende schaduw, die de Her-
vorming ook over de grenzen van zijn geestelijk gebied deed
vallen, doch wist de onzekere omtrekken niet meer te ver-
klaren, en had slechts een voorgevoel van het groote gevaar,
187
dat de aan zijne leiding toevertroawde Kerk van de zijde
dier beweging bedreigde. Meer nog ging de grijsaard gebukt
onder den loop der gebeurtenissen in Hongarije. Zijn hart
was met zijnen neef de partij van Zapolya toegedaan , en
met den gloed eener Poolsche vaderlandsliefde heeft hij, tot
ondersteuning van den zwager zijns konings, ook zijne woor-
den en zijne middelen de richting van zijn hait laten volgen.
Ook een bitter verlies aan aardsch goed kon de oude man
zich getroosten; smartelijker was het hem echter , als hij
zagy hoe ook deze zijne houding ten opzichte van Zapolya,
die hij nauwelijks behoefde te verhelen, en in welke hij zich
bewust was , met de aanzienlijkste Polen in overeenstemming
te zijn, door zijne nimmer rustende tegenstanders gebezigd
werd, om hem in Rome verdacht te maken. Hunne moeite
schijnt niet vergeefs geweest te zijn. Men zegt, dat paus
Clemens VU den Aartsbisschop en zijne familie in den ban
gedaan heeft. De kardinaal van Ancona zal den „Legatus
natus" naar Rome gedagvaard hebben, om zich aldaar te
verantwoorden, en wel in zulke buitensporig heftige bewoor-
dingen, dat hij in zijnen indagingsbrief Laski zal hebben
beschreven als „slechts wat den naam betreft een aartsbis-
schop, maar in waarheid een aartsduivel, op gelijken trap
staande met Dathan, Korach, Abiram en Judas.*' Ja, terwijl
het schrijven den neef Hieronymus als eenen tweeden He-
rostratus brandmerkte, zal de kardinaal niet teruggedeinsd
zijn voor de beschuldiging, dat de Primaat uit de opbrengst
van vervreemde kerkelijke goederen wapenen had laten ver-
vaardigen, die aan de Turken in Hongarije waren gezonden
geworden.
De schandelijke oorkonde zelve heb ik nergens kunnen
vinden O» ^t^ betwijfel haar bestaan om vele gewichtige rede-
nen. Maar dat, in het algemeen, zulk een gerucht zich zeer
1) Het laaUt nog heeft W al e w ski de geflohiedcnis als een historisch feit
opgedischt (vergel. ,3ibliotheca ." 1872, p. 360); in hot door den niet te
yeriroawen geleerde aangehaalde 8ste deel der „Tomiciana" heh ik de oorkonde
niet gevonden.
vroeg aan den naam yan Laski heeft kunnen vastliechten ,
spiegelt de gezimlheul der tegenstanders af, die hij zelf nug
maar al te zeer moest ondervinden , en die zijnen laten
levensavond verduisterde. In Februari 1530 heeft hij nog de
kroning van den lOjarigen zoon zijns konings voltrokken ,
later ook nog eene synode te Petrikau gehouden, v/olk een
en ander hij niet zou hebben kunnen doen, indien hij zich
onder den ban hevonden had. Den ]9den Mei 1531 ont-
sliep hij, in den ouderdom van 75 jaren, in zijn slot te
Kaliach.
Slechts onze Johannes schijnt bij het sterven van den
Aartsbisschop tegenwoordig geweest te zijn. Stanialaus was
reeds in 1527 uit Frankrijk naar Polen teruggekeerd; zijne
levensomstandigheden echter hielden hem meestal van zijnen
oom verwijderd. Hieronymiis bevond zich in Hongarije;
op het bericht van den dood zijns ooms spoedde hij zich
naar het vaderland. Tegen het einde van Juni kwamen de
broeders in Krakau bijeen, om een soort van familieraad
te houden. Het testament van den oom was door dezen tot
weinige dagen vóór zijn einde voortgezet geworden; het kwam
er op aan , om de zeer nauwkeurige bepalingen , die ons ook
eenen uiterst boeienden blik in de kostbare huishouding van
eenen Poolschen aartsbisschop der Ifi'^^ eeuw vergunnen, ten
uitvoer te brengen, en te gelijk ook hij deze gelegenheid het
vaderlijke vermogen te regelen en te verdeelen, Johannes
had reeds een paar jaren te voren , onmiddellijk na den dood
zijns vaders, vrijwillig ten gunste zijner broeders van zijn deel
van het erfgoed afstand gedaan. Hieronymus, als de oudste,
kreeg het familieslot te Laak, de jongste broeder een paar
andere goederen, onder welke de stad Stiykon met alle om-
liggende landerijen en dorpen het belangrijkste was. Lang
konden de broeders niet bijeenblijven, Hieronymus begal
zich van Ki-akau rechtstreeks naar Linz , ten einde me
Sigismund v. Herberstein, den afgezant van Ferdinand
over de plannen tot achadelooastelliBg en ruiling voor Jo-
hannes Zapolya te onderhandelen. Deze onderhandeling»
gevoegd bij al de aandoeningen van zijn gemoed in de laatst
j
189
^erloopen maanden , werkten zoo nadeelig op Laski, dat
hij y nauwelijks naar Zevenbergen teruggekeerd , in eene zware
krankheid verviel, die zijn leven in gevaar bracht, en hem
gedurende zeven weken aan het leger der smart gekluisterd
hield. De arme man! En terwijl hij nog rouw droeg over
het verlies van zijnen oom, werden hem in korten tijd een
zoon en eene dochter door den dood ontrukt, en uit het
schrijven, dat ons uit dien tijd is bewaard gebleven, is niet
te bespeuren, dat één zijner broeders hem heeft kunnen
verplegen, i)
Inzonderheid voor onzen Johannes had het overlijden
van den Aartsbisschop de gewichtigste gevolgen. Door zijnen
dood was hem de invloedrijkste steun bij zijn opklimmen
langs de hooge ladder van kerkelijke waardigheden benomen.
Nog kort vóór zijn verscheiden had de welwillende oom hem
de aanstelling tot proost van Gnesen en Leczyc bezorgd.
Thans echter stond hij daar als neef en erfgenaam van den
naam van den gestorven primaat, en daardoor ook gedeelte-
lijk als erfgenaam van de vijandige gezindheid, die van zoo
vele zijden tegen den overledene gekoesterd geworden was.
Hem kon men nu zonder gevaar den wrevel laten gevoelen,
dat hij zoo langen tijd het geliefkoosde voorwerp van de al
te vaderlijke voorzorg van den machtigen primaat geweest
was. Wij vernemen niet, dat zulk eene storing in zijne snelle
bevordering hem in dezen zijnen verlaten toestand tot mis-
moedigheid gestemd heeft; zijne ernstige gezindheid wees
hem op eene andere en hoogere roeping, en bij het opvolgen
van deze laatste kon hem de wangunst zijner benijders niet
deren. Reeds lang ontleende zijne smart over de Kerk haar
voedsel aan gansch andere en diepere bronnen, dan aan het
armzalige lachen eener niet bevredigde eerzucht I Het heen-
gaan van den eerwaardigen grijsaard echter had den band
ontsnoerd, met welken eene innige, kinderlijke piëteit den
1) Bncholts, ,,ürkiiiidenbuch /' S. 48. Doch er is eene onoplosbare
tegenstrijdigheid tusschen de datums, die men yindt opgegeven 8. 48 (Wjsko,
31 October 1531) en S. 49 (Weenen, 2 November 1531).
a
□eef aan zijnen oom met diens tronwe, vaderlgke liefde, den
deken aan zijnen asrtebisscbop rerhecbtte: hij koa nu onbe-
lemmerder de richting zijner gedachten volgen, die bem steeds
dieper in het Woord Gods deden doordringen, en bem daar-
door steeds verder van de leerstellingen zijner Kerk ver-
wijderden.
Snel kwam de verandering niet tot stand. Om Laski's
wille verblijden wij ons, dat er nog een paar jaren verstreken
zijn , alvorens hij zich geheel van de Kerk losmaakte , want
daardoor vervalt van zelve het vervrijt, hetwelk zijne tegen-
standers bem voor de voeten geworpen hebben, alsof hij
toch, als een soort van heimelijk afvalhge, sinds zijn verblijf
te Bazel huichelachtig de gemeenschap met de Roomscbe kerk
onderhouden heeft, zoo lang hem de hooge waardigheid van
zijnen oom bet uitzicht geschonken had , om eenmaal door
opvolging eenen gelijken hoogen rang te verkrijgen. Niet bet
verijdeld worden van deze hem toegedichte hoop dreef hem
aan, om mismoedig de schepen achter zich te verbranden.
Hij streed nog den reuzenatrijd , ten einde in zijne moeder-
kerk te kunnen blijven; hij streed dien oprecht en ernstig,
met het pijnlijke gevoel, dat het tevens een strijd om zijn
vaderland , zijn dierbaar Polen , was , doch ook steeds meer
met het voorgevoel, met het ontwakende bewustzijn, dat de
geheimzinnige, nachtelijke gestalte, die met hem worstelde,
de Heer zelf was, en van dat oogenblik aan met den bid-
deuden wensch: „Heer, ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij
zegent!" Toen hij daarop als de gezegende des Heeren den
dageraad mocht zien rijzen, slaakte hij geen enkelen klaag-
toon , dat hem , en wel op zulk eene wijze , zijne heup was
verwrikt geworden.
De dood van den Aartsbisschop bracht voor den jongen
proost van Gnesen allereerst eene reeks van officieele werk-
zaamheden met zich, nog voordat zijne huishoudelijke aan-
gelegenheden met zijne broeders in orde gebracht waren.
Door het domkapittel van Gnesen werd hij aan den bisschop
Yan Cujavië, Matthias Drzewicki, afgevaardigd, om hem
zijne verkiezing tot aartsbisschop te metdeu. ') Hij maakte
van de gelegenheid gebruik, om met dezen opvolger de noo-
dige overeenkomsten te treffen , ten einde die inkomsten nit
het aartsbisdom, welke aan de erfgenamen van den Primaat
vervielen, volgens de bepalingen van het testament te regelen.
Deze schikkingen zullen waarschijnlijk nog al eenige moeite
gekost hebben. De bisachop van Cujavïë behoorde tot de
tegenstanders van den overleden primaat. Het vertoog , ^)
door de hoofden der tegenpartij eenige jaren te voren (1527)
aan konin^^in Bona gericht, waarin zij haar om hare onder-
steuning tegen Laski verzocht hadden, vinden wij ook door
Drzewicki onderteekend. De moeielijke onderhandelingen
werden echter op vreedzame wijze ten einde gebracht. Het
schijnt, over het geheel, dat de nieuwe aartsbisschop zijnen
langjarigen wrok niet op den neef overbracht, en dat diens
bekwaamheid, ook nadat zijn meer dan vaderlijke beschermer
ten grave gedaald was , zich wist te doen erkennen en waar-
deeren. Nog bijkans zeven jaren na den dood van zijnen oom
werd hem de betrekking van aartsdiaken van Warschau
opgedragen (21 Maart 1538). ^) Nog kort vóór zijnen dood
had Laski bij den Koning weten te bewerken, dat het
patronaat over dezen hoogen post aan de aartsbisschoppen
van Gnesen verleend werd , en zulks tot groote ergernis
van koningin Bona, die beloofde, er voor te zullen zorgen,
dat h^ tijdens baar leven geen enkele van zijne praktijken
meer bij den Koning zou doorzetten. *) Zoo greep de sluwe
koningin met vrouwelijke hand in de kerkelijke vraagstukken,
zoo kwam er aan het hof geen einde aan het intrigeeren van
ijverzuchtige prelaten, en dit alles, terwijl reeds in het rond
de vlammen der Hervorming hoog opflikkerden, en het er
bovenal op zou zijn aangekomen, om alle huiselijke verdeeld-
heden ter zijde te stellen, en zich van de vereende kracht
I) De paoumke bekrachtiging tbq deze kcuie kan meu i
n, 478.
!) Tergel. Zetisberg. B. bS&.
i) ,^aU capit. QDesu. et Poid. Lib. inataU., I, 49.
4) Zeisaberg, 8. SS9.
Diltm bij Thei
tegen den van dag tot dag sterker wordenden tegenstander
te bedienen! De waardigheid van aartsdiaken van Warschau,
die de oom ongetwijfeld ann zijnen neef had toegedacht, als
hij het patronaat verkreeg, was tie laatste onderscheiding,
die de Roomsthe kerk aan dezen haren begaafden , maar
reeds half afvalligen zoon liet ten deel vallen.
Wij dwalen wel niet, wanneer wij, bij de zoo uiterst spaar-
zame mededeelingen juist uit dien beslissenden tijd, aannemen,
dat onze vriend zich reeds met éénen voet buiten de tent
zijner moederkerk bevond. Bereids in 1536 bad zich het
gerucht verspreid, alaof Laski bet vaderland verlaten, en
zich naar Wittenberg zou begeven hebben, ten emde zich
bij Lutber en Melanchthon aan te sluiten. Het gerucht
bleek valscb te zijn, maar toont nochtans, waarop men tegen-
over hem reeds destijds in Krakau, van waar die tijding her-
komstig was, meende te moeien verdacht zijn. Een boeiend
schrijven is ons bewaard gebleven , dat nader over dit ge-
rucht handelt. ') De brief, door eenen zekeren Andreas Fr,
aan Laski gericht, — door welke verkorting, gelijk ik ver-
moed, de ook op letterkundig gebied bekend geworden, in
het vervolg tot de Evangelische kerk behoorende Pool en
staatsman Andreas Fricius Modrzewski wordt aange-
duid,*) dien wij later nog een paar malen zullen ontmoeten, —
houdt bet door Sbigneus te Krakau medegedeelde gerucht
voor geenszins onwaarschijnlijk , en drukt ook niet de minste
verwondering er over uit. Wij kunnen daaruit opmaken, hoe
de verandering, die bij Laski bad plaats gegrepen, naar de
meenjng zijner vrienden reeds tot genoegzame rijpheid gekomen
was, om te mogen verwachten, dat hij weldra openlijk voor
haar zou uitkomen. Reeds destijds bad zich in Krakau een
kleine kring van gelijk gezinde naturen gevormd, — aan het
slot van ons verhaal zullen wij om den toegang in dien kring
verzoeken , — die bittere klachten — de brief zelf is een
I) aabbenia, psg. 19.
Z) Zie, met betrekking tot
p«g. «1.
aotcekeaiDgen bij Weagierski,
J
193
bewijs daarvoor — over den treurigen toestand van Staat
en Kerk aanhieven, en die met de voortgangen der Her-
vorming en met hare leidslieden in nauwe betrekking ston-
den. Wel was, omstreeks een jaar te voren, door een zeer
streng koninklijk bevelschrift verboden geworden om Witten-
berg te bezoeken i); doch daaruit, dat zulk eene verorde-
ning noodzakelijk geworden was, kan men opmaken, welk
eene groote menigte van Poolsche studenten zich reeds naar
den hoofdzetel der ketterij begeven had. Zoo als de men-
schelijke toestanden nu eenmaal zijn , weten wij , dat ook
de strengste bevelschriften van dien aard slechts weinig
baten, gelijk zij ook in dien tijd slechts weinig hebben
uitgewerkt.
Modrzewski schildert in zijnen brief op uitvoerige wijze
de dagen der Wittenbergsche Concordia (21 — 29 Mei 1536).
Hetgeen gedurende deze week Bucerus en zijne Opperduit-
schers met Lu the r verhandeld hadden, was geheel naar
den smaak van onzen lateren Laski, en het is als eene
schoone voorspelling, wat het gerucht beweerde, dat hij nl.
juist in die dagen aireede in Wittenberg geweest was. Eene
zoo verzoenlijke hand heeft de Duitsche Hervormer aan de
lieden van Straatsburg, Augsburg en de andere Opper-
duitsche steden nimmer toegestoken, als op dien 23»^i^ Mei,
toen hij in „eene hoog bezielde, blijmoedige en vriendelijke
1) Vergel. Kautz (pag. 18), en aldaar oit het aan Peter Kmita gegevene
berel de volgende kenmerkende plaats: „quod attinet ad eos, qui apud Lu-
themm ve\ quoscunque alios factionum istarum principes vitam degunt, iis
omnino aditum ad quas vis dignitates et magistratus praecludemus in posterum.
Qui autera post publicatum hoc edictum nostrum vel sua voluntate vel jussu
snomm amicorum ad istos ipsos sectaram novarum anctores, ut eorum dog-
mata imbibant, proficiscerentur , eos vel extorres esse jubemus vel severius e
consiliariorum nostrorum sententia castigabimus , ne illis quidem parcendo,
qui ipsis auctores ejus rei fuerint." — Acht jaren later intusschen heeft
Sigismund deze Draconische wet verzacht, en aan zijne onderdanen het reizen
naar het buitenland weder toegestaan. Beeds in 1539 bericht de bisschop
van Chelm aan den Apostoliscben nuntius in Duitschland, Moroni, dat het
koninklijke bevelschrift betreffende het bezoeken van Wittenberg weinig gebaat
heeft. Zijne gronden voor deze bewering zijn niet geheel hoven allen twijfel
verheven. (Vergel. T hein er, II, 527.)
DALTOV. 13
194
stemming, wier gkns hem uit de oogen straalde en op z^n
gelaat lag verspreid."') niet twisten wUde met de lieden,
die niet konden toegeven, dat de goddeloozea in het heilig
Avondmaal het lichaam des Heeren genieten. Het verschil
tneschen de onderscheidene gevoelens was innerlijk niet over-
wonnen, maar met terzijdestelling daarvan kon in die ééne ure
Lutber aan de anderen de broederband reiken. Veel vrijere
meeningen betreffende het Avondmaal, dan die bier werden
toegelaten, had Laski reeds twaalf jaren vroeger van Ërasmas
Tornomen, alboe-vel slechts in een gesprek, bij gelegenheid
van een symposion met eene kleine, uitgelezene schaar; uit
de wiJM van voorstelling bij Modrzewski blijkt duidelijk,
dat aan onzon Laski de ontwikkeÜDg der Avondmaalsleer
sinds die dagen niet vreemd is gebleven.
Niüt rceda in \n3ü verbrak Laski de gemeenschap met
de moederkerk. ^} Twee jaren later, kort nadat hij aartsdiaken
van Warschau geworden was, verliet hij, voor ons oog plot-
seling, zijn vaderland, en wel met het bepaalde voornemen,
om zich zoodoende te gelijk van de Roomsche kerk af te
scheiden. Maar die ernstige schrede deed hij niet heimelijk ,
als oen vluchteling. Zijne aanzienlijke positie, zoowel in
het maatschappelijk, nis in het kerkelijk leven, had hem
vaak in persoonlijke aanraking met den Koning gebracht ,
en Sigiamund bleef, tot bet laatste toe, den ernstigen en
zoo uituemenden man zeer genegen. Een bewijs daarvan
ie de roeping van Laski tot het aartsdiakenschap, nog
in 1538; ja, daarbij sluit zich de verdere, schitterende onder-
scheiding aan, dat do Koning hem nog in hetzelfde jaar den
vacanten bisschopszetel van Cujavië aanbood. Het feit kan
1) KOBtliii, II, 34a.
2) In weerwil van de Btellige verklarïDg van UtciihoTu ({"'S. 234: „Pom>
JuBniiea a Linco l£i5G tauduni in patriim mvocalur, uude vigiiiti VDplitu
■UQoa uomiao religioois apoule aua jam eiuUrerat") bctw'yfel ik de juiath^d
dor tijd«bepalinK, daar Laoki oouiogulijk nog twee jiuir nadat hij ap eeoe zoo
iu het oog loopüude wijw de vaderlandBclio Kerk ïerlntcii liad, Wl archidia-
IWUII8 vau Warscdiau luu hehben kuuuun beoodud wurden. Wij mogea in
die doguu dersülijke tijdubi-paliagHii Diiit loud er uaan keurig otidenoek aaunenieii.
195
toch onmogelijk geloochend worden; de vriend, die twee en
twintig jaren later de lijkrede over hem hield, bevestigt het
luide in tegenwoordigheid van hen , die tegen het gesprokene
zouden hebben kunnen opkomen.^) Nauwelijks was Laski
van het voornemen des Konings verwittigd geworden, of hij
begaf zich tot hem, en zette onbewimpeld de gronden voor
hem uiteen , die hem noodzaakten , om zulk eene gunst eer-
biedig van de hand te wijzen. Eergierigheid prikkelde hem
niet, althans gewis nu niet meer; aan den vooravond van
zijnen overgang kon hem ook do bisschoppelijke waardigheid
niet meer weerhouden; het kruis van Christus en de smaad
en vervolging, aan welke een prediker des Evangelie's was
blootgesteld, kwamen hem begeerlijker voor. Het strekt ook
den Koning tot eer , dat hij zulk eene openhartige verklaring
wist te waardeeren, en alle zijne strenge maatregelen vergat
en voorbijzag tegenover den adel eener gezindheid, die
aan de armoede om Christus' wil de voorkeur gaf boven
het weelderige leven eens bisschops. De Koning wist, dat
hij niet vele zulke mannen in zijn land had. Hij verbood
den buitengewonen man de reis naar het buitenland niet,
ja, hij voorzag Laski goedgunstig van aanbevelingsbrieven
aan vreemde vorsten. Tot aan zijn uiteinde kon Sigismund
den man niet vergeten. 2)
Voorzeker zal onzen vriend het afscheid moeielijk gevallen
1) Statorius, pag. 6: „Ipse Johanncs a Lasco... iustar magni illius
iBraelitarum ducis probrum Ghristi fcrre maluit quam adoptivus Pharaonis
filiae guaturt appellari. Gum enim sibi a screnissimo rcgc Sigismnndo Cuja-
yenscm cpiscopatum iraditum audivissct , ipsc principem adiit et ciir id munua
•Qscipere non possct, palam ostondit, quo sapicntissimus illc rcx non modo
non est oiTeiiüiiH, «ed et ultro commcndatias litteras ei ad omncs principcH
concessit."
2) Laski zelf sclirijft dit aan den zoon des Konings: ,yAbii ex mea patria
et scicntc et olementer id mihi permittente divo olim Majcstatis tuac patre,
id quod tuae ctiam majestati incognitum non esso puto, qui me ubi jam in
Frisia considissem, honorifice etiam, pro Begia sua in me dementia, in
patriam nirsus iiteris suis revoeabat, egoque illius majestati pariturus cram,
si id fidei meae professio ministeriique mei in Frisia suscepti ratio passa
fuioset" (Euypcr, II, 30).
13*
196
zijn , toen hij aan de grena van zijn land , eer hij Duitschland
betrad, het laatst vaarwel aan zijnen geboortegrond toeriep,
en nog eenmaal eenen blik achterwaarts wierp op het vader-
land, dat hij met al den vurigen gloed van eenen Pool be-
minde, en van hetwelk bij zich thans losrukte, om het wellicht
nimmer weder te zien. Nog ééne schrede, en de beslissende
teerling is gevallen. Die schrede doet hij, gehoorzaam aan
de goddelijke stem in zijn hart, die hij reeds spoedig als
Gods genade dankbaar roemt. Zij hoeft hem, gelijk eer-
tijds den Vader der geloovigen, bevolen om uit zijn land,
en uit zijne maagschap, en uit zijns vaders huis te gaan
naar een hem nog onbekend vergelegen land , waarvan hij
slechts wist, dat het ''t land zijn zoude, hetwelk zijn God
hem wijzen wilde. God heeft toch van velen in dien heldentijd
der Hervorming dat zelfde, zware offer geëiscbt, en de schaar
der bannelingen in Genêve, in Zürich en in zoo menig ander
gastvrij brandpunt der Hervorming, die tehuis in eenen aan-
zienlijken stand hunne dagen aangenaam hadden doorgebracht,
en die nu het schamele brood der vreem delingschap aten,
strekt ten bewijze , dat zij gaarne , ter wille van het
heilige kleinood huns geloofs , dat offer brachten , en ook
hunnen Heer daarvoor prezen. Maar onder die blinkende
beldengestalten zijn er toch niet velen, die uit zoo machtig
verleidelijke omarmingen zich op het bevel van hunnen Heer
moesten losrukken, als onze Pool, dien wij ginds aan de
grens van zijn vaderland genaderd zien. Nog lang verneemt
men in zijne brieven de herinnering aan hetgeen hij destijds heeft
moeten prijsgeven, doch het is niet de weemoedige klaagtoon
van eenen banneling, die den ontweken geboortegrond vurig
verlangt weder te zien, maar veelmeer de juichtoon van hem,
die door zulk een offer tot de vrijheid der kinderen Gods is
doorgedrongen. Zoo beschrijft bij, zes jaren later, in eenen brief
aan zijnen geloofsgenoot BuUinger, dien tijd met de vol-
gende schoone woorden: „In het kort, om ook u de weldaad
en goedheid van Christus den Heer te mijnen opzichte bekend
te maken, ik was voorheen een hooggeëerd Farizeër, met
vele titels en waardigheden versierd, met vele en rijke pre-
197
benden van kindsbeen af overladen; maar nu, nadat ik dit
alles uit vrije beweging door de genade Gods achtergelaten ,
nadat ik mijn vaderland en mijne vrienden vaarwelgezegd heb ,
dewijl ik zag, dat ik in hun midden niet overeenkomstig de
dure roeping eens christens kon leven, nu ben ik in den
vreemde slechts een arme knecht van mijnen armen , voor mij
gekruisigden Heer Christus, sedert kort alhier (in Friesland)
dienaar der Kerk, om te verkondigen de leer des Evangelie's,
naar den wil Desgenen, die mij naar zijne barmhartigheid
uit de strikken der Farizeërs tot zijne kudde geroepen heeft" ^)
Aan eenen anderen Zwitserschen vriend meldt hij, omstreeks
deuzelfden tijd, den beslissenden stap met deze woorden:
„Op jammerlijke wijze had ik al mijnen tijd zoekgebracht
in velerlei beslommeringen, in de onrust van het krijgsrumoer
en van het hofleven. Maar do goede God heeft mij weder
aan mij zelven teruggegeven, en mij midden uit het Farizeïsme
op wonderbare wijze tot de ware kennis van zijn wezen ge-
roepen, — Hem zij de lof in eeuwigheid! Amen. Na alzoo
door Gods genade aan mij zelven te zijn wedergegeven, waag
ik het, de Kerk van Christus, die ik in mijn Farizeërschap
uit onwetendheid liaatte, naar mijn geringe vermogen te
dienen, en ik bid God, dat het Hem in zijne barmhar-
tigheid behage, mijn onaanzienlijk penningske nevens de
schitterende gaven van anderen, gelijk eenmaal het pen-
ningske der weduwe in het Evangelie, niet te versmaden,
maar het goedgunstig tot den opbouw van zijne Kerk te
doen dienen.*' ^)
Zoo heeft ook onze vriend, gelijk alle zijne voorgangers,
gelijk ook alle zijne navolgers op die zelfde moeielijke
baan, die zij in den naam van God betraden, nimmer
eenig leedwezen, eenig gevoel van smart over zulk eene
leiding zijns Heeren ondervonden. Integendeel, hij, gelijk
al de overige helden, hebben de waarheid mogen ervaren
1) Kayper, II, 569.
2) Ibid. , p. 583.
van bet woord liuns Meesters [Matth. 19:29]: „Zoo wie
zal verlaten hebben huizen , of broeders of zusters , of
vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijns
naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige
leven beëi-ven."
II.
^o^anne^ a ^Sa^co
afö 'PHoUsiani
in Puifscptanb en ingefanb.
7.
De omzwerving in den Vreemde.
Het was in 't jaar 1538, waarschijnlijk tegen het einde
van den zomer, dat Johannes a Lasco de grens van zijn
geboorteland overschreed, eu den Duitschen bodem betrad.
Het was niet slechts een vaarwelzeggen van het vaderland
en een trekken naar een vreemd gebied, maar veelmeer
nog een verlaten van de oude Kerk, een losmaken van do
innigste banden des bloeds, en een richten van zijne schre-
den naar een blauw verschiet, werwaarts met sterken en
onwederstaanbaren aandrang de stem van God hem riep ,
die hem het nog onbekende land zijner woning zal toonen.
Onze pelgrim , ginds aan de grens van zijn geboortegrond ,
bevond zich in de volle kracht van zijnen mannelijken leef-
tijd; weldra heeft hij zijn veertigste jaar achter den rug,
een schoone, welgevormde zoon zijns vaderlands, met een
hoog voorhoofd, met heldere, groote oogen, met een scherp
geteekenden neus, rondom den gesloten mond de vaste uit-
drukking van een ongebogen, sterken wil, geheel zijne krach-
tige verschijning vol adel, eene belangwekkende, ernstige
mannelijke gestalte. Zij, die hem in die moeielijke dagen
voor 't eerst gezien hebben , bewonderen in zijne mannelijke
verschijning de ernstige waardigheid, die op zijn gelaat lag
verspreid , verbonden met eenen trek van beminnelijke vrien-
delijkheid, ja, de geheele verhevenheid van zijn voorkomen,
dat hem aanstonds als eenen held deed kennen. ^)
1) Gerdes, UI, 83.
202
Het oog zijns geestes vond het lantl der Hervorming merk-
baar veranderd sedert de <lagen, die nu echter ook reeds
twaalf jaren achter hem lagen, toen hij ginds, op het aan-
grenzend gebied en van uit het stille vertrek bij Ërasmus,
de hooggaande beweging opmerkzaam had gadegeslagen.
Toenmaals was de geheele beweging nog in volle gisting,
en slechts het eerste bobbelende schuim lag voor de
poort van den grooten humanist te Bazel. Erasmus had
zijnen beslissenden kamp met Luther juist aangevangen;
den huisgenoot van den eerstgenoemden , die in die dagen
algemeen als het hoofd der humanisten erkend werd, kon
het nog twijfelachtig voorkomen, of de zoo duchtig er op
inbouwende Hervormer aan het eind als overwinnaar uit den
strijd zou wederkeeren, — en van de overwinning was het
bestaan der Kerk afhankelijk. De geest der Hervorming,
die zich met de kracht van een stormwind verhief, en
die, uit het gemoed voortgekomen, nu ook de geheele
ziel des volks in haren dicpsten grond aangreep, had ook
andere krachten , die reeds zeer lang opeengehoopt waren ,
ontboeid. Deze baanden zich onstuimig eenen weg, en vor-
derden onverbiddelijk vrijmaking, ook van de Hervorming, en
toch lag hare bron op verren afstand, op een ander ge-
bied. Het was nog zeer onzeker, hoedanig de uitslag zijn
zoude, en of het aan de Hervorming zou gelukken, om aan
de verschillende vreemdsooiidge eischen wederstand te bieden,
en de onstuimige strijdgenooten van zich af te scheiden, die
vermetel en radicaal ook den bodem van het Evangelie ver-
lieten, en hun eigen spoor vervolgden.
De toestanden waren in den tusschentijd wezenlijk helder^
der geworden. Duidelijk en beslist was uit de worsteling van
tegenstrijdige elementen de scherp geteekende gestalte der
Gereformeerde kerk, gelijk zij toenmaals heette, te voor-
schijn getreden. Men las in hare trekken den heeten strijd,
in welken zij zich haar recht bevochten had, en te gelijk
ook de heilige, blijmoedige geestdrift, die elke strijd om het
Evangelie den belijder inboezemt. De jeugdige kerk der Her-
vorming, in haar hooggestemd gevoel en bewustzijn van dit
203
haar goddelijk recht, kon nu rustiger de behaalde overwinning
zichten nutte maken. In den Retscher te Spiers heeft zij, in 1529,
tegen het besluit van den rijksdag hare protestatie ingebracht,
en hare aanhangers waren nu Protestanten geworden, tegen-
partij voorzeker, maar ook partij, gelijk in rang met de
tegenover haar staande Roomsche kerk. Een jaar later over-
handigde reeds de jeugdige heldin, op de rijksvergadering
te Augsburg, aan Keizer en rijk hare confessie, in welke zij
nog een weinig al te zeer op de overeenstemming met de
oude moederkerk den nadruk legde, en liever de verschillen
nog niet scherp deed uitkomen , die toch reeds duidelijk aan
den dag traden. Maar deze handelwijze was wellicht de ver-
standigste ; de tegenstander voelde zich niet genoopt om zijne
pen, gelijk eenige heethoofden wenschten, in bloed te doopen;
zijne erbarmelijke wederlegging met inkt verhoogde slechts
den moed der jonge heldin. Weder een jaar later 'zien wij
de protesteerende Stenden in het Smalkaldische verbond zich
tot onderlinge bescherming en verdediging enger aaneen-
sluiten; het waren manhafte en bekwame vorsten, die dit
Verbond tot zijne hoofden verkoos. De Keizer en zijne lieden
hadden voortaan met dezen bond te rekenen; uit den godsdienst-
vrede te Neurenberg, in 1532, blijkt, dat Kar el V inderdaad
tot zulk een rekenen met genoemden bond besloot. Beide partijen
beloofden plechtig, den vrede te zullen bewaren, totdat een
eerstdaags zamen te roepen concilie over deze geheele aan-
gelegenheid eene beslissing zou genomen hebben. De prote-
stantsche Stenden waren in die dagen reeds zóó machtig
geworden, dat zij, naar het oordeel der kundigsten, den
Keizer, die van meer dan ééne zijde in het nauw gebracht
was , nog veel belangrijker concessiën zouden hebben kunnen
afdwingen. De innig godsdienstige karaktertrek der Duitsche
Hervorming wederhield hen meerendeels , om* zich de meer
voordeelige politieke stelling te verwerven.
Maar de geweldige bewegingen op staatkundig gebied, die
alle landen van Europa als in eenen maalstroom dreigden
mede te slepen , bevorderden op onverwachte wijze het duur-
zaam bestaan der naar Gods Woord hervormde kerk.
Reeds eenmaal ytouden wij aan de plek, waai' deze maal-
atroom zijne geweldigste golven opwierp. Op de uitgestrekte,
vruchtbare vlakten van Hongarije scheen het eeu oogenblik,
alsof het lot van Europa voor eeuwen beslist moest worden,
en wel in den hloedigen strijd der beide pretendenten naar
de kroon van dat land, een strijd, die aan de eene zijde
den zegevierenden Soliman met zijue bloeddorstige horden
tot onder de muren van Weenen deed doordringen, en die aan
deu anderen kant de tegen elkander vijandige staatkunde
van Karel V en van Frans I, en van hen, die zich in het
wisselvallige krijgsgeluk rondom hen schaarden, tot een be-
slissend keerpunt scheen te zullen brengen. Keizer Karel
mocht bij deu ernstigen strijd aan de Duitsche protestantsclie
Steuden geen aanleiding geven, om zich zijnen vijanden in de
ai'men te werpen, en moest uit dien Jioofde aim hunne zijde
zeer veel door du vingers zien, wat hij gewis onder andere
omstandigheden te vuur en te zwaard zou heblien onderdrukt.
Koning Frans, zelf katholiek, en niet voornemens om de evan-
geUsche beweging in zijn rijk in 't minst te bevorderen, dong
naar de gunst, en in den diepsten grond der zaak naar het
bondgenootschap der Proteatantsche vorsten. Dit laatste ont-
ging hem, wel is waar, doch liet voordeel van deze politieke
strooming kwam aan de Protestanten in die jaren ten goede.
Voor het Protestantisme , wat zijue staatkundige positie
betreft, waren de gebeurteoiasen op het wereldtooneel in
dit vierde decennium slechts bevorderlijk geweest. Datgene
wat het belette , om de volle vrucht van zijnen arbeid te ver-
krijgen, kwam in zijn eigen midden op eene wijze aan den
dag, die voor de geheele toekomst onheilspellend moest
heeten. De samenkomst te Marburg had duidelijk de ver-
schillende geestesrichting van de beide hoofden der beweging,
Luther en Zwingli, op een beslissend punt in het licht
gesteld ; de schaduwen dezer beide gestalten legerden zich
van nu voortaan op de scharen, die hunne leiding volgden,
eo gaven haar verschillende omtrekken. Het recht, om hunne
persoonlijke overtuiging te hebben laten gelden, wordt aan
geen van deze beide mannen betwist; de grootste en harte-
205
lijkste gympaihie echter koesteren wij voor de handelwijze van
dien leider^ die, met terzijJestelling van het onbeslecbte ge-
schilpunt, aan den Duitschen Hervormer de broederband
reikt, en die met tranen zien moest, dat zij geweigerd wordt.
Hoe onuitsprekelijk veel leed heeft sinds dien dag de Evan-
gelische kerk getroffen, die in die afgewezene hand de ver-
deeldheid in baar eigen binnenste zag overgebracht. „Gijlieden
hebt eenen anderen geest , dan wij !" Dat noodlottige , betreu-
renswaardige woord werd tot een soort van parool, hetwelk de
strijdgenooten in twee legers verdeelde, tusschen welke ver-
volgens de gemeenschappelijke tegenstander op de behendigste
wijze zijne gevaarlijkste wigge indreef. Wel gevoelde men,
zoowel aan de eene, als aan de andere zijde de behoefte,
om de nog nauwelijks merkbare scheur eerder aan te vullen,
dan te verbreeden, ten einde niet zelve door eigene twee-
dracht de Roomsche kerk in de hand te werken. Bij de
steden in Opper-Duitschland en in de Zwitsersche gewesten
was die behoefte het levendigst; bij de anderen bleef de neiging
zich openbaren, om zich voor de vermenging met dien ge-
waanden anderen geest te wachten. Maar ook Lu t her erkende
de noodzakelijkheid eener toenadering, en overwon voor eenen
tijd zijne bedenkingen tegen iedere aanraking met de Sacra-
mentisten. Bucerus, die onvermoeid werkzaam was, om
eene verzoening tot stand te brengen, vond in Wittenberg
aan Melanchthon eenen wezenlijken steun bij zijne edele
pogingen. Luther zag zwijgend toe, en liet aan de zaak
haren vrijen loop, ja — wij hebben daarvan reeds gespro-
ken, — men meende, dat Laski zich reeds in Duitschland be-
vond op dien belangrijken dag, die voor een oogenblik in het
leven scheen geroepen te hebben, wat dan later de ijverigste
levenstaak van onzen vriend geworden was. Den 298*en Mei
1536 werd in de Wittenbergsche Concordie eene soort van
Unie tot stand gebracht, en ook mede door Luther onder-
teekend. Welk eene vreugde heeft deze stap, alsmede de
brieven van Luther, die zich voorts daarbij aansloten,
in Zwitserland en in geheel Opper-Duitschland teweegge-
bracht! Zürich zond, in den zomer van 1538, eenen
gouvernementsbode , in de Ziirichsche kleureu en met de
Zürichscbe eereteekenen , uaar Wittenberg, met een schrijven
van den edelen BuUiuger, hetwelk met deze schoone woor-
den eindigt: „God, onze heraelsche Vader, die de Heer is
der legerscharen , de Vader aller barmhartigheid en aller ver-
troosting, ontsteke in ons wederzijds door zijnen Heiligen
Geest het vuur zijner goddelijke liefde, opdat wij het christe-
lijke werk dezer Coneordie tot heiliging en eer van zijnen
heiligen naam , alsook tot zaligheid veler zielen , ten spijt van
den Satan en van de wereld, mitsgaders van alle hunne
factiën, door de genade Gods gelukkig mogen in staud bou-
Omstreeks dezen tijd betrad Laski bet geboorteland der
Hervorming. Alsof in de leiding zijns levens God dat oogen-
blik had afgewacht, waarin de persoonlijkheid op bet tooneel
der handeling verschijnen moest, die in haren geheelen aanleg
bet uitverkoren werktuig scheen te zijn, om op den grond-
slag dezer Coneordie aan het gebouw der Hervorming verder
te ai'beiden! Maar Gods wegen zijn toch niet onze wegen.
De vreemdeling, die aan Polen en aan de Roomsche kerk
den rug heeft toegewend, werd eerst langs verre omwegen
tot zijnen arbeid geleid.
Laski richtte zijne schreden niet allereerst naar Wittenberg,
alwaar hij , volgens het vermoeden van zijnen vriend , reeds
twee jaren te voren zou hebben vertoefd. Het schijnt, dat bij
den grooten Hervormer opzettelijk ontweken is, hetzij, dat
hij de herinnering aan het beeld van Lutber, dat hij zich
voorheen in de omgeving van Erasmus gevormd had, nog
niet geheel te boven gekomen was, hetzij, dat bij aan zijnen
koning, die het hoog aanzienlijke landskind had laten trek-
ken, beloofd bad, om den onmiddellijken omgang met dezen
meest gevreesden ketter te vermijden. Maar ook wat de Her-
vormers op de andere linie betreft, vermeed hij nog in het
eerst hunne persoonlijke ontmoeting. In Zwitserland zou hij
spoedig de oude betrekkingen weder hebben kunnen aan-
207
knoopen. De onversaagde Zwingli was, wel is waar, reeds
op het bloedige slagveld als een dappere Zwitser gevallen,
en ook Oecolampadius, de wakkere Hervormer in Bazel,
was door zijnen Heer en Meester reeds uit de strijdende
Kerk in de triomfeerende opgeroepen. Maar Pel lic anus
stond daar nog trouw en onwankelbaar op zijnen post aan
den Rijn, en Bazel, waaraan onze vriend zich in vroeger dagen
zoozeer gehecht had, als een student aan zijne muzenstad,
had zonder veel strijd, met bedaarden, gelijkmatigen tred
het pad der Hervorming ingeslagen, terwijl in Zürich Bul-
linger arbeidde, die in latere jaren, als een geestverwant
van Laski, zoo innig met dezen verbonden was. Verder in
het zuiden, aan de bekoorlijke oevers van het meer van
Genève , werkte met onvermoeiden ijver en in de kracht van
eenen profeet des Ouden Testaments F ar el, dien onze Pool
voorheen in Bazel als vluchteling had leeren kennen , nevens
hem echter ook reeds zijn leermeester Cal v ij n, beide helden
kort te voren uit Genève verdreven, omdat zij te groot en
te streng waren voor het volk, dat aldaar in uiterlijke ver-
makelijkheden zijn leven genieten wilde, beiden met helden-
moed vervuld, want zij hadden hun lot in den trouwen dienst
van hunnen Heer ondervonden. Met dezelfde onverbiddelijke
gestrengheid, met denzelfden vurigen ijver der liefde stond
Farel reeds weder aan den anderen oever van het meer,
en spande onophoudelijk zijne krachten in, om den wandel
der christenen in Neuenburg [Neuch&tel] Gode te heiligen.
Calvijn was verder getrokken; te Straatsburg had hij eenen
kansel gevonden, om het Evangelie te verkondigen. Welk
eenen machtigen indruk zou hij op den vluchteling uit Polen
hebben moeten maken! En nog zoo menige andere aanzien-
lijke gestalte zou ginds, in de schoone Duitsche rijksstad,
onzen Laski in die dagen geboeid hebben, gelijkgezinde
naturen, die wel spoedig aan zijn denken en trachten haar
bijzonder merk zouden hebben ingedrukt, niet zeer ver-
schillend van den eigenen stempel, dien hij in de toekomst
vertoonen zou.
Wij kennen, helaas , de beweeggronden niet, die onzen
208
vriend bewogen hebben, om eenen anderen weg in te slaan.
Op den eersten aanblik komt die weg ous voor als een
spel des toevals, als het tergend uit den koers geslagen
worden van een schipbreukeling; bij een dieper doordringen
echter erkunnen wij de leiding des Heeren, die het lot der
menscheu bestiert als waterbeken. Allereerst zien wij de
gestalte van onzen zwerver in Frankfort aan de Main te
voorschijn komen, ongeveer omstreeks den tijd, waarin, tegen
het einde van den herfst, uit de meest verwijderde plaatsen
de boekdrukkers met hunnen voorraad van nieuwe boeken
in de reeds toenmaals zoo belangrijke koopstad op de mis
plachten bijeen te komen. Ook uit Krakau , uit Thorn , uit
Posen en uit Breslau trokken de lieden naar de Main,
meestal in engere aaneensluiting, ten einde zich zelven en
hunne waren op de onveilige heii-banen gemakkelijker te
kunnen verdedigen. Laski nam zijnen intrek in het huis
van een zekereu Hadrianus, die een boekhandelaar op den
Lieve- Vrouwenberg moet geweest zijn, en die ook nog in
latere jaren inkoopen van boeken voor hem bewerkstelligde ,
en zich ook met andere commisaiea voor hem belastte, een
Nederlander van afkomst, die echter Frankforter burger ge-
worden was '), Wellicht had juist de boekenmis den Pool
bewogen, om zich naar de stad aan de Main te begeven.
Want immers niet juist ieder nieuw verschijnsel op het ge-
bied van de literatuur der Hervorming had door de scherp
bewaakte versperring aan de vaderlandsche grenzen heen
kunnen dringen, en zulk eene mis bood de gunstigste gele-
genheid aan , om de eene of andere tehuis verbodene en
ontbeerde vrucht te genieten, en zich met den tegenwoor-
digen stand der geestelijke dingen vertrouwd te maken. Of,
gu met welke aanzienlijke persoonlijkheden der stad Laski
bij dit zijn eerste verl)lijf te Frankfort in aanraking kwam,
dienaangaande bieden ons de goed geordende archieven der
stad volstrekt geen uitsluitsel, üe vrije rijksstad met hare
krachtige zouen, die door een levendig onafhankelijkheids-
1) „Rdtgiaoilisadluiigen ,"
leilage, S. 50.
209
gevoel bezield waren, had zich, wat de meerderheid harer
inwoners betreft, aan de Hervorming aangesloten, destijds
nog met eene sterke voorliefde voor de richting, die van
Zwingli en van de steden in Opper-Duitschland uitging.
Binnen de muren der stad leerde hij eenen vreemdeling ken-
nen, en sloot met hem een innig vriendschapsverbond, dat
in zeker opzicht voor geheel zijn volgend leven beslissend
werd. Op reis naar Italië was Albert Hardenberg uit de
Nederlandeu door eene hardnekkige koorts aan het ziekbed
gekluisterd geworden. Mogelijk lag hij wel krank in dezelfde
herberg , waar onze vriend zich bevond. Ongeveer een tiental
jaren jonger dan La ski, en in een niet al te verren graad
met paus Adriaan verwant, had Hardenberg zich reeds
als knaap in het beroemde fraterhuis te Groningen begeven,
dat aan den edelen, hoogbegaafden Johannes Wessel zijn
ontstaan en aanzien te danken had. Toen hij tot een ernstig
jongeling was opgegroeid^ verwisselde hij het vrome fraterhuis
met het nabijgelegen klooster der Bernardijnen te Aduard,
dat in die dagen insgelijks in hoog aanzien stond. Zijn leer-
meester, Gosuinus van Halen, had hem wellicht den raad
gegeven, om zich in dit klooster te vestigen, waar mannen
als Rudolf Agricola, Johannes Wessel e. a. eenmaal
gearbeid hadden, en aangaande hetwelk hij zelf verklaard
heeft: .,Als gij vroeger in Friesland een geleerde gezocht
hadt, dan zoudt gij hem in Aduard, of anders nergens ge-
vonden hebben."^) Toen hij twintig jaren oud was, begaf
zich Hardenberg, in de witte monnikspij met het zwarte
scapulier der Bernardijnen gehuld^ naar Leuven, ten einde
.den . achtjarigen cursus in de theologie tot aan het bacca-
laureaat te doorloopen. Wegens zijne meer vrijzinnige denk-
beelden was hij bij de strenggeloovige professoren in dis-
krediet geraakt, en had het plan gevormd, om ten tijde van
de herfstmis, in 1Ö38, over Frankrijk naar Italië te reizen.
Zijne hardnekkige krankheid deed hem van voornemen ver-
anderen. In plaats van naar Italië begaf hij zich naar
1) Spiegel, S. 11.
DALTON. 14
210
Mainz, ten einde aan de hoogeschool aldaar de doctorale
waardigheid te verwerven. Zijn nieuwe vriend vergezelde hem
naar de niet ver verwijderde stad, die in die dagen, hoofd-
zakelijk door den glans harer universiteit, den bijnaam van
„het gulden Mainz" verkregen had.
Juist destijds waren woelige dagen voor Mainz aangebro-
ken. Na eene afwezendheid van verscheidene jaren had ein*
delijk keurvorst Albrecht van Mainz voor den steeds onstui-
miger aandrang moeten zwichten , en was van Halle uit
naar zijne bisschopsstad teruggekeerd. Van Februari tot Juni
1539^) hield hij zijn verblijf in Mainz, niet als een geestelijk
herder, die bovenal voor het zielenheil der hem toevertrouwde
kudde zorg draagt, maar veeleer als eén wereldlijk vorst, in
wiens aderen het bloetl van het geslacht Hohenzollem bruist,
ijverig zich bezig houdende met huurlingen te werven, en
hen zoo spoedig mogelijk voor den krijgsdienst te dresseeren.
Is de meermalen voorkomende opgave juist, dat nl. Laski
door zijnen Koning bij zijne reis van aanbevelingsbrieven is
voorzien geworden, dan was daaronder gewis óók een schrij-
ven aan des Konings bloedverwant, den Keurvorst en Kar-
dinaal, in wiens hand, meer dan ééns, het toekomstig lot
van Duitschland zou hebben berust, indien de zedelijke ernst,
de godsdienstige diepte van zijn karakter in evenredigheid
geweest ware met zijne macht. Omstreeks dien tijd kon de
wereldschgezinde kerkvorst onzen Laski, indien hij al met
hem persoonlijk in aanraking gekomen is, niet meer tot weg-
w\jzer strekken. Vijf en twintig jaar vroeger zou het mis-
schien anders geweest zijn. Dat. was nog de schoone tijd ,
toen de van ijver voor de wetenschap blakende en kunst-
lievende vorst met Hutten bevriend was, en met oprechten
eerbied aan den koninklijken geest van E ras mus zijne innige
hulde bewees. Destijds was de hooggeplaatste kerkvorst bezield
door den vurigen wensch, om zijne hoogeschool te Mainz in
eene modelschool voor de humaniteitsstudiën te herscheppen ,
en te gelijk ook, geheel in den geest van den groeten Duit-
1} May, II, 331.
211
schen humanist, eenen reformatorischen invloed op de Kerk
uit te oefenen. Het Humanisme betoonde zich, ook onder zijne
machtige handen, buiten staat, om zulk een groot werk te
volvoeren. Ook aan dezen zijnen bezielden jonger ontbrak
daartoe de zedelijke, heilige ernst, die den mensch bekom-
merd doet zijn over de zaligheid zijner eigene ziel; ook hij
moest zijn voornemen zien mislukken, omdat hij vergat, dat
het heiligdom niet door geleerde of huifianitaire, maar slechts
door heilige handen gereinigd kan worden. De praalzieke
keurvorst wilde het leven genieten op gelijke wijze, als in
die dagen de Mediceër op den pauselijken stoel zulks deed,
wellicht met wat meer Duitschen ernst, maar beider geestes-
richting is in den grond dezelfde. Keurvorst Albrecht en
onze La ski waren van de humaniteit en haren grootmeester
uitgegaan; de verdere loop hunner geestelijke ontwikkeling
voerde hen echter steeds verder van elkander af, en in dat
zelfde voorjaar van 1539 was er tusschen deze beiden reeds
geen aanrakingspunt meer. De een was opgeklommen tot
de waardigheid eens kardinaals, ja had zelfs de vurig ge-
wenschte gouden roos van den Paus mogen ontvangen, maar
had tevens op de ondubbelzinnigste wijs met de Hervorming
gebroken. Hij stierf, diep geërgerd over den loop der ge-
schiedenis, die hem in haar streng gericht onverbiddelijk
ter zijde geschoven had, terwijl hij tot in zijn stervensuur
door zijne schuldeischers gekweld werd. Bovendien valt op
zijn zielloos overschot de sombere schaduw van den ellendigen
aflaatkramer met zijn smadelijk bedrijf, waarvan de opbrengst
voor de helft in de geldkist van den pronkzieken keurvorst
terechtkwam, zonder die echter te kunnen vullen. De levens-
weg van den ander bracht hem in de Evangelische kerk. Alle
zijne kerkelijke prebenden en waardigheden — en hij zou
wellicht in zijn vaderland tot een even hoogen rang hebben
kunnen opklimmen, als Albrecht in Duitschland, — had hij
uit eigen beweging en in een heiligen drang des gewetens
prijsgegeven, om niets te zijn dan een arme knecht van zijnen
éénigen Heer, van nu voortaan ten allen tijde gereed en
bereid, zich een krijgsknecht van Christus te toonen.
Ge()urende bijkans een jaar schijnt Laski zicli in Mainz
op zijne ernstige studiën te hebben toegelegd, terwijl hij
zich verre hield van hetgeen in de bisschoppelijke staatsie-
vertrekken de geesten in beweging bracht, indien wij hem
althans niet ook reeds in dien tijd bereids in de Nederlanden
te üoeken hebben. Onze bronnen laten ons met betrekkin" tot
dat jaar in den steek; alles schijnt echter aan te duiden, dat
het verblijf in Leuven langer gedunrd heeft, dan het korte
tijdsverloop, dat overblijft, wanneer wij onderstellen, dat Laski
tot aan de promotie van zijnen vriend in Mainz getoefd heeft,
en niet liever aannemen , dat hij zich voor die plechtigheid
nit de Nederlnn'len derwaarts gespoed heeft. Tijdens zijn
dingen naar den dnctoralen hoed hield zijn vriend voor-
lezingen over de hoeken der Sententiën en over eenige Brie-
ven van Paulus. Vooral de laatstgenoemden moesten nood-
zakelijk de beide mannen in hunne reformatorische denkbeel-
den bevestigen. Vóór het einde des jaars h.id Hardenberg
de vurig verlangde waardigheid verkregen. Laski was bij de
promotie tegenwoordig. De Eradensche bibliotheek bezit nog
het boek, dat hij bij deze gelegenheid aan den met den
doctoralen hoed gekroonden ten geschenke gaf: het zijn
Reuchtin'a eerste beginselen der Hebreeuwsche taal. Weleer
was bet kostbare bock het eigendom van Eraamus, wiens
handschrift („snm Erasmi nee muto dominum") het nog ver
toont. Het had niettemin eenen anderen bezitter gekregen ,
toen de vrijgevige Pool op eene zoo groothartige wijze den
beroemden geleerde zijne boekverüameling had afgekocht.
Hardenberg waardeerde het geschenk dubbel, ter wille des
gevers , en beeft acht jaren later op het titelblad dit inschrift
terneitergeschreven : „Daarom" — dewijl hij het van Laski
bij die plechtige gelegenheid ten geschenke gekregen had, —
„zal dit boek, zoolang ik leef, nooit in andere handen over-
gaan, hetgeen ik door deze mijne eigene handteekening be
tuig." ') Toen in het volgende jaar de kettermeesters in Leuven
althans de boeken van Hardenberg verbrandden, in hunnen
213
wrevel, dat de ketter zelf hun was ontsnapt, was dit door
hem zoozeer gewaardeerde boek aan het vuur ontkomen.
Reeds spoedig na de promotie vertrok Hardenberg naar
zijn vaderland. Zijn trouwe vriend vergezelde hem Rijn-
afwaarts. Zij wilden elkander niet verlaten; de Nederlanden
zelve bezaten menig punt van aantrekking, dat onzen La ski
bij den verderen voortgang zijner geestelijke ontwikkeling
kou aanlokken. Het geboorteland van Ërasmus was hem
bij zijne humaniteitsstudiën en in zijn samenwonen met den
destijds meest gevierden zoon van dat land niet vreemd ge-
bleven; menigen telg van dit volk — wij herinneren ons,
om een voorbeeld te noemen, zijnen omgang met Uten-
hove, — had hij leeren kennen en waardeeren. Zijn;eigen
broeder, Hieronymus, had zich van meer dan ééne moeie-
lijke diplomatieke zending te Brussel te kwijten gehad, en
zijn naam had ook daar in de hoogste kringen eenen goeden
klank
Landvoogdes der Nederlanden was de zuster des Keizers,
Maria, de weduwe van den ongelukkigen koning van Hon-
garije, die op eene zoo deerniswaardige wijze zijn jeugdig,
veelbelovend leven in de moerassen bij Mohacz verloren had.
Nog als jonkvrouw had zij, de hoogbegaafde, leergierige dis-
cipelin van het Humanisme, Ërasmus hoog gewaardeerd
en hem ook geprezen. De vrome zin, die haar bezielde, had
de jonge koningin tot de studie der Heilige Schrift geleid ; ten
opzichte van de Evangelische bewegingen, die zich nu ook
in Hongarije openbaarden^ getuigde hare houding geenszins
van afkeer, en Luther meende groote dingen van haar te
mogen verwachten. Toen hij de tijding vernam van de zware
bezoeking, die de vrome weduwe getroffen had, zond hij,
gelijktijdig met de uitlegging van vier Psalmen , dien bekenden
schoonen troostbrief aan haar te Weenen toe, werwaarts zij
voor de wilde scharen van Soliman gevlucht was. ^) Het was
1) YergeL Luther, XXXYIII, 370 f. De bedoelde Psalmen zijn 37, 62,
94 en 109.
eeuc valsche positie, in welkü keizer Karel zijne zuster door
hiire benoeming tot Gouvefnante der Nederlanden geplaatst
had. omdat met dezen post door hem de taak verbonden
wii!^. om het Protestantisme in het geboorteland des Keizers
op alle mogelijke wijze te onderdrukken. Op dit punt toonde
de Keizer zijne geheele onverbiddelijke, heerschzuchtige en
onverdraagzame natuur, die ten minste in het geliefde ge-
boorteland wilde doorzetten hetgeen hem in Duitschland,
ondanks al zijne pogingen, niet gelukte. Tot zelfs wat den
stoet harer bedienden betreft, zuiverde hij de verdachte
omgeving zijner zuster, die zich aan den harden wil baars
broeders onderwierp, en te onmachtig was, om die schrik-
barende taak van de hand te wijzen, of om desnoods om
haientwil van den glans der hofhouding, en dan ook van de
vriendschap baars broeders afstand te doen. i) In welk eenen
pijnlijken toestand zagen toch in die groote, maar ook on-
stuimige dagen diegenen zich geplaatst, die uit zwakheid
halverwegen bleven staan, en die daarom op zulk eene smar-
telijke wijs onder het gericht van Jezus' woord vervielen: „Wie
met mij niet is, die is tegen mij." - De naam van Laski
zou gewis voor de Landvoogdes geen onbekende naam ge-
weest zijn. Geen andere naam werd in de bloedige twisten ,
die haar schoon Hongarije verscheurden, vaker door vriend
en vijand genoemd, dan deze, en ongetwijfeld zou zij ook
aan deu edelen l'ool eene schitterende ontvangst aan haar
hof geschonken hebben. Maar niet om het hofleven en den
gunat van vorsten te genieten, had Laski aan het Poolsche
koningshof den rug toegekeerd, en had hij het leven van
een behoeftigen balling verkozen. Waarschijnlijk zal bij ook
geen lust gehad hebben, om eene vrouw te ontmoeten, die
zich afmatte in het behartigen van de onnatuurlijke taak,
welker vervulling slechts tot den prijs van de verloochening
van hare betere aspiratiën verkregen kon worden. Zulke men-
schen zocht bij niet op, maar vermeed hen veeleer. Üok
andere schitterende aanbiedingen wees hij zonder aarzelen
1) Vergcl. het sciirljren dea Keizere aaa zijne
■. bij I
, r, 418.
215
yan de haud. Toen hij io de ssomerdagen van 1540 zich ge-
durende korten t\jd te Antwerpen ophield, bezocht hem de
Aartskanselier en ook de markgraaf van Brandenburg, die
aldaar vertoefde; in naam zoowel van den Keizer, als ook
van koning Ferdinand werden hem vergeefsche aanbiedingen
gedaan. ^)
Met vermyding van Brussel en zijne schitterende hofhou-
ding^ begaf La ski zich naar Leuven» Deze vriendelijke zetel
der Muzen moest hem gedurende een jaar tot eene gewenschte
schuilplaats strekken, om er in stilte innerlijk tot rijpheid
te komen. Reeds Ërasmus had weleer in zijne tegenwoor-
digheid de zoo beroemde universiteit en hare schoone ligging
geprezen. Nergens kon men zich, volgens hem, zóó rustig
en ongestoord aan de studiën toewijden als te dier stede,
en bovendien was de landstreek liefelijk en gezond, terwijl
een Italiaansche hemel zich over haar uitbreidde.^) Meer
dan drieduizend studenten uit alle landen der wereld, destgds
voor het meerendeel uit Frankrijk, en ook niet weinigen uit
Spanje, verzamelden zich in de verschillende gehoorzalen.
Met dat groote aantaL studeerenden kwam de menigte der
hoogleeraren en ook hunne wetenschappelijke beteekenis over-
een; eene ryke bibliotheek bood gewenschte hulpmiddelen tot
grondige studiën. Maar Leuven was destijds, wat zijne theo-
logische faculteit betreft, en door hare woordvoerders, het
voornaamste bolwerk tegen de Protestantsche kerk en leer
geworden, de alleszins waardige strijdgenoot der Sorbonne
en van Keulen tegen iedere Evangelische beweging. Wat in
dat jaar reeds gebruikelijk was, werd in 1545 door de wet
bepaald, dat nl. geen enkel student aan de universiteit zou
worden toegelaten, die niet met eenen plechtigen eed ver-
zekerde, dat hij een vijand was van alle leerstellingen van
1) Knyper, II, 552. Over de chronologie van dezen brief vergel. de
grondige opmerkingen bij Böhmer, I, 166, die afdoende bewijzen levert
Toor de tijdsbepaling van iLixjper tegenover die van Scrinium, I, 478,
e& van Spiegel, S. 30.
2) De Bam, p. 12.
216
Luther en CalvijnJ) Aan de spits van deze meest ver-
klaarde en strijdbare tegenstanders stond Latomus, de
woordvoerder der faculteit, dien Luther als den Leuvenschen
sophist en eenen tweeden Jisbi (2 Sam. 21 : 16) gebrandmerkt
heeft, en dien een vlugschrift, dat zich in mijn bezit bevindt,
als een aanmatigend sycophant beschrijft. ^)
Doch niet om op zijnen leeftijd nog eenmaal als student
aan de voeten van geleerden te zitten, die eene versletene,
scholastische theologie voordroegen, had Laski zich naar
Leuven begeven. Niets verraadt, dat hij ook maar in het minst
eenigen omgang gehad heeft met mannen , met wier kerkelijk
standpunt hij reeds ten eenenmale gebroken had, en die
reeds spoedig bespeurd zullen hebben, welk een verdacht
persoon deze vreemdeling uit Polen was. Althans wordt ons
bericht, dat zij Hardenberg zijnen vertrouwelijken omgang
met hem kwalijk genomen hebben, en dat voor dezen moeie-
lijkheden uit dien omgang zijn ontstaan. Onder de stu-
denten, die voor een deel veel bejaarder waren, dan met
de jongelingschap aan onze universiteiten gewoonlijk het geval
is, kon reeds eerder de eene of andere energieke persoon-
lijkheid ontdekt worden, die, afkeerig van den onnatuur-
lijken dwang op het heilig gebied des geloofs, eene toe-
neiging tot de leer des zuiveren Evangelie's openbaarde.
Steelswijze ging zoo menig reformatorisch boek van hand tot
hand, en gretig werd door de jeugdige, vrome gemoederen
het vrije, zaligmakende woord ontvangen. Wij weten van
een paar jongelingen, die, ofschoon met grooten eerbied
en diepe hoogachting voor den edelen Pool, toch reeds in
Leuven vertrouwelijk met hem hebben omgegaan. Onder hen
treedt vooral Francisco de Ënzinas op den voorgrond,
1) Ibid., p. 62.
2) „Epistola de magistris nostris LoTaniensibas quot et quales Bint, quibus
debemus magistralem illam damnationem Lutherianam." Het zendscbrijTen
is aan Zwingli gericht, een boeiend bewijsstuk, welk eenen yroegtijdigen ,
blijden weerklank de moedige daad Tan Luther zelfs in Leuven geronden
beeft. Het geschrift is vijf maanden, nadat Luther zgne Stellingen had
aangeslagen, verschenen; de schr\jver heeft zijnen naam niet genoemd.
217
die reeds in 1537, als 17jarig jongeling, in zijne Spaansche
vaderstad Burgos Protestantsche' indrukken ontvangen had ,
en die, twee jaren later aireede geheel voor het Evangelie
gewonnen, gelijktijdig met La ski te Leuven gekomen was,
om aldaar zijne studiën voort te zetten. Weldra had hij
van den edelen Pool gehoord, die om des geloofs wille zijn
vaderland verlaten, en van de glansrijke hoogte, waarop hij
zich als kerkvorst geplaatst zag, blijmoedig in een zoo be-
scheiden en stil leven was afgedaald. Een brief van 'zijne
hand aan Laski — twee jaren later geschreven — schildert
op welsprekende en schoone wijze, welk eenen blij venden,
diepen indruk onze Pool op den vatbaren, vurigen Spanjaard
gemaakt heeft. ^) Enzinas hield zich reeds destijds met het
vertalen van de Heilige Schrift in zijne moedertaal bezig,
een hooggeprezen arbeid, die den geloovigen jongeling eene
moeielijke, maar standvastig doorgestane gevangenschap be-
rokkende. Ook onder de Vlamingers was menig vroom jon-
geling, op wien de levenwekkende adem des Evangelie's niet
zonder gezegende uitwerking gebleven was, en die dan ook
tot Laski in vriendschappelijke betrekking trad. Wij denken
aan den zachtzinnigen Gassander, die, minder beslist dan
Enzinas, in het vervolg zich levenslang moeite gaf, om de
pijnlijke kloof tusschen de beide vaneengescheurde kerken
te overbruggen, een vruchteloos pogen, waardoor hij geen
van beide partijen aan zich verplichtte.
De kringen, in welke Laski zich te Leuven bij voorkeur
bewoog, en in welke hij het meeste voedsel voor zijn ziele-
leven vond, hebben wij niet te zoeken in de schaduw van
de gehoorzalen der universiteit. Zij lagen ter zijde, destijds
nog met minachting over het hoofd gezien en onaangevochten
gelaten door de leidslieden der Kerk; verborgen bronbak-
keUy in welke het levende water zich verzamelde, dat voor
eeuwig den dorst lescht. Een belangwekkend kijkje in deze
kleine, bescheiden kringen zien wij ons vergund; gaarne
1) Gerdes, III, 82; yergel. ook Böhmer, I, 134.
vertoeven wij vour een oogenlilik iinit onzen vriend jn
midden.
Reeds anderhalve eeuw te voren was in de Nederlanden
een vuur ontglueid, welks licht en warmte, velen ten zegen,
zich tot op verren afstand, en zelfs tot over de grenzen des
lands deed bespeuren. Die bet vuur in den tempel ontstoken
had, was Gerhard Groot, deze „et ht christelijke volksman,
eene edele, diep ernstige, en ook bij alle zachtheid en vrien-
delijkheid L'ener zielen-zoekende liefde, nochtans krachtige,
besliste, strenge persoonlijkheid, zonder menschenvrees, wars
van oogendieust, een man van de meest uitgebreide kunde
en van veelzijdige ervaring , van groote scherpzinnigheid en
eene aangrijpende, indrukwekkende welsprekendheid." 'j Ware
het niet gewaagd, om voortreffelijke mannen uit verschillende
tijden, die den stempel van hunnen tijd vertoonen, met elkan-
der te vergelijken, men zou Groot mogelijk den Spener der
Roomache kerk ten tijde van haar verval kunnen noemen.
Niet gering wüs de opwekking, die van hem uitging; men
bespeurt, hoe zeer hij aan eene behoefte van de uitnemend-
Bteu zijns tijds en ook van zijn vrij en vroom volk te gemoet
kwam, toen hij de broeder- en zusterhuizen stichtte, tegen-
over de erg vervallen kloosters met hunne bedelachtige, arm-
zalige bewoners. Zij, die zich in deze nieuw gestichte hui-
zeu vestigden, waren waarachtig vrome zielen, die met de
wereld en al het genot en aanzien, dat zij in staat is te
bieden, op vreedzume wijze gebroken hadden, ten einde stil
en in het verliorgen. bijkans gelijk een piëtistische kring,
voor den vrede van het eigene hart te leven. Maar toch
niet uitsluitend in eene bespiegelende, werkelooze rust. Een
diep medelijden met de kommervolle toestanden van den tijd
bewoog hunne ziel, en bij hun streven om het heerschend
verderf te keer te gaan, maakten zij het liefst eeneii aan-
vang met de opvoeding der jeugd. Waar hunne fraterhuizen
stonden, — en dat was welhaast bijkans overal ïn het
land, — daar zag men ook de vreedzame, vlijtige bewoners
. E<»l-Knc7ltl. i,2-^ Aufl.) I,
219
weldra in de scholen werkzaam, en de zegen hunner werk-
zaamheid was allerwegen te bespeuren, inzonderheid onder
de burgers, die omstreeks dien tijd de bloeiende steden der
Nederlanden met welvaart vervulden. Eene stem uit deze
fraterhuizen heeft; aan de eigenaardige soort van gezindheid,
die daarbinnen heerschte, eene zoo verwonderlijk classieke
uitdrukking gegeven, dat zij daarna niet meer verstommen
kon, en dat zij, beide in de Evangelische en Roomsche kerk,
nog altoos eene tallooze menigte aandachtig luisterende toe-
hoorders vindt. Het is de innige, welluidende, vrome en diep
beschouwende taal van Thomas a Kempis, die zich op
geheel éénige wijze , als eene eenzame stem tusschen de beide
kerken, heeft weten te doen hooren, een nachtegaal in de
schemering van den aanbrekenden dag. Wij kunnen den
welbekenden klank onzer dierbare Evangelische kerk niet in
al zijne kracht in het woord van den vromen, stillen man
van den Agnietenberg bij Zwolle terugvinden; wij bemerken
op meer dan ééne plaats, dat zijne taal niet geheel met de
prediking van eenen Paulus overeenkomt: die geestesrichting
was juist de Hervorming niet, en kon haar pjemis ook niet
vergoeden, alhoewel zij ongetwijfeld een wezenlijke voorarbeid
in de Nederlanden blijft.
Ook in Leuven is in de opvoeding der jeugd de machtige
invloed van deze fraterhuizen te bespeuren. Ook hier was
de vrije zin der burgers ontwaakt, en de diepe, vrome ernst,
die de goddelijke waarheid uit hare bron trachtte te leeren
kennen, krachtig opgewekt. Juist in de kringen der een-
voudige burgerij openbaarde zich een sterk zelfgevoel, dat
zich niet meer blindelings wilde onderwerpen aan alle wille-
keurige bepalingen der Kerk en aan hare heerschzuchtige
■
priesters, wier onzedelijke wandel aan de eerzame burger-
lieden zooveel ergerlijken aanstoot gaf. Het gild der laken-
wevers inzonderheid was ook in Leuven sterk vertegenwoor-
digd; het Vlaamsche laken werd overal op hoogen prijs ge-
steld; tot zelfs naar Krakau zonden de rijke kooplieden de
balen van deze kostbare koopwaar, en nu ook reeds over zee
naar de verste kusten. Ook de andere bedrijven bloeiden in
220
de volkrijke Academiestad: er heerschte een opgewekte, werk-
zame ijver, welke zich nu op de groote, godsdienstige vraag-
stukken begon toe te leggen, die duidelijk verneembaar aan
de stille burgerhuizen aanklopten, en ook daar den toegang
en eene oplossing zochten. Treden wij zulk een huis binnen,
in hetwelk onze vriend veel verkeerde, ja waarin hij zelfs
geruimen tijd zijn verblijf hield.
Het eenvoudige burgerhuis ligt niet in het middelpunt der
stad en van haar intellectueele leven, déAr, waar destijds
in frissche, rijke, vroolijke pracht het raadhuis zich verhief ,
nog heden ten dage het schoone gedenkteeken van den buiten-
gewoon wakkeren y levendigen burgerzin dier dagen; wij heb-
ben het te zoeken aan den uitgang der stad, dicht bij den
vestingwal , waar de kleine beek de Voer zich met het riviertje
der stad, de Dyle, vereenigt. Aldaar, aan den BoUeborre,
woonde Antoinette van Rosmers, die met de aanzien-
lijkste familiën der stad nauw verwant was. Het jaar te
voren (1539) had zij, bij eene heerschende ziekte , haren man
en een paar kinderen verloren; slechts ééne, volwassene
dochter, Gudula, was haar gespaard gebleven. Ook haar
vermogen had de vijftigjarige weduwe verloren; zij moest
naar eene kleinere woning omzien; wellicht dat zij ook door
het verhuren van kamers zich eene geringe verdienste ver-
schafte, want wij weten door Enz i nas, dat Laski ten harent
gewoond en verkeerd heeft. ') De zware bezoeking, die over
haar gekomen was, had de vrome weduwe en hare gelijk-
gezinde dochter slechts te dieper in het Woord Gods doen
doordringen; hetgeen de Kerk met hare priesters haar niet
schonk, bood haar de Heer in het Evangelie, waarvan zij
zich in het geheim eene Hoogduitsche vertaling had weten
te verschajïen. Het goede Woord Gods werd haar trooster
en ook haar éénige leermeester, aan welks voeten zij zich
had nedergezet, om met biddenden geest het Ééne te leeren,
1) Campan, I, 102: ,, Antoinette était presque de la plus honeste et prin-
cipale familie de toute la rille; Monsieur Jan Laski ayoit quelquefois logé
en sa maison.'^
221
dat noodig is. Eu God liet haar de parel van groote waarde
vinden. Haar huis werd het middelpunt van eene schare van
geloofsgenooten , die op vaak wonderbare wijze met elkander
in aanraking kwamen, alsof God zelf hen te zamen bracht.
Slechts geheel in het verborgen, steelswijze ontmoette men
elkander in de kleine achterkamer der weduwe, bij gesloten
deuren^ gelijk de Apostelen tijdens het Paaschfeest uit vreeze
der Joden. Voor ons behoeven de stille, geloovige lieden
geene vrees te koesteren, en ongestoord mogen wij met Laski
op eenen avond aan hunne kleine vergadering deelnemen.
Het zijn er altijd slechts weinigen, die in het huisje aan
den BoUeborre bijeenkomen , om geen opzien te baren , want
niet ver van het huis staat de kerk van Sint Quintijn, en
wie weet, of niet de argwanende priesters achterdocht krij-
gen, of in de nabijheid hunne verklikkers hebben. Heden
hebben zich ten huize der weduwe vereenigd allereerst de
zelden ontbrekende Josse van Ousberghen, een bontwerker
van beroep, diep geworteld in het Evangelie, vol vrede der
ziel, stil van aard, maar onwrikbaar vast en sterk in zijn
geloof. Met hem treedt binnen de beeldhouwer Jan Beyarts
met zijne reeds bedaagde vrouw Katharina Metsys, en
ook de huisgenoot Jan Schats ontbreekt dezen avond niet.
Indien wij een anderen keer ons bezoek herhaalden, zouden
wij nieuwe gezichten ontmoeten: toen de vijanden, een paar
jaren later, hunne bloedgierige hand naar dit hoopje geloo-
vigen uitstrekten, namen zij eene schare van 43 geloofsge-
nooten gevangen.
De onderlinge stichting begint daarmede^ dat Josse eene
plaats uit het Nieuwe Testament voorleest en tracht te ver-
klaren. De aanwezigen nemen deel aan de uitlegging; met
vereende krachten leggen zij er zich op toe , het Woord Gods
goed te verstaan, en men bemerkt aan het in hooge mate
stichtelijke gesprek, dat de aanwezenden niet meer kin-
deren zijn in het verstand. Daarop wordt de Postille ter
hand genomen, die reeds sinds lang als stichtelijk boek
bijzonder hoog bij hen staat aangeschreven. Van den schrijver
van het boek, den grooten Duitschen hervormer, weten zij
ï!22
slechts weinig, en staan ook in geenerlei betrekking tot hem ;
maar hetgeen zij daar lezen, dat komt zoo ten ïolle overeen
met het hun dierbare Woord van God , en de krachtige taal ,
waarin bet is uitgedrukt, verkwikt hunne ziel meer dan zij
zeggen kunnen. Gelukkig is het boek aan de bespiedende
blikken der censoren en priesters ontgaan; in Amsterdam
waren destijds reeds vele boekhandelaars , die de verboden
reformatorische geschriften in voorraad hadden en aan den
man wisten te brengen, en menig bezielend vertoog had,
ook in Leuven , tot zelfs in de werkplaatsen zijnen weg ge-
vonden. Langs liatig gekozen sluipwegen was het aan de
bespieders ontgaan. Een middel, waarvan men zich zeer
dikwijls en met goed gevolg bediende was dit, dat men het
gewenschte Evangelieche viugschrift met een lijvig boek van
oubeduidenden inhoud in denzelfden band vereenigde, tot
verspreiding van welk laatste de censor, na vluchtige inzage,
argeloos de vergunning verleende, i)
Op deze voorlezing uit de Postille, of uit eenig ander
atichtelijk boek volgde dan nog de vrije gedachtenwi speling
over het een of ander geloofsartikel. Ten aanzien van de
verwerping van het vagevuur was men het onderling geheel
eens. Het heilig Avondmaal wilden de meesten slechts als een
gedachtenismaal beschouwd hebben; zij bonden geen enkele
plaats in hun Nieuwe Testament vinden, die hen noodzaakte,
de werkelijke, lichamelijke tegenwoordigheid des Heeren in het
teeken van brood en wijn, veelmin de Transsubstantiatieleer
der Roomsche kerk aan te nemen. Deze denkbeelden waren
voor Laski niet nieuw. Hij had die reeds te Bazel, io den
byzonderen kring van Erasmus en zijne vertrouwde vrienden
hooren uitspreken. Men kon ze destijds op verschillende
plaatsen vernemen, ook daar, waar men volstrekt geen ver-
moeden had van de scherper omgrensde gestalte, die zij bij
Zwingli hadden aangenomen. — Mogelijk, dat men tot besluit
van de vergadering , na het gebed , zachtkens één der psalmen
zong, die in het Vlaamsch vertaald waren door een geeste-
1) Tcrgel. C&Djpiti, II. 33a.
223
lijke aan de Kathedraal, Paul van Roverc, een bejaard,
▼room heer, zwak van lichaam, maar frisch van geest, die
jegens de Evangelischen in Leuven welwillend gezind was. ^)
Deze samensprekingeu hield men met heiligen ernst. Toen
eens één der aanwezigen zich een woorrl van spot over de
leer van het vagevuur liet ontvallen, van welker valschheid
allen overtuigd waren, berokkende zich de spotter eene ge-
strenge berisping. Men wilde de betrekking met de Kerk
niet afbreken, maar veeleer in goede verstandhouding met
haar blijven, zoolang zij slechts niet in hun onderzoek van
den Bijbel en in de onderlinge opbouwing huns geloofs ver-
hinderd werden. Zij hadden zeer zeker reeds de door de
Kerk vastgestelde grenzen overschreden , en waren ook reeds
verder gegaan dan de Broederen des gemeenen levens, door
wier bezielenden arbeid op geestelijk gebied zij ongetwijfeld
het eerst tot het onderzoek van de waarheid geleid waren,
maar men wilde de geheele, beslissende vraag laten rusten,
als zij slechts ongehinderd volgens hun geloof konden leven.
Dit deden zij dan ook onder elkander op eene even liefelijke
wijze, als de eerste kleine gemeenten in den tijd der Apostelen.
Als één van hen krank werd, dan pasten de anderen hem
op, en paarden aan eene onverpoosde lichamelijke verpleging
van den kranken broeder de teederste zorg voor het heil zijner
ziel. Zij hadden hunne kleine kas , uit vrijwillige liefdegaven
opgericht, en ondersteunden daaruit diegenen in hun midden,
die in nood verkeerden; ook andere hulpbehoevenden en
noodlijdenden in de stad zochten zij volgaarne op , ten einde
hun handreiking der liefde te doen. Zij leefden in het Woord
Gods met geheel hunne ziel. Wanneer zij, na het volbren-
gen van hunnen dagelijkschen arbeid , elkander soms op
hunne avondwandeling in den omtrek der stad ontmoetten,
en onbespied meenden te zijn, dan haalde één hunner zijn
welbewaard Testament uit de lederen tasch, en las een paar
verzen voor, die vervolgens aan de wandelaars overvloedige
stof tot een gewenscht onderhoud verschaften. Uit de tot
]) Campan, II, 466.
234
ons gekomen berichten bespeurt men de innige vreagde der-
zulken, die, ua langen tijd op een dwaalweg verkeerd te
hebben, zich nu door den Heer, hunnen Herder, in eene
grazige weide en aan frisache wateren geleid zien.
Laski, die, evenals Hardenberg en Enzinas. zich met
dezen Ëvangelischen kring in betrekking gesteld had, vond
hier verwerkelijkt hetgeen hij gezocht had: eene kleine, ge-
loovige gemeente, gegrond op het Woord Gods, die zich met
ernst op de heiliging des levens toelegde; trouwhartige lieden,
onbezweken in het geloof, bereid om reeds des anderen daags
den brandstapel te betreden, en met den dood hnn geloof
te bezegelen. De schemering van dezen aanbrekenden dag
lag reeds over hunne geestelijke trekken verspreid , hot mor-
genrood van hun martelaarschap: zulks is ten allen tijde
een verkwikkende, bezielende aanblik. Zij. die wij daar
straks de woning der edele Antoinette hebben zien bin-
nentreden, om aan de stichtelijke samenkomst ten harent
deel te nemen, zij hebben allen, reeds drie jai-en daarna,
de vreugde gesmaakt, door hunnen dood den naam des
Heeren groot te maken. De genoemde mannen ondergingen
standvastig den dood door vuur en strop; de heldhalftige
vrouwen werden levend begraven. Zóó strafte de Roomsche
kerk de misdaad, dat zij bet Woord Gods liefhadden, en
volgens zijne waarheid een geheiligd leven zochten te leiden.
De gruwzame straf heeft echter het heilige vuur niet uit-
gedoofd, integendeel, de vonkeu hebhen zich door het ge-
heele land verspreid, en hebben de vlammen slechts verder
gedragen,
Hoe gelukkig zich onze vriend te midden van deze vrome
lieden gevoelde , is ook daaruit te zien , dat tijdens zijnen
dagelijkscben omgang met hen het besluit bij hem tot rijp-
heid kwam , om zich den terugkeer tot het oude priesterleven
voor goed onmogelijk te maken , door het celibaat vaarwel
te zeggen. Door dezen stap verzaakte hij openlijk de instel-
lingen der Roomsche kerk, en verbrak hij voor goed elke
betrekking tot haar. Uit de eenvoudige burgermeisjes der
stad koos bij zich zijne levensgezellin. Tot ons leedwezen
225
mochten wij, ondanks vele navoi*schingen, er niet in slagen,
om ook maar het geringste spoor aangaande hare familie en
haar voorleden te ontdekken; zelfs haar meisjesnaam is ons
onbekend gebleven. Alleen mogen wij aannemen, dat het schoone
beeld van het geestelijke leven van dezen vromen kring zich
met vaste trekken ook in h&ar zieleleven had afgeteekend;
wellicht mogen wij gissen, dat zij eene vriendin en vroegere
speelgenoote van Gudula was, ook gelijk deze in den bloei
der jaren, van de hooggeprezene schoonheid der Vlaamsche
vrouwen en met een edel voorkomen, i) Het schijnt, dat
zij in Leuven aanverwanten gehad heeft. Nadat Laski reeds
een jaar de stad had verlaten, keerde zij voor korten tijd
als gast in hare vaderstad terug, en bracht haar eerst-
geboren dochtertje, geheel des vaders evenbeeld, met zich, ten
einde , voorzeker vol moedervreugde , aan de grootouders hun
kleinkind te toonen. Enzinas kende de vrouw van Laski
nog uit den tijd van vóór haar huwelijk. Nauwelijks vernam
bij, dat zij in Leuven logeerde, of hij spoedde zich tot haar,
om haar te begroeten en tijding aangaande haren man te ont-
vangen, dien hij juist van plan was, in zijne nieuwe woon-
plaats in Friesland te gaan opzoeken. ^)
Na de voltrekking van zijn huwelijk vertoefde a La se o
niet lang meer in Leuven. Den raad, dien hij een paar
jaren later aan zijnen vriend gaf, die besluiteloos in het
klooster bleef dralen, bracht hij nu, snel besloten, zelf ten
uitvoer. „Ik geloof, dat het woord, in Jesaia 52 en II Gor. 6
geschreven: „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u
af," door den Geest Gods is ingegeven. Indien gij dit woord
op de vlucht in den geest toepast, voorzeker, wie deze
vlucht slechts eenmaal waarlijk en in het diepst zijner
ziel heeft volvoerd, hij kan dan ook niet meer vrijwillig
onder diegenen verkeeren, door wie hij de verdienste van
Christus voortdurend ziet onteeren." ^) Er braken moeielijke
tijden aan. In Gent waren oproerige bewegingen ontstaan;
1) Zóó beschrijft althans de Spaniaard de dochter der weduwe Antoinette.
2) Gerdes, III, 82. 3) Kiijper, II, 557.
DALTOH. 1 5
226
de Evangelisch-gezinclen in de stad hadden beproefd, het
zware juk der onverdraagzame kerk met geweld af te schud-
den. Op het bericht daarvan had keizer Kar el zich in allerijl
naar zijn geboorteland begeven, ten einde op gewelddadige
wijs de gevaarlijke ketterij te onderdrukken. Van alle zijden
drong de heerschende kerk er bij hem op aan , dat hij ge-
streng en onverbiddelijk zou te werk gaan, en daartoe be-
hoefde men bij hem geen sterken aandrang te bezigen. Harde
wetten werden uitgevaardigd. Alle boeken, die gedurende
de laatste twintig jaren in Duitschland waren uitgegeven,
werden verboden; niemand mocht voortaan geestelijke lie-
deren in de landstaal vervaardigen, of ook dergelijke lie-
deren zingen; de conventikelen *) werden niet langer gedoogd,
zelfs de gedachten mochten niet meer tolvrij zijn. ^) In
Leuven draalde men niet, deze Draconische wetten ten uit-
voer te brengen. Één van de eersten, die hare gestrengheid
moest ondervinden, was Hardenberg. Met vrijmoedigheid
en welsprekendheid had deze jeugdige doctor in de theologie ,
na zijn terugkeer uit Mainz, de Brieven van Paulus voor
een talrijk studentengehoor verklaard; ook de burgers luister-
den gaarne naar de rondborstige taal van den welbespraakten
man, die „niet sprak als de Leuvensche schriftgeleerden.**
Hij werd bij het hof verklaagd. Men wilde hem als gevan-
gene naar Brussel voeren, en bijaldien dit plan was door-
gegaan, zou men ook zijn lot vooruit hebben kunnen be-
rekenen ; de hoofdstad des rijks had zich destijds den
treurigen roem verworven, dat men haar de „slachtbank der
christenen" noemde. De burgers van Leuven stelden zich
voor hem in de bres; zij wisten te bewerken^ dat men zich
voor ditmaal tevredenstelde met zijne kettersche boeken te
1) Het schijnt, dat de naam hier Toor het eerst in deze beteekeuis Toor-
komt : „Prohibentur congressus hominum de religione loquentium , quae ab
illis (de deelnemers) conyenticula appellantur." (Ca m pan, I, 130.)
2) Ibid.: „Praeoipiunt leges ne qaicqoam aliud hominea ant aentiant,
aut loquantur, aut faciant siye in articulorum fidei aententia, aiye in oere-
moniarum et legum obserratione , quam quod Ecclesia Bomana statuit, l^gea
sanciyerunt, et magistri nostri ao monachi in suis synagogis profitentor."
227
verbranden, en hem de proceskosten te laten betalen. Tevens
werd hij uit de stad verbannen; hij vertrok van daar, en
begaf zich naar zijn klooster Aduard.
Nu kon ook Laski het niet langer meer uithouden in
het ongastvrije Leuven en onder mannen, die, in stede van
naar de stem der waarheid te luisteren^ liever speurhonden
der inquisitie zijn wilden. Hij zocht een land, waar hij onge-
stoord, in de diepste afzondering, volgens zijn geloof kon leven.
Vlak aan de grens der Nederlanden lag , als een verborgen
uithoek der wereld, een klein, onafhankelijk gebied, Oost-
Friesland genaamd, hetwelk in die dagen van vervolging eene
vriendelijke schuilplaats bood. Op nieuw nam onze vriend
den pelgrimsstaf ter hand, en richtte derwaarts zijne schreden.
De weg daarheen voerde hem in noordelijke richting over
(ht)mngen. Meer dan waarschijnlijk is het, dat a Las co,
van uit deze stad, een bezoek bracht aan het, slechts drie
uren gaans vandaar verwijderde klooster Aduard, binnen
welks muren Hardenberg huisvesting gevonden had. Het
klooster was verdraagzamer en toegevender dan de Hooge-
schooL De uit Leuven verbannene had niet slechts eene
schuilplaats in de vriendelijke cel van het klooster gevonden,
men liet den vrijzinnigen monnik niet slechts ongemoeid in
zgne Evangelische denkbeelden , maar de Abt verleende hem
zelfs het recht om te prediken en voordrachten te houden,
en gretig luisterden nu de monniken naar eene taal, die het
den studenten verboden was aan te hooren. Reeds sedert
twaalf jaren stond het wijd en zijd beroemde klooster onder
de leiding van Johannes Reekamp, die in de opeen-
volgende reeks der abten het meest heeft uitgeblonken. ^)
Ook onze fijnbeschaafde Pool gevoelde zich door deze schran-
dere, edele persoonlijkheid krachtig aangetrokken. Hij wenscht
I) £oppiu8y p. 37: „Yir haud dubie quin unus omnes superiores longe
antecellaerit et naturae dotibus et eruditione, quaeqae res in gubernando
plurinmm possunt, gratia et eloqueatia; naturae quodam priyiiegio adeo
flsimios, ut quae praestantissima uniyerso hominum generi dona erogari a
iummo Deo aolent, in hunc unum velut augustissimum sapientiae adytum
eollita, onuMt ono ore affirmarent."
15
228
aan alle kloosters zulke abten toe, die zich met gelijken
ijver en gelijke bekwaamheid aan de opvoeding der jeugd
toewijden; ja, hij houdt oprecht veel van den vriendelijken
abt, en roemt de reinheid en rechtschapenheid van zijn
karakter. ^) Maar geen klooster kan hem meer boeien ; het
duurt niet lang, of hij brengt zijnen vriend onder het oog,
dat een verblijven ook in het verdraagzaamste klooster voor
een man van zijne gezindheid huichelarij is, welke ieder, die
in de waarheid wenscht staande te blijven, verplicht is om
onbevreesd te verzaken. Gelijk dit klooster, vlak aan de land-
scheiding gelegen , in zijn doen en streven reeds de grenzen der
Roomsche kerk overschreden had, zoo zou het niet moeielijk zijn,
elders vele soortgelgke kloosters te vinden, voor de ontmoe-
digde geesten in die sombere dagen geschikte toevluchtsoorden ,
in welke men de Evangelische gezindheid , die men den moed
niet had te belijden, in het verborgen koesteren en daarby
nochtans het genot van een onbezorgd leven smaken kon.
Zulke zwakke naturen verdienen dan ook geen beter lot^ dan
om, achter kloostermuren aan de vergetelheid prijsgegeven, in
ieder opzicht langzaam weg te kwijnen en te gronde te gaan.
Onze vriend zag zich door zijnen Heer een liefelijker lot
bereid. Hij liet het klooster achter zich en begaf zich, om
den wille van zijn geloof, verder in het land der vreemde-
lingschap, dieper in den strijd en in moeielijk lijden, maar
om tevens langs dien weg meer en meer versterkt te worden
in het troostvolle bewustzijn, dat zulk een leven tot Gods
verheerlijking strekt.
1) Kajper, II, 553.
8.
In Oost-Eriealaiid.
„Ëala fria Fresena" („wees welkom, vrije Fries"): zóó
luidde de groet , met welken de afgevaardigden uit de zeven
zeegewesten van Oost-Friesland elkander in oude tijden be-
groetten , wanneer zij des Dinsdags van de Pinksterweek van
ieder jaar bij Upstallsboom, eene hoogte in de nabijheid van
Anrich, bijeenkwamen, om te beraadslagen over de rechten,
welke iedere Fries verplicht zou zijn te houden. Ja, het was
een vrij volk, dat aldaar in de schaduw van overoude eiken
woonde! Eeuwen achtereen hebben zij zich manhaftig verdedigd
tegen de wilde baren der gulzige zee , die de laaggelegen land-
streken dreigde te verzwelgen, en die ook, in spijt van dijken
en dammen, zoo menig stuk land aldaar in den loop der
eenwen verzwolgen heeft. Even manmoedig hebben zij weer-
stand geboden aan hen, die het sterke, onbuigzame geslacht
onder het juk wilden brengen : hun vaste antwoord , met het
zwaard in den bloedigen kampstrijd bezegeld, was de fiere,
schoone taal: „Wij willen vrij en Friesch blijven." Volgens de
verklaring van Jakob Grimm duidt de naam, evenals die
der Franken, een vrij volk aan. De Friezen waren ijver-
zuchtig op dit hun kleinood : zelfs de hoogte der huizen was
voorgeschreven, opdat geen enkele uit het volk zich boven
de anderen zou trachten te verheffen. Reeds Tacitus be-
schrijft met welgevallen dit geslacht, tusschen Wezer en Eems
en Maas, hoog in het noorden, aan de zeekust woonachtig.
Hij noemt het een edel volk onder de Germanen, recht-
vaardig, niet belust op vreemd goed, wars van gewelddadig-
heid, doch heldhaftig en schier onbedwingbaar , wanneer zij
hunne vrijheid en hunnen grond zien aangetast. Karel de
Groote heeft al zijne Itrachten moeten in het werk stellen;
het was ook een dertigjarige oorlog, dien hij tegen dit volk
gevoerd heeft, en de overwinnaar zag zich toch genoodzaakt,
om aan den sterken volksstam zijne oude wetten en rechten
te laten behouden.
Verscheidene eeuwen waren sedert dien tijd vervlogen. Het
volk duldde geenen Heer; bijkans ieder dorp had zijnen
hoofdling, die burchten voor zich heten bouwen , en aan de
dorpsbewoners bescherming beloofden. Maar deze hoofdlingen
deden nu hun best, om elkander in macht en invloed te
overtreffen. Er braken zware tijden aan, gedurende welke
de kracht des volks in eindelooze inwendige veeten verlamd
werd, zoodat het niet langer in staat was, om den uitwen-
digeu gemeenscbappelijken vijand zegevierend het hoofd te
bieden. Bevriende hoofdlingen sloten, op Martini-avond van
het jaar 1430, onder den Üpstallsboom een bond tot hand-
having der vrijheid, en kozen tot opperhoofd van het verbond
den zoon van den edelen Enna Cirksena, die zelf wegens
zijnen hoogen leeftijd voor de benoeming bedankt had. Het
was eene gelukkige keus. In korten tijd was het geslacht Cirk-
sena tot hoog aanzien gekomen; schrander van geest en ver-
vuld met eenen vurigen ijver voor het welzijn des volks,
badden zij door de bescherming en verdediging van deszelfs
rechten en vrijheden zoowel den roem van hun huis geves-
tigd, ale ook tevens den invloed gefnuikt van die hoofdlin-
gen, welke zich aan hun gezag niet verkozen te onderwer-
pen. De beide zoons van den eerbiedwaardigen Enna, Edzard
en Ulrich, voerden, de een na den ander, de heerschappij;
na den dood van laatstgenoemden aanvaardde diens weduwe —
eene kleindochter van Foko Ukena, weleer de machtigste
tegenstander van den ouden Enna, — Theda, eene echte „fry-
san vife," met krachtige mannelijke hand de teugels van het
bewind, in afwachting van de meerderjarigheid van haren
zoon Edzard.
In 1494 stierf Theda, de hoogvereerde landsvorstin. De
231
prelaten en hoofdlingen des lands traden met elkander in
overleg y en huldigden, met toestemming des volks, haren
zoon, graaf Edzard, als Heer. Gedurende meer dan dertig
jaren bestuurde hij de aangelegenheden des lands, en dat
op zulk eene uitnemende wijze, dat het dankbare volk hem
den bijnaam van „de Groote" geschonken heeft, en zijne
nagedachtenis nog steeds in het land voortleeft. Geducht in
den krijg, machtig in vredestijd, was hij de bestendige schuts-
heer van zijn volk, zelf een echte Fries, getrouw, matig,
schrander, rechtvaar()lg , door eene vurige vaderlandsliefde be-
zield, innig godvruchtig en met welwillendheid vervuld, ook
jegens de geringsten in het land. In 1528 ontsliep hij in
vrede, met de woorden van Simeon op de stervende lippen.
Hg had met geloovigen zin den Heiland gezien , gelijk Hij door
de Hervorming bekend was geworden, en gelijk Hij de Duitsche
landen zegenend en ontfermend doorwandelde. Nu wenschte
hjj als zijn dienstknecht in vrede henen te gaan. Z\jn zoon
Enno II volgde hem in de regeering op; deze was niet in allen
deele het evenbeeld van zijnen vader, en wijdde zich méér aan
een leven van zingenot, dan aan den ernstigen arbeid voor het
welzijn des vaderlands. Voor de moeielijke tijden, in welke
zijne tienjarige regeering plaats vond, met hunne groote en
gewichtige eischen was hij niet genoegzaam berekend; h\j
handelde zonder energie, en zijne daden droegen maar al
te zeer blijk van zijn gebrek aan ijver voor zijne roeping,
van welke hij trouwens ook geen helder begrip had. Hij liet
liever aan de zaken haren loop , en rustig betijen wat hij te
traag en te lusteloos was om te keer te gaan. Dientenge-
volge zag zijn volk zich vele brandschattingen opgelegd, en leed
ook het land onherstelbare schade: het was tot een strijd-
perk geworden voor de meest verschillende denkbeelden, die
hier met elkander om den voorrang dongen; er was gisting
onder alle standen, en men gevoelde, dat er eene sterke
hand ontbrak , die de opgewekte geesten in dien veelbewogen
tijd vermocht te beteugelen en op den rechten weg te leiden.
In 1540 stierf Enno, nog slechts 35 jaar oud. Zijne weduwe,
gravin Anna, uit het huis van Oldenburg, in meer dan één
opzicht het evenbeelrl van de kloeke Theda, aanraardde als
Toogdes van hare zonen de regeering.
De ïrije, onbuigzame zin van het Friesche volk treedt ook
in zijn godsdienstig leven duidelijk aan den dag. Het is een
■ïroom volk, dat voor zijnen God in den hemel zich neder-
btiigt , maar er een afkeer van heeft om zich aan eenige men-
scbelijke inzetting te onderwerpen. Aan den ingang zijner
geschiedenis staat, als een sprekend beeld van deze zijne
denkwijze, zijn koning Radbod. Hij had de vrijheden zijns
volks moedig tegen Karel Martel verdedigd, maar de over-
macht was te groot; de Friesche koning moest voor den
Fraiikischen hertog bukken. Met den overwinnaar waren de
christen- zen delingen in het land gekomen. De overwonnen
koning moet de prediking van het kruis aanhooren , en stemt
er eindelijk in toe, zich te laten doopen. Reeds staat hij in
het water, op het punt om het zegel des doops te ontvan-
gen, als hij plotseling de vraag tot den Bisschop richt; „Waar
mogen zich mijne voorzaten bevinden, in den bemel, of in
de hei';'" — „Uwe voorzaten stierven als heidenen, en zijn
derhalve allen ter helle gevaren!" Vergramd stijgt Radbod
uit het water, en spreekt: „Dan wil ik liever bij mijne stam-
genooten in de hel zijn, dan bij de weinige christenen in den
hemel." Door geen verdere pogingen was hq te bewegen om
den doop te ondergaan.
Reeds weinige jaren daarna konden zijne stamgenooten de
prediking van het kruis niet langer wederstaan. De grijze
Winfried betrad bij vernieuwing het land, waar hij eens
als jongeling had gearbeid , en zag thans zijne werkzaamheid
onder de Friezen met beteren uitslag bekroond , dan eenige
tientallen jaren vroeger, Liudger en WiUehad waren leer-
lingen van Winfrieil en ook reeds zonen van liet Friesche
volk, die bij de christenen in den lande veel genegenheid
en ondersteuning raochten vinden; in steeds grootere scharen
naderden de lieden tot den doop. Nadat het volk de Chris-
tenleer eenmaal omhelsd had , bleef het van harte aan zijn
233
geloof getrouw. Ook op kerkelgk gebied handhaafden de Friezen
eeuwen achtereen hunne privilegiën. Er was geen bijzondere
bisschopszetel in het land gevestigd; de eene helft des lands
stond onder den kromstaf van den bisschop van Bremen,
de andere onder dien van den bisschop van Munster; van
eenigen invloed , door deze kerkvorsten op de lotgevallen des
lands uitgeoefend, was niet veel te bemerken. Op de eischen
van eenen Gregorius Vu, die het celibaat wilde invoeren,
gaven de Friezen kort en bondig ten antwoord: „De priesters
zijn even goed menschen als wij," en zelfs de pauselijke
macht moest op dit punt onderdoen voor den onbuigzamen
zin van het volk, dat vast besloten had om zich geene pries-
ters, die tot den ongehuwden staat veroordeeld waren, te
laten opdringen. Van de zware stormen, die de Kerk in
andere oorden zoo menigmaal teisterden, bemerkte men hier
slechts weinig. Men leefde, gelijk de vrome vaderen geleefd
badden; op tal van plaatsen in den lande verrezen kerken
en vervolgens ook kloosters. Slechts aan deze indrukwek-
kende steenen gebouwen was vrijwillig het recht toegestaan,
om zich hoog boven de eenvoudige woonhuizen der burgers
te verheffen ; want hooger dan de Fries mag alleen zijn God
wonen !
In de dagen van Lu t her werd het anders. Reeds vroeg
kwamen de bezielende geschriften van den Duitschen her-
vormer den wakkeren graaf Edzard I in handen, en met
klimmend genot en instemming verdiepte hij zich in den
vromen , moedigen geest , die hem ongedacht daaruit te gemoet
kwam. De onverschrokken mannentaal van Luther klonk
zoo krachtig en vrij, alsof het een Fries was, die zóó sprak.
De Graaf verlangde van Luther eenen prediker der Evan-
gelie^s. In het land zelf bevond zich reeds de meest geschikte
persoonlijkheid , een leerling van de Broederen des gemeenen
levens te Zwolle, magister A port anus. Hij bleef niet lang
alleen. Op de meest verschillende plaatsen des lands open-
baarde zich het verlangen naar de prediking van het Evan-
gelie ; spoedig werden er ook predikers gevonden , meestal vrij-
zinnige priesters , die in hunne jeugd door den geest van de
234
Broederen des gemeenen lérens waren beziel^ geworden. Aan
eene scheiding werd nog volstrekt niet gedacht. B[et kon ge-
beuren, dat in dezelfde kerk , waar van den kansel de zuivere
prediking van het Evangelie weerklonk, misschien een uur
vroeger een andere priester aan het altaar de mis had ge-
lezen. Het hart des volks echter keerde zich welhaast en
voor goed van den man aan het altaar tot dien op den kan-
sel en tot den heiligen inhoud zgner prediking. Want de Fries
is ernstig in alle dingen , en niet het minst op het punt van het
geloof. Het is een bekend gezegde: ,, Friesland zingt niet''; maar
zgne bewoners, met hun degelijken, volhardenden, moedigen
en werkzamen aard, denken over de hoogste levensvragen
na, en wat zij op dat gebied door eigen inspanning tot het
hunne gemaakt hebben , dat beschermen zij , evenals hun land,
tegen elk vreemd element, tegen elke gevaarlyke branding.
Van uitertgk vertoon, ook in de kerk, zijn ze afkeerig;
daarentegen z\jn ze geneigd, het woord der waarheid te
onderzoeken, en zich daardoor tot bekeering en vergeving
van zonden te laten leiden. Hun in zichzelf gekeerd, schier
ongenaakbaar karakter doet niet licht afstand van hetgeen
zjj zich, ook op geestelijk gebied, met zooveel inspanning
verworven hebben.
Bij den dood van Edzard was de leer des Ëvangelie's
door het geheele land verspreid; de stervende graaf was
haar van heeler harte genegen. Nog op zijn doodbed ver-
maande hjj zijne zonen, bij deze leer te volharden. Zijn
opvolger hield woord. Het was daarbij echter zijn voornaamste
streven, om de rijke kloostergoederen in beslag te nemen,
en zich door middel daarvan de genietingen te verschaffen,
die zijn hart begeerde^). In vele gevallen heeft hij eigen-
machtig en wederrechtelijk gehandeld. Nochtans , de geheele
beweging, ook in Friesland, was in haar diepste wezen te
rein en te waar, dan dat zulke daden van geweld bij machte
1) Over deie secnlariMtios en berooviagen Tan de kloosters yergel. ook
„Arohiv'*, 8. 5. 139.
236
zonden geweest zijn, om haar karakter te bezoedelen of te
misvormen.
De vroegste, in bnnne soort geheel éénige reformatorische
geschriften van Luther, alsmede zijn kloekmoedig optreden,
alleen in de kracht des geloofs, tegen Keizer en rijk en
Paos, hadden ont^enzeggelijk, ook in deze Nederduitsche
gewesten , het eerst de reformatorische beweging in het leven
geroepen. Maar deze beweging bleef in Oost^Friesland niet
angstig en slaafsch aan de renzengestalte van den Duitschen
hervormer gebonden. De vrije Fries bewandelt gaarne zijne
eigene wegen; de bijkans oppermachtige invloed van den
Wittenbei^er was aan gene zijde van de Wezer en de Eems
veel minder groot dan aan deze zijde.
Ook b\j magister Aportanns, wiens machtige persoonlijk-
heid onloochenbaar den stempel harer theologische richting
op zijn land gedrukt heeft, ten deele ook omdat hij zelf een
echte Fries was, komen reeds vroegtijdig, op het ééne, be-
slissende pnnt, denkbeelden voor den dag, die Luther als
dwaalleer der Sacramentisten aireede beslist had wedersproken.
Reeds in 1526 schrijft de Ëmdensche prediker stellingen ter-
neder als de navolgende: „God, die steeds gezorgd heeft,
dat zijne groote werken en wonderdaden door eenig teeken
of z^el in de herinnering van het menschdom bewaard ble-
ven, heeft, gelijk aan Noach den regenboog, aan Abraham
de besnijding, aan de kinderen Israëls het eten van het
paaschlam, evenzoo aan de Christenen den Doop en het
Avondmaal gegeven. Gelijk het eerstgenoemde slechts tee-
kenen en zegelen z\jn, zoo zijn ook doop en brood en wijn
niet de goddelijke reiniging en heiligmaking, maarlftlleen
gewisse en onbedriegelijke teekenen en zegelen Gods van de
genoemde dingen . . . Christus erkennen, en Hem van gan-
scher harte door het geloof aannemen, d^t is zijn bloed
waarlijk drinken, en zijn vleesch waarlijk eten. Het uitwen-
dige brood eten, en den uitwendigen kelk drinken, is niets
anders geweest, dan voor alle christenen betuigen hetgeen
wij inwendig gelooven , eten en drinken. Daar Christus licha-
melijk in den hemel is, ter rechterhand zijns hemelscben
236
Vaders, zoo is Hij in het brood niet lichamelijk , maar gees-
telijk tegenwoordig." Hetgeen Aportanus in dezen vorm te
Eraden verkondigde, -vertolkte (in 1527) zijn wakkere geloofs-
en strijdgenoot in Norden, Hendrik Rese, in het geeste-
lijk lied, dat spoedig van mond tot mond ging, en waarin
o, a. gezegd wordt: „Der glove is dat rechte ethen, — Sus
mogen wij uns nicht \ermethen, — Tho nutten Irjflijker
w\jze — Salck eyn heylzame spijze. — De glove nimt Chris-
tnm sulvest an — ünde allent dat he heft vor uns gedan, —
SiJD vlesch unde bloth, sijn lijf unde sel, — Ja in em Godt
snlveat alhel," ') Dat is echter niets anders, dan de luide
weergalm, hoog in 't noorden, van de leer van Zwingli. Zij
vond , wel is waar, tegenspraak , zoowel van Roomache zijde ,
als ook van den kant van zulke Evangelische predikers , die
zich nauwer aan Luther hadden aangesloten, maar toch
verkreeg zij de overhand, gelijk wij haar ook wedervinden
in de oudste Gteloofstielijdenis , die de Evangelische predikers
van Oost-Friesland , kort na den dood van graaf Kdzard
(1528), iu het licht zonden 3), welke belijdenis nog in het-
zelfde jaar door eene daarbij behoorende uitvoerige Verkla-
ring gevolgd werd.
Overeenkomstig het levendige vrijheidsgevoel zijner bewoners
werd tViesland welhaast het asyl van allen, die, om den
wille van hun geloof, in de naburige staten aan vervolging
waren blootgesteld. De toevloed der zoodanigeu was zeer
aanzienlijk. Het kleine landje vertoonde eene bonte staalkaart
van voorstanders van de meest verschillende godsdienstige
denkbeelden, in die dagen een gansch éénig verschijnsel, alsof
ginds aan de zee een eiland uit de diepte was opgerezen
1) CorQBlius, B. 20.
2) Met betrekking tot liet uiitHtann tui dit belangrijk sjtobottauh geadirift.
zie men Buimiui, |)Dg. 3*6. De belijdenin nelve niut hare 33 Artikelen vindt
mea afgedrukt bij UeinerB, I, 53, Het llUe Artikel luidt sldne: „Het
ATondtBiaal de» HiMren dient tot do« Heeron gcdnohteniise en tot Tsrkondi-
gÏDge VBii lijnen doijdt, (o lang tot dnt liij wederkomt. Ook om 't geloTe
te betuigen, welk gelOïe is het rechte, eüige eteu en drinken vsn Chrielus
Tlewch en bloedt. Het dieal mede tot de brordwlijke liefde."
237
met weiten, gelijk die elders eerst in den nieuwsten tijd zijn
vastgesteld. Uit de Nederlanden stroomden de Evangelischen
in groeten getale naar de gastvrije herberg der gewetensvrij-
heid. Zij werden vergezeld door de Wederdoopers : Hendrik
Niclaes ^verde hier een tijdlang, daarna weder David Joris;
overal elders vervolgd, rustte Karlstadt hier een tijdlang
uit: bet was een rechte verzamelplaats van de meest verschil-
lende geestdrijvers. Hunne werking op het volk was welhaast
te bespeuren, inzonderheid onder de regeering van Enno,
die de dingen gaarne op hun beloop liet Uit Bremen waren
predikers overgekomen , die de ontstane verwarring en tuch-
teloosheid door eene nauwe en onvoorwaardelgke aansluiting
aan de leer van Luther meenden te kunnen stuiten: maar met
onstuimigheid verhief zich de gemeente tegen zulk oenen eisch.
Ook de wetten, die door de regeering in aansluiting aan de
Marborgsche Artikelen werden uitgevaardigd , misten de be-
doelde uitwerking. Daarop werd door den Graaf, een jaar
of wat later, eene poging gedaan, om door een paar predi-
kers uit Lunenburg aan het Lutherdom de overhand te ver-
schaffen. Doch insgelijks te vergeefs. Reeds in 1538 moesten
de vermeende redders het land weder verlaten; alle hunne
pogingen, ofschoon door de macht der overheid ondersteund,
leden schipbreuk op den vrijen zin van het volk. Maar de
verwarring nam ook op bedenkelijke wijze toe; waar bleef
bij, die zich in staat zoude toonen, om orde te scheppen en
vrede te schenken aan het land?
Zoodanig was de toestand van Oost-Friesland , toen Jo-
hannes a Lasco zich uit Groningen derwaarts begaf, om
hier in stille afzondering voor zijne studiën te leven.
a) De tijd van afwachting.
Het moet in den naherfst van het jaar 1540 geweest zyn,
dat onze vriend den gastvrijen bodem van Friesland betrad.
Het juiste tijdstip zal men bezwaarlijk meer kunnen te weten
komen. De geleerJe geschiedschrijver zijns volks is van
meening, dat onze Pool zelfs reeds in het begin van dat
238
jaar te Emden gekomen is, en verhaalt, hoe nog Enno,
kort vóór zijn overlijden , den hooggeschatten man de leiding
der Friesche kerk heeft willen toevertrouwen, maar hoe deze
de eervolle opdracht van de hand heeft gewezen, terwijl hij zich
tot zijne verontschnldiging inzonderheid zal hebben beroepen op
zijne onbekendheid zoowel met de taal, als met de eigenaardige
toestanden des lands ^). Zoolang geene meer afdoende bewij-
zen voor deze bewering worden bijgebracht dan tot dusver,
is zij aan zeer gronden twijfel onderhevig. Enno stierf reeds
in September 1540, op een tijdstip , dat La ski, gelijk uit alle
andere berichten bijkans met zekerheid kan worden opgemaakt,
zich nog in Leuven bevond. Het is moeielijk aan te nemen ,
dat, gelijk Emmius bericht, Laski den Graaf, in zijne plaats,
zijnen vriend Hardenberg voor dien gewichtigen post zal
hebben aanbevolen, den man, die destijds nog de pij der
Bemardijner-monniken droeg, en juist kort te voren zijne
toevlucht gezocht had achter de beschermende kloostermu-
ren, die hij eerst in het volgende jaar, op aanhoudenden
aandrang yan onzen vriend, besluiten kon te verlaten.
Emden was in die dagen een weinig uitlokkende verblgf-
plaats. Destijds stuwde nog de zee hare wateren onmiddellijk
tot aan de stadsmuur; in de koude najaarsstormen en in de
donkere winternachten sloeg de hooggaande vloed met hui-
veringwekkend geweld tegen de stad aan. Vochtige en koude
nevels bedekten voortdurend de laaggelegen landstreek. De
nauwe straten, de kleine, onaanzienlijke woonhuizen boden
nauwelijks genoegzame beschutting aan de bewoners , die van
hunne vroegste jeugd af tegen alle zoodanige onaangenaamheid
van het ruwe klimaat gehard waren; aan den vreemdeling
echter moesten zij al zeer onherbergzaam toeschijnen, inzon-
derheid aan eenen Pool, die aan de gerief elijkheid van de
woningen der Erakau'sche patriciërs gewoon was. Wanneer
wij heden ten dage de zindelijke, nette, tamelijk eenzame
straten van Emden doorwandelen , dan wordt het óns te
1) Bmmiüs, pag. 915.
239
moede, alsof de stad drieboDderd jaren achtereen in eenen
diepen slaap is verzonken geweest, en alsof wij door dezelfde
straten gaan, in welke ook La ski eens gewandeld heeft In
dat geval zouden wij den toestand der huizen in zijnen tijd
veel gunstiger moeten afschilderen. Maar de hoogere bloei
der stad, waarvan hare oude huizen, inzonderheid het schoone
raadhuis , zoo welsprekend getuigen , dagteekent eerst van de
tweede helft der zestiende eeuw, en was niet voor het ge-
ringste deel het gevolg en tevens de dankbare vrucht van
den geest, dien Laski voortdurend met al zijne krachten
heeft zoeken aan te wakkeren. Want Emden verkreeg door
hem, meer nog dan te voren, recht op den schoenen eere-
titel, de herberg te zijn van hen, die om huns geloofs wiHe
vervolgd werden, en de voortvluchtige Nederlanders en En-
gelscben beloonden die gastvrijheid rijkelijk door hunne vlgt
en bedrijvigheid.
Ook de middelen van onzen banneling schijnen in dien tgd
niet toereikend geweest te zijn, om zich door eéne meer ge-
riefelijke inrichting tegen den nadeeligen invloed van wind
en weder te beschutten. Hij had naar huis geschreven, met
het verzoek, dat men zijne boeken over Frankfort naar Emden
zou sturen, en zond nu aan zijnen vriend in Aduard eene
opgave van zijne doubletten ter aanvulling van de rgke
kloosterbibliotheek, waarschijnlijk echter ook tevens om met
het geld, dat hij daardoor in handen zou krijgen, in zijn
levensonderhoud te voorzien. Tegenover de bewoners van
Emden gevoelde hij zich tamelijk vreemd. Met de beschaafden
onder hen kon hij zich in de moedertaal der humanisten
gemakkelijk onderhouden ; maar van het volk was hij , als
door eene onoverkomelijke klove, gescheiden door de Neder-
duitsche Uial, die zoo geheel anders luidde, dan hetgeen hij
zich weleer in Bazel van de Hoogduitsche taal had eigen
gemaakt. Dit was van te meer gewicht, omdat hij hier in
Friesland een volk aantrof, dat men niet, gelijk eenen Pool-
schen Kmetoon, onopgemerkt kon voorbijgaan, en Laski
zou zulks thans gewis ook niet gewild hebben.
B{j al deze bezwaren , die onzen vriend verhinderden om
240
zich in deze ruwe, onherbergzame streek tehuis te gevoelen ,
voegde zich een smartelijk lichaamslijden. Wij moeten hem
ons in dit opzicht voorstellen gelijk Paulus , met eenen doorn
in het vleesch , doch mogen hem ook hierin met den grooten
Apostel vergelijken, dat hij, evenals deze, in de school des
lijdens en door het onderricht des Evangelie's geleerd had^
zich met de genade zgns Heeren te vergenoegen. Reeds uit
de eerste berichten, die wij in Bologna aangaande hem
vernomen hebben, blijkt, dat hij eene zwakke gezondheid
bezat, zoodat ook zijne naaste betrekkingen zich over hem
bezorgd maakten. Gedurende de laatst verloopen dertien jaren ,
die hij in zijn vaderland doorbracht , had hij zich lichamelijk
wel gevoeld. ') Maar nu, in deze Inaggelegen, vochtig •
koude streken, waren de koortsen met vernieuwde hevigheid
teruggekeerd. Het voedsel, waaraan hij niet gewoon was,
bleek nadeelig te zijn voor zijne maag, wier toestand nog
verergerde door de geneesmiddelen, die hem de doctoren
tegen de hevige koorts voorschreven. Een voortdurend braken
kwelt den lijder; het opgaan naar de nabijgelegen kerk doet
hem bijkans in onmacht vallen; na slechts een weinig gelezen
te hebben , wordt het hem duister voor zijne oogen ; een brief
van enkele regels kost hem eene langdurige inspanning, en
daarbij komt dan nog het aanhoudend, smartelijk haemor-
rhoïdaal-lijden. Maar al dit lijden droeg hij zonder morren.
„Gode zy de eer, die mij door zulke lichamelijke vermanin-
gen mijne schuld en verplichting tegenover Hem zoo genadig
herinnert" Reeds meende hij dat hij verplicht zoude zijn,
aan den aandrang der zijnen gehoor te geven, en ter wille
van zijne gezondheid Emden te verlaten. Toen echter de
winter voorbij was, en de lente beterschap aanbracht, bleef
hij. Emden had reeds zijn hart gewonnen; hier had hij ge-
vonden hetgeen hij gezocht had , een afgelegen toevluchtsoord ,
waar hij ongestoord voor zijne studiën kon leven.
Aangaande den loop dezer studiën gedurende het rustige jaar,
dat nu volgde , kunnen wij , tot onze spijt , geene nadere bijzon-
1) Kuyper, II, 552.
241
derheden mededeelen. Alleen zien wij, dat nieuwe , belang-
rijke voortbrengselen op theologisch gebied niet lang voor
hem verborgen blijven. Bij zekere gelegenheid roemt hij de
vrijmoedigheid der taal in het ten jare 1539 verschenen
werkje van Melanchthon: „Die fürnembste Unterschied zwi-
schen reiner christlicher Lehre des Evangeliums und der
abgöttischen papistischen Lehre/' een geschrift , dat ook,
gelijk hij aan zijnen vriend in het klooster mededeelt, de
Keizer met levendige belangstelling gelezen, en in hetwelk
Melanchthon met bewonderenswaardige beknoptheid de voor-
naamste geloofspunten ter sprake gebracht heeft. Van zijnen
afgelegen wachttoren aan de zee volgde La ski den loop
der gebeurtenissen op kerkelijk gebied. Het was destijds aan
de orde van den dag^ om de moeielijkste en duisterste vra-
gen der theologie in lange bijeenkomsten te bespreken. Wie
den loop van eene zoodanige discussie wilde volgen, zag
zich onverhoeds vóór de belangrijkste problemen geplaatst,
en werd er onwillekeurig toe geleid, om zich van zijne ge-
voelens dienaangaande rekenschap te geven. Hoeveel te meer
was dit het geval met onzen vriend , wiens ernstige studiën
hem onophoudelijk noopten, om aan de beantwoording van
de opgeworpen vragen tot zijne eigene onderrichting en beves-
tiging in het geloof te arbeiden. In November 1540 waren
afgevaardigden van de verschillende stenden tot het houden
van een godsdienstgesprek te Worms bijeengekomen. Ranke
wijst daarbij op de buitengewone omstandigheid, dat hier
de vertegenwoordigers van het Pausdom onderling verdeeld,
die van het Protestantisme daarentegen eensgezind waren. ^) De
Wittenbergsche Concordie hield de geesten nog bijeen; Cal-
yijn en Melanchthon, die heiden aanwezig waren, sloten
zich met oprecht vertrouwen bij elkander aan. De voornaamste
vraag, bewoog zich op kerkrechtelijk gebied ^ en was deze:
welke der beide kerken in de gemeenschap der ware, oude
kerk volhardde, en bijgevolg op den naam van de „katho-
lieke" aanspraak mocht maken. Deze vraag moest Laski
1) Ranke, IV, I5G.
DALTON. 16
242
in bijzondere mate boeien , en hem aanleiding geven tot stu-
diën, welker vrucht aan zijne latere belangrijke werkzaam-
heid ten goede kwam. Op dit gesprek te Worms volgde reeds
in het begin des anderen jaars het godsdienstgesprek te Re-
gensburg, bij welk laatste zelfs de Keizer tegenwoordig was.
Sedert jaren waren de beide kerken niet op zulk eene verzoe-
nende wijze tot elkander genaderd, als bij deze gelegenheid.
Mannen als Granvella en Gontariniaan den eenen, Bucer
en Melanchthon aan den anderen kant waren geneigd tot
concessies , die heden ten dage de eerstgenoemden op de bank
der oud-Katholieken , de laatstgenoemden in de nabijheid der
Centrumspartij zouden geplaatst hebben. Ter eener zijde was
men geneigd , om aan de priesters het aangaan van een huwelijk
en , wat Duitschland betreft , aan de leeken het gebruik van
den kelk bij de Avondmaalsviering te vergunnen ; ter anderer
zijde waren eenige vorsten niet ongenegen , om , onder zekere
voorwaarden, het primaat van den paus te erkennen. Ja, zelfs
op het cardinale punt van de leer der rechtvaardigmaking
lieten Gontarini en zijne geestverwanten zich uitdrukkingen
ontvallen, die ontegenzeggelijk vrij dicht tot de leer des Evan-
gelie's naderden. Bij de leer van de Transsubstantiatie kwam
't eerst de niet te bedekken tegenstelling weder scherp te
voorschijn; de zichtbaar geworden kloof nam grooter afme-
tingen aan. Ook dit godsdienstgesprek had niet geleid tot
datgene , waartoe men van weerskanten de meest verzoenlijke
bereidwilligheid getoond had. Een vergelijk was nu eenmaal
niet meer mogelijk.
Onze vriend in zijn afgelegen toevluchtsoord voelde zich door
dit gesprek, waarvan het gerucht zich spoedig door geheel
Duitschland verspreid had , aangedreven, om al de geschilpunten
nog eens vóór zijn eigen geweten aan het ernstigst onderzoek
te onderwerpen. De uitslag kon niet twijfelachtig zijn; het
resultaat van zijn onderzoek noopte hem, om de Boomsche
kerk nog nadrukkelijker te verzaken, en nog meer klem te
leggen dan tot dusver op het Protestantsche standpunt.
Naarmate Laski krachtiger nadruk begon te leggen op
de leer van het Protestantisme* des te meer drong hij bij
243
xijnen vrien«1 in het klooster op oene beslisson^lo keiizo atuu
Laski had zijnen Triend mondeling aangemaand « om hot
klooster te verlaten; Hardenbei^ weifelde nog, maar do
prikkel, tegen wélken hij zich op den duur niet kon ver-
zetten, was hem door zijnen vriend in do ziel gedrukt.
„Wat gij mij schrgft over schaamte , smart en al do ellende ,
die n voortdurend pijnigt, hoe ter wereld kan ik dat geloo-
ven, daar gij zelf verzekert, dat Christus de gi*ondon van uw
voornemen ontwijfelbaar goedkeurt? Tegenover Hem zijt g\j
alsoo zeker van nwe zaak, en tegenover mij schaamt en
beangstigt gij n? Hoe, ben ik dan soms grooter dan H\jf
Wie in Christus' gemeenschap de ware zielsrust deelai'htig
werd, hem kunnen menschen haar niet meer ontrooven. Als
gij het in uw gemoed hiermede eens zijt, waarde Alliert,
dan behoeft gij n tegenover mij over uw voornemen niet. te
schamen; doch indien het soms anders is, dan hebt gy n
waarlijk veel meer voor Christus te schamen , en het zou be-
grijpelijk zijn , waarom gij u in uw hart zoo beangstigt , vooral
indien gij niet zeker zijt, dat de gronden van uwe handelwijze
eemnaal voor Gods gericht zullen kunnen bestaan Daar
gij zelf bekent, dat gij zoo onbeschrijfelijk geslingerd wonlt,
zoo vrees ik, dat gij nog verder van de ware rust verwijdcjrd
zijt, dan gij zelve meent. Gij overlegt nog, of uw leven wel-
licht eene godslastering is, en laat intusschen de ergNie mJH-
bruiken plaats hebben , alsof misbruiken , door welke de naam
en de verdienste van Christus gehoond worden, geene gods-
lastering zijn. Ma^ir gij m;iakt u niet srtbuldig aan zulke
misbruiken, en laakt ze ook, zoo God wil, onl)eH(!liroomd.
Zoo wilt gij u dan tegenover ons op uwe vrijheid Ihtoo-
men, alsof wij niet wisten, binnen welke grenzen zij beperkt
is. Grij verwerpt het voorbeeld van Ilizkia, als niet van Uie-
passing op uw ambt, uit hoofde van de geheel veiKchillende
omstandigheden, in welke gij u bevindt. I)o(;h wat bij, de
handhaver van uiterlijke tucht, met bet zwaard gedaan be^sft,
dat moet gij niet maar met zulke vage verwijtingen in uwe
voonlrachten doen, maar met dien geheel éénigeii hamer,
die ook de rotsen vermorzelt. Het i.s de roeping van iU'ji
244
godgeleerde, om aan aan elk zijn schuld en plicht onder
het oog te brengen. Indien uwe overheid aan de vermaning
geen gehoor geeft, ja, indien zij zich niet l&dt vermanen ,
en zij u zelfs d>vingt, om te vergoelijken en te bedekken,
en gij aan haren eisch toegeeft: kan dat nog vrijmoedig
berispen heeten? De vergelijking, die gij maakt tasschen
Babyion en Babyion, is ook in het geheel niet juist Want
wij hebben geen enkel afgodsbeeld, dat wij vereeren, maar
gijlieden bewijst goddelijke eer aan dien gruwel, dien gij ter
gewijder plaatse in de openbare godsdienstoefening ten toon
stelt , en zijt dienaren van zulk eenen afgodsdienst. Indien er
nog afgodsbeelden bij ons zijn overgebleven, dan worden zij
klaarblijkelijk door allen veracht en veronachtzaamd. Op welke
trekking des Geestes gij nog wacht, weet ik niet. Ik voor mij
gelooi, (lat het de Geest Gods is, die spreekt (Jes. 52: 11.
2 Cor. 6: 17): „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u
af." Dezelfde Geest spreekt het gelijkluidende woord, in de
Openbaring (18:4): „Gaat uit van haar, mijn volk, opdat
gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt." Indien gij
dit toepast op de vlucht in den geest, zoo staat het vast,
dat wie deze vlucht ook slechts éénmaal waarlijk in zijnen
geest heeft volvoerd , ook niet meer vrijwillig onder diegenen
kan blijven verkeeren , door wie hij voortdurend de grootheid
en verdienste van Christus ziet ontheiligen. Wat mij betreft,
waarde Albert, ik heb u even lief als immer te voren, maar
uw weifelen is mij gansch niet lief." ')
Dat is de rondborstige, mannelijke taal van eenen echten
strijder van Christus , die zich het Evangelie niet meer schaamt,
maar vrijmoedig en onverbloemd den Heer belijdt en om zij-
nentwil blijmoedig en met vaste overtuiging alle banden ver-
broken heeft , die hem aan de wereld konden kluisteren , om
zich voortaan slechts door dien éénen band te voelen om-
kneld, die de verloste ziel met haren Heiland verbindt. Op
zulk een nadrukkelijkeu en beslisten toon zou Laski in
den kring der Evangelische bijbellezers te Leuven nog niet
1) Kuyper, II, 557.
245
gesproken hebheo ; met rassche schreden snelt hij voort in de
loopbaan, vergetende hetgeen achter is, zich strekkende tot
hetgeen vóór is, wetende, dat zijne sterkte daarin berust,
dat hij van Christus gegrepen is.
Hij rust dan ook niet , voordat hij zijnen weifelenden vriend
tot het doen van denzelfden, beslissenden stap heeft overge-
haald. Hardenberg oppert eene reeks v.in bedenkingen,
die ons doen zien, welk een zwaren strijd zijne ziel had te
strijden ^); in den zoo even medegedeelden brief vinden wij
vermoedelijk de wederlegging van enkele punten, die wel-
licht in het mondeling onderhoud te Emden nog niet ten volle
waren afgehandeld. Mogelijk had Hardenberg in de kerk
te Emden de nog niet weggenomen heiligenbeelden gezien;
vandaar de meening, of de voorgestelde verandering toch
niet per slot van rekening slechts oen trekken van het eene
Babel naar een ander Babel was, eene raeening, die zoo
licht in een weifelend hart kon oprijzen. De briefwisseling
werd maanden achtereen voortgezet: het is een aandoenlijke
strijd, dien La ski onvermoeid met zijnen vriend kampt. —
Dezen sterken aandrang kon de weifelende Hardenberg
op den duur niet wederstaan. Evenwel was 't eerst in de
lente van 1543, dat hij zich in zijne monnikspij ten huize
van Laski aanmeldde. Het monnikskleed werd hier afgelegd
en weggeborgen, en de vrouw van Laski droeg zorg, dat
de motten het wollen gewaad niet verteerden. ^) Na een kort
verblijf te Emden begaf Hardenberg zich naar Wittenberg,
ten einde zich aldaar, onder de leiding van Melanchthon,
met wien hij spoedig zeer bevriend werd, grondiger bekend
te maken met de leer der Evangelische kerk.
Ook de nonnenkloosters werden omstreeks dien tijd door
onzen Laski niet gunstiger beoordeeld, ook niet die der
mildste observantie, gelijk wij ze in die dagen aan den be-
1) De bibliotheek te Munehen is in het bezit van het belangrijke, door
Hardenberg eigenhandig geschrevene Stuk. Spiegel (S. 27) geeft er een
aittreksel van.
2) Kuyper, II, 577.
246
neclen-Rijn m de Begijnenhuizen ontmoeten; vereenigingen ,
wier leden, zonder zich daartoe door eene bepaalde gelofte
voor het geheele leven te verbinden, in gemeenschappelijke
huizen, op eenvoudigen trant ingericht, een vroom leven
leidden. In het naburige Groningen woonde in het eerste
Begijnenhof de schrandere en vrome Geertruid Syssinge,
uit eene oude, aanzienlijke Groningsche familie gesproten.
Laski had haar leeren kennen, en hield briefwisseling met
haar, welke de beschaafde Begijn in de Latijnsche taal wist
te voeren ; niet minder was zij ook in huishoudelijke werkzaam-
heden bedreven, zoodat het hanteeren van spinrokken en
weefgetouw haar gansch niet vreemd was. Laski dringt er
ook bij haar op aan, dat zij het vrouwenstift zal verlaten;
zijn huis in Emden stelt hij als toevluchtsoord voor haar
open. Meer aanhoudend werd de bede, toen de krijg zich
naar Groningen dreigde te verplaatsen. „God zal u niet ver-
laten , waar gij u ook moogt bevinden , indien gij Hem slechts
in waarheid en van ganscher harte wilt volgen, en ik tw^fel
er niet aan, of gij zulks wilt. Van mijnen mannelgken bij-
stand moogt gij u verzekerd houden." In een nader schrij-
ven ^) klinkt het reeds op dringender toon: „Hoewel ik geens-
zins een heer en rechter van anderer geweten kan , noch ook
\\i\ zijn , zoo begrijp ik toch niet , hoe iemand , die eenige kennis
van de waarheid bezit, en de verborgenheden der goddeloos-
heid in de kloosters kent, zijn geweten voor God kan recht-
vaardigen, als hij in het midden derzulken blijft, van wie
hij dagelijks ziet en hoort, dat de verdienste en roem van
onzen Heer Jezus door hen gesmaad worden". . . Onze Begijn
kon minder spoedig tot eene beslissing komen, dan de Ber-
nardijner uit het klooster Aduard ; menige omweg , op welken
ons bestek ons echter niet toelaat haar te volgen, werd door
de weifelende vrouw gemaakt, voordat zij den dorpel van
het klooster voor altijd overschreed. Zij, wier beider kloos-
1) Ibid. II, 562. Eea uitvoerig bericht vaa den geheelen loop dezer zaak
vindt men bij Spiegel, S. 91 — 105.
247
ters op niet verren afstand van elkander gelegen waren,
zagen vervolgens hunne wegen tot elkander geleid , en moch-
ten hun verder leven onder hetzelfde dak doorbrengen; in
1547 werd Hardenberg met zijne „Truijtje" i) in den
echt verbonden, en volgde zij hem als levensgezellin naar
zijne Bremer pastorie.
De twee jaren, die Laski nog in Emden sleet, voor-
dat hij zich geroepen zag, om eenen energischen en be-
slissenden invloed op den loop der gebeurtenissen uit te
oefenen, verliepen evenwel niet zoo rustig en ongestoord , als
hij waarschijnlijk wel gewenscht had. Naar het aangrenzend
gebied der Nederlanden werd nu en dan een uitstapje door
hem gemaakt. Een kort verblijf te Amsterdam bezorgde
hem menig verleidelijk aanbod. Ook eene reis naar zijn
oude vaderland , zijn geliefd Polen , vond in dit tijdperk zijns
levens plaats. De aanleiding tot laatstgenoemde reis was van
treorigen aard. Reeds eenmaal, een paar jaren te voren,
was de gewichtige werkzaamheid van zijnen beroemden broe-
der Hieronymus en diens tragisch lot ook op het leven
van onzen Johannes van grooten invloed geweest: wij her-
inneren ons, met welk eenen rusteloozen ijver onze Johan-
nes al het mogelijke had gedaan, om zijnen geliefden broe-
der uit de smadelijke gevangenschap te bevrijden, tot welke
Zapolya hem gedoemd had. De schandelijke bejegening
van de zijde van hem, voor wien hij alles had opgeof-
ferd, en die schier alles aan hem verplicht was, had den
zwaar-gekrenkten Pool bewogen, om zich aan den anderen
pretendent aan te sluiten. Al zijn streven was er van nu voortaan
op gericht, om aan het als uit duizend wonden bloedende,
maar nochtans zoo schoone Hongarije eindelijk toch genezing
en vrede te verschaffen. Keizer Kar el betuigt zelf in eenen
. 1) Z66 luidt haar Toornaam Geertruid, in zijnen meer alledaagachen vorm,
op hel éénige adres van een brief aan haar, dat ons bewaard is gebleyen;
in zijne Latijnsche brieven zelve noemt Laski zijne vriendin altijd Drusilla.
248
zendbrief iian Hieronymus, die ons is bewaard gebleven , i)
welk een gewichtig aandeel Laski aan de bijlegging van
den jaren lang voortgezetten twist tusschen de beide pre-
tendenten en aan het sluiten van den vrede tasschen Fer-
dinand en Zapolya gehad heeft Deze vrede was zonder de
voorkennis en goedkeuring van Soliman tot stand gekomen*
Men achtte niemand beter geschikt dan Laski, om naar Eon-
stantinopel te gaan, ten einde aan den gevreesden Soliman
de tijding mede te deelen. De moedige Pool nam de gevaar-
lijke zending op zich. Onbevreesd bood hij het hoofd aan
de smaadredenen van den vertoornden Sultan; de oorlog werd
verklaard, Laski in den kerker geworpen; men dreigde hem
neus en ooren te zullen afsnijden. Slechts een gunstig toeval
behoedde hem voor zulk eene wreede verminking, en stelde
hem in de gelegenheid , om naar zijn vaderland terug te kee-
ren. ^) Zoo groot en belangeloos was de zelfopoffering van den
Pool voor het welzijn van Hongarije , dat hij , in weerwil van
het eerst kort te voren doorgestane levensgevaar, zich in het
volgende jaar (1540) bereid verklaarde, om met eene nieuwe,
even gevaarlijke boodschap in het hol van den leeuw terug
te keeren. Zapolya was namelijk, in den ouderdom van 53
jaren, gestorven; een paar weken vóór zijnen dood had zijne
jeugdige gemalin Isabella, de schoone dochter van den
koning van Polen ^ hem eenen zoon geschonken. Een renbode
werd naar Konstantinopel gezonden, ten einde den pas ge-
boren erfgenaam onder de bescherming van den Sultan te
plaatsen; Laski was met de moeielijke taak belast, om den
Sultan gunstig te stemmen voor koning Ferdinand. Indien nu
slechts de Habsburger met den aanvang der vijandelijkheden
tegen Isabella zóó lang gewacht had, totdat Laski zijnen last
had volbracht, en zich aan het bereik van den gevaarlijken
tegenstander had onttrokken! De onverschrokken trouw van
den bode zou wel zulk eene oplettendheid verdiend hebben. Nu
echter deden de vijandelijkheden tegen de weduwe, die zich
1) Afgedrukt in het «^Kerkhistoriach Archiof," 1855, blz. 171.
2) Vergel. Ham m er, II, 167.
249
en haren zoon onder de bescherming van den Sultan gesteld
had, de woede ontbranden van den woesten overwinnaar, die
zich als Heer van Hongarije beschouwde. Aan Ferdinand werd
de oorlog verklaard ; het eerste gevolg daarvan was de inhech-
tenisneming van den afgezant. Ook de vijand had achting voor
den stoutmoedigen man, en waardeerde zijne buitengewone
begaafdheid. Men bood den gevangene eene hooge betrekking
aan, indien hij zich in den dienst van den Sultan wilde bege-
ven; maar Laski was geen renegaat en ook geen loondienaar,
die voor geld en eer aan elkeen zijn zwaard en pen ter be-
schikking stelt. Standvastig verduurde hij zijne gevangenschap.
Zijn broeder in het verre Emden schijnt daarvan in die dagen
niets vernomen te hebben; hij verkeerde in de meening, dat
Hieronyraus zich in de omgeving van Ferdinand bevond. *)
Langzaam verstreek de winter voor den gevangene, die in
het huis van den Grootvizier was opgesloten, en enkel des
Zondags in de kerk van den Griekschen patriarch de mis mocht
bijwonen.^) Eindelijk, omstreeks het midden van Juni 1541,
trok Soliman met zijn leger tegen Hongarije op; zijne wilde
horden overstroomden de landen, alles vernietigend, waar
zij zich nedersloegen. De beklagenswaardige gevangene werd
medegesleept tot aan Belgrado. In lijdenden toestand smachtte
hij daar in den kerker, terwijl Soliman zijnen zegevierenden
intocht hield in Ofen. In toornige stemming was deze uit
Belgrado opgebroken, want hij had het bericht ontvangen,
dat de beide boden, die koning Frans tot hem gezonden had »
onderweg in Italië verraderlijk waren vermoord geworden door
bandieten, die daartoe door Marchese Guasto waren om-
gekocht. Eén van die beiden was Rin^on, de reeds genoemde
vriend van onzen Laski, die op zulk eene jammerlijke wijze
zijn leven moest eindigen, terwijl zijn vroegere ambtgenoot
in den kerker van Belgrado smachtte. 3) Toen Soliman uit
1) £uyper, II, 554.
2) Hammer, II, 169.
3) Volgens Sleidanus (I, 344) zal Laski eerst te Belgrado gevangea ge-
nomen zijn, als daad yan weerwraak van den yertoomden Sultan OTer den
sloipmoord , op Bin^on gepleegd , omdat Soliman yermoedde , dat £arel Y en
250
Ofen naar Belgrado teruggekeerd was, ontfermde hij zich over
den gevangen gezant van zijnen onlangs verslagen tegenstander,
en liet hem in vrijheid stellen. Met eene geknakte gezondheid
en in eenen deerniswaardigen toestand, het gevolg van zijne
gevangenschap, keerde L as ki naar zijn oude vaderland terug,
en bereikte hij Krakau. Hij voelde den dood naderen , en had
een reikhalzend verlangen, om zgnen geliefden broeder nog
eenmaal te spreken. ^) Zoodra onze Johannes in Emden
het treurige lot zijns broeders vernomen had , spoedde hij
zich tot hem. Ofschoon men in Polen niet onkundig was
van z\jn huwelijk en z\jn geheelen overgang, verhinderde
hem nochtans niemand, de grenzen des lands te over-
schrijden, en zich in de hoofdstad en in de nabijheid van
den stervenden op te houden. Men hield het Igden van dezen
laatsten voor het gevolg v^Ch een langzaam vergif, dat den
gevreesden bode reeds in Eonstantinopel of in Belgrado door
de handen der Turken was toegediend, ten einde hem op
zulk eene lafhartige, ellendige wijze uit den weg te ruimen.
Hoe gaarne zouden wij de gesprekken beluisteren, die
Johannes waarschijnlijk met zijnen stervenden broeder ge-
voerd heeft ! Meer dan ééne aanduiding doet ons gissen , dat
Hieronymus niet verre van het Evangelie verwijderd was, en
dat hij mogelyk denzelfden stap zou gedaan hebben, dien
zgn broeder gedaan had, indien slechts zijne omstandigheden
hem meer rust en gelegenheid tot nadenken geschonken hadden.
Melanchthon kende den bekwamen diplomaat; hij zal, gelijk
verhaald wordt, eene rede over hem gehouden hebben. ^)
Ferdinand in dexe zaak de hand hadden gehad. Velen, zooals onlange nog
Fessier, hebben deze opgave yan den beroemden sohryyer geyolgd. Maar
Hammer (II, 171) had meer nauwkeurigo, onwraakbare bronnen tot zijne
beschikking. Laatstgenoemden hebbon wij daarom gevolgd.
1) Kuyper, II, 30: „ipso id a me petente."
2) „Scrinium," I, 480. De bedoelde rede is niet in de compleete uit-
gave van Melanchthon's werken opgenomen, en is my, tot mijn leedwe-
zen, evenmin onder de oogen gekomen, als de terzelfder plaatse vermelde
brief, in welken Melanchthon Hieronymus zal hebben beschreven als „virum
illustrem, magniftcum et reveretidum, nobilitate geueris, virtute et sapientia
praestantem, patronum snum coleudum.*'
251
Hieronymus was geenszins ontevreden op zijnen broeder, noch
vanwege zijn huwelijk, noch vanwege zijnen overgang, door
welke heide daden hij zich zelven voor het oogenblik de ge-
legenheid had afgesneden y om in de eene of andere betrek-
king zijn vaderland te dienen. Hij is niet tegen het aan-
vaarden van eene betrekking in den vreemde, maar smeekt
zijnen broeder, dat hij zulk eene betrekking slechts onder
die voorwaarde zal aannemen, dat, wanneer het vaderland
hem noodig heeft, en hij, bij eene eventueele verandering
van den kerkelijken toestand, onverhinderd in zijn geboorte-
land volgens zijn geloof kan leven , hij alsdan van iedere aan-
gegane verplichting zal ontheven zijn, en hij zijne krachten
weder ten nutte van Polen zal kunnen aanwenden. ^) Het
verzoek van den stervenden strookte geheel met zijne eigene
wenschen , gelijk ook met zijne vurige vaderlandsliefde , die het
groote offer der verbanning om zijns geloofs wil in onze schat-
ting des te belangrijker en kostbaarder maakt.
Na den dood zijns broeders vertoefde onze La ski niet
lang meer in Krakau. In het voorjaar van 1542 bevindt
hij zich reeds weder te Ëmden. Uit eene vluchtige mede-
deeling in een brief blijkt ons, dat hij met de bisschoppen
in zijn vaderland ernstige onderliandelingen gevoerd heeft. ^)
Het was zijne bedoeling, deze onderhandelingen openbaar te
maken ; jammer, dat hij dat voornemen niet heeft ten uitvoer
gebracht, althans tot dusver is er geen enkel document ont-
dekt, dat op deze zaak betrekking heeft. A Lasco meende,
dat zijn vriend Hardenberg over den inhoud van deze on-
derhandelingen zou moeten glimlachen ; in elk geval was door
haar nu ook in het andere leger openbaar geworden, dat
zijne scheiding van de oude kerk een voldongen feit was.
Dit schijnt ook ten gevolge te hebben gehad, dat een paar
kleine inkomsten, die hij tot hiertoe onverkort en ongestoord
1) Kayper, II, 587, 588. Zie ook de schoone plaats, II, IK), en ia het
algemeen den gebeeien brief aan zijnen kotiing.
2) Ibid. II, 556.
252
genoten had, in het vervolg uitbleven. Zóó althans zou ik
die opgave van den weinig geloofwaardigen Walewski wenschen
te verklaren; de uitbreiding, die hij, met beroep op zwakke
bewijsplaatsen, aan de zaak geeft, is stellig overdreven. *)
Met den dood van zijnen broeder was een sterke band
verscheurd , die onzen La ski met zijn vaderland verbond; door
de onderhandelingen met de Poolsche bisschoppen kon hem
voldoende gebleken zijn, dat eene vrije verkondiging van het
Evangelie nog niet zoo spoedig in zijn vaderland zou worden
gedoogd, en slechts onder deze voorwaarde dacht hij aan de
mogelijkheid van een terugkeer. Hij bereidde zich op een
langer verblijf in den vreemde voor; het gastvrije oord aan
de onherbergzame zeekust was hem toch ook reeds lief ge-
worden. Zijne gezondheid was een weinig vooruitgegaan, en
daardoor beter in staat, de ruwheid van het klimaat te ver-
dragen. De lust tot werkzaamheid werd in hem wakker.
Het was toch ook van den beginne aan te voorzien, dat
eene natuur als die van onzen vriend niet lang werkeloos
kon blijven, zoodra zij slechts innerlijk de vragen, die zich
aan haar opdrongen, had doorworsteld, en de Heer haar de
vastheid van een beslist standpunt gegeven had.
Hij zou dan ook niet lang werkeloos blijven ; de Heer had
hem noodig als een uitverkoren werktuig.
Wij hebben reeds getracht, in korte trekken een beeld van
de toestanden in Oost-Friesland te ontwerpen. Graaf Enno
was,* in 1539, in vollen mannelijken leeftijd gestorven; zijne
weduwe, gravin Anna, uit het huis van Oldenburg, had als
voogdes van hare jeugdige zonen de regeering op zich genomen.
Het was een moeielijk waagstuk, inzonderheid voor eene
vrouw, en bovendien in zulk eenen drukkenden tijd , de leiding
te aanvaarden van de ongeordende toestanden van een land ,
dat overal in gisting verkeerde. Gravin Anna, vroom en
ernstig van zin, deinsde voor de moeielijkheid niet terug;
l) „Bibliotheca," p. 361.
253
met mannelijk-sterke hand omklemde zij de teugels yan het
bewind. Door bijzondere omstandigheden werd hare taak nog
verzwaard. Haar zwager, graaf Johan, een broeder van den
overleden vorst, maakte aanspraak op de voogdijschap over
zijne minderjarige neven, niettegenstaande hij, bij gelegen-
heid van zijn huwelijk met eene natuurlijke dochter van
keizer Maximiliaan, plechtig met brief en zegel voor zich
en z\jne nakomelingen afstand gedaan had van het recht van
opvolging in Oost-Friesland. De vereeniging met de keizers-
dochter had hij eenen jammerlijken terugkeer tot de Room-
sche kerk waard geacht; door dezen terugkeer en door z\jn
huwelijk beide had hij volgens de meening van Karel Y zich
waardig gemaakt , om als leenhouder van het graafschap Oost-
Friesland erkend te worden. Des te onwaardiger daarentegen
was hij in het oog der Friezen , die aan de grafelgke weduwe
reeds getrouwheid beloofd hadden; met zware geldelijke offers ,
die het vermogen van het door talrijke oorlogen en brandschat-
tingen uitgezogene landje bijkans te boven gingen, trachtten
zij zich los te koopen van den regent, die t;;gen hunnen zin
hun werd opgedrongen. Het geld had graaf Johan, wel is waar,
géïncasseerd , maar zulks verhinderde hem niet, een loeren-
den blik op het land gericht te houden, en de opmerkzaam-
heid van den vertoornden keizer en van de achterdochtige
landvoogdes der Nederlanden gedurig op het kleine hoekje
der wereld te vestigen, dat in die dagen de schoone eigen-
schap bezat, het toevluchtsoord te zijn van allen, die om
des geloofs wille vervolgd werden. Het was goed, dat de
Gravin in haren wakkeren broeder, den bekenden graaf
Chris tof fel van Oldenburg, eenen getrouwen raadsman en
manhaftigen beschermer bezat, die aan al te grove eischen
van den renegaat, die door de dreigende gestalte des Keizers
gerugsteund werd, moedig het hoofd bood.
Graaf Christoffel was, evenals zijne zuster, van ganscher
harte der Hervorming toegedaan, een schoon erfdeel van
hunne vrome moeder. Beiden erkenden, dat men in het be-
lang van het zwaarbeproefde landje allereerst op kerkelijk
gebied eene betere orde van zaken moest trachten tot stand
254
te brengen. Den Poolschen baron, die zicb in Emilen ont-
hiell , kenden zij zeer goe 1 ; het was hun voortdurend streven ,
om hem voor de Kerk te winnen. Er moest eene nieuwe pre-
dikantsplaats in de gemeente te Emden gesticht worden. Laski
wees de aanbieding van de hand , terwijl hij zich tot zijne veront-
schuldiging op zijne gebrekkige kennis van de landstaal beriep ;
dit zou het tweede weigerachtige antwoord zijn , indien nl. het
reeds vermelde gevoelen bewaarheid werd, volgens hetwelk
hy reeds met den overleden gemaal der Gravin in persoon-
lijke aanraking zal zijn gekomen, en diens verzoek , om de
landskerk te willen besturen , zal hebben afgewezen. In zgne
plaats koos men Thomas Bramius, ^) een bekwaam en
vroom man. wiens voortreffelijke hoedanigheden ook door
onzen vriend hoog gewaardeerd werden. Graaf Ghristoffel
rustte evenwel niet, voordat hij de zoo belangrijke persoon-
lijkheid toch nog voor de Kerk had gewonnen. Op zijnen raad
deed de Gravin, met toestemming van de aanzienlijkste man-
nen in Emden, hem den voorslag, dat hij het bestuur van
alle kerken des lands {.Jcpopsixv ecclesiarum omnium totius
regionis") op zich zou nemen. Deze derde noodiging oor-
deelde Laski nu niet meer te mogen afwijzen; ditmaal meende
hij de stem van den Heer te vernemen. Onder ééne voor-
waarde verklaarde hij zich bereid , den z waren post ^ aan-
vaarden, dat nl. zoowel de Gravin, als ook de geheele kerk
enkel de eere Gods bij zijne benoeming beoogd hadden. ^)
Dat geschiedde in het begin van het jaar 1543 , tot vreugd
van allo weidenkenden in het land, gelijk de kroniekschrijver
daarbij aanteekcnt
De arbeid, dien Laski aanvaardde, was lang niet gemak-
kelijk, en ging met eene zware verantwoordelijkheid gepaard.
Hij was zich zelven daarvan ten volle bewust. Het was echter,
mogen wij wel zeggen, een arbeid , voor welken onze vriend
1) Zie Bmmius, p. 916, en ook Meiners, I, 218.
2) EmmiuB, p. 9IG: ,,sed addidit oonditionem, si experiretur ipsa re,
gloriam Dei et ab eccleflia et a principe in hac sui vocatione spectari, tuin
■o in munere mausurum, caeteroqui dimissionem esae ab utraquo flagitatarum.*'
255
boYen velen door God was toegerust Zijne bijzondere en hooge
begaafdheid kwam juist bij dezen arbeid tot hare ?oUe ont-
plooiing, en de wijze, waarop zij zich ontplooit, wijst hem
onder de Yoormannen der Hervormers van den tweeden heir-
ban voor alle tijden eene aanzienlijke plaats aan. Gaarne
volgen wij den vriend, dien wij zoolang vergezeld hebben,
nu ook ter middaghoogte van zijn handelen. Er ving voor
hem in Oost-Friesland eene werkzaamheid aan , bij welke hg
evenals de bouwlieden bij den tweeden tempelbouw onder Ne-
hemia moest zijn toegerust (Neb. 4: 17). Met de eene hand
bevorderde hij den bouw, met de andere hield hij schild en
lans tegen hen, die den bouw zochten te verhinderen. Het
een ging voortdurend met het ander gepaard. In onze schil-
dering echter moeten wij de beide zijden van deze gewich-
tige werkzaamheid elk afzonderlijk beschouwen. Staan wij
dan allereerst stil bij hetgeen Las ki tot verdediging van den
tempelbouw verricht heeft.
b) De arbeid met het zwaard in de hand.
Gelijk elders, zóó geschiedde het ook in Oost-Friesland,
dat het verbreken van de gemeenschap met de oude kerk niet
allerwegen op zulk eene gewelddadige en in het oog vallende
wijze plaats greep, dat men klaar en duidelijk de grenslijn
zou kunnen trekken tusschen het oude, dat voorbij gegaan,
en het nieuwe , dat daarvoor in de plaats gekomen was. Niet
zelden kwam het voor, en wij zouden het, wat Friesland
betreft , met voorbeelden kunnen staven , dat in dezelfde kerk
de eene prediker als met nieuwe tongen het Evangelie ver-
kondigde, en met geestdrift de heilige banier der Hervor-
ming — de rechtvaardiging van den mensch uit genade alleen ,
door het geloof in Jezus Christus, — ontplooide, terwijl
beneden aan het altaar de priester af en toe als naar gewoonte
zijne mis las. Zoo was het ook in Emden. Sinds twee decenniën
nu reeds had stad en land zich gekeerd tot de prediking van
het Evangelie; zulks verhinderde echter niet, dat de Francis-
canermonniken der stad , zoovelen hunner als aan het klooster
256
trouw gebleven waren, hunne kerkelijke handelingen op de
van oudsher gewone wijze voortzetten. Zij predikten nog ten
hunnent, zij doopten kinderen, zij dienden aan stervenden
het laatste oliesel toe , zij beschermden en vereerden de beel-
den der heiligen: juist alsof de geheele, groote beweging niet
het minste spoor hij hen had achtergelaten. Niet weinigen
werden er gevonden , die in hunne besluiteloosheid de dingen
op hun beloop wenschten te laten, en die deze zonderlinge
onklaarheid , dezen valschen toestand wilden bestendigd zien.
Slechts tot schade evenwel van de jeugdige Evangelische kerk ,
gelijk nu duidelijk werd. Door graaf Johan aangeprikkeld ,
en in het rustige gevoel, in hem eenen machtigen toeverlaat
te bezitten, staken de monniken , meer dan tot dusver, het
hoofd omhoog. Wat men gedurende de laatste jaren stilzwy-
gend bij hen door de vingers had gezien, daarop pochten
zij nu, alsof 't hun van rechtswege toekwam.
De nieuwe superintendent trad hun weldra onverschrokken
in den weg; hunne houding kwam hem als een anachronisme
voor. Hij verbood hun het prediken en doopen , en vaardigde
een gestreng bevel uit, om de beelden der heiligen, die men
tot dusver nog in de kerk geduld had, van daar te verwij-
deren. De overmoedig geworden monniken verzetten zich
daartegen. Allereerst maakten zij Laski verdacht als een
vreemdeling, die nieuwe gebruiken wilde invoeren. Aan hem^
den Pool, met zijnen tot op de borst reikenden baard, waren zij,
naar hunne meening , volstrekt geen gehoorzaamheid schuldig.
De sluwe Franciscaners kenden zeer goed de waarde der kaart ,
die zij daarmede tegen den gehateu tegenstander uitspeelden ;
want de Fries is bijkans ongenaakbaar voor den vreemdeling,
en ik beschouw het als één van de grootste bewijzen van de
voortreffelijkheid van onzen vriend , dat deze taal de bedoelde
uitwerking miste, en men zich in den lande gewillig aan
den invloed van dezen „vreemdeling' overgaf. Laski wilde
aan de monniken in een openbaar gesprek de valschheid
hunner leer bewijzen; de monniken gevoelden zich echter
tegen den groeten godgeleerde niet opgewassen , en wisten op
behendige wijze het gesprek tot in den herfst uit te stellen,
257
in de hoop, <1at alsdan hun beschermer, graaf Johan, zou zijn
teruggekeerd, en hen van de gewaagde disputatie zou ontslaan.
Ook onder de Evangelischen zelven waren niet weinigen,
die er nog niet toe konden komen , om de pauselijke gebruiken
onvoorwaardelijk te verzaken. Hunne meening kunnen wij nader
leeren kennen uit een geschrift, dat a Las co waarschijnlijk
omstreeks dezen tijd in het licht zond, en waarin hij handelt
over het vermijden van de pauselijke godsdienstoefeningen. M
Het belangwekkend vertoog verplaatst ons in het midden van de
toenmalige beweging , en doet ons zien , hoe 't voor velen uiterst
moeielijk geweest is, om zich los te maken van gebruiken,
die, ook al begrepen zij ze slechts ten halve, hun nochtans
sinds hunne vroegste jeugd lief geworden waren. Voor deze
zwakken eischte men geduld; men kon toch ook, zóó meende
men , in die vormen eenen christelijken zin vinden , en moest
ze slechts ongestoord hun natuurlijken dood laten sterven. Op
onwederlegbare wijze toont Las ld het onhoudbare en bedrie-
gelijke van zulke meeningen aan, en legt de ernstige schade
bloot, die voor het godsdienstige leven voortspruit uit het deel
nemen aan eenen godsdienst, die in den grond der zaak niet
bouwt op het fundament van het Woord Gods. Hij beroept
zich ergens in zijne bewijsvoering op het schoone woord van
Calvijn: dat wij in ons leven volstrekt niets zóó hoog schatten
of zoozeer beminnen mogen, dat wij ons, om den wille daar-
van, zouden willen bevlekken meteenige afgoderij. Op dit gebied
was onze Laski bezield door den heilig-ernstigen geest van
den Geneveeschen hervormer, die niet gezind is om in onder-
handeling te treden, maar enkel voor de vlekkelooze eer van
God wil strijden. Het vertoog eindigt met deze woorden: ,,Ik
ben bereid, op iedere tegenspraak te letten, in<lien iemand
mocht meenen, dat mijne zienswijze hierin niet juist is; want
l) „Het glievoelen Joaimid a Liwco, of het den Cliri^tiMieii, iiadi«ii zij liet
word Godes ende de ^odlooszheit des Pauwstdoms bekent hebben, eeniphseins
verorloft is, dat zy ziek in den Pauwfltlicken godsdiensten, cndc in zonder-
heit indcr Misse, yiuden laten.'' Zie: Kuyper, I, 63 — 95, alwaar ook
(p. LXVII sqq.) het afdoende bewijs geleverd wordt, dat dit geschrift tot
den vroeg9tcn tijd van Laski's werkzaamheid behoort.
DALTOK. 1 7
258
ik zoek niet mijne eer, aan welke niets gelegen is, maar
enkel de eer van Hem, voor wien alle knie zich moet bui-
gen, nu en in eeuwigheid. Amen."
Zulk eene mannelijkkloeke , besliste taal, als in dit ge-
schrift vernomen werd , was voor de lieden in Emden iets
ongewoons. Zij behaagde niet aan allen; zij was te zeer in
strijd met de gewone en geliefkoosde denkwijze ; zij drong aan
op eene cordate keuze, tot welke slechts diegenen den moed
hebben, die de gewoonte niet met de waarheid verwarren,
en enkel aan deze laatste gehoor willen geven. In het oog
van deze wankelmoedigen was het verlangen van den vreem-
deling tevens eene beperking van de vrijheid , en op dit punt
is de Fries onverzettelijk. Zij moesten echter toch gevoelen,
dat het woord , hetwelk zij vernomen hadden , inzonderheid de
strekking had, om opmerkzaam te maken op eene keten,
die zij tot dusvei' nog getorst hadden ; alleenlijk ontbrak hun
de geloofsmoe»! , om deze keten te verbreken. Ook de Gravin
was besluiteloos. De bevreesde vrouw zag het gevaar, dat
haar en haar volk van uit de naburige Nederlanden, van de
zijde des Keizers i^edreigde, wanneer zij tegen de monniken
en hunne ongoddelijke instellingen eene al te strenge houding
aannam. Als moederlijke landsvorstin wilde zij geduld oefenen
met de zwakken , gelijk Paulus dit vordert , maar zij zag voorbij ,
dat dit recht en deze plicht door den Apostel slechts aan
dengenen wordt toegekend en voorgeschreven, die sterk is
in Christus, niet aan hem, die zelf zijne wankelmoedigheid
nog niet kan overwinnen. Zij beval , dat de beelden , gelijk
tot dusver, in de kerk zouden blijven, en dat niemand er
de hand naar zoude uitstrekken. Naar Laski's overtuiging
was met dit bevelschrift nog iets meer gemoeid, dan de beelden
alleen; hij zag in dit flaiiwhartige toegeven eene aanranding
van de Evangelische vrijheid; het was, naar zijn oordeel, een
verdrag, waarin monschclijke berekening met het zuivere Woord
van God onderhandelde. Dat beschouwde hij echter als een
gruwel in het heiligdom. Rondborstig, onbevreesd, met al
de vrijmoedigheid eener ziel, die, door Christus verlost,
enkel zijn dienaar zijn wil, trad hij ook tegen de Gravin in
259
het strijdperk. Het schrijven zelf, dat hij aan haar richtte,
is ons slechts nog in uitvoerige uittreksels bewaard gebleven i) :
een belangrijk, kostbaar blad uit den tijd der Hervor-
ming, dat ons den al-verwinnenden geloofsmoed van eenen
Luther in zijne beste voortbrengselen voor den geest roept.
Laski herinnert de Gravin, hoe hij tot de aanvaarding
van zijnen zwaren post is bewogen geworden door de over-
tuiging, dat de Gravin godvreezend was en begeerig, om
de eer van Christus allerwegen te bevorderen. Maar dit
moet hij in haar misprijzen, dat zij zich in zaken van
den godsdienst al te gemakkelijk tot het een of het ander
laat overreden, en dat zij eerder het gevoelen van hare
raadgevers, dan den wil van God meent te moeten volgen.
En toch, zóó gaat hij voort, is slechts God de opperste
rechter ook der koningen, en zijn zij als zijne dienaren ge-
roepen, om bovenal het recht des Almachtigen, en niet de
inzetting der menschen te handhaven. God eischt van ons , dat
wij den afgodendienst zullen vlieden: hoe zouden wij dan de
afgoderij der monniken in onze kerken mogen dulden? Hoe
lang zullen wij nog op twee gedachten hinken? „Ik ben bereid ,
niet slechts het mijne, hoe gering het ook zijn mag, zonder
het minste uitzicht op eer of belooning prijs te geven, maar
ook mijn leven voor de eer van Christus aan alle gevaren
bloot te stellen, evenwel slechts onder deze ééne voorwaarde,
dat gij, Gravinne, onbewimpeld verklaart, dat gij u door
het Woord Gods alleen wenscht te laten leiden en daaraan
gehoor te geven. Wilt gij zulks echter niet, acht gij het
raadzamer, u aan menschelijke inzettingen en aan de wijs-
heid dezer wereld, dan aan den goddelijken wil te onder-
werpen , dan kan en wil ik voortaan niet meer mijnen arbeid
u ten dienste stellen. Ik ben een dienaar van de leer des
Evangelie's en der Apostelen, en daarbij schroom ik niet,
ook van den geringsten broeder terechtwijzing aan te nemen;
doch een dienaar van menschelijke wijsheid of usantie, die
1) Zie bij Emmius, p. 910, aan wieu Kuyper (II, 558) het Ycrvolgens
ontleend heeft.
17
"«
260
zich eeiie plaats aanmatigt nevens het Woord GoiJs , begeer
ik in vollen ernst üiet te zijo. In menschelijke dingen is
menschelijke wijsheid op hare plaats, in goddelijke echter
gaan Gods majesteit en zijn heilige wil boven alles Ik
ken alleszins den toestand, in welken ik mij bevind: ik
ben een vreemdeling, ik bezit eene familie, ik behoef eene
vaste verblijfplaats; tot dit laatste heb ik welwillendheid van
noode. geenszins haat of vijandschap. Hst is dan ook
mijn oprechte streven, vriendelijk te zijn jegens allen, en
mij naar hunne levenswijze te schikken , maar slechts tot aan
het altaar; ook nog deze grens overschrijden, uit zorg
voor mijne tijdelijke belangen, zulks kan ik niet, al moest
ik deswege ook aller vriendschap verliezen, en al moest ik
ook raijne familie in de diepste ellende en armoede achter-
laten; de Heer, die allen spijzigt, zal ook voor de mijnen
zorgen , ook wanneer ik hun niets nalaat." . , . , Hij zou —
zóó besluit onze Laski zijn merkwaardig, treffelijk schrij-
ven, — niet aldus geschreven hebben, indien hij niet den
vromen zin der Gravin kende; ja, hij is ook overtuigd, zóó
voegt hij er bij, dat zij begrijpt, boe zijn ambt met zich
brengt, getrouwelijk tot datgene op te wekken, wat naar zijn
inzien zoowel tot haiu* heil, als tot dat der Kerk behoort, en
dat zij ook deze zijne vrijmoedigheid in bet schrijven niet euvel
zal opnemen. Van ontrouw zou hij te beschuldigeo zijn , indien
hij 't niet had gedaan; hij wenscht liever ondankbaar, dan
ontrouw te zijn, en voedt de hoop, dat, al behaagt hij ook
minder aan de andere menschen, oradat bij niet innemend
genoeg schryft, hij nochtans niet in haar oog een ondankbare
zijn zal. Hij heeft, zegt hij, gedaan hetgeen hij verplicht was,
indien al niet iu eeoen gelukkigen vorm, dan toch meteene
eerlijke bedoeling; zijn arbeid staat der Gravin ten dienst-e,
maar slechts onder deze voorwaarde, dat zij Gode meer ge-
hoorzamen zal, dan den menschen; mocht die voorwaarde
ouuitvoerlijk zijn, dan vraagt hij zijn ontslag. Hij smeekt ten
laatste van God den Heiligen Geest over haar af, opdat Hij
hare gedachten en daden tot eer van zijneu naam en tot
opbouwing der Kerk besture.
261
En God verhoorde het gebed van zijnen vromen dienaar.
De Gravin onderwierp zich aan het ernstige en tevens beris-
pende woord van den koenen raan; zijn brief verleende haar
den moed , om , zelfs op het gevaar af, dat zij het misnoe-
gen des Keizers tegen haar arm landje gaande maakte, alle
angstvallige overwegingen vaarwel te zeggen , en aan de stem
van God, die zij in dit schrijven meende te vernemen, ge-
hoorzaam te zijn. Het antwoord, dat zij aan Laski deed
geworden, strekt beiden tot eer. Het luidt, in zijne trouw-
hartige taal, woordelijk aldus: „Onze groetenisse voor af,
Waardige, Lieve, Aandachtige. Gy hebt ons onlangs door
uw' Schryven dapper en ernstig erinnert, wat ons van wegen
de ere Godts en onze Regeringe te doen betaamt, namelyk
dat wy Me afgolische beelden -nar het voorbeeldt van vele
Christelyke Koningen uit de Kirken zouden wegdoen etc. Wy
hebben nu zulk ene vermaninge wel opgenomen, en willen
Godt bidden, flat hy ons zulk een hart en geest geve, om
alles te doen , wat hem welgevallig is. Wat de beelden aan-
gaat, mogen we lyden, datge die by nacht, doch niet alle
tegelyk, uit de oogen wegzet; en dat men het dolle volk
«laar niet laat bykomen; maar datge den Burgermeesteren en
Kerkvoogtlen zulk bekent maakt; en dat het zonder geschreeuw
worle uitgevoert: dus geschiet onze welgevallige meininge." i)
Het bevel der Gravin werd ten uitvoer gebracht. Nog gaven
echter de monniken de hoop op eenen gunstigen uitslag hunner
zaak niet geheel op. Een paar weken na de uitvaardiging
van het bevelschrift kwam hun beschermer, de afvallige graaf
Johan, wederom te Emden, verheugd, dat hij eene gele-
genheid had , om zich in de aangelegenheden van het landje
te kunnen mengen. De Gravin bleef echter standvastig. Ook
bedreigingen waren te vergeefs; de vrome hervormer had haar
eenen sterken moed ingeboezemd , den heiligen moed om Gods
wil te volbrengen, en die maakt ook eene vrouw ten allen tijde
tegen den man bestand. Ja, zelfs graaf Johan gevoelde
de wonderbare kracht, die van den getrouwen dienaar des
1) Meiuers, I, 249.
262
Ileerou uitging. Hij had een onderhoud met hem; wij kennen
slechts het gevolg daarvan, dat nl. de Graaf stilzwijgend,
als gevoelde hij zich overwonnen, aan de dingen hunnen
vrijen loop liet. De steun der monniken was verbroken. Zij
moesten laten geschieden hetgeen zij onmachtig waren te ver-
hinderen. Wrevelig trokken zij zich terug, — gelijk ouden
van dagen, op lijftocht gesteld in hun eigen huis, als de
kinderen meerderjarig geworden zijn. Aan de monniken werd
nog slechts een asylrecht in het klooster toegestaan; zonder
invloed, zonder werkzaamheid sleten zij hunne dagen, per-
soonlijk meestal ongemoeid gelaten, maar bestemd om uit
te sterven. —
De renegaat was intusschen niet voornemens, om voor goed
de wapenen af te leggen tegenover den man, die hem wel
tot zwijgen kon brengen, do(h dien hij ook als het sterkste
bolwerk moest aanzien, dat hem verhinderde, zijne baat-
zuchtige plannen te volvoeren. Zoolang die man ongehin-
derd aan het hoofd stond van de Evangelische kerk in Oost-
Friesland, — dit kon de Graaf gemakkelijk beseffen, —
zou de Roomsche kerk aldaar in machtelooze vernede-
ring blijven. Met open vizier tegen hem op te treden ,
daartoe ontbrak aan den afvallige de zedelijke moed ; hij
nam zijne toevlucht tot kuiperij en list. Aan het hof van
de landvoogdes der Nederlanden vond hij voor zijne plannen
een toegenegen oor! De arme, gewezene koningin van Hon-
garije, voorheen zoo dicht tot de kennis der waarheid ge-
naderd, maar nu in de hand des KeizcM-s een willig werk-
tuig, om ook met de vreeselijkste middelen deze waarheid
des Evangolie's in de aan haar bestuur toevertrouwde landen
te onderdrukken! Het was haar eene groote ergernis, dat
zij die door hare handlangers opgejaagd en om huns ge-
loofs wil uit huis en hof verdreven werden, in het nabu-
nge Oost Friesland een toevluchtsoord vonden. En het was
voornamelijk deze Pool, die de Gravin in zulk eene handel-
wijze versterkte! Het kwam er alzoo op aan, hem te ver-
wijderen, en daardoor de onderdrukte lloomsche kerk in haar
recht te herstellen. Wat de middelen aangaat, behoefde men
263
niet kieskeurig te zijn. Zoo verscheen in Augustus 1544, op
aansporing van graaf Joh an, een afgezant van de Landvoogdes
aan het hof der Gravin, om aan te dringen op de verdrij-
ving van Laski als van eenen meineedige en rustverstoor-
der. 1) Het viel den aangeklaagde gemakkelijk, zijne onschuld
te bewijzen. De Gravin verzocht hem dringend, zich door
zulke verdachtmakingen niet te laten afschrikken, en toch
slechts bij haar te blijven; haren listigen zwager gaf zij te
verstaan, dat zij den raad en de medewerking van dezen man
niet kon missen. ,,Maar ik weet," zóó schrijft Laski, „dat
deze lieden met hunne aanslagen niet zullen rusten, totdat
het hun gelukt is , mij van hier te verdrijven." ^)
Zóó spoedig, als deze machtige tegenstanders waanden,
zou het hun echter niet gelukken, dezen strijder te ver-
dringen. Hoe langer hoe moer bleek hij een uitverkoren
werktuig des Ileeren te zijn voor dit kleine lau<l. Nog me-
nigen strijd had hij te strijden, ten einde het terrein voor zijne
opbouwende werkzaamheid van tegenstanders vrij te houden.
Een belangwekkenden aanblik biedt ons zijn strijd met eenen
anderen, in die dagen zeer gevaarlijken tegenstander. Wij
zouden te breedvoerig worden , indien wij trachtten aan te
toonen, hoe juist in de Nederlanden, reeds sinds langer dan
eene eeuw, mannen gevonden werden, die met vromen ernst
zich verzetten tegen de verbasterde kerk en hare snoode
dienaren , en die , terwijl zij met innerlijken toorn den gruwel
der verwoesting in het heiligdom aanschouwden, op verschil-
lende, vaak zonderling wanstaltige wijze op verbetering be-
dacht waren, of ook, buiten fle kerk om, een stil, bekrompen
leven leidden, gotlzalig op hunne wijze, en zonder dat zij door-
gaans bemoeielijkt werden. Zij bleven nog tot de Kerk behoo-
ren, maar schenen te onbeduidend, om een opmerkzaam oog,
zij 't ook slechts van den kant van het herderlijk ambt, op hen
1) Vergel. Emmiuti, pag. 926. en hctgeea Laski zelf' daarover aan zijnen
Triend Ilardenberg mededeelt, bij Euyper, II, 574.
2) Kuyper, II, 581.
363
te richten: mot een Uictitliartig gemued gingen zij, lÜe liuniie
zieUerzorgers behoorden to zijn, het kleiiio, geringe, onop-
gemerkte troepje voorbij. Sedert de dagen der Hervorming
was aulks anders gewonlen. De doorrl ringende steiu van den
Augustijnermonnik had alie geesten doen ontwaken ; het ven-
tiel, (lat zoo lansen tijd was gesloten gebleven, was eindelijk
getjjiend, en met een schrilleu toon kwamen nu ook deze
tot dusver ondenlrukte krachten te vooi-sühijn. Zij üijn niet
kortweg kinderen der Hervorming te noemen, en de bloedige
wandaden, tot wlke zij vaak iu gedrochtelijk fanatisme
vervielen, mogen niet, even min als Me onlusten onder de
loeren, die allerwegen ontbrandden, op haar schuldregister
geliuekt worden. Ze zijn kinderen der verwilderde, ontaarde-
kerk , tegen ' welke de Hervormers hun heilig protest deden
hooreu. len die zich niet zelden in beslisten opstand be-
vonden tegen de Evangelische kerk, welke uit al die gis-
tende, verbasterde elementen zicb met jeugdige schoijnheid
zegevierend in het licht der waarheid verhief. De meeste
gistende elementen verzamelden zich iu de wederdoi>perij. Het
was niet in de eerste plaats het verzet tegen de rechtma-
tigheid vau den kinderdoop , wat de verschillende schakee-
ringen in dit punt vereenigde, m;iar veeleer het streven naar
ceno beilige gemeenschap, als heftig protest tegen de in on-
deugd verzonken kerk, dat hun in den doop uitsluitend der
wei iergeborenen een bolwerk tegen zulk eene untaai'ding scbeeu
aan te bieden. Maar hoe weinig wa^ zulks werkelijk bet
geval! En welke gruwelen van een ontketend fanatisme , dat
iu het slijk van de diepste onzedelijkheid nitloopt en ver-
smiiort, werden er achter dit gewaande bolwerk gepleegd?
Het gerucht van de bloedige schamldadeu , die in de nabïj-
gelegene stad Munster hadden plaats gegrepen, bracht ook
in Oost-Friesland niet «einig onsteltenia teweeg.
Wij hebbeu er reeds op gewezen, hoe de vrije bewoners
van Friesland hun landje in een schoon tehuis voor alleu
herschapen hadden, die in die ruwe, sombere dagen om
huns geloofs wille uit bun vaderland verdreven werden. Deza
handelwijze kun men niet hoog genoeg prijzen. Iu groüte
265
scharen begaven zij zich naar Oost-Friesland, de ernstige,
kloeke geloofshelden , die huis en liof en vaderland om den
wille van hunnen Heer en Heiland verlieten, en hier in het
zoo welwillend ontsloten asyl een rustig plaatsje zochten en
vonden , ten einde van de hun toegebrachte wonden te herstel-
len, en golzaliglijk, op stilte en ingetogene wijze , volgens hun
geloof te leven. Te gelijk met hen kwamen echter ook ande-
ren, fanatische woelgeesten, die als echte geesttlrijvers zich
van het eene land naar het andere spoedden, en die, zonder
zich door eenige vervolging te laten ter neer slaan, hunne leer
in conventikels en in de huizen verkon;ligden, en eene groote
verwarring onder de onoordeelkundige menigte aanrichtten. Op
hunne omzwervingen hielden zij gaarne halt in Oost-Fries-
land, niet om te rusten, maar om zich het verleende gast-
i*echt ten nutte te maken, ten einde den giistvriend in een
deelgenoot van hun bijzondere gevoelen te veranderen. En
zulks vaak op eene zeer luidruchtige , aanmatigende wijze,
in eenen tijd , waarin de verhoudingen der Evangelische kerk
in het land nog zoo onvast en weinig geordend waren.
Met steeds grooter aandrang eischte de landvoogdes der
Nederlanden de verdrijving van hen, die uit haar gebied
gevlucht waren. Zij kon haren wrevel niet verkroppen, dat
zij aan de grens van haar land de deur geopend zag voor
alle degenen , voor wie zij geen anderen weg wenschte te
zien opengelaten, dan die naar den kerker en den brand-
stapel voerde. Er werden keizerlijke bevelen in Emden ont-
vangen, in welke de verdrijving van de sektarissen op gebie-
denden toon werd geëischt. In geval aan dezen eisch geen
gehoor werd gegeven, dreigde men met de onderdrukking
van den geheelen handel met Oost-Friesland, een soort van
continentaal-stelsel te water en te land, toegepast op het
arme , onvruchtbare landje. De bedreiging miste hare uitwer-
king niet, inzonderheid onder de hovelingen, die beducht waren,
dat zij zich in hunne aangename levenswijze zouden moeten
bekrimpen. Maar onzen Laski kon ze niet aan het wan-
kelen brengen, en zijn geloofsmoed vond ook weerklank in
het hart der Gravin. Met scherpe bewoordingen berispte hij
266
de yreesachtigec , die hij Epicuristen noemt, die zich meer
laten beangstigen door het bevel van eenen keizer, dan door
de bedreigingen Gods, die eene nalatige overheid straft „Ze
zijn bereid, als God het toelaat, sekten te verbannen, niet
om den wille Gods. maar om den wille des Keizers." ') In-
dien men voorheen slechts ter rechter tijd toogevendheid ge-
bruikt had, dan zou meu, volgens Kijne meening, de lieden ge-
makkelijk binnen de perken hebben kunnen houden; toen liet
e.cht«r de overheid aüea betijen , doch nu zijn ze bereiti , met zulk
eene gestrengheid te werk te gaan , dat zij , zonder naar schuld
of onachnld te vrijen, tegen alle vreemdehngen methefligb^d
woeden. Laski bewoog de Gravin, het drijven daai-door te
keer te gaan , dat allereerst bij de beoordeeling een onderscheid
tus8chen gev.tarÜjke en niet gevaarlijke sekten en sektarisseo
gemaakt, en slerhts de eerstgenoemd en verilreven zouden
worden. De geestelijkheid moest elk in het biizonder onder-
zoeken; ieder, dien zij verklaarde, onschuldig en voor kerk
en staat onschadelijk te zijn . mocht ongehinderd ook in het
vervolg de gastvrijheid des lands genteten. Eene schoone
overwinning van den innig- christelijk gezinden hervormer, die,
daar hij God vreesde, voor geen mensch ter wereld, ook
voor geenen keizer meer beangst was, tegenover de onver^
draagzaamheid der werehlsche lieden, die bereid waren voor
elk gezag te bukken.
Het was een veel omvattende, bezwaarlijke arbeid, dien
Laski en zijne ambtgenooten zich zagen opgedragen. Onze
vriend koesterde de hoop, dat men in eene milde, verzoenende
stemming tocli met de eene of andere richting tot eene over-
eenstemming zou kunnen komen. Met zijnen helderen , openen
blik vermocht hij ook bij de verschillende sekten iL-ts gemeen-
schappelijks te vinden , dat aan het wezen der Evangelische kerk
uanw verwant was. Uitgaande van ilit door hem op den voor-
grond geplaatste gemeenschappelijke bezit, meende hij door
overtuiging de ilwalenden te kunnen bewegen , om hunne kettór-
sche leeringen prijs te geveu; de adel van zijne gezindheid , de
1) Ibid. II, B74.
267
oprechtheid van zijn wezen mochten als waarborg van eenen
gunstigen uitslag dienen; zijne heilige liefde voor den Ver-
losser, zijn vurig verlangen, om elke scheuring in de Evan-
gelische kerk te voorkomen, en haar in gesloten eenheid
sterk te maken tegen den gemeeuschappelijken vijand, boe-
zemden hem den moed in, om voor den omvangrijken ar-
beid niet terug te deinzen. Aan zijnen geestverwant Bucer
was onlangs in Straatsburg eene dergelijke poging, om de
anabaptistische elementen van die streek door verzoenende
mildheid voor de Evangelische kerk te winnen , gelukt ; waarom
zou zulks niet ook in Oost-Friesland mogelijk zijn?
Eéne van de eerste pogingen, om tot eene overeenstemming
te geraken, was gericht op de in grooten getale in het land
verspreide aanhangers van David Joris, één van de won-
derlijkste en gevaarlijkste sektehoofden van don toenmaligen
tijd. 1) Ingevolge van den hem opgedragen last, om de
sektarissen aan een onderzoek te onderwerpen, hield a Las co
met eenige voorname aanhangers van Joris in Oost-Fries-
land eene samenspreking in het huis van één zijner ambt-
genooten. De afloop van het gesprek scheen eenen gunstigen
uitslag te beloven. De Joristen waren het met den Super-
intendent eens, dat de leer des Evangelie's van Christus,
volgens welke aan het eind alle menschen zullen geoordeeld
worden, ook in dezen als rechter van allen behoorde erkend
te worden. 2) Op dezen gemeeuschappelijken grondslag volgde
de eene concessie op de andere , zoodat er ten laatste slechts
één punt overbleef, waaromtrent men het niet ééns kon worden,
nl. de bovennatuurlijke autoriteit, op welke zij voor hunnen
meester aanspraak maakten, welke autoriteit, naar hunne
meening, op zijne buitengewone zending berustte. Laski koes-
terde de hoop, dat het sektehoofd dit onschriftuurlijke punt
zou prijsgeven. Joris zelf hield zich waarschijnlijk omstreeks
dien tijd, nu hier, dan daar in het land op; althans nog
heden ten dage toont men in de stad Norden bet huis, waarin
J) Vergel. over hem o. a. Nippold, „Zeitschrift" etc, 1863, S. 163.
2) Kuyper, II, 567.
hy zal gewoond hebben. Laski wendde zich schriftelijk tot
Joris: zijn schrijven is een treffend bewijs van zijne diep-
christelijke overtuiging; de bewoordingen, waarin het vervat
is, vertüonen het eilele kenmerk van eene humane gezind-
heid, die den tegenstander nog weet te eeren, en hem recht
wil laten wedervaren. Hij legt nadruk op de verkregene over-
eenstemming, stemt toe, dat Christus verschillende gaven aan
de zijnen verleent, maar hij eischt van het sektehoofd, dat
hij zijne vermeende bjzundere roeping of met klare getuige-
niesen uit de Heilige Schrift stave, of ander» van haar af-
stand doe, opdat niet de Kerk vaoeengescheurd worde? „Wij
bidden u. Broeder, om den wille van Jezus Christus, dat
gij ernstig overweegt wat gij doet. De laatste tijden ziju aan-
gebroken, in welke de brullende leenw omgaLt, zoekende
vrien hij zou mogen verslinden ; hij verandert zich in eenen
bode des lichts, ten einde op allen eenen indruk temaken,
en paart aan zijne list nog de voorspiegeling van het wonder,
om diegenen tot zijn valsch geioof te verleiden, die de waar-
heid, ons door Christus en zijne Apostelen geopenbaard, niet
willen gelooven. Wij verwachten van u de aanwijzing van uwa
bpondere roeping uit het Woord Gods , maar verlangen deze
aanwijzing ia eenvoudige taal, met duidelijke woorden, niet
Het sohiijven Viin Laski werd gekruist door een gelijk-
tijdig schrijven van Joris aan hem. Nauwelijks had de dweper
bei-icht ontvangen van het gebonden gesprek, of de begeerte
liet hem geene rust, oiu met bot hoogaanzienlijke hoofd der
landskerk in onmiddellijke connezie te treden; hij, die zich
bij al de Hervormers, bij don Keizer, bij den rijksdag op
de aanmatigen dste wijze had zoeken in to dringen, hoe zou
hij de gunstige gelegenheid ongebruikt laten voorbijgaan, om,
zoo mogelijk, den edelen hervormer van Friesland in zijn net
te vangen. Zijn brief scheen te zijn verloren geraakt; aan
de ijverige nasporiugon van zijnen jongsten levensbeschrijver
gelukte het echter, dien terug te vinden. Hij biedt ons eene
oitnemende vergelijking tusachen de vrome, ernstige en ook
deemoe:hge denkwijze van Laski, en de trotschbartigheid
269
van den verblinden dweper, wiens matelooze zelfverheffing
zich op eene stuitend-tegenstrijdige wijze met het kleed van
den deemoed had omhangen. „Indien mijn verstand" — zóó
roept Joris den hoogbeschaafden Laski toe, — „het uwe
overtreft, en ik dichter bij de waarheid ben dan gij, wil u
dan zonder aanzien des persoons laten raden en leiden. Maar
indien uw verstand het mijne overtreft, dan wil ik aan uw
woord, uwe leer en uwen raad vrijwillig gehoor geven, en
alles herroepen, wat ik verkeerdelijk geleerd of geschreven
heb. Ja, ik heb er niets op tegen, wanneer alle schrift-
geleerden en Evangelische leeraars u te hulp komen, want
ik ben vast verzekerd, dat de eeuwige waarheid en wijsheid
Gods met mij is." ' )
Per omgaande beantwoordde Laski den brief van Joris.
Wij bezitten nog slechts een uittreksel van zijn uitvoerig schrij-
ven, in het geschrift van Bles dijk, den schoonzoon en voor-
maligen vurigen aanhanger van Joris , hetwelk door hem tegen
zijnen schoonvader gericht werd. 2) Nog heeft de edelaardige
Laski zich door den aanmatigenden toon van zijnen tegen-
stander niet laten afschrikken ; zijne taal is ook nu beschaafd
en waardig, en getuigt van den diepen ernst, die hem bij
deze discussie beziehle. Het is zijn wensch, aan de Joristen
eene plaats in de kerkelijke gemeenschap te gunnen , indien
zij slechts eerlijk en eenvoudig en zonder huichelarij met
de kerkleer in overeenstemming willen blijven. Maar hij kan
het niet goedkeuren, dat Joris op eene nieuwe en gansch
bijzondere soort van roeping schijnt aanspraak te maken,
krachtens welke hij, naar zijne meening, noch zélf dwalen,
noch door anderen misleid worden kan. Aanmatigend acht
hij ook de bewering van Joris, alsof de waarheid zeer ze-
kerlijk in hem zou wonen; de waarheid is slechts in zooverre
in ons allen, als Christus door zijnen Geest in ons leeft en
ons bezielt. Hij wijst voorts den hooghartige op de macht
1) „Zeitschrift," 1863, S. 154.
2) Yergel. Euyper, II, 570, en de karakteritieering van dit voornaamste
geschrift over en telgen Joris, „Zcit schrift," 1863, S. 5.
270
(Ier zonile in ons, die ons bedriegt en oorzaak is. dat wij
anderen op het dwaalspoor brengen. Voor zoover de zonde
in ons heerscht, kunnen wij niet in de waarheid zijn. Dea-
niettegenstannde üijn wij van de waarheid niet geheel uitge-
aloten, dewijl Chriatua, onze Heer, door zijnen dood ons ver-
zoend heeft. . . . Niet daarom heeft Christus onze zwakheid
op zich genomen , opdat Hij ona in dit leven volkomen van
haar hevrijde. maar op^lat Hij voor ons tot aan het einde
onzes levens de Hoogepriester mocht zijn, die door zijn bloed
onze zonde verzoent. . . .
Maar reeds genoeg , om te doen zien , met welk eenen
zachtmoedigen ernst L:iski den geestdrijver te woord staat.
Later ontvjnjj; hij nog het antwoord van Joris op zijn eerste
schrijven; het was reeds uit Bnzel gedagteekend , werwaarts
de verblinde mensch ;^idi in stilte liegeven had. ') Dit tweede
schrijven is voor de karakterachildering van Joris van het
hoogste belang*); bijkans nergens elders vertoont zich zijne
raadselachtige gestalte zoo ten volle in hare eigenaardige,
mismaakte trekken. Laski achtte het nutteloos, op dezen
brief te antwoorden; uit de geheele onderhandeling en ook
door eene meer nauwkeurige kennismaking met het voor-
naamste geschrift van Joris, dat deze hem had doen toe-
komen, was 't hem duidelijk geworden, d.tt er aan eene ver-
eeniging met hem en zijne vurigste aanhangers niet te denken
viel, en dat men ook onverantwoordelijk handelen zou, indien
men deze geestdrijvers rustig hunnen gang liet gaan. De in
1545 door de Gravin uitgevaardigde politievei-ordening , die
geheel in den geest en met goedkeuring van a Lasco is
opgesteld, besluit daarom, dat, dewijl de Davieten (onder
1) Odijk liekead ia , aloet JurU zljiie laatste Wonajeren riiatiR in Bnzet ,
geheel onbeiend , immera ouder eonen fnlschpii dsbih , aianv op de wijzo ïaii
eenen eerzsmeii burger, en ïL>nnt>edelljk ander deii bedriegelijkea aehün , als
warf hy eea Troom, Hervormd gemeentelid. Eerat psn zija lijk word het
■trafgericht toltrokken, waBnaii do levende in de dngen vtii Serret uiet licht
Eou lijn ontkomen.
2) Den (tedaphlengsiig vindt men uilvtierig modcpedeeld in het „Eeitschrift"
ises, s. las ^.
271
deze benaming worden de aanhangers van Joris aangeduid)
en hunne leer niet te betrouwen zijn, men het onnoodig
acht, hen voor den Superintendent te onderzoeken. Door
deze wet zagen zij zich uit het land verbannen Gestrenge
straf trof de jonkers, ambtlieden en beambten, die zulk
eenen verbannene herbergden; indien één van de verbannenen
in het land gegrepen werd, moest hij onthalsd worden. ^)
Op eene andere en vriendelijker wijze kon men te werk
gaan ten opzichte van de talrijke Mennonieten. Reeds in
1528 waren er Wederdoopers in het land gekomen, en had-
den daar een gastvrij onthaal gevonden. In het begin trok-
ken ze weinig de aandacht. Zij leidden een rustig leven ,
en vermeden alle aanraking met de wereld; na de vervolging,
aan welke zij eerst kort te voren in hun vaderland hadden
blootgestaan , waren de meesten hunner blijde , dat zij een
weinig tot verademing konden komen. Dit werd anders, toen
(in 1531) Melchior Hofman te Emden kwam, eene ruwe,
driftige, fanatieke persoonlijkheid, die reeds sinds acht jaren
als bontwerkersgezel en prediker overal had omgezworven.
Op zijne rustelooze omzwervingen was hij ook te Dorpat ge-
komen; de kleine aaphang, dien hij daar spoedig gewonnen
had, ging kort na zijn heengaan weder te niet; niet het
minste spoor van zijne werkzaamheid is op dezen verwijder-
den voorpost der Evangelische kerk overgebleven. Weldra
stond Hof man n aan het hoofd van de Wederdoopers in
Oost-Friesland; zijne zendboden doorkruisten het landje, en
verl)reidden zijne leer tot in de afgelegenste dorpen. Na zijn
vertrek naar Straatsburg werd zijne plaats ingenomen door
Jan Matthijsen, die kort daarop, als profeet Henoch, de
zoo beruchte rol in Munster gespeeld heeft. Het gerucht
van het bloedige treurspel, dat aldaar had plaats gegrepen,
1) ,,Zeitschrift ,'' 1864, S. 535. Hoe kan echter de brief van Laski aan
gravin Anna worden aangevoerd als bewijsstuk, dat a Lasco zijnen bijval go-
Achonken lieeft aan het verbannen van de sektarissen, gelijk zulks in Aan-
merking 76 geschiedt? Eenigszins nnder» luidt het aangcliaalde Artikel der
politieverordening bij fier tram, pag. 180.
bracht ook in Ooat-Frieslan'l ontsteltenis teweeg. In (lie
omstaniligbeden was het een geluk voor de Friesche wRder-
doopers, dat Menno Symons zich aan hun hnofd plaatste,
zelf een Fries, en, evenals zijn volk, krachtig, verstandig
en vrijheiillieveud. Ernstig en nuchter van aard, was hij
tegenstander van dweperij en fanatisme; met groote wijsheid
richtte bij den opgewonden zin zijner medestanders op het
voornaamste punt van hnnne gemeenschap, nl. op de vol-
komene iifzonriering der reine, geloovige gemeente van
de wereld, van de ongeloovigen en van de met ongeloof en
onzeilelijkheid al te zeer vermengde Evangehscbe en Boomsebe
kerk. De doop der wedergeborenen was het middel, waar-
door men in deze geloovige gemeente werd ingelijfd; de
strengste kerkelijke tucht trachtte de reinheid der gemeente
te bewaren. Het onhoudbare en verkeerde van deze afzon-
dering, bet antichristelijke, dat zich in deze eigenaardige
leerstellingen openbaart, behoeven wij te dezer plaatse niet
in bet licht te stellen ; hierop echter moeten wji met nadruk
wijzen, dat deze gemeenschap ook gezonde en ware elementen
in zich heeft opgenomen, aan welke zij baar voortdurend
bestaan tot op den huldigen dag te danken beeft.
Deze gemeente van Mennonieten verkeerde in de dagen
van Laski in eeuen bloeienden toestand. Bijna gelijktijdig
met bem was ook Mennn te Emden gekomen. Brave, rus-
tige, zedelijk strenge burgers telde de gemeente in baar mid-
den, Tegen hen ai de strengheid der keizerlijke bevelen in
toepassing te brengen, en liet land van deze zijne vlijtige,
rechtschapene en vrome ingezetenen te berooven , daartoe zou
Liiski nimmer de band geleend hebben. Hij stond tegen-
over hen op het schoone standpunt, hetwelk Lutber in de
glansrijkste dagen zijner werkzaamheid innam , toen hij den
Wartburg verliet, en zich naar Wittenberg spoeilde, ten einde
den gevaarlijken brand aldaar te blusschen, „Door het Woord
is hemel en aanie geschapen; betzelfde Woord moet het ook
hier doen; door het Woord ia de wereld overwonnen. Daarom
prediken, zeggen, schrijven wil ik bot; maar dwingen, met
geweld noodzaken wil ik uiemand."
273
In dezen echt Evangelischen zin werd La ski niet moede,
met de Mennonieten te handelen. Met toodtonnning der G ravin
en met goedkeuring zijner ambtgenooton had hij, in tegen-
woordigheid van velen, een breedvoerig gesprek met M on no.
De onderhandeling was vruchteloos; het waren hoofdzakelijk
drie punten, over welke men het niet ééns kon worden:
over de menschwording van Christus, den doop, en het recht
om den dienst des Woords in de gemeente te aanvaarden.
Elk der beide partijen, gelijk het in zulke gevallen doorgaans
geschiedt^ schreef zich de overwinning toe. Vooral onder do
Mennonieten werd de vreugde over den behaalden triomf luido
geuit, en aan recht hatelijke oordeelvellingen over do Evan-
gelische kerk en hare leeraren schijnt het niet ontbroken to
hebben. Nog in hetzelfde jaar gaf Menno eenzendschrijven
aan Laski in het licht, in hetwelk hij het eerstgenoemde
verschilpunt uitvoerig behandelde. Laski, dio tot dusver
gezwegen had, meende deze uitdaging te moeten beantwoor-
den, te meer dewijl Menno het ook hier niet had laten ont-
breken aan smaadwoorden tegen hem, zijne ambtgenooton
en de gcheele Evangelische kerk, terwijl zijne aanhangers
stoutweg beweerden, dat Laski door zijn stilzwijgen zelve
erkende, het onderspit gedolven te hebben. Ondanks den
smadelijken toon van zijnen tegenstander, bewaarde Laski
zijne zachtmoedige, edele kalmte. „Ik zal meenen, naar eisch
geantwoord te hebben, niet wanneer ik belccdiging met beleo-
diging vergolden, noch ook wanneer ik u en de uwen aan do
kaak zal gesteld hebben, maar wanneer h(;t blijken mag,
dat ik, naar mijne geringe krachten, den roem van Jezus,
mijnen Heer, in een of ander opzicht bevorderd heb, en ook
een stap nader gekomen ben aan de bijlegging van dit ge-
schil in de leer, door hetwelk de kerk van Christus zoozeer
verdeeld wordt, op welke wij toch immers veel meer hebben
acht te geven, dan op onze eigene belangen." ^)
Het genoemde geschilpunt vervulde in de leer der weder-
doopers eene gewichtige rol. De Muustersche wederdoo][>ers
') Karper, I, 7.
DALTON. 1 H
hadden eene munt laten slaan met het omschrift: „Verbum
caro factum habitavit in nobia," d. w. z. : „het Woord ia
Yleesch geworden , en heeft in [onder] ona gewoond." De
tweede helft yan den zin werd door niet weinigen onder
hen op pantheïstische wijze aangewend ; de eerste helft diende
hun als voornaamEte steunpunt voor hunne diepingrijpende
bijzondere leer, dat niet de Zoon van God eene menachelijke
geataltenis had aangenomen , maar dat liot Woord van God
mensch geworden waa. lïecda Hofmann had de hemelsche
afkomat van het vleesch van Chriatua sterk op den voorgrond
geplaatst; Menno had die zelfde leer weder opgevat, en
had haar inzonderheid trachten te staven door haar in
verband te brengen met de leer vaa de zonde. Christus
kon, zóó beweerde hij, onmogelijk onze schuldige, met
vloek beladene, zondige natuur aangenomen en bezeten
hebben, anders zou nij ons in 't geheel niet hebben kunnen
verlossen. Hij moeat eene reine, Goddelijke menachheid, niet
de verdorveno natuur van Adam's geslacht bezitten, omdat Hij
eerat alzoo de tweede Adam zijn kon '). In zijn schriftehjk
antwoord ") vat Laski de tegenstelling, wat betreft bun bei-
der leer, in de volgende woorden samen: „Dit is derhalve
het tusschen ons aanhangige veracbil. Wij, die aan Christus,
den Heer, zoowel vtfare godheid, als ware menachheid toe-
Bchrijven, wij zeggen: dat aanbiddenswaardige Woord, het-
welk, wat zijn wezen aangaat, van eeuwigheid en tot in
eeuwigheid God, en daarom ook Geest is, ia ook nu hetgene
het was, maar nu heeft het zich voor ons op zulk eene wijze
met Christus, den fleer, verbonden, nadat het ons vleesch
heeft aangenomen, dat het in waarhoid is, wat zijn naam te
kennen geeft, Immanuël, d. w. z. : God met ona. Gij echter
leert: het Woord, dat voorheen Geest was, is door de eene
of andere verandering vleesch geworden, doch het ie niet
>) Dorner, II, 637. Vergnl, ook ErbkDin, S. DTI.
1) Verg. Kuiper, I, p. S— 00. »ij Cïlvijn, X[l, 50, vindt mcB de opgiTs,
dst de «nrlibUscliDp vdo Keulen, die ^ïcb dootgkHDB op ign jiehUloC nkby
Hddb opfaiold, op luiiirtdBn van Hurdenberg voor dun druk i&d het gtsuhrirt
hoeft Utoii larg drngen; dnarom is hot ank zekerlijk te Bonn gtdrukl.
275
ons yleesch, maar uit den Heiligen Geest ontvangen en af-
geleid." «)
Het geschilpunt ligt heden ten dage te ver van ons af,
dan dat wij lust zouden gevoelen, om de geheele wijdloopigo
uiteenzetting in bijzonderheden weer te geven. Laski hield
hetgeen hij in de inleiding beloofd had. Nadat de hoofdstel-
ling in deze quaestie duidelijk was omschreven, trachtte hij
op eene ernstige, waardige en onbevooroordeelde wijze het
recht van zijne opvatting tegenover de meening van zijnen
tegenstander te staven. Zijn éónigst wapen ontleent hij aan
de Heilige Schrift. Met veel kennis van de Schrift toont
hg aan, dat zijne meening uitsluitend aan den Bijbol is
ontleend. Zijne uitlegging is bezadigd, verstandig, en ademt
tevens, gelijk bij den groeten uitlegger Calvijn, eenou geest
van stichting, die ons den heiligen, vromen ernst geeft te
bespeuren, met welken zijn geest in de beschouwing van het
Woord Gods verzonken is. Men vindt hier allerminst die zal-
vende taal, met welke, meer dan eene eeuw later, zoo menige,
overigens degelijke Schriftverklaring, juist niet tot haar voor-
deel, vermengd is, maar men verneemt hier eene taal, die
door de verhevene majesteit van het Woord Gods geheel
doordrongen is, en ernstig, mannelijk, krachtig van de om-
helsde waarheid getuigenis aflegt. Hot is eene verkwikking
voor eiken echten, gezonden zin, eene lafenis, gelijk ons die
in onvergankelijke frischheid door Calvijn, alsook door do
andere hervormers en kerkvaders van den eersten rang wordt
aangeboden.
Het geschrift vond onder de toenmalige geleerden veel bij-
val. *) In een schrijven aan hertog Alb recht van Pruisen
noemde Melanchthon het een prijzenswaardig geschrift, ')
ja, hij beval het zelfs aan Lu t her ter lezing aan. Zulks
deed hij omstreeks dezen tijd (het was in den zomer van
1545) slechts dan, wanneer hij geheel zeker kon zijn, don
ouden heer door zulk een aangeprezen geschrift geen nieuwe
*; Kujper, I, p. 10.
*) Verg. Bert ram, p. 163.
3) Melaachthon, V, 791.
276
ergernis te bereiden. Want immers de Sacramentastrijd was
kort te voren, door Luther'a toedoen, weder met ongedachte
hevigheid uitgebroken, en Melanchthon en zijne vrienden
badden langen tijd in angst verkeerd, dat de schaal des tooma
van den geweldigen man ook over hunne hoofden zou voorden
uitgegoten, en welk oene onuitsprekelijke ellende voor de
Evangelische kerk zou zulk een openlijko twist na zïch ge-
sleept hebben! Luther aehijnt het werk niet gelezen te
hebbeu ; ook in zijne brieven vindt men nergens eenig oordeel
daarover uitgesproken, en toch zou de eene of andere stelling,
in het bedoelde geschrift vervat, hem wel bedenkelyk hebben
kunnen toeschijnen. A Lasco waagt zich een paar malen op
dat grensgebied, waar het gevaar dreigt, dat de beide gestal-
ten in Christus vaneengesoheiden worden; Luther hield
daar een streng toezicht, on meende, niet ernstig genoeg voor
dat smalle grensgebied te kunnen waarschuwen.
Oorspronkelijk koesterde a Lasco het voornemen, om ook
de beide andere punten, aangaande welke hij met Menno
in geschil was, met dezelfde uitvoerigheid te behandelen. Te
midden van de vele andere werkzaamheden echter, waarmede
hij van allo zijden overladen werd, vond hij den noodigen tijd
daartoe niet, terwijl bovendien welhcht ook de lust er toe
langzamerhand bij hem verdoofde. Kennelijk toch ontbrak
het zijnen tegenstander aan de noodige studie, om zulko ern-
stige, diepzinnige vragen wetenschappelijk toe te lichten;
zijne meeningen en beweringen waren niet genoegzaam ge-
staafd uit de Heilige Schrift, en hora ontbrak het bewustzyn
van dit gebrek. Tegenover zulk een onvermogen verlamt
echter ook de meest gemoedelijke ijver om een ander voor
te lichten.
Na deze briefwisseling bleef Menno niet lang meer in
Emden. Hij was het erkende hoofd der sekte, die uit de bloe-
dige vervolgingen gelouterd en gereioigd te voorschijn was
gekomen, wier leden voortaan naar zijnen naam genoemd
werden, en die het vooral aan zijnen vromen ijver te danken
hebben, dat z^ in die voor hen zoo ongunstige dagen zgn
blijven bestaan, totdat zij eindelijk een tijd vangrootere ver-
277
draagzaamheid mochten zien aanbreken. Als een toon van
dezen meer verdraagzamen tijd bewees onze Laski hun
reeds in de dagen der Hervorming zijne vriendelijke viH>r-
zorg. Slechts weinige wederspannige, woelzioke leden werden
ait het land verbannen: het meerendeol werd moedig en
standvastig, ook tegenover den dreigenden keizer, in bescher-
ming genomen. Tot op den huidigen dag hebben deze Men-
nonieten, inzonderheid in Emden, ongehinderd overeenkomstig
hun geloof geleefd, als stille, vreedzame lieden, die zooveel
mogelijk de aanraking met de zondige wereld vermijden,
ofschoon zij zelven niet meer zoo gestreng het voetspoor hun-
ner voorvaderen volgen, en ofschoon zij de kerkelijke tucht niet
meer zoo onverbiddelijk handhaven, aan welke weleer M e n n o
zelf, al was het ook schier met tegenzin, zich had moeten
onderwerpen.
c) De arbeid met den troffel in do hand.
Wij willen thans den blik vestigen op het andere gewich-
tige gedeelte van het hervormingswerk van a Lasco, nl.
op hetgeen hij tot opbouw van het hem toevertrouwde werk
in zijn tweede vaderland gedaan heeft. Dit deel zijnor werk-
zaamheid is niet in dier voege geheel van het andore onder-
scheiden, dat hij op den grondsteen, door do Hervorming ge-
legd, slechts rustig heeft behoeven voort te bouwen : ook hier
kwam het er op aan, zich met mannelijke stoutmoedigheid
eenen weg te banen, en met vaste hand de maar al te shippo
teugels strak aan te halen.
De kerk van Oost-Friesland had zware tijden doorleefd;
het gevoel van onzekerheid bij het besef, dat men, ondank»
tal van proefnemingen in verschillende richtingen , nog niet
gekomen was tot een helder inzicht aangaande den weg, dien
men moest volgen, had zijn toppunt bereikt. Overal vertoon-
den zich de noodlottige sporen van den onhoudbaren , ver-
warden toestand op kerkelijk gebied: tucht en orde ontbra-
ken, ieder handelde naar goeddunken, en de gemeenten werden
in de wisseling der op elkander volgende meeningen mede
27&-
betrokken. De oude, wakkere graaf E d z a r d waa een oprecht
voorstander van de Hervorming ; de wonderbare eerste ge-
schriften van Luther en zijn atoutmoedig optreden in de
kracht des geloofa hadden het hart van dezen echten Fries
geheel voor zich gewonnen. Aportanus, die het. eerst op
den kansel met bezielde welsprekendheid voor de Hervorming
had geijverd, helde, wat zijne theologische denkbeelden be-
treft, sterk over naar de zijde van do steden aan den Boven-
Rijn en van Zwitserland; zijne belangrijke persoonlijkheid
drukte dezen haren stempel onnitwischbaar op zijn vaderland.
De Friezen gevoelden zich sterk en vrij genoeg, om zich tegen
den oppermacht! gen invloed van den Duitschen hervormer te
verzetten, en do oudste belijdent» des lands doet ons zien, hoe
goed zij op beslissende hoofdpunten daarin geslaagd waren.
Daarop kwamen er echter leeraren, die hunne opleiding in
Wittenberg ontvangen en aan de voeten van Luther en
Mclanchthon gezeten hadden, en die, hetgeen zij daar
geleerd hadden, met ernst en ijver in het vaderland ingang
trachtten te doen vinden. Graaf Enno legde wel gaarne
beslag op do rijke kloostergoederen, maar hem ontbrak de
onwrikbare, kloeke kracht eener eigene overtuiging. Liefst
van al liet hij aan de zaken haren vrijen loop, zoodat ver-
Bchillendo etroomingen zich ecnen weg baanden. Ei5no van
deze verlangde, dat men zich zoo nauw mogelijk aan Luther
zoude aansluiten. Zij verkreeg tijdelijk de overhand door den
invloed, dien hertog Karel van Gelder door zijne over-
winning op Fnno, in 1534, op de aangelegenheden des iands
verkregen had. Tot de harde eischen van den overwinnaar
behoorde ook het herstel van de onde kerk in Oost-Friesland;
slechts voorshands gaf de Katholieke hertog de toezegging,
dat hij nog voor den tgd van een jaar in de invoering van
de Augsburgsche confessie met de Saksische kerkorde genoegen
zou nemen '). Ten gevolge van dit harde besluit moesten
de Sacramentistische predikers het land verlaten , terwijl de
streng Luthersche hertog van Lunenburg, de zwager van den
i)Coi
279
Roomschen hertog van Gelder, predikers zenden zou, om het
Lutherdom in Oost-Friesland in te voeren. Hetgeen de Lu-
nenburgers raet ruwen ijver zochten tot stand te brengen,
was in het oog der Friezen als een geschenk der Danaörs;
aan de vreemde predikanten, die onder de bescherming van
den Katholieken, gestrengen overwinnaar stonden, boden zij
eenen halsstarrigen tegenstand. In 1588 stierf de Herti^;
zijn dood maakte een einde aan den invloed der Lunenburgers.
Hunne kerkorde, die nimmer wortel geschoten had, verviel;
maar nu was de verwarring nog grooter, en de trotsche vrij-
heidszin in teugelloosheid ontaard. Zou het zwaar beproefde
landje niet geheel en al te gronde gaan, dan was hot moer
dan tijd, dat de wanorde krachtig te keer gegaan word.
A Lasco was óók een vreemdeling, evenals do bij
het volk gehate Lunenburgsche predikanten, doch geen
vreemdeling, die onder do bescherming stond van eenen
Roomschgezinden, hardvochtigcn overwinnaar, maar uit zijn
vaderland verbannen, arm, zonder bescherming, slechts in do
wapenrusting van zijnen Heer, aan wien hij alles blijmoedig
had ten offer gebracht. De Friezen hadden den vreemden ,
vrijmoedigen man lief gekregen, die ten behoeve van do
vrijheid des volks zijne stem onverschrokken ook tegen den
machtigste verhief, die dit recht waagde aan te tasten. Do
diepe verdorvenheid der toestanden was voor niemand ver-
borgen; ieder, wien het welzijn des lands ter harte ging,
moest erkennen, dat die toestandfjn allerdringendst verbc^te-
ring vereischten. Er was een sterk verlangen, dat er eene
verbetering mocht worden tot stand gebracht, en een vast
vertrouwen, zoowel bij de Gravin, als ook bij het volk, dat
de vrome, edele Pool, die sedert oen paar jaren rustig en
bescheiden in het land leefde, daartoe de meeste geschiktheid
bezat.
Hierin tastte men geenszins mis. A Lasco had inge/ien,
wat de landskerk van noode had, en met ontzaglijke be-
kwaamheid gaf hij haar eene vaste gedaante, zoodat hij met
recht als de Hervormer van Oost-Friesland te beschouwen is.
Vastberaden, zonder te weifelen, als één, die zich van den
beginne aan, zoowel van zijne taak, aU van de vcreischte
naiddelen tot hare vervulling helder bewust is, treedt hij te
voorschijn, aan oenen bouwmeester gelijk, die zijn ontwerp
voltooid hoett en nu tot de uitvoering daarvan overgaat. De
voorname positie, die hij jaren achtereen in do oude kerk
reeds had bekleed, was vermoedelijk geen onvoordeelige
oefenachool voor hem geweest; zijn blik was voor de leiding
van eene kerk in hoogere mate gescherpt, dan doorgaans bij
een eenvoudig Evangelisch prediker het geval is. De erva-
ring, die hij had opgedaan, moest nu echter aan eenen ganech
anderen geest dienstbaar zijn. Laski staat op eenen
vasten, Evangelischen bodem; hetgeen de Hervorming tot
dusver, met betrekking tot de leor aangaande de Kerk,
uit de groeve der goddelijke waarheid had opgedolven, heeft
hij zich ten nutte gemaakt, den schat vermeerderd, en hem
den stempel van zijnen geest ingedrukt. Van den invloed,
dien Zwingli op hem heeft uitgeoefend, kunnen wij de spo-
ren nog aanwijzen; duidebjker nog valt zijne enge verwant-
schap met Calvijn in het oog. Hoe sterk echter ook zijn
arbeid in Oost-Friesland ons de werkzaamheid van den grooton
hervormer aan den grenspaal van Zwitserland herinnert,
Koodat men niet zelden in vroegere dagen Emden het Genève
van het Noorden genoemd heeft, zoo zal ons de loop der
gebeurtenissen nochtans doen zien, met welk eenen zelfstan-
digen geest toch ook weder a L a s c o op het hem aange-
wezen gebied gearbeid heeft. '}
De nood, die op kerkelijk gebied in Friesland hecrschte,
noopte a Las co, om zich vóór aüe dingen ernstig bezig
te houden met dè verbetering van de kerkelijke tueht. De
tuchteloosheid had van lieverlede eene schrikbarende hoogte
') In zijne icer lorgvulilig en grondig bewerkte diBserUlie; „Diagaieitio
hiitaricD-tbaologica eihiliens JouBiiiB Caliini et Joiinni<! a LucD de ecclesia
ecntentiaium inter se roinpoMtionem" (Amiteloddmi , IflflS, 168 ppO, beeft
Kuiper iciaivel da overceDatemming, als bet Tersehil tusscben de beide
bervormera . irit dit puat i!er leer betreft, doen uitkuoicn. Wij kunnon biiir
slechts naar dien degelijkeD ürbeiil verwijlen, en mniten ons voor ona doel
rergenocgen met in den luDp onzer Ecbildering op het eene of mdere punt
opmerkzaam te mitkEQ.
281
bereikt. Het schimpen en schelden der predikanten op de
kansels, hun niet geheel onberispelijke, vaak ergerlijke levens-
wandel^ de diep ingewortelde zorgeloosheid in de gemeenten,
wat betreft de scholen en de armverzorging, dit een en ander
had vele en ernstige gemoederen van de Kerk vervreemd.
Zij leefden een tijdlang in stille afzondering, terwijl zij zich
alleenlijk op het onderzoek van het Woord Gods in hunne
huizen toelegden ; aan de wederdoopers, die onder de hunnen
zulk eene gestrenge kerkelijke tucht oefenden, gelukte het
ter gelegener tijd doorgaans gemakkelijk hen mede te sleepen.
De scherpe blik van a Las co doorzag dit euvel. „Ik zeide
tot de raadslieden, dat het ons nimmer aan soktarissen
ontbreken zou, zoolang wij streng waren tegenover ande-
ren, maar daarentegen toegevend tegenover de ondeugden
in ons eigen midden. Ik voegde er bij, dat, zoo lang zulke
ondeugden onder ons heerschten, wij ook in onze kerk een
onderscheid zouden moeten maken tusschen degenen, die zich
naar de kerkelijke verordeningen voegen, en degenen, die de
kerk Gods en hare tucht verachten." ^) Dusdanige eisch bracht
eene geweldige opschudding te weeg; men achtte de vrijheid
bedreigd, terwijl de bedoeling toch slechts was, om aan
de losbandigheid een breidel aan te leggen, ten einde alzoo
de ware vrijheid te beschermen.
>
Eindelijk evenwel zag a La se o zijn streven met gewenscht
gevolg bekroond, allereerst in de hoofdstad des lands. Er be-
stonden nog oude gebruiken, die zijne pogingen begunstigden,
on van welke hij op schrandere wijze partij wist te trekken.
Reeds sedert de dagen der middeneeuwen hadden de Friezen
zich een veel grootcr aandeel in de kerkelijke aangelegen-
heden weten te verzekeren, dan de Roomsche kerk elders, on-
der meer handelbare volken, nog geneigd was aan de leeken
toe te staan. Van oudsher kozen de gemeenten zelve hare
predikers, die zij langer, dan men zulks ergens elders ver-
mocht, tegen den eisch van het celibaat wisten te vrijwaren. Zoo-
gen, kerkelijke gezworenen namen deel aan de uitoefening van
1) Kujper, [J, 574.
de kerkelijke tucht; op synoden outmoette men stemgerech-
tigde loeken. ') Het bewustzijn, dat men gerechtigd, ja ook
verplicht was om werkzaam deel te nomen aan de aangele-
genheden der gemeente, was ateeda levendig gebleven. Ook
de Lunenbnrgache kerkorde had zich genoodzaakt gezien, om
op deze diep ingewortelde toestanden acht te geven. ')
Steunende op dit oude 'gebruik, wist a Lasco, in den
zomer van 15i4, te bewerken, dat aan de predikers, die aan
de hoofdkerk in Emden verbonden waren , vier mannen uit
de gemeente werden toegevoegd , ernstige , waardige , vrome
lieden, aan wio vanwege de gansche gemeente de taak was
opgedragen, om, in vereeniging met de leeraren, het opzicht
te houden over den levenswandel der burgers, en elk aan
zijnen plicht te herinneren, terwijl zij tevens gemachtigd
waren , om , namens de geheele kerk , diegenen uit de ge-
meente uit te sluiten, die zoodanige vermaning verachtten. ')
De jammerlijke toestand, dien hij bij zijn optreden aantrof,
had a Las co tot deze inrichting doen besluiten; zij was
echter bij hem in' waarheid de vrucht van zijn voortdurend
onderzoek van het Woord Gods , evenals bij C a 1 v ij n. Hg
had de vaste overtuiging, dat er zonder kerkelijke tucht on-
mogelijk eene ware gemeente van Christus bestaan kan. •)
Daarom liet hij ook zijn blijven in Emden afhangen van de
instandhouding van deze zegenrijke inrichting. „Indien de
onzen zich de kerkelijke tucht, overeenkomstig het Woord
van God, laten welgevallen, zullen ze mij als prediker in
hun midden behouden ; maar indien niet, dan zullen zij den-
kelijk ook mij verdrijven. Want willens en wetens zal ik nie-
mand sparen, en daarom vrees ik, dat ze mij niet lang zullen
verdragen. Ik laat echter alles aan den lieer over, en smeek
Hem, dat Hij mijne bediening doe strekken tot roem van
zijnen heiligen naam en tot opbouwing van zijne gemeente." ")
■) „Ktrchenzcitung", IBTO, S. 346.
)) Mtrluerg. I. bU. 603.
*) Kiiyper, II, p. B7B.
<) Hierop wnrdt door Leohlsr, S. 5T, t« [«ebt met Dadrak fcwcien.
'I Kuypor, II, p. 5TG. Mogtlük heeft Lneki wsl bij deie pluti uo igncn
283
Met vasten tred, en zonder zich door de menigvuldige
moeielijkheden en hinderpalen te laten ophouden^ ging La ski
voort op de ingeslagen baan. Hij en zijne ambtgenooten
doorreisden het geheele land, om overal kerkvisitatie te hou-
den. Op deze reizen werd een nauwlettend onderzoek inge-
steld naar den staat der bezittingen en den toestand van
elke gemeente in het bijzonder, alsmede naar de leer, den
wandel en den ijver der leeraren. Na op deze wijze een
nauwkeurig inzicht in de vaak zeer treurige toestanden ver-
kregen te hebben , nam L a s k i welhaast met ernst de taak
ter hand, om ook te dien opzichte eene hervorming tot stand
te brengen. Overeenkomstig zijne geheele richting beijverde
hij zich voornamelijk, om allo geschillen bij te leggen, en
rondom de kerken des lands en hare leeraren eenen band
van heilzame eendracht te strengelen. Ook hierin ging hij
te werk met al den heiligen ernst eens hervormers, in wiens
schatting de kerkelijke tucht de levenszenuw van het ker-
kelijk organisme is, en die de Kerk, wat haar wezen aan-
gaat, als de vrije en broederlijke vereeniging der kinderen
Gods beschouwt, welke dienen moet, om het geheele men-
8cheli|ke geslacht tot heiliging te leiden. Daarom had hij
zich ten doelwit gesteld, den levenswandel der leeraren door
wettige voorschriften te regelen, ergernissen onder hen te
voorkomen , onwaardigen van het ambt uit te sluiten, en de
rechte leer onder hen te bevorderen. *)
Om dit oogmerk te bereiken, stichtte hij met goedkeuring
van de Gravin en van den hoogston Senaat de prcdikanten-
vereeniging, den zoogen. „coctus", ongetwijfeld de belangrijkste
en meest ingrijpende instelling van La ski, die een schitte-
rend getuigenis aflegt van zijne reformatorische begaafdheid.
Het is alleszins de moeite waard, dat wij van deze gansch
bijzondere „synode'' ons een juist begrip zoeken te vormen.
Van Paschen tot Michaëlis waren de leeraren des lands
grooten geestverwant Calvijn gedacht, die, een paar jaren te voren uit Ge-
nève verdreven, zich naar Straatsburg begeven had.
1) Emmius, p. 927.
gebonden, om eiken Maandag, des voormiddag^, in Ëmden
bijeen to komen. De vergadering koos uit haar midden eenen
voorzitter en oenen aocretaris, beidon voor den geheelen zo-
inertijd. De zitting werd met een gebed geopend, hetwelk
door den voorzitter werd uitgesproken. Zulk een gebod is
ons nog bewaard gebleven ^ ') in deze krachtige, innige pas-
torale woorden vernemen wij zonder moeite de stom van
Laski, vooral wanneer wij dit gebed vergelijken met de
talrgke geboden, die in zijne later te vermelden liturgie voor-
komen. Onder den gewijden indruk van znlk een gebed ging
dan de vergadering over tot een ondorzook naar de zeden
van ieder der leeraren in het bijzonder. Hetgeen ten opzichte
van het leven en don wandel van elk hunner bekend ge-
worden waa, werd met collegiale openhartigheid ter sprake
gebracht en nauwgezet onderzocht. Bleek het, dat de klach-
ten gegrond waren, dan volgde er eene ernstige, broederlijke
vermaning. Van deze „conaura morum" was niemand vrij-
gesteld; ieder was verplicht, om, zoo hem iets verkeerds
was ter oore gekomen, zulks ter sprake te brengen, en ook
aan de gemeenteleden was het geoorloofd, hunne eventneele
klachten aan den „coetus" te doen toekomen. Nadat dit ge-
wichtige punt was afgehandeld , ging de vergadering over
tot het onderzoek van de candidaton tot het predikambt.
Niemand werd tot het ambt toegelaten, die niet genoegzaam
bevredigende getuigschriften aangaande zijnen godzaligen,
ïngetogenen levenswandel kon overleggen. Do candidaat, die
voldoende blijken van bekwaamheid gegeven had, moeat daarop
voor den „coetus" eene korte rede houden, ten einde men over
zijne gave voor de prediking zou kunnen oordeelen. Van
het oordeel der vergaderden bing het vervolgens af, of men
aan don candidaat, al dan niet, een getuigschrift kon afgeven,
dat hij do noodige rijpheid bezat.
Na afdoening van deze practische zaken volgden er ver-
handelingen over de voornaamste punten der Christelijke leer,
hoofdzakelijk over strijdvragen van den dag. De „coetus"
■B, I, bd, 2S*.
285
stelde de onderwerpen vast, die men behandelen zou; twee
predikers werden tot referenten en eorreferenten benoemd,
en hunne theses acht dagen te voren bekend gemaakt, ten
einde een ieder in de gelegenheid te stellen, zich op de dis-
cussie voor te bereiden.
De protocollen uit de eerste honderd jaren van het bestaan
der vereeniging zijn helaas verloren geraakt ^); inderdaad
een zeer betreurenswaardig verlies. Immers van hoe groot
belang zou het geweest zijn , indien wij juist de vroeg-
ste beginselen van eene inrichting hadden kunnen nagaan,
die zich gedurende den loop der eeuwen heeft staande ge-
houden, en van welke vooral in den eersten tijd zulk een
rijke zegen voor de kerk des lands is uitgegaan! Nog inde
zeventiende eeuw verklaarde F r e m a u t, Fransch prediker in
Emden, aangaande dezen „coetus" : „Deze vergadering dient
tot het bewaren van de eendracht en den vrede tusschen de
leeraren en de gemeenten onderling. Zij is eene goede school
voor jeugdige predikers, die lust hebben zich verder te ont-
wikkelen ; ik beken, dat ik in die samenkomsten méér geleerd
heb, dan aan de hoogeschool." ^) De inzage van deze vroeg-
ste protocollen zou ons echter ook een aanschouwelijk beeld
van La ski's handel en wandel in den kring zijner ambtgo-
nooten verschaft hebben. Want onze vriend was — hetgeen
de beroemde geschiedschrijver van Oost-Friesland in hem
roemt, ^) — van een oprecht karakter, en gewoon zijne ge-
voelens, inzonderheid over goddelijke dingen, in duidelijke
en onbewimpelde bewoordingen bloot te leggen. Uit den in-
houd der bedoelde protocollen, die in zijnen tijd nog voorhan-
den waren, heeft Emmius zich ongetwijfeld zijn oordeel
gevormd over de wijze, waarop a La se o in deze vergade-
ringen gewoon was, allen tot eensgezindheid aan te sporen.
In ongekunstelde, ronde bewoordingen heeft hij zijne mee-
ning uitgesproken, en hare waarheid op degelijke gronden
gestaafd; degenen, die twijfeldenof eene andere meening koes-
1) Het oudste notulenbuek, dat voorhanden is, begint met den 18<*'" April 1642.
>) Meiners, J, biz. 283.
3) £mmius, p. 927.
terden, heeft hij rustig aangehoord, hen terechtgewezen, hea
ook verdragen, wanneer hij ze niet kon overtuigen , en hen
als broeders erkend , wanneer zij slechts den vrede bleven
bewaren, terwijl hij do anderen heeft zoeken te overtuigen,
dat men aldus moest handelen, ten einde toch maar niet,
wegens verschil van meening, de eendracht te verstoren of de
eenheid in de waagschaal te stellen. — Op zulk eene wijze
verkroeg onze hervormer in deze voorbeeldig ingericht-e predi-
kanten-synode de meestal veronachtzaamde en toch zoo
onmisbare aanvulling van elke waarlijk gezegende kerke-
lijke tucht: zij, die, in vereeniging met de ouderlingen,
over don levenswandel der gemeenteleden hadden te waken,
stonden zelven bij voortduring, gelijk de Gemeente wist, onder
gestrenge kerkelijke tucht.
Indien al niet ala eene vergoeding voor de we^eraakte
oudste protocollen, dan toch als een doffe naklank van de
theologische discussiën in den „coetus" mogen wij wellicht
Laski's verhandeling over de leer der kerken van Oostj-
Priesland beschouwen. ') In ieder geval kunnen wij uit dezen
belangrijken arbeid het theologisch standpunt van onzen
a.Lasco in die dagen leeren kennen, hetwelk hij zich tevens
beijverde, om door de aan zijne leiding toevertrouwde kerk te
doen innemen. De éénige bron der christelijke leer ia God en
hetgeen Hij met duidelijke woorden in de Heilige Schrift ver-
kondigd heeft. Menschelijke meeningen zijn slechts in zoo-
verre geldig, als zij zich aan de analogie des geloofs en aan
het Woord Gods onderwerpen. Twee hoofdpunten zijn het, om
welke de gehoele christelijke leer zich beweegt: de kennis
van God en van ons zelven. God kan alleen uit het Woord
van God, hetwelk is Christus, recht gekend worden. Het
leert ons God kennen als onzen Heer, als rechtvaardig
■) In de editio Van Ea;piir (D. I, p. Ml eo verv.) voor de eerste mul in
druk verBchenen, Doder den litel ; .Epitome doctriiiae eeeleiiirum Pbriiise
orientnlis, Anlare .ToRane n Lïbcd, IBil." Vergclyk daarbij het lerslag van den
gelaktci^en vinder helreffende lijnB venaoeiendc naaporingen . p, IX — XII, en
itjne opmerkiogcn tor inlsiding, p. XLVII — LUI.
287
en waarachtig en barmhartig. Aan do kennis van GchI «luit
de kennis van ons zelven zich aan ; gene houdt aan dozo don
spiegel voor. God heeft den nionsoh naar zijn ovonbwld go-
schapen, en wel goed, alhoewel^ in oudersohioiiing van Hom
zelven, met de mogelijkheid van te zondigen. In Adam hob-
ben wg allen gezondigd; sinds dien tijd zijn wij dooraango-
borene en werkelijke zonde bevlekt. Wij zijn aan don oouwigon
dood ter prooi, indien wij geonen gcneosmoostor hobbon,
die ons leven van den vrceselijken, en anders onvorniijdolijkon
ondergang verlost. God heeft in zijnen Zoon ons verlost, niet
om onzentwil, en nog veel minder wegons onzo vordionston,
maar alleen om den wille van zijnen heiligen naam. Allo
beloften Gods zien op Christus. Hij alleen is do wog, do waar-
heid en het leven, de éónige middelaar tussehon (ïod on do
menschen; zonder Hem komt niemand tot don Vador. Hot
geloof is eene aandoening („aiFect^^) van onzon geest, door
den Heiligen Geest in ons teweeggebracht door middel van
de prediking van het Woord Gods; deze werking van don
Geest leert ons in God te gelooven, Hom lief te hebben, on
doet ons het voornemen opvatten, om Hem voortaan ten all(»n
tijde aan te hangen, ofschoon wij uit oorzaak van onzo zwak-
heid voortdurend zondigen. Om aan deze cmzcs zwakheid to
gemoet te komen, geeft God ons middelen, door welke wij
ons geloof versterken en vernieuwen. Zulke middelen zijn de
prediking van het Woord Gods, en de zichtbare tciokenen
zijner genade, door welke Hij in onze harten bezegelt het-
geen Hij door de getuigenis zijns Woords ons beloofd heeft.
In het Nieuwe Verbond vinden wij twee Ha<;ramenten, Doop
en Avondmaal, die overeenkomen met de Hesnijding (;n het
Pascha onder het Oude Verbond. Hierop handelt ijaski
verder uitvoerig over den kinderdoop, en wederlcsgt do Ikj-
denkingen der tegenstanders, die zich in Ëmden zoo nadruk-
delijk lieten hooren.
Minder breedvoerig wordt bij deze gelegenheid over het
Avondmaal gehandeld, wellicht omdat Laski zir'h ongeveer
omstreeks denzelfden tijd had genoopt gezien , om daarover
uitvoeriger in een openlijk zendsi:hrijven tegenover eenen
vriend zich uit te spreken '). De brief is een kostbaar
bewijsatuk met betrekking tot zijnö meeiiing aangaande een
leerstuk, waarover zooveel gestreden ia, en meer nog eon
uitnemend getuigenis van de miide gezindheid van onzon
vriend. Het geschrift dagteekent van het jaar 1544, dei^
halve van eenen tijd, toen de rampzalige Avondmaalsstrijd ,
kort te voren op nieuw ontbrand, overal in Duitschland in
vollen gang was. Naar aanleiding van het Keuhche her-
vormingsplan, hetwelk, gelijk wij zien zullen, niet zonder
medewerking van Laaki waa tot stand gekomen, en bij
uitweidingen over het Avondmaal, in dit geschrift voor-
komende, had L ut hei' verklaard: „^ot boek is voor de
geeatdrijvers niet alleen draaglijk, maar ook troostelijk, veel
meer voor hunne leer, dan voor de onze." '') Op dit scherpe
oordeel volgde weldra het diep betreurenswaardige geschrift
van den Hervormer; „Kniz Bekenntnis Dr. Martin Luthers
vom heiligen Sakrament," in hetwelk hij zelfs niet schroomt
te verklaren: „Want ik, als die nu niet ver meer van het
graf verwijderd ben, wil deze getuigenis en dezen roem met
mij brengen, wanneer ik vóór den rechterstoel van m^uen
Heer verschijn, dat ik de dwepers en vijanden van het sa-
crament, Karlstadt, Zwingli, Oecolampadius, Schwenkfeld en
hunne volgelingen te Zurich, en waar zij zich bevinden, met
al den emat, die in mij is, veroordeeld en gemeden heb,
overeenkomstig zijn bevel (Tit. 3 : 10}," ^) Van zulk eene
onchriatelijke bitterheid dea groeten hervormers, welke zich
van toen af als eene heillooze schaduw over zijne naaste vol-
gelingen verbreid en krachtig medegewerkt heeft, om de Room-
Bohe kerk wedor tot bloei to doen komen, vindt men in
Laski's schrjjven ook niet den minsten weerklank; het ge-
rucht van den pas ontbranden stryd dringt tot het rustig
1) Ku
ïper iT.8
,.oo gelukkig.
m ook
dit schrij.
BD,
hetw
Ik acheeo te lij a
TBrioren
op het Bpoor
e kum
ea; hut fae
ft
tot ti
el : „Epiitoli ad
■micum
doctum script
duDi
«egrotrrem
ie
cerbiB
Coenie Domini,
ut ïocon
t, qui nos
ram dd CorDk
itoetrin
ïm ei PDt
um
et C
UU [mp
UgDHFC, ÜH
ice Urnen, cun
Irntur'
(Verg. Ku
ÏP
er. r
p. 667).
>) tu
her, LV
, lai.
3) Ibid
. XXXII,
39B,
289
verblijf van den schrijyer niet door. Hij schrijft aan zijnen
vriend^ dat er geen inniger, oprechter^ duurzamer liefde is,
dan die, welke uit de beschouwing van de goddelijke gaven
in ons voortkomt. Het is de plicht van eiken christen, allo
zijne gaven tot eer van den Gever te bestedon. Doch dozo
taak is verre van gemakkelijk, overeenkomstig het oudo
spreekwoord: „het schoone is moeielijk" („;^jiAfT;B rx xjcAjc").
De kennis van het goddelijke hangt niet zoozeer af van de
scherpzinnigheid van onzen geest ^ van do bevattelijkhcid
van ons oordeel, van den onverdroten ijver van ons streven;
dat alles heeft gewis ook daarbij zijne waarde en betookenis,
want het zijn immers gaven van Qod, maar zij nemen toch
slechts eenc ondergeschikte plaats in, vergeleken met do
vrome gezindheid, de godsvrucht of ^sotrefSeix^ gelijk do Grie-
ken zeggen De leer van Christus moeten wij vast in onzo
herinnering bewaren, daar Hij slechts die kerk voor do
zijne erkent, welke luistert naar zijne stom. Zóó moeten
allen gezind zijn, die in het heiligdom van het Woord Gods
wenschen te verkeoren. Want het woord, dat eenmaal uit
de hemelen weerklonk : „Hoort hem," heeft slecht op óónen,
nl. op Christus betrekking.
Maar wij zouden den gcheolen brief moeten wedergeven ,
indien wij de edele, zuivere, milde gezindheid, die Laski te
midden van het gedruisch van den zoo heftig ontbranden strijd
bezielde, in allen deole naar eisch wilden doen uitkomen. Vij
de verdere uitvoering van zijne taak vermeldt hij alleen Chry-
sostomus, met wien onze vriend in zoo menig opzicht eone
geestelijke verwantschap vertoont, vooral wat betreft do op-
merkelijke vereeniging van verstandige helderheid in zijne
Schriftverklaring met de innigheid van een vroom, christelijk
hart, welke op bezielde en bezielende wijs zich in zijne ge-
schriften openbaart. Vooral de bekende 83»*^ homilie over
het Evangelie van Mattheüs wordt aangevoerd ten bewijze,
dat ook de bisschop van Konstantinopel , tegen het eind
der vierde eeuw, van een louter geestelijk ontvangen van
den Heer in het heilig Avondmaal gesproken heeft. Maar
Laski wil zijne opvatting ook niet op Chrysostomus
DALTON. 19
gronden: „Al waren ook alle kerkvaders en alle conciliën
tegen ons, zoo is ons de Heilige Schrift volkomen genoeg-
zaam tot staving van onze leer, en op haar alleen grondon
wy ons gevoelen." Ook Karlstadt en Zvfingli beschouwt
hg niet als zijne leeraars of autoriteiten. Beacheidenlijk
erkent hij bij beide, door de tegenpartij zoo heftig bestre-
den mannen de vroomheid hunner gezindheid, en bij den
Zwitser bovendien nog in hot bijzonder zijne met de grootste
geleerdheid gepaard gaande buitengewone oordeelva ve : maar
met hunne leer betreffende het Avondmaal kan hij zich niet
vereenigen. Juist zijn onwrikbaar vasthouden aan het be-
ginsel, zich uitslaitend te beroepen op het "Woord van God,
maakt a Laaco zoo onafhankelijk van alle menschelgke
instelling , en toch ook weder zoo rechtvaardig en billijk in
de beoordeeling ook van den tegenstander.
By de ontwikkeling van zijne eigene opvatting komt ook
reeds in deze vroegste getuigenis het Hevelingsdenkbeeld van
Laski duidelijk te voorachijn, om nl. de uitdrukking: „dit
is" niet te bepalen tot „brood", maar haar in verband te
brengen met de geheele voorafgegane handeling van de breking
des broods, do dankzegging en de nitdeeling: eene zinrijke,
maar nochtans (verg. 1 Cor. 2 : 25) onhoudbai'e uitlegging,
hoe belangrijk en juiat het ook zijn mag, den nauwen samen-
hang tuBschen de woorden : „het brood , dut wij breken ,'
nadrukkelijk te doen uitkomen. Het Paulinische woord
„gemeenschap dea lichaams en bloeds van Christus," wil
Laski in het verband der plaats slechts in passieven zin
hebben verstaan, zoodat de beteekenis dor woorden deze ia:
„Wg, die het brood dea Heoren bij zijnen maaltijd eten,
hebben daardoor ook te gelijk gemeenschap aan de verbor-
genheid („mysteria") van dit brood, d. i. aan het lichaam
des Heeren." ') „Met Paulus noemen wij do teekenen van
het Avondmaal zegelen, d. i. zegolen van onze gemeenschap
met den Heer zehen, welke, wanneer wij ze overeenkomstig
de inzetting des Heeren gebruiken, ona in de heilige han-
i)Kuïpb:
I, 609.
291
deling („mysterinm'*) deze gemeenschap zelve voor oogen
stellen en haar in onze zielen vernieuwen, terwgl zij ons
door de werking van den Heiligen Geest volkomen beves-
tigen in een vast en ontwgfelbaar geloof in Christus, al
kunnen wg ook volstrekt niet aannemen, dat zij het lichaam
en het bloed des Heer en op physische en reeele wijze in zich
sluiten." ^)
Het zendschrijven over het Avondmaal ging van hand tot
hand, en werd aan den Rijn, in Zwitserland en elders ge-
lezen. Tot veel kleineren omtrek daarentegen beperkte zich
de mededeeling van de zoo even vermelde verhandeling, en
wel uit eenen hoogst eervollen beweeggrond. Laski wist
wel, dat hij hier, op gewichtige punten, met bijzondere
opvattingen in het strijdperk trad. Hij deinsde er voor
terug, de juist op dat tijdstip zoo hooggeklommen ver-
deeldheid op theologisch gebied door het te berde brengen
van nieuwe geschilpunten nog te doen toenemen, en wilde
daarom, alvorens hij zijn werk in druk gaf, eerst het ge-
voelen van diegenen vernemen, wier oordeel voor hem van
gewicht was. Slechts drie of vier afschriften werden er ver-
vaardigd. Het eene ontving zijn vriend Entfelder in
Koningsbergen ^); een tweede, op zijn verzoek, hertog
Alb recht van Pruisen, die in dien tijd Laski trachtte
te bewegen, zich in zijnen dienst te begeven ^); een derde
afschrift werd aan H a r d e n b o r g, die toon juist in Straats-
burg vertoefde, toegezonden, mot verzoek, om het ook aan
1) Ibid., p. 571. Ebrard (II, S. 684) wijst nog in het bijzonder op die
plaats in het onderhoud van Laski met Brenz, hetwelk later ter sprake zal
komen, waar Laski zegt: „Wij gelouven en bekennen, dat Christas, de Ilfer,
evenzeer waarachtig God als waarachtig mensch, waarlijk en in realiteit ook
in het Avondmaal bij ons tegenwoordig is," om daarmede aan te toonrn,
dat ook a Lasco van meening is, dat te gelijk met het eten van het brood en
het drinken van den w\jn eene reeele, b^zondcre werking van Christus plaats
heeft, door welke Hij zich aan de geloovigen mededeelt. Zeer kenmerkend en
juist is de hier gebezigde uitdrukking: „tegenwoordig in het Avondmaal;"
eene soort van verbetering en toelichting van Laski's, hier boven aangestipte
uitlegging van de woorden: „dit is."
») Kuyper, II, 766.
^ Ibid., p. 675.
293
de Trienden Bucer en BuUinger te laten lezen. ') Het
oordeel was niet gunstig, notih in Wittenberg, werwaarta
hertog Albrocht zijn exemplaar aan het adres van Mclanch-
thon gezonden had, noüh ook in Zurich. Uit laatstgenoemde
plaats schreef men aan den auteur: „Alhoewel ik niet twijfel,
dat gij, die in de Heilige Schrift zoo grootelijks eryaren
zijt, eene rechtzinnige denkwijze koestert, moet ik noch-
tans oprecht bekennen, dat ik, na uw jongste geschrift door-
lezen te hebben , daarin niet ééne meening vind , welke ik
met onvoorwaardelijke tocatemming zou kunnen omhelzen,
belijden en verdedigen , als ona duidelijk door het Woord
Gods geleerd wordende" =). Nog ongunstiger luidde het oor-
deel van Molanchthon ^). Hij betreurt het, dat Laski
eene vroegere waarschuwing ■•), met betrekking tot zijne
leer van den Doop, onopgemerkt gelaten heeft; wel is waar
overdrijft hij , wanneer hij uit L a a ki's woorden afleidt ,
dat de schrijver de leer is toegedaan, dat de kinderen van
alle volken zondeloos zijn en behouden worden; maar toch
heeft Laski zich ontegenzeggelijk zoowel op dit punt, ala
ook bij zijne onderscheiding tussi-hen vergeeflijke zonden en
doodzonden, bloot gegeven op eene wijze, die duidelijk doet
zien, dat zijne voornaamatc kracht niet op speoulatief gebied
gelegen was, maar die tevens getuigt van zijn levendig ver-
langen, om, van zijn meer vrij dogmatisch standpunt, de
hem omringende sekten zooveel mogelijk te gemoet te komen,
ten einde hen vervolgens tot de leer van het Evangelie
te brengon en voor do Kerk te winnen. Laski luisterde
naar de adviezen van zijne vrienden; het geschrift werd
niet in druk gegeven. Thans eerst, na meer dan 300
jaren, nu van eenen bedonkelijken , verwarrenden invloed
van dit geschrift op de gemeente geen sprake meer z^n
1) Ibid., p. seo. G83.
1) GabbcniK, p. &9.
1) McUDcbthoD. T, 574, T9n.
•) Ds beaosldc biicr na Melsuehthon, i
ia hdauB tot duiver niet ontdokt goirordoo,
makt; manr bet ntitwoord vmn i Luco ii om
per, II, p. 563).
p welken dezn plaatB zinspEelt,
en wellirbt gebeal fcTlDien ge-
bawaird geblevoa (rerg. Ka;-
293
kan, is het, na toevalligerwijs in zijnen schoilhoek te zijn ont-
dekt, onder Laski's gezamenlijke werken opgenomen geworden.
De genoemde verhandeling verschaft ons eenen juisten
blik op het streven van a L a s e o, om door de theologische
discussiën in den „coetus"' zooveel mogelijk eenheid in de
leer onder de predikers des lands te bevorderen. Doch deze
onderlinge overeenstemming in de leer tusschen de dienaren
des Woords moest vóór alle dingen der gemeente tot zegen
verstrekken, ook aan dè,t deel der gemeente, aan hetwelk de
Evangelische kerk, van den beginne af, hare bijzondere
aandacht gewijd had^ nl. de schooljeugd.
Oost-Friesland verheugde zich reeds vroegtijdig in don ze-
gen van goede scholen. Het was toch de voornaamste werk-
zaamheid van de „Broederen des gemeenen levens,'' hot
schoolwezen van hunnen tijd te hervormen ^ en ons landje
lag te dicht bij het vaderland dezer Broeders, dan dat
het hunnen weldadigen invloed op dit gebied niet als uit
de eerste hand zou hebben ondervonden. Reeds ten tijde
van den groeten Edzard waren er zelfs op de dorpen
scholen, en de eerste Evangelische predikers des lands, die
voor het meerendeel bij de Broodoren in Zwolle, Deven-
ter, of Groningen hunne opvoeding genoten hadden, behar-
tigden met grooten ernst de belangen van het onderwijs. In
hunne* voetstappen trad a Lasco. De beroemde politiever-
ordening van gravin Anna, uit het jaar 1545, op welker
uitvaardiging de Superintendent en veelvermogende raadsman
der Gravin zulk eenen wezenlijken invloed heeft uitgeoefend,
bepaalt, met betrekking tot de scholen, het navolgende:
„Wy willen juw Pastoren und Kerkon-Dienor ok ernstlik
vermahnt hebben, dat ji eene flietige IJpsicht hebben up ju
hussittende Armen, die in juwer Stadt, Flock oder Dorp ge-
bohren und wohnhafftig sinnen, die sick des Brodes schamen
tho bidden, und die durch Oltheit und Kranckheit mitihren
Leden nichts vordencn können. Wor ak die Oldern mit Kin-
der beladen, de vyf offte sosz Jahr oldt sindt, tho der Scho-
len gesettet werden, dat die den Geloven, die tein Gebade
Gadea uad dat Vater Unse lehreii; ao die OMern dajegon
streven und nicht wolden, scholen von dio Borgemeosteren und
Amt-Luiden , 8o ghy öhne dat vcratendigen, darhen gedran-
gen werden, und dat Scholc-Oeld, eo denn de Olderen bo
vermogen nich sind, gy vorae scholen uht geven. Und wenn
sie dat Vader Unae, die tein Gebade und den Geloven ge-
lehret, und se oldt und starck eind, beide Fentckens und
Magdekens, dat sie die Kost verdeenen können, ao achall man
sie in einen Dienat brengen, und nicht lenger vergünnet wer-
den, by dem Huse so te bedelen laten. So dann oek van don
Oldern gescheye, dat ae de Kindera nicht wolden in einen
Dienat tehcn laten, datselviges achall der Overigheit ange-
seyt werden, dat die Olderen darum geatrafft werden, Man
BoU oeck Bodanige Oldern geene Handreeckinge doen, se heb-
bon denn Öre Kinders in einen Dienat gebracht, ein jeder na
ayner Starckheit und Golegenheit. Worde oeck van den Pas-
toren und Karken-Deenern in Wahrheit befnnden, dat under
den armen Kindern 1, 2 oder 3 weren, de dorch den Al-
mechtigen mit ein aonderiyck Verstand begavet, de achall men
na Oelegenheit der Stadt, Flecken oder Dorp, mit Hülpe
der Gemeino boy der Schole holden, und blyven laten tho
der Tydt, dat se ao oldt, und ein Fundament tho lehren er-
langet, und vor nutte wert angesehen, buten Landes se in
andere Scholen tho sendon, dat men aladenn der Ovrigheit
tho erkennen geven achall, up dat sy wieder mit Nothdurfit
veraehen werden." ')
Als de voornaamste taak van dezo scholen wordt opgegeven,
dat de kinderen aldaar het Onzo Vader, de tien Geboden en
de Geloofsartikelen moesten leeren. Het zijn de oude, bekende
stukken van het christelijk onderwijs. Uit den vorm der be-
woordingen kan worden opgemaakt , dat ten tijde van de
■) BartfllB (!}, S. T. üit hoorde vko bure belangrijkheid hebben wij de plub
in bsar geheel medegcdeeJd; met recbt wijal Barteli er op, dat wq hierge-
wii cén ïan de vroegste ïoorbeeUcn van achoolplicbtighoid aantreffen. Opmer-
kBlijii U ook, dat de geheele gemeente de verplichting beeft, om voor de schonl
op te koffloD, en Toorts de tviju, ivaarop van ovcrbcidairege de bijionder be-
gufdïn worden Toortgebolpen.
295
afkondiging van deze politieverordening v^*^**^) * La*oo
zijnen Catechismus nog nier had opgesteld. De behoefte aai\
zulk eenen catechismus moest zich echter van diig tot dag
dringender doen gevoelen. De uitgiwe van zijn ^Vittreksel
der christelijke leer" zou wel voor een tijdh^ng de bestaande
behoefte in zooverre hebben kunnen bevreiligen, dat althans
de predikers eenen gemeenschappelijken leiddraad op leerstel-
lig gebied zouden gehad hebben; dewijl echter de druk van
het boek achterwege bleef, kon de uitgave van eoueu cate-
chismus te minder uitstel lijden. Tn 154lMianvaarddo1ia8ki,
in vereeniging met zijne ambtsbroeders, maar zóó, djit liij als
de ontwerper te beschouwen is, do genoemde taak, en bracht
haar ook met groote bekwaamheid ten uitvoer, liet werk
werd vooreerst slechts in handschrift verspreid; het is, alsof
La ski, inzonderheid na do ervaringen, die hij kort to voren
had opgedaan, huiverig geworden was, om to midden van do
verwikkelingen van den tocnmaligon tijd met een werk te
voorschijn te treden, in hetwelk hij duidelijk en onomwonden
zijne meening had uitgesproken, en hetwelk zou hebben kun-
nen bijdragen, om do verwarring te vermeerdoren. Kr werd
verordend, dat de leeraren eiken Zondagnamiddag over dozen
Catechismus in geregelde volgorde mooHten prediken, en wel
in dier voege, dat tweemaal binnen het verloop van eenjaar
de geheele inhoud ten aanhoore van de geme(»nto uitgcïlogd
en aan de schooljeugd ingeprent werd. De boweegnuhintjn ,
die een tiental jaren later naar het oordecïl van den „cocjIuh"
eene dusdanige verordening noodzakelijk maakten '), wansn
ook reeds in 154G van kracht. Met allen ernst zull(;n de huza-
ren, tot heiliging van den sabbat, in de namiddag-godsdienHt-
oefeningen den Catechismus verklaren, ten einde eene gc^nfu^nte
Gods te vergaderen, en haar van der jeugd, ja, van kindshoen
af in al den wille Gods in Christus Jezus te onderwijzen, on
haar daardoor voor de ijdelheid en den lust dezc;r wereld te
behoeden '^). Van die geschreven exemplaren is ons geen en-
i> Ku vpe r, II, 40G.
>) Ibid., II, VJO: „Bidd«o derhalven. .., g/ willen ufi»*:n üyih juw K<;ffell«a
Uten, QDde dessen Catechiimum . . . . kui sftbbkth Dtge, io juwer Geioeoc,
396
kei bewaard gebleven ; het werk zou derhalve voor ons ver-
loren zijn, indien niet Utonhovo, de vriend van onzen
Laski, voor de gemeente der vreemdelingen in Londen eene
YlaamBcbe overzetting had vervaardigd, die in 1551 te Lon-
den het licht zag. ')
De zeer uitvoerige Catechismus — immers, hij bevat 250
Vragen en Antwoordenj deze laateten dikwijls van zulk eonen
omvang, dat van een van buiten leeren bij de meesten moet
worden afgezien, — is in 4 Deelen verdeeld: de Geboden
(1—103), de Geloofsartikelen (104—193), het Gebed (194—
214), de Sacramesten (215 — 250). Het is de oude verdeeling,
van welke men zich zoo menigmaal bediend heeft. Hoe gaarne
zouden wij vernemen, wat Laski bewogen heeft, om de
verdeeling van C a l v ij n , die in zijnen Catechismus, tusaohen
de leer van het Gebed en de leer van do Sacramenten, als
afzonderiijk hoofddeel nog de leer van het Woord Gods op-
nam ^) , vaarwel te zeggen, en toch ook niet de verdoeling
in drieën te verkiezen , die nog in de politieverordening van
het voorafgaande jaar doorschemert, en die vervolgens in den
Heidelbergachen Catechismus in zelfstandigen en tevens zoo
voorbeeldigen vorm werd opgenomen. Reeds in Londen deed
^ch de behoefte gevoelen, om, inzonderheid ten dienste vaa
den kindurkcDS unde lUrüldigou tho güdc, mith fljte khrcn oude drjvca: up
dït jk ds kÏDiIer, dem Heren ia der Üöpe thogedrsgeii, mogen in rcjoer unde
rBchtcr Lnhre, tbo ilUr Godtailicbett dcm Heren upgetogon wcrdtsn, nnde dn
gemsne Man aick isn di^r enthiUiglDge des «abbath dagci, vtin druncken drÏDfiken,
■pelen, lopen, kopen, srbeyden , unde sndern knecbtlïeken wereken entWde,
ande den «nbbath in dem debl nhs dem befele Gid(!s hilljgo."
■) Over het ontatiuiD VAn deze vertaling, gelijk mede orer de verhouding
Tan den LandeDBchen Cateehiamua tot den Ëmdengclien, vergel. bet voorlredK-
lijk onderioek vnn Kuyper, 1, LXXSl— XCVllI. Hoe gunme ion men door
talk eenen nuvorBcher ook een verder onderioek aangnnnile <le lerbouding vin
den Citecbiimng van Luki tot dien vun CdIiIjd en <!cn Heideibergschen
hebben üno in het tierk gesteld I
') Over dcia oigenmrdïgheid , die ook in ïndere citeebisuiiisaen der Iterior-
vorming ii u vergen om en , vergel^ke men Zezschwiti, II, SQB, wiens
confetaioneel itandpuot, belus, &1D lijnen voort re (Tel ij ken irbeid, watnimrlijk
de beoordeeling van de Diet-Lutberecbe catectiiBmuaBen aangaat, geen voordeel
gedaan hoeft; a*n deie lastit genoemden km hij niet in alle oplichten recht
Iiten wedervaren.
^
de jeugd, een uittreksel oit dezen Oatechismua te vervaardigen,
oohq taak, die aan Micronius, predikant aldaar, werd toe-
vertrouwd '), De groote CatechÏBnius wordt Bamengetrokkon
in 41 Vragen en Antwoorden, op zelfstandige wijze bewerkt,
zopder juist woord voor woord do punten, die zij met elkan-
der gemeen hebben, weer te geven, — zulk eene angstige
gebondenheid aan don tekst van een of ander Byroboliacli go-
Buhrift kondo men niet in de groote, vnje dagen der Hervor-
ming, — maar in volkomen harmonie met den geest en de
gezindheid , die den groeten Ca-techismus doordringt. Het
krachh'ge, zuivere gevoel van dezo eenheid overschreed lich-
telijk en gaarne de perken van eene nauwkeurige overeen-
stemming in den vorm. — Het uittreksel was niet bestemd,
om de breedere niteenzettiiig van don grooten Cateehiamus
te verdringen; het vormde slechts een soort van voorportaal,
hetwelk dienen moest, om de jeugd tot eene diepere en
grondigere opvatting van de heilswaarheid te leiden en aan
te sporen.
Met hetzelfde oogmerk werd ook door de Emdensche predi-
kanten, in het jaar 1554, een dergelijk uittreksel vervaardigd.
De verdienstelijke uitgever van La ski's geschriften heeftop
Bcberpzinnigo wijne aangetoond, hoe dit werk, al doet het
I) Q.t
imde nittfFkscl is met ncht onder de gKachriftea van I'ïelii op-
vindt brt in hit Vlinmm-li bij Kuypcr, II, 177— lOS. Bovna-
cn nol in de Litijnicfae tasl, te vindea ia bat ncrk ï*D Liski
io" (t. B. ])., IS7 — ISS). Us beide teketen itsnimcn niet woardclyk
per karakterigcBrt bet donrgajind verschil op juiile wijie tldai:
observntu dignuuj ett ia editinne bdgica omnin magis sd rum,
I qaï reapoadere debent, ipsnm , — in ed. latina mapa id aDiveraam nccleaiam
1 referri." Een aader, neieDlijk onderacheid ia dit, dat de Latijaache aitgave IB,
I da VJaamaohB alechta 41 Vragen en Aotwoordea bevat. De Lat. uitgave ia ver-
mmnlerd met de belangrijke 11* vraag; ^Q^'d eat Ëdea?" kUook met de 12°:
„Quidnam igilur nobia eat credendnm , ut aervari poaaimaa?" met hare jnïate
aatlraerdsn, die ia den Hoidelb. Cat. talk eenen aeboonen neerklanli govonden
babbsD; vDorta ia er bijgevoegd de 30° vraag: „Quomodo est Coona Dom,
Chriali JDadlDtio?" en eindelijk de 41*: „E<t igitur Magiatrataa minister gUdii
in Ercl. Chrtsti, perinile atijne Doctarci ac Paatorea auut verbi Divini Mioiitri,
Bt quemidum isti llagilïa omnia verbi Div. anturitateet Eccl. proflignre debent
jute diaciplinae Apaatolicae naam, ita Magistratua qooqne per gUdii miniatorium
flla pnniat et publicam tranquillitatem cum omni pielste coDJuaetam iDratar?"
zich ook in de schoone Voorrede, aan de geestelijkheid van
Oost-F ricsinnd gericht, als een gemeenaehappelijke arbeid
voor, nochtans hoofdzakelijk uit de pen van Laski moet
zijn gevloeid. ') Het Emdenacho uittreksel, met zijne 94 Vra-
gen en Antwoorden, is rijker van inhoud dan het Londensche;
het beweegt zich nog vrijer en zelfstandiger in het wedergeven
van de stof, gelijk te recht ia opgemerkt, ale een sprekend
bewijs, dat het door Laski vervaardigd ia, dewijl de schrgver
van beide werken zich gemakkelijker en onbelemmerder be-
wegen kauj dan de vreemde, die met piëteit een bestaand
werk in beknopteren vorm tracht weder te geven,
De Cateuhismua vnn onzen Laski neemt in dit soort van
geschriften eene zeer belangrijko plaats in, vooral wat be-
treft het Emdensche uittreksel, dat voor lange jaren de Ca-
techismus der landakerk in Oost-Friesland geworden ie , en
als zoodanig eenen kraehtigen en beslissenden invloed op het
leven des volka geoefend heeft. Eiken Zondag-namiddag werd
in het kerkgebouw door den dienaar dos Woords de inhoud
van het bock verklaard ; tehuis onderwees de huisvader
zijn gezin in de belijdenis zijner kerk, en de onderwijzer in
de school begon reeds tijdig de kinderen in te prenten het-
geen zij eenmaal hadden te belijden, om als waardige leden
der gemeente beschouwd te worden. Want alleen hij mocht
bij de Kerk zich aansluiten en aan de Avondmaalsviering
deelnomen, die de Vragen van den Catechismus nauwkeurig
beantwoorden kon, '') Uit was eene ernstige, heilzame tucht,
zonder welke er nimmer eene krachtige, levende gemeente,
die ook om haars geloofs wil kan lijden, ontstaan en be-
staan zal. Want eene Christelijke gemeente is niet eene
vereeniging van duizendvoudige mceningen en zienswijzen
betreffende de waarheid ; zij ia huisbezorgater over de ver-
borgenheden Gods, die zy in hare gemeenschappelijke belijdenis
>) Kuyper, I, XC rgg. Den tck.t lelïen — onder den titd: „CnUthiBinm, j;
elfte EinderlebrE, thn natte der Jügct in OaUnesaliiadt, dorcli da Denen du ■
hilügon GoaHioken Wordoa tho Embden. (Uppet korlesls ïervalot.)" — Tindt
men t. a. p„ ![, iflS— 543.
') Ibid.. II, 135.
299
bewaart, onder welke, als onder de waarheid Gods, zich
alle diegenen blijmoedig buigen, die levende leden van deze
gemeente zijn. Het hooge aanzien, hetwelk, een paar decen-
niën later, de Heidelbergsche Catechismus zich welhaast in
bgkans alle hervormde landen verwierf, drong den Emden-
schen Catechismus op den achtergrond; aan dezen laatsten
echter kan de roem niet ontzegd worden, dat hij op de wijze
van inkleeding van verscheidene punten in het jongere mees-
terstuk eenen niet on wezenlij ken invloed heeft uitgeoefend. ^)
Het was Laski's voornemen, om aan de verschillende
verordeningen, die strekken moesten, om eene naar Evan-
gelische grondstellingen ingerichte kerkelijke organisatie tot
stand te brengen, eene vaste „kerkorde" tot grondslag te
leggen. ^) Te midden van de vele werkzaamheden, met
welke hij overladen was, en bij zijne afmattende pogingen,
om voor zijne instellingen in Oost-Friesland het burgerrecht te
verkrijgen, was hij in Emden daartoe niet in de gelegenheid ;
eerst veel later, en na de verdere ervaringen, die hij op dit
gebied elders had opgedaan, vond hij den noodigen vrijen tijd
voor dit gewichtige werk. Uit dien hoofde zullen wij over dezen
zijnen meest voltooiden arbeid eerst later uitvoerig handelen.
Het was voorzeker eene bezwaarlijke taak, om voor deze zoo
zegenrijke kerkelijke instellingen in Oost-Friesland den bodem
te eifenen , en zorg te dragen , dat zij behoorlijk wortel vat-
teden. Al zijne geloofskracht, in welke hij zijnen arbeid, als
eene taak, door God hem opgelegd, met bezielde toewijding
van zich zelven verrichtte, al zijne zachtmoedigheid en ge-
duld, al de onwankelbare vastheid van zijne overtuiging
moest L a s k i te hulp roepen, om niet te verlammen, en om
^) Seisen (S. 177 f.) biedt ons zulk eene onderlioge vergelijking van som-
mige Vragen, uit welke op de duidelijkste wijze blijkt, dat de opstellers van
den Heidelbergschen Catechismus zich den Emdenschen hebben ten nutte gemaakt.
Uitvoeriger handelt hierover S u d h o ff (S. 89), maar ook zijne uiteenzetting
dienaangaande voldoet niet meer aan de tegenwoordige eischen. Wij hebben er
reeds ons leedwezen over uitgedrukt, dat wij niet van de hand van K u y p e r
eene nauwkeurige behandeling van deze interessante vraag bezitten.
») K u y p e r, II, 575.
aan de heftige aanvallen zijner tegenstanders manmoedig liot
hoofd to bieden. Vaak meende onze vriend, het strijdperk te
zullen moeten verlaten, en was hij geneigd, om deze of gene
roeping naar elders op te volgen; want dit stond bij hem vast,
dat hij op geenerlei wijze met verzaking ook slechts van één
enkel punt van datgene, wat hij als goddelijke waarheid erkend
had, met den tegenstander in onderhandeling wilde treden.
De trekken van een deel der tegenstanders zijn niet onbe-
kend aan hen, die de worstelingen van Calvijn ïn Qenöve
hebben gadegeslagen. Het zijn de volle aangezichten der
wereldiingen, — der Epicuristen, gelijk onze ernstige strijder
voor de eere Goda hen noemt, ^) — die van alle tucht
welke in Goda Woord gegrond is, eenen afkeer hebben,
daar zij zich in hun aangename leven door nieta willen zien
belemmerd. Zulke lieden bevonden zich ook in grooten ge-
tale in Oost-Friesland; door de verwarring en teugelloosheid,
die gedurende de laatste jaren op kerkelijk gebied haddon
geheerscht, waren zij verwend geworden, terwijl het drijven
aan hot naburige Nederlandsche hof hen in hunne gevoelens
versterkt had. Niet bij machte, om met ernstige, gewichtige
wapenen zich te verzetten tegen hen , die in de kracht van
een waarachtig geloof den goeden strijd streden , waren zij
gewillige, en daarom niet ongevaarlijke trosknechten, ter be-
schikking van hen, die uit ernstige overtuiging des gewetens
den strijd tegen zulke instellingen meenden te moeten aanbinden.
Ook met zulke ernstige tegenstanders had onze vriend te
strijden. Immers, zoolang wij niet door duidelijke bewijzen van
het tegendeel overtuigd worden, moeten wy ons wel wachten,
bij deze wederpartijdera de oprechtheid van hunne overtuiging
in twijfel te trekken, hoe diep wij ook, ter vrille van de Evan-
. gelische kerk, dien strijd ook nog heden ten dage betreuren.
Reeds herhaaldelijk hebben wij gewezen op de verschillende
kerkelijke stroomingen, die zich in het landje, ook te midden
van de wisseling der politieke omstandigheden in de laatste
jaren eenen weg gebaand hadden. De Lunenburgsche periode
") Ihid,. IT, B74.
301
met haron ijver, ora de zuivere Lutherache loer te doen zegevie-
ren, vras niot voorbijgegaan zonder duidelijk merkbare sporen
achter te laten ; hier en daar vond men nog eene gemeente,
welke eenen leeraar bezat, die een getrouw aanhanger van
Wittenberg was en zich in zijn geweten verplicht gevoelde,
om zijne zienswijzo, zoowel op don kansel, als in het dago-
lijksch leven, krachtig voor te staan, zonder er naar te
vragen, of niet aoms zijn voorganger in de bediening van
ecn6 andere richting geweest was, en de gemeente deze
laatste wellicht reeds sinds jaren gevolgd had. Geen vaste
kerkorde verhoedde zulk een streven. Zoolang do weldadige
werking van de Witten bcrgsch o Concordie in do Duitsche
landen aanhield, kwam het verschil van richting ook in
Oost-Friesland niet scherp aan den dag. Thans* echter was,
door de houding van Luther gedurende zijne laatste levens-
jaren, de ongelukkige Sacramentsstrijd, die een tijdlang slechts
in stilte had voortgesmeuld, bij vernieuwing aangeblazen ge-
worden, en allerwege verhieven zich de flikkerende vlammen.
Ook in Ooet-Friesland achtten üij , die het oude spoor dor
Lunenburgors volgden, zich geroepen, om zich voor de be-
dreigde leer in de bres te stellen, en tegen do nieuwe,
presbyteriale verordeningen op to komen. Hun woordvoerder
was Lemsius, predikant to Norden, geboortig van Antwer-
pen, die in de Lunenburgsche periode, 1536, in het land
was gekomen en den kansel beklommen had, van welken een
tiental jaren vroegor het bovenvermelde Avondmaal slied ')
van den toenmaligen predikant, of, gelijk zijne gemeente hem
liever noemde, „Nordensch en Evangelist," Hendrik Rese,
weerklonken had. Eenige v^'einigc andere pastoraten, zooals
Anrich, Strickhaunse, Friedehurg, Brockmer, ■") sloten zich
bij den ijverigen tegenstander aan. Allereerst weigerde men
uitdrukkelijk, aan den „coetua" deel te nemen; daarop viel
men de leer van La ski openlijk aan, terwijl men hem
voop een sacramentiat uitmaakte. "Wel werd in een grafelijk
I) Vtrg. bierbovo
302
bevelschrift aan de nalatige leeraars geboden, den ,,coetu8''
bij te wonen, doch daaraan werd door de wederspannigen
volstrekt geen gevolg gegeven. Zij wisten trouwens, dat zg
onder de hovelingen, van welke velen ontevreden waren over
de kerkelijke tucht, eenen niet geringen aanhang bezaten,
die hun in hun verzet tegen den lastigen tuchtmeester , die
zoo gestreng te werk ging, eenen gewenschten steun bood.
In geschrifte werd de strijd verder voortgezet; jammer, dat
de oorkonden, die hierop betrekking hebben, zgn verloren
geraakt: op hoedanige wijze deze strijd door a Las co ge«
voord werd, kan ons blijken uit meer dan ééne treffende
plaats uit zijne talrijke brieven van die dagen. Eén enkel
voorbeeld moge hier volstaan. Ten tijde^ dat hij de zwaarste
aanvallen moest verduren, schrijft hij aan zijnen vriend
Bullinger: „De zoon van onzen PelUcanus heeft hier de
nog gebrekkige inrichting onzer kerken gezien ^ en v^as ge-
tuige van den heftigen tegenstand van sommigen, die nog
steeds de overeenstemming in onze leer trachten te ver-
storen. Ik voor mij geloof ^ dat zulke lieden deswege aan
ons worden toegevoegd, ten einde ons alzoo te oefenen en
ons bekwaam te maken, om de ware leer te verdedigen.
Wij trachten onze tegenpartgders, zooveel wij kunnen, door
zachtzinnigheid en geduld te overwinnen, en bidden voor hen,
dat zij nog eens tot een beter inzicht mogen komen." *)
Met betrekking echter tot het zwaartepunt van zijne leer
was La ski onverbiddelijk. Hij wist zeer goed, dat inzon-
derheid voor de wereldsche lieden zgne vordering betref-
fende de kerkelijke tucht een steen des aanstoots was. „De
laatste grond van alle aanvallen, ik weet het, is geen andere,
dan dat zij, die, zonder zich om eenige wet te bekreunen,
tot dusver alles meenden te mogen doen, wat hun slechts
gelustte, het zich nu niet willen laten welgevallen, door ons
bestraft en tot de orde geroepen te worden, hetgeen ik noch-
tans doen moet, als ik mij naar eisch van mijne roeping vnl
kwgten .... Maar ik houd dit alles voor het zekerste bewijs.
1) Kuyper, II, 595.
303
dat ik een dienaar van Christus ben, wien wereld en Satan
met zooTele kunstgrepen belagen, en ik danke God, mgncn
Vader, door Jezns Christus, mgnen Verlosser, dat Hij mij
op deze wijze wil oefenen, terwijl ik Hem smeek, dat Hg
mg kracht geve, om zijnen naam te verheerlijken, hetzg door
mgn leven, hetzg door mijnen dood/' *) — Voor zijnen vriend
Herman Lenthius, den geheimschrijver der Ora vin, stort
hg, op het meest benarde tijdstip, zijn overkropt gemoed in
de volgende mannelgk-schoone regelen uit: „Ik begin mij
zelven af te vragen , waarde Herman, of het ook soms aan
haat tegen mij is toe te schrijven, dat ik hier op kerkelijk
gebied volstrekt geen vorderingen kan maken. Wat toch, ik
bidde u, is de vrucht van mijnen arbeid alhier, gedurende
nu al dezen tijd mijner bediening, behalve dat er eenige meer-
dere overeenstemming in de leer gekomen is P En nu trachten
sommigen, naar ik hoor, ook deze weder te verstoren! In-
dien de Vorstin, of de overheid, of iemand anders mij min-
der bekwaam of niet getrouw acht in mijne bediening, waarom
mg dan niet eenvoudig gezegd: leg uw ambt neder! Indien
de zaak aan de Gravin niet ter harte gaat, on zij soms meent,
dat het niet tot hare roeping behoort, den waren dienst van
God met al haar vermogen te bevorderen, waartoe heeft zij
dan mijnen dienst van noode? Dit is zeker, dat ik niet lan-
ger de dienaar verkies te zijn van deze overheid hier, die
zich van alle vroomheid afkeerig toont. Ik had mijne hoop
gevestigd op de Gravin, die mij ook bewogen heeft, hier te
blijven: maar ook haar zie ik verslappen, en indien zij niet
spoedig andere bewijzen van haren ijver aan den dag legt,
zoo zal ik inderdaad genoodzaakt zijn, dienaangaande te ge-
looven hetgeen ik liever niet zoude aannemen. Ik althans,
waarde Herman, wensch allerminst een verachtelijk dienaar
des Goddelijken Woords te zijn. Indien anderen het in hunne
bediening willen gedoogen, dat het gezag van hot Woord
Gods gering geacht wordt, dan ben ik wel gedwongen, zulks
te dulden; maar dat, uit vijandschap tegen mij, hot gezag
1) Ibid., p. 588.
yan het Woord Gods in mijne bediening alhier geminacht
wordt , waarlijk , dat kan ik niet verdragen. Of is het niet
oene schande, dat ik het maar niet gedaan kan krijgen, dat
er behoorlijk voor de bchoeftigen gezorgd wordt, nofh ook dat
de beelden worden weggenomen , welker aanbidding, als tot
bespotting van onze bediening, wy met onze eigene oogen moe-
ten zienP TJlieder zaak, zóó voegt men ons telkens toe, is
alleenlijk te prediken. Mijn antwoord luidt, dat wij geensziiw
voor zwijnen en honden te prediken hebben, d. i. voor zulke
lieden, die de slecht verduwde spijze hier of daar uitbraken.
Reeds zoovele jaren achtereen is hier gepredikt geworden:
welke vrucht kan er dan nu van deze prediking getoond wor-
den? Wij zien nog altooa den openbaren, afachuw el ijken af-
godsdienat der monniken, en het is niet geoorloofd, dien aan
te tasten. Alle kerkelijke tucht KÏen wij afgeschaft en onder-
drukt. Wij zien bijkans ailes geroofd en verspild, wat tot
instandhouding van den openbaren godsdienst en tot bevor-
dering van de studiën der jeugd bestemd waa. Wij zien eene
vergaderplaats van allo sekten; de muggen onder haar heb-
ben wij vervolgd, de wespen echter en zelfs de horzels onder-
houden wij, terwijl wij de raven ongestoord haren gang laten
gaan. Ja, wij zien zulk eene toegevendheid voor de ondeugden,
dat ieder, die een weinig ingetogener wenscht te leven, aan-
stonds voor een partijganger gehouden wordt. Dat zgn da
vruuhten, die wij hier zien van het nu reeds zoo lang ge-
predikte Evangelie, en nog steeds wordt ons toegeroepen : Qg
moet slechts prediken! Wij behooren de mensohen, zóó hoor ik
zeggen, te leoron, dat do bedelden geen afgoden zijn. Maar zullen
wij dat wei doen inzien aan hen, volgens wie het heil des
vaderlands staat of valt met het behouden of het wegnemen
van de beelden? Kan er wel grover afgodadienat zijn, dan
te meenen, dat alles veihg zal zijn, als de beelden behouden
blijven, maar dat daarentegen het vaderland te gronde zal
gaan, als zij worden weggenomen? Of zijn soms de beelden
werkelijk bij machte, om ons te beveiligen, indien wij ne be-
houden, of om ons in het verderf te storten, indien wij ze
verwijderen ? Is dit alles niet bare goddeloosheid en godslas-
305
tering? En dan daarbij nog te beweren, dat er niemand is,
die deze beelden vereert! Indien dit niet een yereeren van
de beelden is, ik bidde u, w^t is dan beeldendienst? — Doch
de zielesmart en lichaamszwakte, onder welke ik gebogen
ga, nopen mij, hier af te breken. Ik zou echter wel wen-
schen, waarde Herman, dat gy de Gravin onder vieroogen,
en wel met den meesten ernst, over dit een en ander onder-
hieldt. Want dit staat bij mij vast: indien ik niet andere
bewijzen van vroomheid bij de Gravin mag bespeuren, dan
zult gij mij niet lang meer hier zien/' ^)
Met deze bedreiging was het onzen strijder volkomen ernst.
Nog een paar maanden oefende hij geduld; toen hy echter
by de leeraren nóch de gewenschte overeenstemming in de
leer, nóch ook de handhaving van eenige de minste onder-
linge tucht bespeurde, en hij ook de overheid in dit opzicht
nalatig bevond, legde hij, in het begin van het jaar 1546 ^),
zgnen post als Superintendent neder, en bleef slechts als
eenvoudig prediker in de Groote kerk te Emden werkzaam,
en ook dit slechts onder deze ééne voorwaarde, dat hem
hierbij geheel de vrije hand werd gelaten. Een toestand als
deze kon natuurlijk niet lang voortduren. Algemeen zag men
in, welk eene bedenkelgke schade de Kerk door dit besluit
1) Ibid. II, 596.
>) Het moet omstreeks het einde van Februari, of in het begin van Maart
zgn geweest, want den 23° Maart scbrgft hij aan Ballinger: „Ofschoon zeer
ongaarne, heb ik toch eindelgk datgene gedaan, waartoe ik zoo langen t\jd
achtereen niet kon besluiten. Ik heb het opzienersambt, wegens de ouvrome
gezindheid („impictas") onzer overheid en van eenige valsche broeders neder-
gelegd. De overheid wenschte, dat ik den titel van Opziener (de benaming
luidt bij afwisseling nu eens „episcopus," dan weder „8uperintendens,"of soms
ook, gelijk hier: „inspector") behouden zou, maar zij vergunde m\j volstrekt
niet, dat ik de kerkelijke tucht zou toepassen op openbare goddelooze en
godslasterlijke huurlingen , om niet te zeggen : herders. Daar ik nu de waar-
digheid van Christus, onzen Heer, in mijne bediening niet langer aan bespot-
ting wilde prijsgeven, zoo heb ik het ambt, dat ik niet naar eisch kon vervullen,
vrijwillig nedergelegd. Mijne bediening als prediker heb ik echter niet ncder-
gelegd, en zal die ook niet nederleggen, tenzij dan, dat ik van hier verdreven
worde, waarop de zaak, naar het mg voorkomt, wel eens zou kunnen nitloopen.
Doch ik geef mij geheel aan Ood over, en zal ook, door Gods genade gesterkt,
voor de woede van Satan en wereld niet zwichten." (Ibid. II, 602.)
DALTON. 20
306
ondervond, l'as was lij begonnen, tot vastheid te komen en
den rijken zegen van zulk eene kloeke ]dding te genieten,
en nu werd de ervarene hand aan het roer gemist. Reeds
in de maand Mei worden er oDderhandclingcn geopend. Slecbts
bgajdien men genegen is, om met een oaverdeeld hart den
Heer te volgen, wü onze vriend weder, zooveel hij vermag,
der landskerk van dienst zijn. Omstreeks het midden van
Juni waren de onderhandelingen tot een gewenscht einde
gekomen; ') aan den heftigsten tegenstander, Lemsius,
werd door de Vorstin het stilzwijgen opgelegd, terwgl aan
alle leeraren, onder bedreiging van te worden ontslagen oit
hunne bediening, bevolen werd, aan den „coetus" deel te
nemen; geen prediker mocht in zijn ambt bevestigd worden,
die niet met zijne handteekening verklaard had, dat hij in-
atemde met de leer der Kerk. De wederspannigen onderwier-
pen zich aan de gestrenge verordening der overheid; immers,
zij konden niet besluiten , om , ter wille van hun gevoelen ,
hunne betrekking neder te leggen. Toch hadden zij ook weder
volstrekt geen last, om het hoofd geheel in den schoot te
le^en. Uit Bremen, Hamburg, Bronswijk en Wittenberg,
dat nog treurde bij het pas geslotene graf van Luther,
verzamelden zg adviezen tegen het hervormingswerk van
La^ki. Ket mocht hun echter niet baten. „De waarheid is
cnoverwinnelyk, en zij wijkt niet voor menschelijke wgshoid,
al bezweken ook de grondvesten der aarde" („etiamsi fractus
illabacnr orbis"), tAü schrijft onze humanistisch gevormde
vriend aan zijnen Kardenberg, op den toon van een
blijmoedig en vastverzekerd geloofsvertrouwen. *)
Het heeft bijkans den schijn, alsof de ernstige str^d en
de scbynbare nederlaag van Laski slechts beeft moeten
dienen , om te doen zien , boe diep het reformatorische stre-
ven , ook in dezen bepaalden vorm , reeds in het land had
wortel geschoten. De tegenstanders waren met geheel ten
onder gebracht, — te dezen opzichte maakte ook a Las e o
zich hoegenaamd geene iUusiën, — zij waren slechts terug-
*) Ibid. II,
*) mi., p.
fl07.
307
gedrongen en op den achtergrond geschoven door de machtige
persoonlijkheid, die door de verhevenheid van haar streven,
door de zuiverheid van hare gezindheid en door hare on-
verbiddelijke energie in het doorzetten van datgene ^ wat zij
als den wil Gods en als noodzakelijk tot verheerlijking van
zijnen naam beschouwde ^ den grootsten invloed uitoefende.
Onwillekeurig en bijna van schrede tot schrede roept de
werkzaamheid van a Lasco ons Calvijn voor den geest.
Hetgeen onzen a Lasco, in vergelijking met zijnen groeten
geestverwant, in scherpzinnigheid en diepte van speculatieve
kennis ontbreekt, wordt, zij 't ook niet ten volle, vergoed
door eene rijkere mate van zachtzinnighoid en vatbaarheid,
om ook aan het standpunt van anderen recht te laten we-
dervaren. Maar beide mannen zien wij, naar de verschillende
mate van de hun toevertrouwde talenten, geheel door deze
ééne gedachte bezield, om de heilige majesteit Gods, gelijk
zij zich in de overgave van den ccngeboren Zoon verheerlijkt
heeft, met zelf verloochenende toewijding van al hunne gaven
en krachten, in de gemeente des Heeren, welke Hij door
zijn leven en sterven verlost en gekocht heeft, door hare
heiliging tot haar recht te doen komen. Beide mannen waren
tot dusver in geenerlei persoonlijke aanraking met elkander
gekomen; zij staan ook niet tot elkander in de verhouding
van leermeester en discipel, gelijk eenigermate het geval
was bij de betrekking tusschen Calvijn en Enox. Wel
kan men den invloed bespeuren, dien de voortreffelijke ge-
schriften van Calvijn, gelijk op zoo talloos velen, ook op
a Lasco hebben uitgeoefend, maar toch in eenen zelfstan-
digen geest hebben zij beiden den gelijken noodzakelijken
arbeid, dien zij zich in den loop der Hervorming zagen
toegewezen, aanvaard, om nl. de Evangelische kerk der
Reformatie, die onder de gemeenschappelijke banier van de
rechtvaardigmaking alléén door het geloof, verzameld was,
te ontwikkelen tot eene gemeente, die zich wcnscht toe te
wijden aan haren Heer.
Het gerucht van de worstelingen on den wasdom der Oost-
friesche kerk onder de leiding van a L a s c o verspreidde zich
30H
heinde en ver, en drong ook tot Genève door. Met leven-
dige deelneming sloeg C'alvijn eene ontwikkeling gade,
die mot zijn eigen streven zulk eene treffende overeenkomst
vertoonde. Hij had bericht ontvangen aangaande de vorming
van den „coetua" '); eenige leden van deze vereeniging
hadden hem iiitgenoodigd , om eenen catechiamus voor do
jeugd op te stellen; de Zwitaerache hervormer gaf aan dien
vrenBch gehoor, en droeg zgnen Catechismus aan de g02a-
menlijke leeraren der Onstfriesche kerk op ^). In breeden
omtrek sprak men op de meest vaardeerende wijze over
■} Dit D
Doctn", Ecoc DitdtiikkiT
geeste lij)! beid gcricbt *
vsn TC reen i ging zoa br
de moadetinge I
>) Vorg. C»l
ber 1645; roods
luo sis Gerard zi
du woorden (CaWiJn, VI. T): „nDnnttlli ts vrat»
;, nelke, iodiüu sij niet hiipa&ld tat de DoBtfriesche
19, f,ems niet . noodukelijk op Acte bijiondore soort
loeven te worden toegepast. In de briefiriBBeiing vïd
109 nog eenige plaateen benaard gebleven, welke, afgeiion van
bericbten, die bij voorseker ootianguu bad, om de brannsD
ande Oüst-Friealand en s Lnsco aantoouen.
ij n, VI, 7. De gpdrukte opdracht ia gedateerd van Decem-
Juli van dat jaar bevond lij ticb in handschritC te Emdsn,
. Canipb, een vriend van Laeki, aan BuilingerbericUt (rel^
Calvijn, XII, 154). De behoefte am eenei uatcvhisinus liet lich weldra
levendig gevoelen, nadat a Laaco begonnen waB, zijne reforniatamche bedoe-
lingen te verwerkelijken. De ongnnsliga beoordceling van r.ijn (slechts in
nanosenpt verzonden) „Epitome" had hem den moed benomen . om onmid-
dellijk tot de uitgave van eenen zoo belangrijken arbeid over te gaan. Na
zich smartelijk gevoelen deed, aan te vnllen, ^ want er is volstrekt geen
Vwijs voorhanden, dat men het plan gehad hteft, om dezen Catechiamua in
Ooat-Friealand in te voeron, — maar wellicht om aU voorbeeld te dienon bij
de Bamenitelliag van eenen eigenen catechiamua. Ue Catech. van C a 1 v ij n
kan bU voorbocld dienen, in hoever ook hoofdpunten der leer op den achlct-
gmnd moeten treden, wanneer bet er op aankomt, om eene teedere jeugd, naar
de mate van hare vatbaarheid, in de kennis der heibwaarheid in te nijdea.
Calvijn trarhtte door de uitgave van dezen Catechismns de herinnering aan
lijnen Catech. van 1537 nit te wiBSchen; hierin slaagde hij dan ook zoo vul-
komeo, dat zelfs de onvermoeide navonchsre Renai en Baum voor hunne
msesterlijtie uitgave van de werken van C a I v ij n geen enkel eiemplaar van
de oorspronkelijke Franache uitgave konden opsporen. Kerst voor een paar
jaren heeft eene gunstige beschikking zolk een exemplaar in de nationale bi-
bliotheek te Parijs aan het licht doen komen, en Albert R i 1 1 i e t en
Theophile Dufour hebben door veortrelTelijke inleidingen den herdruk
nu dit geschrift verrykt. („Lo cntóchisme franïaia de Calvin." Genere, 1878,
CCtXXÏVlI en 143 pp.)
309
hetgeen in Oost-Friesland geschiedde ; de kerk aldaar oefende
eene sterke aantrekking, inzonderheid op de omliggende
landen uit, en bepaaldelijk de meest degelijke jongere krachten
streefden er naar, om in het verband dezer kerk te worden
opgenomen, i).
d) De Hervormer in zijn private leven in
Oost-Friesland.
Slechts spaarzaam zijn de berichten, die wij met moeite,
en vaak op zeer afgelegen punten, over het private leven
van onzen vriend hebben kunnen opzamelen. In die groote
dagen was men niet mild met dergelijke mededeelingen ; bij
de ontzaglijke gebeurtenissen, die op het wereldtooneel
plaats grepen, trad het private leven ook van de voor-
naamste getuigen bescheiden op den achtergrond. Slechts
hier en daar, en bijna toevallig, vindt men daarvan gewag
gemaakt, meestal met eene korte opmerking in eenen par-
ticulieren brief aan dezen of genen vriend, en dan ook door-
gaans zoo vluchtig en zoo abrupt, dat het de hoogere eischen
onzer dagen ook in dit opzicht ganschelijk niet bevredigen
kan. Dit is geen verwijt tegen dien groeten tijd, maar slechts
een bejammeren van de wellicht niet gerechtvaardigde wen-
schen onzer dagen.
Het eerste openlijke bewijs, dat hij de gemeenschap met
de Roomsche kerk voor goed verbroken had, is ook bij a Lasco,
1) Kuyper, II, 595: ,,De Brabantsche godgeleerden ergeren zich zeer
dat van dag tot dag velen zich van daar tot ons begeven , en voor zulk een
besluit m^nen naam als pretext bezigen. Zij geven zich daarom alle mogeljjke
moeite, opdat ik van hier verdreven worde, want zij vreezen, dat het Oro-
ningsche gebied en West-Friesland door mijne tegenwoordigheid alhier mede
tot onze ketterij zullen vervallen. Immers, de voortreffelijkste priesters in de
beide genoemde gewesten nemen, met verzaking van hunnen afgodsdienst, tot
mij hunne toevlucht en worden door mijn toedoen aan het hoofd onzer ge-
meenten geplaatst. Niet weinige anderen worden door hen bewogen, om insge-
lijks tot ons over te komen... Ik word echter voor dat alles aansprakelijk
gesteld, terwijl zg meenen, dat door mijne verdrgving van hier aan dat alles
een einde zou komen."
gelijk wij reeds vernomen hebbon, zijn huwelijk {
met eene burgerdochter uit Leuven, Dezen voor de Evauge-
Üsehe kerk zoo bolangrijkon stap hebben in die dagen bijna
allo hervormers en predikers van het Evangelie gedaan: de
Evangelische pastorieën, die voor het gcheele gemeonteleven
der volgende tijden de bron van eenen rijken, duurzanien
zegen geworden zijn, wortelen reeds in den aanvang der
Hervorming, en zijn ten nauwste met haar geheele wezen
verbonden. Twaalf jaren slechts duurde deze echtverbintenis,
In het jaar 1551 vertoonden zich in Londen bij Laaki's
echtgenoote do eerste sporen van tering, waarschijnlijk een
gevolg van kort te voren doorstane rotkoorts, die omstreeks
dien tijd in de stad aan de Theems zoo vreeselijk woedde.
Een jaar later bezweek de lijderes onder hare krankheid in
den vreemde. A Lasco heeft haar hartelijk lief gehad;
haar heengaan drukte hem diep ter neder, en de smart over
haar vcrliea bracht voor een oogenblik zijne eigene , zoo
zwakke gezondheid in gevaar. Hij noemt haar zijn ander
Ik, dat de dood van zijne zijde heeft weggerukt, en roemt
in haar inzonderheid hare vroomheid en de geheele recht-
schapenheid van baar wezen. ')
Dit huwelijk was rijk met Idnderen gezegend. Het eerste
kind, zijn dochtertje Barbara, hebben wij reeds bij gele-
genheid van een bezoek aan de grootouders begroet ; '■') volgens
Dry and er vertoonde de kleine in hare trekken eene spre-
kende gelijkenis met haren vader; in 1558 ontmoeten vry
haar weder, on wel te Krakau, in gezelschap van hare
jongere zuster Ludovica, beiden verloofd. =*) In 1546 werd
H Lasco grootelijks verblyd door de geboorte van eenen
zoon. „He heb den wonderschoonen jongen nog niét gedoopt, —
zóó schrijft hij aan zijnen vriend Hardenberg, — „dewijl
ik verwachtte, dat gij herwaarts zoudt bomen, gelijk gij mij
Bchreeft. Daar gij echter niet komt, zal hij tbana gedoopt
worden en den naam van Paulus ontvangen, en och of hg
')Kuïp-
II. 075.
>) V(t[g. liierbaven bli. Züt,
311
de voetstappen van Paulus mocht volgen, maar van dien
Paulus van Tarsen, en niet van dien anderen, die nu in
Rome op den troon des Satans gezeten is." ^) Reeds na
een vierendeel jaars stierf het knaapje, in eenen tijd, toen
onze vriend onder een zwaar liehaamslijden gebukt ging.
„Hij is ons voorgegaan naar den hemel, en wij zullen hem,
indien het Gode behaagt, welhaast volgen, want mijne krank-
heid is mij een zeker voorteeken, dat ik mijne woonstede
hier op aarde zal moeten verlaten, om reeds binnen kort,
gelijk ik hoop, met Christus te zijn." '^) Nog twee jongens
door deze vrouw hem geschonken, bleven hem gespaard,
Johannes en Hiëronymus, aan wier namen, gelijk
ook aan die zijner beide dochters, dierbare familie-herinne-
ringen uit het vaderland verbonden waren. Toen de beide
knapen zoo ver gekomen waren, dat zij een grondig onder-
richt van noode hadden, nam hij eenen degelijken opvoeder,
Wengius geheeten, bij zich in huis. Bij de later te ver-
melden schandelijke verdrijving uit Denemarken heeft het
weinig gescheeld, of deze beide knapen, aan welke men
eerst, uit hoofde van hunnen teederen leeftijd, had toege-
staan om in Denemarken te overwinteren, maar die niette-
min, op stuk van zaken, te midden van de hevigste koude
in het treurig lot der overigen moesten deelen, zouden in
het pak-ijs der zee zijn omgekomen.
Nadat a Las co met zijne jonge vrouw, in 1539, uit Leu-
ven naar Emden verhuisd was, woonde hij aldaar gedurende
de eerste jaren in een particulier huis. Hij geloofde niet,
dat zijn zwak lichaamsgestel de ruwheid van het vochtige,
koude klimaat in deze door den storm gegeeselde laagten
der Eems, en bovendien de onherbergzaamhoid der eenvou-
dige, bijkans armoedige woningen op den duur zou kunnen
verdragen, en geruiraen tijd achtereen dacht hij er ernstig
over, om naar eene gezondere streek te verhuizen. Maar
vruchteloos zocht hij naar een zoodanig gewest, dat te gelijk
1) Kuyper, II, 607.
») Ibid. . p. 609.
'ttf
TOor zijn geloof tot een veilig toGvluchtsoord zou hebben kuncen
verstrekken. Zoodra hij vervolgena aan de dringende beJen
gehoor had gegeven, en Superintendent dos landa geworden
was, zag hij zich eene woning aangewezen in het Frandska-
nerklooster, hetwelk achter zijne etorke muren reeds eene
betere beschutting tegen storm en koude kon bieden. Te mid-
den van de worHtcIingen der eerste jaren meende hy vaak,
het land te zullen moeten verlaten, en iedere gedachio, zich
hier voor goed in eene eigene woning te veatigen, bleef hem
vreemd. Als echter ook do laatste, zware aanval zijner te-
genstanders, die hem van zijne plaats zochten te verdringen,
zegevierend waa wederataan, en er alzoo eene meer gegronde
hoop mocht worden gevoed, dat hij in het land zou blijven,
toen besloot hij, — 't was in den herfat van 1546, ~ een
klein landgoed in de nabijheid van Emdcn te koopen.
Niet ver van den straatweg, die van Emden naar Aurich
voert, in de nabijheid van Loppersum, ligt de hoeve Abbing-
wehr '), een eenvoudig landhuis met omliggend bouw- en
weiland. De koopprijs bedroeg vierduizend vyfhonderd thaler.^)
A Lasco was onvermogend om de geheele som zelf te be-
talen. Wij weten, dat hij, die in de schitterendste omstandig-
heden geboren en opgegroeid waa, in eenen behoeftigen staat
kerk en vaderland had verlaten. Van zijnen broeder was hem,
wel is waar, eene kleine erfenis ten deel gevallen, maar door
de oneerlijke handelwijze van oenen bloedverwant moest hij
nog een aanmerkelijk deel van zijne erfportie missen. ^) Om
') Zg is rsn den weg af duideUjk zichtbsari de postiljon nees fansr mg ia
ie margeaaehemeriiig ; een uitstapje dentaarte to maken loont niet. dewijl er,
valglne de getuigenis van hen , die met de pluts bekend tija , boe^nuknid
geene herin neringen iftn den «ooToialigen beroemden eigenaar meer voarbandeil
zijn, en ook de lorsnderlngen , door verbouwing teireeggebraclit, de sporen
der tDenmaligs inricbting reeds lang hebben uitgenïsciit.
>) Kuiper, 11, 609, Hoe groot het goed i« geweest, is uit de tot dd>
gekomoD berichten niet meer nn to gsaoj de waarde van den koopprijt kan
wellicht daaruit worden opgemnakC, dat men omstreeks dien tijd (a°. 154&)
150-170 paar oasen voor de genoemde som ion hebben kunnen koopen.
(Verg. Klopp, I, 411.)
') Kujper, 1[, 5SS. Door de mossten wordt de vrouw tan a Laaco ali
«De arme bargerdocbter uit Lonvon besehreren. Nooh bij fim m i u s (p. Uio],
318
dén gevorderden kooppenning te betalen^ moest hij derhalve
vreemd geld opnemen. Na veel moeite en getob kwam de
koop op deze wijze tot stand, dat hij nog meerdere mede-
koopers vond, tegenover welke hij slechts het voorrecht had,
zich van hen ter gelegener tijd door betaling van hunnen
inleg te mogen vrijkoopen. Op dit kleine, vriendelijke landgoed
richtte hij zich nu naar zijn genoegen in. De buitenlucht,
het verblijf in de vrije natuur, de meerdere lichaamsbewe-
ging hadden eenen weldadigen invloed op zijnen verzwakten
gezondheidstoestand. Juist gedurende den laatsten tijd van
zgn verblijf in de stad was hij weder, te midden van de moeie-
lijkste worstelingen, zoozeer door zijne oude kwaal geplaagd
geworden, dat hij, in Mei 1546, ten gevolge van eene oog-
ziekte bijna blind geworden was; ook nadat die ziekte was
geweken, was alles voor hem als in eenen nevel gehuld. Slechts
met behulp van eenen bril was het hem mogelijk, om met
moeite een paar onleesbare regels op het papier te brengen ;
slechts met groote voorzichtigheid en met langere tusschen-
poozen mocht hij lezen en schrijven, de arme lijder, die in
die dagen zijn superintendentschap had nedergelegdl Een
jaar, nadat hij grondbezitter was geworden, was zijne gezond-
heid allengs zooveel sterker geworden, dat hij gedurende de
koude winterdagen een paar malen den weg van de stad
naar huis te voet kon afleggen. Zijne trouwe levensgezellin
zorgde voor de huishouding, die nu zooveel grooter gewor-
den was. In de melkerij weet zij zich uitnemend van hare
taak te kwijten ; aan den ouden huisvriend, die middelerwijl
predikant in Bremen geworden was, wordt een potje boter,
benevens eenige eigengemaakte kazen toegezonden. ^) Het
schijnt, dat de vlijtige huisvrouw de opbrengst van het veld
en het door haar gesponnen vlas naar de markt gezonden
noch ook bij 6 er des (III, 147) wordt iotasschen met zoovele woorden van
lutre armoede gewaagd; het eerst, als ik wèl heb, geschiedt zulks bij Bertram
(p. 9), en na hem bij Meiners (blz. 229); maar zou de plaats bij K u y p e r,
II, 597 : „etiamsi uxor mea in sua navi partem quandam habeat," niet wellicht
grond bieden om te onderstellen, dat zij eenig vermogen bezeten heeft?
>) Kuyper, II, 617.
en op die wijze medegewerkt heeft, om ile nehuld, die op
het goed rustte, af te loBsen. In eene opgeruimde stemming
Bchrijft a Lasco aomwylen selierteend onder zijne brieven
uit dien tijd; „ijx regno nostro Abbingweerenai" („uit ons
rijksgebied Abbingweiir").
Onze a La se o was voorzeker allerminst de man om spaar-
zaamheid te oefenen. Dit valt toch ook dubbel moeielijk aan
eenen Pool, vanwege do zorgeloozo vrijgevigheid, aan welko
hij van oudsher gewoon is, en ook in dit opzicht verloochende
onze vriend zijn vaderland niet. Ook thans, onder zoo aan-
merkelijk gewijzigde omstandigheden, die hom, bij het aan-
wassen van zijn gezin, sleuhts een sober bestaan vor-
schaften, verzaakte hij zijne edele onbaatzuchtigheid, zijne
grootmoedige offervaardigheid niot. Zijn oude vriond Har-
denberg was nalatig in het terugbetalen van eene schuld.
„Ik zend u hierbij niettemin nog 20 thaler," — zóii aohryft
hem onze Laski, — „want méér heb ik op het oogenblik
niet beauhÜLbaar. Wanneer gij ons eens bezoekt, zullen wy
van een en ander eene rekening opmaken. Als ik u eenmaal
gefortuneerd mag zien, dan zal ik van u terugvorderen wat
gij mij schuldig zïjt. In het tegenovergestelde geval wil ik
u nog verder helpen. Want reeds lang geloden heb ik u ver-
zekerd, dat ik u als medebezitter van al het mijne wensch
te beschouwen ; zoo wanneer gij dua iets nondig hebt, waar
gij u ook bevinden moogt, dan behoeft gij alechts te spre-
ken." ') In goed vertrouwen had hij aan iemand van adel-
lyke afkomst eene schriftelijke aanbeveling aan zijne vrien-
den in Zwitserland, en met name aan Calvjjn, medege-
gevon, van welke aanbeveling de bedoelde persoon op schan-
delijke wijze misbruik gemaakt en zich bediend bad, om aan
verschillende vrienden geld af te zotten. Zoodra zulks ter
kennisse van a Lasco kwam, verklaarde hij zich tot achade-
vergoeiiing bereid. „Wees vernekord," — zóó achrijfthij aan
C a 1 V ij n , — „dat het mij grootclijks tot dankbaarheid zal
stemmen, indien ik weten mag, dat ik u in dezen op
1) Ibid, 11, 6
315
wijze kan te hulp komen ; wil het mij slechts ter wille van
onze broederlijke liefde en wederkeerige openhartigheid doen
weten".... En aan Bullinger: „Dat de huichelaar mij be-
drogen heeft, kan ik nog lichter verdragen, dan dat hij, om
anderen te bedriegen, mijnen naam en zelfs mijn handschrift
misbruikt heeft; ik kan niet zeggen, hoe diep mij zulks
smart/' i)
Met deze beminnelijke onbaatzuchtigheid ging eene treffende
nederigheid met betrekking tot zijne eigene waardeering ge-
paard. Het is hem volkomen ernst met de schoone belijdenis :
Naar mijne zwakke krachten tracht ik de kerk van Christus
te dienen, en ik bid Qod, dat het Hem in zijne barmhartig-
heid moge behagen, mijn geringe offer nevens öe schitterende
gaven van anderen, gelijk eenmaal het penningske der weduwe
in het Evangelie, niet te versmaden. ^)
Alle deze en meer soortgelijke trekken van zijn wezen wa-
ren bij hem verheerlijkt en gewijd, ja, eerst tot hunne volle,
schoone ontwikkeling gekomen door de volkomene overgave
zijns harten aan Christus als zijnen Heiland. Slechts zijn die-
naar wenscht hij te zijn. Dat maakt hem onbevreesd en blij-
moedig tegenover alle menschen, dat verleent hem rust en
zelfstandigheid onder al de zware beproevingen van zijn veel-
bewogen leven. Doordien hij Christus als zijnen éénigen Mees-
ter, en het Woord Gods als het éénige, maar ook onvoor-
waardelijke richtsnoer van zijn loven en zijn geheele denken
erkende, kon hij ook mot een onbenevelder oog, dan dat
van zoo menigon tijdgenoot, de hooggaande golven van den
strijd dier dagen gadeslaan, niet als een werkeloos toeschou-
wer, die uit eene veilige plaats den strijd aanziet, maar
veeleer met het ernstige verlangen, om, zooveel hij slechts
vermag, tot bijlegging van het geschil mede te werken, opdat
slechts de zaak van Christus en zijn rijk bevorderd worde.
Eene reeks van belangwekkende gestalten treedt omstreeks
dien tijd te voorschijn, geheel wier edelaardig streven daarop
1) Ibid. II, 650, 654.
») Ibid., p. 583.
gericht iB, de gapande klove in de Evangeliache kerk te
dempen: onder deze helden kennen wij er nauwelijks één,
die ons in zulk een ToortrefFeiijk atreven beminnelijker en
ook teïcns uitoemender zon zijn voorgekomen, dan onze Laski.
Met scherpen blik — de volgende gebeurtenissen zullen ona
meer dan één belangrijk bewijs daarvoor leveren, — zag hij
in, welk een ernstig nadeel de splitsing van do ééne kerk
der Hervorraing moest teweegbrengen; aan geen ander is,
in den loop zijner bijzondere levenaleiding, het zwaard dezer
verdeeldheid zoo diep en pijnlijk in de borat gedrongen, als
aan hem, toen hij zijn vurigst verlangen voor do Kerk en
zijn vaderland op deze vroeselijke klip moest zien schipbreuk
lijden. Nochtans begeerde hij allerminst vrede tot eiken prijs.
In zijne vredelievende gezindheid toonde hij veel overeenkomst
met den edelen Bucer in Straataburg, met wien hij bevriend
was, maar hij kon dien bedrijvigen mau niet altoos de hand
reiken in zyn onverdroten streven om formuiea te vinden en
woorden te smeden, die meer gesehikt waren om voor het
oogenblik de klove te bedekken , dan om haar duurzaam
■aan te vullen. Op eenen tijd, dat hij van de zijde van con-
feasioneelo heethoofden de zwaarste kwelling te verduren
had, kon hij nochtans met volle overtuiging aan zijnen vriend
het volgende schrijven: „Het streven, om aan den strijd op
leerstellig gebied, en zoodoende aan de innerlijke verdeeldheid
in de gemeenten een eindo te maken, heeft en had ten alle
tijde zoozeer myne sympathie, dat ik in dit opziiiht voor
niemand behoef onder te doen, maar toch slechts onder deze
voorwaarde, dat de waarheid tot haar volle recht kome,
zonder in de schaduw geplaatst of op eenigerlei wijze, uit
zueht om menschen te behagen, onkenbaar gemaakt te wor-
den. Wat my althans betreft, ik ben niet gezind, om, ter
wille van de toejuiching van menschen , uit het getal der
dienaren van Christus te worden uitgesloten." '}
Kenschetsend voor deze zyne edelaardige gezindheid zyn
317
de oordeelyellingen, die hij hier en daar over de helden van
zijnen tijd heeft geuit. Uit den rijken voorraad kiezen wg
er slechts een paar als voorbeeld. Zijn levensweg had aLasco
nimmer in nadere aanraking met L u t h e r gebracht. De in-
drukken, die hij te Bazel, in den dagelijkschen omgang met
Erasmus, verkregen had, zijn waarschijnlijk gedurende
geruimen tijd op zijne beoordeeling van deze heldengestalte
des Uuitschen hervormers van invloed geweest, en toen hg
daarna zelf, op rijpen leeftijd, tot den arbeid inging, sprak
het bijkans vanzelf, dat hij de richting volgde, aan welke
de verdere ontwikkeling van de reformatorische denkbeelden
als eene schoone erve was ten deel gevallen. Sedert het jaar
1543 zette de Evangelische kerk der Reformatie haren ver-
overingstocht voort in de richting, die haar door Calvijn
was aangewezen, en in welke deze haar was voorgegaan.
Ook onze vriend bleef, in zelfstandigen geest, aan deze
richting getrouw. Maar hij waarschuwde zijne geestverwanten,
dat zij zich niet door partijdige vooringenomenheid in hun
oordeel zouden laten verblinden. Hoe schoon is zijn verzoek
aan Bullinger, wiens leer juist weder op de allerheftigste
en smartelijkste wijze door Luther was veroordeeld gewor-
den! „Bij het doorbladeren van uwe Confessie" — hij bedoelt
het antwoord van de Zurichsche godgeleerden op het „Kurz
Bekenntnis Dr. Martin Luthers vom heiligen Sakrament," —
heb ik eenige uitdrukkingen tegen Luther gevonden, die
een weinig scherper zijn, dan ik, om de waarheid te zeg-
gen, wel zou hebben gewenscht. Ik ontken niet, dat Luther
zich al te zeer aan smaadredenen tegen ulieden heeft schul-
dig gemaakt, en dat hij de grenzen der Christelijke liefde
zeer verre is te buiten gegaan, maar zulks behoorde hem,
uit hoofde van zijne overigens uitstekende verdiensten jegens
de kerk van Christus, vergeven te worden, ook opdat wij,
die deze handelwijze in Luther afkeuren, ons niet stoeten
aan denzelfden steen. Het was voldoende geweest, de dwa-
lingen in het licht te stellen, hetgeen gij ook, naar mijne
meening, op veclszins uitnemende wijze gedaan hebt, maar
zonder zoodanige smaadwoorden , door welke wij toch niets
318
anders teweegbrengen, dan dat wg de leer zelve en den
dienst dea Evangelie's in onze gemeenten bij de tegenstan-
ders in eenen kwaden reuk brengen. MijOB inziens zou hot
voldoende geweest zijn, te zeggen: „hier dwaalt Lnther,"
of iets dergelijks, wat onze onschuld kan beschermen, en
daarbij echter den naam en do eer van den ander onge-
krenkt laat." ') Toen daarop weinige maanden later de tij-
ding kwam van het overlijden van den groeten man, schreef
onze vriend aan de Zwitsers, dat hij hoopte, dat er na het
heengaan van Lnther een einde mocht komen aan den
SacramentsBtrijd, — eene verwachting, in welke hij zich
helaas, gelijk hem in 't vervolg tot zijne grievendste smart
zou blijken, maar al te zeer heeft bedrogen. „Het is wel
wonder," zóó schreef hij aan Bullinger, „dat de zoo
godzalige man, die zonder twijfel eenen eeuwigen lof in de
kerk van Christus waardig is („vir ille sanctissimus et
aeternis proraus laudibua in Christi Ecclesia dignus"), nochtans
met betrekking tot de gewijde teekenen van het sacrament
zoozeer in dwaling verkeerd heeft. Dit kan ons ten bewiJKe
strekken, dat wij allen slechts menschen zijn, d. w. z. met
dwaling en leugen behept, opdat wij op het gezag van
volstrekt niemand ter wereld zonden steunen, maar zouden
leeren verstaan, hoe hout, hooi en stoppelen van onze men-
Hchelijke dwaling door het vuur des Goddelijken Woords moeten
verteerd worden, maar dat wij zelven nochtans zonder twijfel
zullen zahg worden, indien wij slechts steunen op onzen óénigon
hoeksteen, op welken ook Lu th er, gelijk voorzeker niemand
kan loochenen, met zijn gansche hart gebouwd heeft, om nu
niet te spreken van het goud, de edelgesteenten en het zilver
in zijne leer. Ongetwyfeld heeft hij het punt van onze recht-
vaardigmaking door Christus het eerst van allen in deze
onze eeuw op ocne zeldzaam gelukkige wijze in het licht ge-
steld, en heeft hij de verborgenhedeo der ongerechtigheid van
den Antichrist, welke te voren met weinig minder dan God-
delijke eer door bijna geheel do wereld vereerd werden, op
■) Ibiil. II, 596.
319
eene wijze onthuld, dat zg ook zelfs voor knapen kennelgk
zgn. Tallooze gemeenten heeft hij , naar de hem verleende
gave, wederopgebouwd , en de tegenstanders van het Evan-
gelie van Christus met zooveel geestkracht en standvastigheid
tot aan zijnen dood toe wederstaan^ dat hg waarlijk niet on-
verdiend zich eenen zóo hoogen lof boven alle anderen heeft
verworven. Maar in dit alles was hij niettemin mensch,
hetgeeü ook wg, indachtig aan zulk een voorbeeld, met be-
trekking tot onze eigene waardeering gestadig in het oog
moeten houden. Of hij nog weder een of ander geschrift tegen
ulieden had op touw gezet, weet ik niet, immers dienaan-
gaande heb ik niets vernomen; maar, indien er ook iets
van dien aard mocht voorhanden zijn, zal er misschien op
worden aangedrongen, dat het niet worde uitgegeven. Intus-
Bchen, hetzij men aan zulk een verlangen gehoor geve, of
ook niet, ik zou wenschen, dat gij, door openlijk de uitste-
kende verdiensten van den groeten man te erkennen, de zuiver-
heid van uwe gezindheid en uwe Christelgke liefde te zijnen
opzichte — met bescheidene terzijdelating van dezen Sa-
cramentsstrijd , — aan den dag legdet. Door dit zeldzame
voorbeeld van bescheidenheid zoudt gij aan vele tegen-
standers van het Evangelie den mond stoppen, terwijl zonder
twijfel alle vromen u grootelijks dankbaar zouden zijn,
en wat het voornaamste is, gij zoudt, zoodoende, aan geheel
de kerk van Christus een niet alledaagsch bewijs van uwe
rechtschapene gezindheid geven. Ja, wellicht zoudt gij daar-
door ook dit teweegbrengen, dat er met meer ijver dan ooit
te voren naar eenig middel gezocht werd, om aan dezen Sa-
crament sstrijd een einde te maken, en gewis reeds dit alleen
zou voldoende moeten zijn, om u tot zulk eene handelwijze
te bewegen. Immers, wat kan er wenschelijker zijn, dan dat
deze twist worde bijgelegd?" ^)
Reeds in de gewijzigde Augsburgsche confessie, welker
formuleering op het beslissende punt door Luther stilzwij-
gend voor lief was genomen, had Molanchthon getoond,
1) Ibid. II, C03.
320
welk eenen machtigen invloed Calvgn, inzonderheid ook
na den persoonbjken omgang tnsschen hen beiden te Frank-
fort san de Main (in 1539), op hem had uitgeoefend. De
medestander van Luther naderde daardoor ook, in geestelijk
opzicht, dichter tot a Las co. Tan z^n afkeurend oordeel
orer het vroeger vennelde geschrifl van Laski hebben
wij reeds kennis genomen ; dit verachil belette echter niet ,
dat de beide mannen zich hoe langer hoe meer tot elkan-
der getrokken gevoelden, en dat zy elkander steeds meer
leerden waardeeren. Maar L a e k ï was toch vrijer , aelf-
standiger, kloeker in zijne geheelc werkzaamheid; hg had
zich veel nadmkkelgker van aüen menschelijken invloed
losgemaakt, dan zniks aan den vriend van Luther mocht
gelukken. Daarom kon hij ook ongehinderder Ie werk gaan,
en werd hij in zijne bestuiten niet belemmerd door allerlei,
dat daarbi) in bet oog moest worden gehouden , gelijk de
arme man daar ginds in Wittenbei^, die zich te midden
van de woede der godgeleerden, en dat nog wel met zijne
zachte, fijngevoebge huid, als in een wespennest geplaatst
zag! In 1543 schrijft a Lasco aan den hoogvereerdea man :
„Hoe langer ik de vele en uitstekende gaven Qods in a be-
wonderend gadesla, te meer houd ik het er ook voor, dat
gg de éénige zgt, voor wien ik de twijfelingen, die »om-
wglen in mijne ziel oprgzen, kan openbaren. Ën ik wil zulks
doen, zoowel met het volate vertrouwen, als met de meeste
openhartigheid, in de hoop, dat ik niet twijfcle, of gg zult,
overeenkomstig uwe vriendelijke gezindheid en uwe Chriate-
lyke liefde, mij ten goede raden" '), Tien jaren later, na menige
verdrietelijke ervaring met den weifelenden man, luidt
zijn oordeel minder gunstig: „Uit deze handelwijze berken
ik weder onzen Fhilippus (Melanchthon). Ik heb eenen diepen
eerbied voor zijne geleerdheid, ik erken zijne vroomheid, ik
prgs zgne bescheidenheid, maar zijne kleinmoedige gezind-
heid {„fiiKpy.liix'X''") kan ik onmogelijk goedkeoren". ')
>) Ibid. II, SSG.
321
Het zou ons echter te ver voeren, indien wij de bloem-
lezing van zijne juiste, bezadigde en ook jegens den tegen-
stander altoos zachtmoedige getuigenissen aangaande zijne
tgdgenooten verder wilden uitbreiden. ^) In die alle ver-
nemen wij het oordeel van een hoogbeschaafd man, wiens
ernstige toeleg het is, om aan elkeen recht te laten weder-
varen, en die door het vurig verlangen bezield is, om Christus'
wille liever op de éénheid den nadruk te leggen, dan om,
als een dienstknecht der menschen, aan zijne partij te behagen.
Bij de uitnemendsten onder zijne tijdgenooten stond a Lasc o
in hoog aanzien. Vrienden en tegenstanders beiden, zoolang
deze laatsten niet geheel verblind waren, brachten warme
hulde aan de zuiverheid en reinheid zijner gezindheid; ook
daar, waar men meende, het bijzondere type („Auspra-
gung") zijner leer niet te kunnen goedkeuren, erkende men
nochtans den ernst en de eerlijkheid van zijn onderzoek, de
verhevenheid zijner zienswijze, zijne onverschrokkenheid en
openhartigheid in het spreken, en het zegevierende streven
van eenen geest, die alleenlijk een dienaar van Christus be-
geert te zijn. Hetgeen hij met sterke en vaste hand in de
verwarde en verwilderde kerkelijke toestanden van Oost-
Friesland, te midden van al die heftige aanvallen, heeft tot
stand gebracht, deed ook reeds zijne tijdgenooten terecht ver-
baasd staan, en plaatst hem voor ons oog in de voorste rij
der mannen, die op het loven der Evangelische kerk eenen
hervormenden invloed hebben uitgeoefend. In dit opzicht is
zijn invloed tot op den huldigen dag nog geenszins van zijne
kracht beroofd; met betrekking tot menig punt hebben wij
ons nog steeds in zijne school te begeven, ten einde in
staat te zijn, om aan de ernstige eischen van den tegen-
woordigen tijd behoorlijk recht te laten wedervaren.
Geen wonder, dat do invloed van La ski 's persoonlijk-
1) Verg. voorts, over Bullinger: ibid., II, 5C8. 585; over £ ra s m as:
II, 569. 583 vg.; over Oecolampadius: II, 576; over Schwenkfeld:
II, 677; over Pellicanus: II, 582; over Osiander: II, 668. 679; over
Albrecht van Brandenburg: II, 666.
DALTON. 21
heii zich tot ver baiteo de gremen tob zi|aea Baasten weik-
kring ait&trekte, en dat men zich ook oit bet buiteDlaad
gedurig tot bem wendde met bet rerzoek om voorlichting ea
hnlp. Wij preken hier niet rao de pt^Dgen, die men, w»o-
ver wg kannen nagaan, tot in het jaat 1544 in het werk
stelde, ten einde bera naar zgo vaderland te kJiken, ooder
Tonrwaarde, dat hi) tot de Roomscbe kerk zon temgkeeren.
Zelfa opende men hem daartoe het oitzicbt op eenen san-
zienigken bisschopszetel! „Ik heb echter", zóó schrgft hy,
.dezen lieden znlk een be:«.'beid gegeven , dat zg roet een
dergelijk voorstel ntet licht meer tot mij zullen komen." —
Het verdient te worden opgemerkt, dat Laeki standvastig
wederstand bood aan de neiging, die zich destijds bg niet
weinigen in zoo sterke mate vertoonde, om nl. overal he«i te
trekken, ea zgne zienswijze op de meest terschiilende plaatsen
te bepleiten: aan zijnen koning Sigismund van Polen kon
bij bij zekere gelegenheid betuigen, dat hij, gedurende een
tiental jaren, slerhts in geval van nood de plaats z^ner
werkzaamheid had verlaten, en dat hij den wandelstaf eerst
dan had ter hand genomen, wanneer hy zich de gelegenheid
tot verdere voortzetting van zijnen arbeid zag afgesnedeiL
Tot de werkzaamheden buiten Oost-Friesland, aan welke
Laski meende, zich, ter wille van de kerk van Christus, niet
te mogen onttrekken, behoort in de eerste plaats zgn verblijf
bij den aartsbisschop van Kenlen, den keurvorst Herman
von Wied. Eene buitengewoon innemende verschijning,
voorwaar, deze edele kerkvorst, dien Ranke met weinige
trekken meesterlijk teekeat. „Herman van Keulen", zóó zegt
hij, bZ^S eindelijk in, dat hij met deze beraadslagingen {die
bij in het jaar 1536 met zijne suffraganen hield) dddrom
niet vorderde, dewijl toch alles op menschelijke inzetting,
en niet op het Woord Gods gegrond was. Door onderzoek
van de Schrift, aan welke, volgens zijne overtuiging, de
leer der godzaligheid uitsluitend moest worden ontleend,
overtuigde hij zich, dat hare moening in de Augsburgscho
confessie vervat was. Hoe ouder hij werd, des fe dieper
werd hij van de macht der gezuiverde leer doordrongen. Hij
323
beijverde zich, om haar in zijn leven en wandel uit te
drakken. In de geschriften zijner tijdgenooten vinden wij
hem geteekend als den goeden, vromen heer van Keulen,
als den ouden, God-lievenden keurvorst, den voortreflfelijken
grijsaard (hij was geboren in 1477). Hij was iemand van
hooge gestalte, met sneeuw witten baard, met een eerbied-
waardig voorkomen en eene uitdrukking, in welke goedaar-
digheid, ernst en rechtschapenheid waren dooreengemengd.
Nadat hij een tijdlang geaarzeld had, besloot hij eindelijk,
ook voor zgne diocese datgene te doen» wat, gelijk hij zich
uitdrukte, eenen mensch Gods betaamde'\ ^) Reeds sinds
1536 was de Aartsbisschop menigmaal met Protestanten op
vriendelijke wijze in betrekking getreden, terwijl een deel
zijner Keulsche kapittelheeren hem daarin met ingenomenheid
gesteund had. Tot deze kapittelheeren behoorde ook nog
Christoffel van Oldenburg, de broeder van onzegra-
vin Anna en haar wakkere beschermer tegen de eischen
van haren katholieken zwager. ^) Na den rgksdag te Regens-
burg (1541), óók en vooral gedreven door den wensch, om de
stemming, die aldaar aan den dag was getreden, zich aanstonds
ten nutte te maken, belastte de Keurvorst Bucer en Me-
lanchthon, die beiden tot dat doel- zich naar Bonn begeven
hadden, met de uitwerking van een ontwerp tot hervorming.
Aan dit „einföltiges Bedenken'', gelijk de titel luidt, ^) is
de Neurenbergsche kerkorde van den bekenden Osiander
tot grondslag gelegd. Bucer werkte het „Bedenken'' uit,
en Melanchthon hechtte er in alle opzichten zijne goed-
keuring aan. Deze onbeperkte goedkeuring is een merkwaardig
bewijs, hoe Melanchthon, ook met betrekking tot de leer
van de inrichting der gemeente en van de kerkelijke tucht,
1) Ranke, IV, 260.
>) V a r r e n t r d p p . S. 88. De degelijke arbeid van dezen geleerde verschaft
ons voor 't eerst een nauwkeurig inzicht in deze belangwekkende poging tot
hervorming; voor ons doel zouden wij echter gewenscht hebben, dat er wat
meer aandacht aan a Lasco gewijd was; immers, die enkele vluchtige ver-
wijzing naar eene plaats in eenen brief van Laski (S. 199) is wel wat al te
weinig.
3) Ibid., S. 178.
324
overhelde tot de richting, die door Straatsburg en Zwitser-
land met zooveel vrucht gevolgd werd. Het is bekend, dat
de Artikelen over het heilig Avondmaal, op welke A m s d o r f
door een uitvoerig verslag de opmerkzaamheid van Luther
gevestigd had, aan dezei) de betreurenswaardige aanleiding
bood, om den nauwelijks bijgelegden Sacramentsstrgd op
nieuw te doen ontbranden, en wel op eene wijze, die voor
de verdere ontwikkeling der Evangelische kerk allerverder-
felijkst was. Melanchthon was in die dagen niet zonder
angstige vrees, dat de Hervormer in zijnen toorn wellicht
de gemeenschap ook met hem verbreken zou.
Deze poging, om langs vreedzamen weg eene hervorming
tot stand te brengen, leed schipbreuk op den tegenstand van
de geestelijke medeleden van het Keulsche domkapitteL Terwgl
het genoemde „Bedenken" tot op verren afstand eenen opwek-
kenden invloed uitoefende, ^) gelukte het aan de tegenstan-
ders in het aartsbisdom zelf, elke werking van het ,, Bedenken*'
te onderdrukken ; dat zij hierin zoo geheel naar wensch moch-
ten slagen, was niet het minst het gevolg van den ongunstigen
toestand, in welken de Protestanten in het rijk zich begon-
nen te bevinden. Maar de Aartsbisschop bleef aan zgne
overtuiging getrouw; de door hem in het land geroepene
Evangelische predikers behielden in hem, zoolang hij leefde,
eenen krachtigen steun. Ook Hardenberg vertoefde aan
zijn hof. Waarschijnlijk ook door hem werd de Keurvorst
op La ski opmerkzaam gemaakt. In Januari 1 545 was H a r-
denberg in zijn vaderland geweest, en had zich op zijne
1) T. a. p. , blz. 199, ?indt men eene opgave ?an de kerkorden! ogen van
verschillende Protestantsche landen, op welke het „Bedenken" invloed gehad
heeft. Met een beroep op de plaats bij Kayper, II, 575, wordt aldaar
beweerd, dat het genoemde geschrift ook op de inrichting der Oostfriesche
kerk van invloed geweest is; dit kan echter slechts met groot voorbehoud
worden aangenomen; wel is waar spreekt a Lasco, onmiddellijk na de ontvangst
van het gedrukte werk, zijn voornemen uit, om er voor Oost-Friesland partij
van te trekken, maar het is zeer twijfelachtig, of hij dat voornemen ook wer-
kelijk heeft ten uitvoer gebracht. Daarentegen zullen wij, bij den verderen
voortgang dezer geschiedenis, aan de opgave der bedoelde Protestantsche landen
Polen hebbi^n toe te voegen.
325
terugreis gedurende eene maand in Emden opgehouden. ^)
In langen tijd hadden de beide vrienden zich niet in het
voorrecht van zulk een samenzijn mogen verblijden. Spoedig,
nadat Hardenberg weder bij den Keurvorst was terugge-
keerd, ontving a Las co van dezen eene dringende uitnoo-
diging , aan welke hij , met toestemming van de Gravin ,
gevolg gaf. Verschillende belangrijke zaken had de grijze
kerkvorst met den Hervormer te bespreken; slechts van ééne
zaak vinden wij uitdrukkelijk melding gemaakt: het uittreden
nl. van nonnen uit het klooster^ iets^ dat in het aartsbisdom
aanzienlijke verhoudingen had aangenomen. ^) Slechts on-
gaarne zag de Aartsbisschop La ski vertrekken; juist in
die dagen toch , in welke hij in eene steeds moeielijker ver-
houding ten opzichte van den Keizer en van het Domkapittel
kwam te staan, zou hij hem gaarne voor goed bij zich ge-
houden hebben. Op zijn dringend verzoek verklaarde a Lasco
zich echter bereid, om, als één zijner raadsheeren, den rijks-
dag te Worms bij te wonen.
Den le^en Mei kwam Karel V te Worms, des anderen
daags kardinaal F ar nes e. ^) Ongeveer tegelijkertijd ook
a Lasco, gelijk hij aan den Keurvorst beloofd had. Op de
reis derwaarts had hij zich een paar dagen te Heidelberg
opgehouden, ten einde den Paltsgraaf, Otto Hendrik, te
bezoeken. *) In Worms bleek het echter alras, dat de stand
van zaken een gansch andere geworden was, dan die op den
Bijksdag te Regensburg (1541), ja nog het laatstvoorgaande
jaar te Spiers geweest was. In Trente vergaderde nu einde-
lijk het Concilie; tot bijwoning daarvan waren de Protestanten
niet uitgenoodigd. Tusschen Paus en Keizer was nog oneenig-
heid met betrekking tot de competentie des Keizers op het
concilie. Reeds te Worms komt de gestalte van den eersten
Duitschen Jezuïet te voorschijn. De Keizer had zich van
Keulen uit naar den rijksdag begeven; het domkapittel, de
ï) „Scrinium", Til. 687.
*) Ibid., p. 681, en ook Spiegel, S. 58.
^) Sleidan, p. 431.
*j K u y p e r, II, 718.
326
universiteit, de gelieele clerus was tegen de hervorminga-
plannen van den Aartsbisschop in verzet gekomen, tot groote
voldoening van Ka rel V. Alles werkte er toe mede, dat
de aangelegenheden van den godsdienst met weinig voortva-
rendheid behandeld werden: men achtte het nauwelijks meer
de moeite waard om te onderhandelen, daar men zich ver-
zekerd hield, dat de oorlog zou uitbreken, en men op eenen
gunstigen afloop van den krijg meende te mogen staat ma-
ken. In een schrijven uit Worms klaagt Laski over den
weinigen ijver, dien men bij de behandeling van de aange-
legenheden van den godsdienst aan den dag legde, en hoe
men, naar alle waarschijnlijkheid, van zins was, om de be-
slissing weder aan eenen volgenden rijksdag over te laten, ^)
denkelijk in de hoop, dat vóór dien tijd de zaak op het slag-
veld zou zijn beslist geworden. Nog vóór de sluiting van
den rijksdag, bereids den 10*^^" Juni, verliet a Las co Worms,
en maakte zooveel haast, om tehuis te komen, dat hg zijn
plan, om zijne vrienden in Straatsburg te bezoeken, niet
eenmaal ten uitvoer bracht. De zaak van den Keurvorst was
verloren. In Juli ontving hij van den Paus een opontbod,
om zich binnen 60 dagen te Rome te komen verantwoorden ;
eene gelijke dagvaarding ontving o. a. ook de broeder van
gravin Anna, de Keulsche domheer Chris tof fel van
Oldcnburg. ^) De vrome aartsbisschop behoefde het mis-
lukken van zijn hervormingswerk niet lang meer te overleven.
In 1552 stierf hij, tot het laatst toe onbezweken vasthou-
dende aan datgene, wat hij, als zijnen éénigen troost in
leven en in sterven, ook nog in zijne laatste ure blijmoedig
beleed. Herman en zijne vrienden hebben de kracht des
geloofs gemist, die, zooals Varrentrapp zeer terecht op-
merkt,^ „den moed verleent, niet alleen om te lijden, maar
ook om te handelen en te wagen ; zij wisten niet , met den
ernst eens dwepers den blik van een man dezer wereld te
paren". •**) A Las co was in deze kunst niet onervaren
ï) Ibid., p. 591.
2) SI ei dan, p. -13G.
3) Varrentrapp, S. 279.
327
maar bij kwam te laat in nadere betrekking tot den Keur-
vorst, en zou wellicht ook niet bij machte geweest zijn, om
met de mate zijner gaven het gebrek der overigen aan te vullen.
Van nog twee andere reizen, die La ski tijdens zijn
verblijf te Emden ondernam, nl. naar Engeland en naar
Pruisen, zullen wij in het vervolg geschikte gelegenheid
vinden nader te gewagen. Alvorens wij echter deze afdeeling
besluiten, hebben wij nog melding te maken van een klein
geschrift, dat, wel is waar, eerst in het jaar 1551 door den
druk openbaar gemaakt werd, doch welks vervaardiging en
verspreiding in manuscript in den kring der Oostfriesche
leeraren omstreeks vijf jaren vroeger heeft plaats gehad.
Toen a Lasco, na zijn bezoek aan het hof van Her-
man V. Wied, naar Emden teruggekeerd was, en voor-
dat hij, in April 1545, de reis naar Worms aanvaardde,
gevoelde hij in den tusschentijd de dringende behoefte, om
zijne zienswijze aangaande het heilig Avondmaal in duide-
lijke, onbewimpelde bewoordingen uit te drukken. Wij her-
" inneren ons, dat de Sacramentsstrijd op nieuw was uitgebroken;
juist te Bonn, aan het hof van den Aartsbisschop, wiens
„Bedenken" de eerste aanleiding tot den strijd had gegeven,
had hij gelegenheid en oorzaak, om zijne eigene opvatting
aan deze belangrijke kwestie van den dag te toetsen en
haar opzettelijk te rechtvaardigen. Allereerst welUcht slechts
tegenover zich zelven. Maar de strijd drong zoozeer aller-
wegen door, en de behoefte aan eene beslissing deed zich
zoo nadrukkelijk in alle kringen gevoelen, dat ook de „coetus''
in Emden te dezen aanzien partij moest kiezen. Wij hebben
gezien, dat er ook zulke elementen in het land waren, die
met betrekking tot deze vraag beslist aan de zijde van L u t h e r
stonden, en die, nadat de meester met zulk eenen onverbid-
delijken toorn tegen de Zwitsers was opgetreden, moed schep-
ten, om op gelijke wijze ook hier eene ondubbelzinnige taal
te doen hoeren. A Lasco meende, niet te mogen zwijgen,
maar hij was nochtans niet gezind, zijne beschouwing
als eene geloofsbekentenis in het licht te zenden, en daar-
328
door in zijne invloedrijke betrokking eene zekere pressie uit
te oefenen; uit dien hoofde koos hij den meer onschuldigen
vorm , zijne overtuiging in ecnen Brief aan een vriend neder
te leggen, welken brief hij aan de gemeenten, die aan zijne
leiding waren toevertrouwd, deed toekomen. *) Vijfjaren
later kwam het hem voor, dat de tijd gekomen was, om
den inhoud van genoemd schrijven openbaar te maken. De
eerste hitte van den strijd was voorbij, zoodat hij toen,
meer dan vroeger^ de hoop mocht koesteren, dat men don
inhoud van zijn geschrift rustig zou overwegen. Tot het
laatste toe is a Lasco aan de daarin door hem uitgespro-
keno zienswijze getrouw gebleven. Nog in het jaar 1555
betuigde hij aan koning Sigismund van Polen, dat hij
aan deze leer, gelijk hij haar tien jaren lang in Oost-Fries-
land beleden had, nog steeds vasthield. ^)
Het zendschrijven onderscheidt zich door een weldadig
streven, om de strijdende partijen met elkander te verzoenen,
en om, met het oog op het vele, waarin zij te zamen over-
eenstemmen, de punten van verschil op den achtergrond te
doen treden. Het is cone ware verkwikking, nadat men eene
poos naar het luid rumoer en krakeel ter rechter- en ter
linkerzijde geluisterd heeft, nu op eenmaal deze vreedzame
stem te vernemen. „Nademaal over de verborgenheid („my-
sterium") zelve van het sacrament des Avondmaals" — zóó
besluit a Lasco zijn treffelijk schrijven, — „onder de ge-
leerden volstrekt geen strijd is (want allen erkennen, dat
het Avondmaal des Hoeren de gemeenschap des lichaams en
des bloeds van Christus is, terwijl alle waarlijk vromen te-
vreden zijn met het wezen van het sacrament te bezitten,
al kunnen zij dan ook hot Hoe daarvan niet in allen deele
nauwkeurig bepalen), zoo zou ik het, vooral in dezen tijd,
voldoende rekenen, het volk enkel en alleen aangaande het
wezen der sacramenten te onderrichten, d. i. betreffende de
ons daardoor verleende gemeenschap des lichaams en des
I) K u y p e r, I, p. LXXI vg., alwaar men ook do hierbij behoorende bewgi-
plaatsen vindt.
») Ibid., II, 22.
829
bloede van Christus, ten einde de onderlinge overeenstemming
in de leer te behouden, terwijl wij ons van het strijden over
de elementen in het sacrament to onthouden hebben, om
niet olie in het vuur te gieten. Wij moeten in het oog hou-
den, dat onze macht in de bediening ons geenszins tot twis-
ting, maar tot opbouwing van de gemeenten gegeven is
Dit is zeker, dat alle die leeraren, welke te dezen aanzien
van elkander verschillen, zóó gezind zijn, dat, wanneer zij
door het onwraakbaar gezag van het Woord Gods zich van
hunne dwaling overtuigd gevoelen, zij dan ook met de meeste
bereidwilligheid hunne meening zullen wijzigen. Hunne vroom-
heid en hun ijver, om het Evangelie van Christus te ver-
breiden, is aan allen bekend. Wanneer nu God, om de
waarheid zijner verborgenheden te helderder in het licht te
doen treden, en de schandelijkheid van den papistischen af-
godsdienst steeds duidelijker te doen uitkomen, zijne kerk nog
door een zoodanig verschil van meeningen wil oefenen, dan
is het onze plicht, dat wij elkander en tevens elkanders
dwalingen wederkeerig met christelijk geduld en zachtmoe-
digheid verdragen". *)
Wat de sacramenten in het algemeen betreft, gaat Laski
van deze grondstelling uit, „dat zij inzettingen van Christus
zijn, welke vooral daartoe aan zijne kerk werden geschon-
ken, opdat door haar rechtmatig gebruik de geheele kerk
in de heilzame gemeenschap met Christus, den Heer, ver-
zegeld worde („obsignetur''), door welke gemeenschap alleen,
wanneer wij haar in het geloof erlangen, wij rechtvaardig
zijn. Vervolgens echter ook tot eene voortdurende herinnering
voor haar, dat zij schuldig is, om een beeld van de gemeen-
schap met Christus te aanschouwen te geven, door het geloof
in wien zij het zegel ontvangt." Passen wij dit nu op het
heilig Avondmaal toe, zoo „bezegelt ons het gebruik daarvan
onze gemeenschap met Christus in zijn lichaam en bloed,
en daarmede ook onze gerechtigheid, die door het geloof
ons deel wordt*' . . . „Voorts erkennen wij gaarne de tegen-
1} Ibid., I, 479.
330
woordighoid van C'hviatua, onzfn Heer, in zijn Avondmaal,
bij hetwelk Hij krachtig werkzaam ia tot; heil van allen, die
door het gebruik van het Avondmaal hunne gemeenBchap
met Hem, en de zijne met ons betuigen. Wat overigens de
wijze van zijne tegenwoordigheid aanbelangt, daarover maken
wij ons volstrekt niet bezorgd; zoolang nog de meeningen
der geleerden to dien opzichte uiteenloopen, hebben wij on»
alleenlijk van elk nieuwsgierig onderzoek dienaangaande ten
aanhooron des volks te onthouden, dewijl het oub volkomen
genoeg is, dat wij Christus zelven bezitten." ^
Het standpunt van a Laaeo ia duidelijk. Zjjne zienswyze
komt het meest overeen met de Calvinistisch-Melanchthoni-
aansche opvatting, gelijk zij hare geldige uitdrukking in de
gewijzigde Augeburgsühe confessie van 1540 gevonden heeft,
eene wijziging, in welke tooh ook Luther, althans stilzwij-
gend, berust had.
Slaar de meer vreedzame en stille tijd in het leven en
de werkzaamheid van onzen vriend spoodde ten einde. Slechts
gedurende drie jaren mocht hij ongestoord zijn buitenverblyf
bewonen. Toen pakten de dreigende onweerswolken zich ook
boven het afgelegen landje te zamen , en zag L a s k i zich
op nieuw verplicht den reiastaf ter hand to nemen.
e) Het Interim en zijn invloed op Laski'a lot.
Was de mislukking van het Keulscho hervormingsplan
inzonderheid hieraan te wijten, dat zijne voorstanders niet in
staat geweest waren, om „met den ernst eens dwepers den
blik van een man dezer wereld te paren", dat zelfde onvermo-
gen openbaarde zich nu ook op hoogst noodlottige wijze ia
den verderen voortgang der Evangelische beweging. Alsof
deze nnReschiktheid een onuitroeibare trek in het Duitsche
wezen ware ! En toch bevond zich reeds destijds de dege-
lijkste kracht, van Duitschland in het leger der Prote-stanten,
Ook het onervaren oog moest bespeuren, dat de toeatanden
zfïó ingewikkeld werden, dat zij slechts door de wapenen
331
konden worden ontward. Hoe weinig moeite zou het aan het
Smalkaldisch verbond, ook nog in den zomer van 1546, gekost
hebben, om do sluwe Spaansche politiek, die met het fijnste
overleg zich alle omstandigheden zocht ten nutte te maken,
ten einde haar óóne, groote oogmerk te bereiken, geheel te
verijdelen, en, met slechts geringe diplomatieke kunst,
van de erge spanning tusschon Keizer en Paus tot eigen
voordeel partij te trekken! Maar argeloos, bijkans zonder
besef van den waren stand van zaken en van de wijze,
waarop zij zich dien konden ten nutte maken , gingen de
Protestantsche vorsten hun verderf te gemoet. Ook toen
de Smalkaldische oorlog reeds was uitgebrokeft , lag de be-
slissing nog in hunne hand. In het Thuringorwoud hadden
zij een leger van ongeveer 20,000 man ter hunner beschik-
king, in het Wurtembergsche waren 12,000 man strijdvaardig,
terwijl de Keizer nog met veel moeite zijne troepen, die heinde
en ver verstrooid waren, moest bijeentrekken. Den wakkeren
Schartlin zou het in die dagen niet moeielijk gevallen
zijn, den aanmarsch van keizerlijke troepen uit het Zuiden
te beletten; maar de krijgsraad van het leger der Protes-
tanten bleef, uit oorzaak van allerlei consideraties, voortdu-
rend weifeUni en was als met blindheid geslagen. Daarbij
kwam dan nog het bezetten van Keur-Saksen door hertog
Maurits, eeno gebeurtenis, die door haar gevolg tot eene
misdaad werd tegen de Evangelische kerk. Zoo zien wij ,
ook op staatkundig gebied, het algemeene welzijn voor bij-
zondere belangen achtergesteld, en den bond ten prooi aan
eene innerlijke verdeeldheid, die, evenals de tweedracht op
kerkelijk terrein, welke reeds zoo spoedig aan het licht trad,
slechts tot voordeel van den tegenstander strekte. Op de Lo-
chau'sche heide, in de nabijheid van Mühlberg, had in het
voorjaar van 1547 het beslissende treffen plaats. Al was ook
de strijd niet zoo vreeselijk bloedig, toch was hij in zijne
gevolgen van groote beteekenis voor de wereldgeschiedenis.
Aan de Protestantsche machten werd door den Keizer een
bijkans doodelijke slag toegebracht. De keurvorst van Saksen
was gevangen genomen. Zijne keurvorstelij ke waardigheid
332
werd aan Maurits opgedragen; de stad van Luther werd
door de keizerlijke troepen bezet. Ten gevolge van deze
overwinning moest de landgraaf van Hessen zich, zeven weken
later (19 Juni), op genade en ongenade overgeven.
Het lot der Evangelische kerk was nu, naar den mensch
gesproken, van de willekeur des Keizers afhankelijk. Slechts
in Nedersaksen werden nog een paar zwakke pogingen in
het werk gesteld, om zich tegen de macht van den Span*
jaard te verzetten. ChristoflPel van Oldenburg, de strijd-
bare held en moedige pleitbezorger der Protestanten, stelde
zich met Al b recht van Mansfeld aan de spits van eene
schaar van ruiters en lansknechten. In den omtrek van Dron-
kenborg ontmoette men de keizerlijken onder aanvoering van
hertog Erich van Brunswijk. Hier ten minste overwonnen
de Protestanten; in blijmoedige stemming werd te Bremen
het Pinksterfeest gevierd. Maar het kleine voordeel kwam
niet in aanmerking bij de onherstelbare schade: de Keizer
achtte het niet eenmaal noodig, om verder op den voorspoed
der Nedersaksers te letten; het onbeduidende succes der
Protestanten moest vanzelf verdwijnen, wanneer de fortuin
hem genegen bleef, en 't hem vergund was, alle de vruch-
ten van zijne overwinning bij Mühlberg te plukken.
Het was toch niet een strijd uitsluitend tusschen Rome
en Wittenberg, die hier tot eene bepaalde beslissing geko-
men was, ook niet eenmaal in staatkundig opzicht. De diepe
tweespalt, de sterke spanning tusschen den Keizer en den
Paus , welke nu duidelijk aan het licht trad , was een gun-
stig voorteeken voor de Evangelische partij. Er was Pau-
lus III méér aan gelegen, om zijn wereldlijk gezag tegenover
den Keizer te handhaven, dan om, in vereeniging met hem,
dé Evangelische kerk op dit zoo gunstige tijdstip met geweld
te onderdrukken, en Ka rel V op zijne beurt was eerder
geneigd, om het voordeel der overwinning prijs te geven,
en de zaak der Roomsche kerk op te offeren, dan om ook
slechts in het geringste te gedoogen, dat er op zijne keizer-
lijke macht inbreuk gemaakt werd. In die zelfde dagen zal
de Paus, gelijk beweerd wordt, zich in zijne woede het
333
godslasterlijke woord hebben laten ontvallen, dat hij zich
zou redden^ zoo goed als hij kon, ook al zou hij daartoe
de hel moeten te hulp roepen. ^) Een bondgenootschap tus-
schen den Paus en den Sultan achtte men niet onmogelijk,
terwijl de keizerlijke gezant in Rome er over dacht, om in
naam des Keizers den Engelenburg te bemachtigen. Deze
staat van zaken had eenen wezenlijken^ ja, ondanks het
smartelijk nadeel, dat het Interim aan de Evangelische kerk
berokkende, eenen gunstigen invloed op de overeenkomst met
de ten onder gebrachte Protestanten. Want in de omgeving
des Keizers deden zich stemmen hooren, die eenvoudig de
laatstverloopen dertig jaren uit de geschiedenis wenschten te
zien uitgewischt, en elkeen gevoelde, dat Duitschland op dit
oogenblik weder eens een opperheer bezat, die zijn gezag
wist te doen gelden.
Onder zulke omstandigheden kwam, in den herfst van
1547, de rijksdag te Augsburg bijeen. Slechts het vierde eener
eeuw was sinds den gedenkwaardigen rijksdag van Worms
verloopen, maar hoe ontzaglijk veel was er in deze spanne
tijds niet geschied! Ditmaal hadden de Protestanten geenen
Luther, die, alleenlijk in de kracht Qods, aan Keizer en
rijk moedig het hoofd dorst te bieden! Kar el V was per-
soonlijk aanwezig, in het volle besef van zijne macht, gereed
om de vruchten van zijne zegevierende staatkunde in te oogsten.
Vóór alle dingen rekende hij het zijne dure roeping, om, door
het uitvaardigen van cene opzettelijke verordening, de gods-
dienstige aangelegenheden in Duitschland te regelen. Deon-
oenigheid op kerkelijk gebied moest worden bijgelegd, natuurlijk
volgens het goeddunken van den katholieken heerscher. Een
christelijk concilie moest die vereffening tot stand brengen.
Het concilie was intusschen reeds begonnen ; in wat zin het
deze taak zou volvoeren, dienaangaande konden de Protes-
1) „Que hara lo que pudicre y se ajutara con el diablo." Ranke (V, 10)
ontleent het woord aan de gewichtige depêches van den keizerlijken gezant
Diego de Mendoza, den behendigsten diplomaat der Spaansch-kcizerlijke politiek.
Met welk eene ironie, met welk ecne verachting biedt Mendoza aan den Paus
en zijne staatkunde het hoofd, en toch blijft hij daarbg aan de leerstellingen
zijner kerk trouw verknocht 1
384
tanteE, na kennisneming van de reeds voorhanden zijode
protocollen , niet in het onzekere verkeeren. Het waa voor
hen nog een geluk, dat juist dit Tfentacli-Bologneescbe con-
cilie de twistappel waa tuasehen Paus en Keizer, en bijge-
volg niet geschikt, om den gewenschten invloed uit te
oefenen. Tot op het tijdstip, dat het coueilie eene beslisaing
zou hebben genomen, moesten middelerwijl („interim") tus-
schen de moederkerk en de sekten zekero overeenkomsten
van kracht zijn: ter eener zijde werd aan de priesters het
huwelijk, aan de leeken bet gebruik van den kelk bij de
Avondmaalsviering toegestaan, terwijl daarbij de vooraehriften
betreffende het vasten verlicht werden; doch aan den anderen
kant werd geëischt, dat men het primaat van den Paus,
de leer der Itoomsche kerk aangaande de sacramenten en
de Tranaaubötantiatie, do voorbidding der heiligen, de pro-
cessies en andere ceremoniën zou aannemen.
Het is iets zeer smartelijks, de invoering van dit Interim
in de afzoiideriijke Protestantsche gewesten van Duitschland
na te gaan. Met slechts zeer luttele uitzonderingen bukten
zich de vorsten, zij 't ook met tegenzin; ernstig bedreigd
met den toorn des Keizers, onderwierpen zich ook de stede-
lijke magistraten , met vaak aandoenlijk tegenstreven. Zelfa
Melanchthon liet zich helaas vinden, om in het z. g.
Leipziger Interim aan het streven des Keizers te gemoet
te komen, terwijl hij datgene ala iets onwezenlijks zich
wilde laten welgevallen, wat door duizenden ala eeno zware
krenking van hun Evangelisch geloof werd beschouwd. Vele
leeraren daarentegen waren liever bereid, om hunne bedie-
ning en hun tijdelijk bestaan, dan om hunne Evangeliacho
vrijheid als ehristenmenschen prijs te geven. Uit huis en hof
verjaagd , zwierven zij in ballingschap rond ; deze bittere
gang toch kwam hun beter voor, dan om, onder bittere
knagingen van hun geweten , hunne aangename bediening te
blijven voortzetten.
Ook tot ons zoo afgelegen, half vergeten landje strekte de
werking van het Interim zich uit, en wel op eene wijze, die
335
van grooten invloed was op het lot van onzen vriend. Met
gespannen opmerkzaamheid had hij den loop der gebeurte-
nissen gevolgd. Zijn verblijf eerst in Bonn en daarna in
Wittenberg had hem nader gebracht tot het middelpunt der
beweging; daarop waren de sombere dagen van den oorlog
met zijnen betreurenswaardigen afloop gevolgd. Toen zijn
beschermer, hertog Chris tof fel van Oldenburg, als over-
winnaar Bremen binnentrok , was vriend Hardenberg
aireede, na zijne betrekking tot den Keurvorst te hebben
nedergelegd, Evangelieprediker in de hoofdkerk te Bremen
geworden. Als van nabij kon onze vriend ook den verderen
loop der gebeurtenissen volgen. Zijn broeder Stanislaus
woonde, als gezant van Polen, den rijksdag van Augs-
burg bij. ^) De verhouding tusschen de beide broeders was,
alhoewel bevredigend van aard, toch niet zop innig, als tus-
schen onzen vriend en wijlen Hier on y mus. De briefwis-
seling was in de laatste jaren allengs verslapt. Melanchthon
bericht aan onzen vriend, dat een zoon van Stanislaus,
die zich aan het hof van hertog Maurits van Saksen be-
vond, door zijnen dronken dienaar was omgebracht. La ski
betwijfeld deze mededeeling, dewijl hij niet weet, hoe zijn
neef aan het Duitsche hof zou zijn gekomen. ^) De dagen,
gedurende welke de rijksdag te Augsburg vergaderd was,
verlevendigden weder de briefwisseling; Stanislaus hield
zijnen broeder getrouw óp de hoogte. Zoowel zijn hooge
rang, als ook het persoonlijk aanzien, dat hij genoot, vergun-
den den Poolschen gezant een en blik te werpen ook in de
meer verborgene schuilhoeken der heerschende staatkunde.
Aan het belangwekkend bericht van eenen uitstekenden tijd-
genoot, die ook in Augsburg geweest is, ontleenen wij de
korte schildering, dat de gezant van Polen „een statig,
hoogst ervaren, geleerd, welsprekend, aanzienlijk man was,
aangenaam en beminnelijk in den vertrouwelij ken omgang". ')
Zijne bedrevenheid in vreemde talen, die, gelijk wij reeds
I) Eichhorn, I, 94.
ï) K u y p e r, IT, 593.
3) G rotr, S. 240.
336
vroeger gezien hebben, aan de gebroeders La ski eigen was,
wekte op den rijksdag verwondering. Men zag den Bey
van Tunis, M u 1 e y H a s s a n, die in Augsburg de hulp des
Keizers kwam inroepen, bijkans altoos in de nabijheid en
het gezelschap van den Poolschen gezant, dewijl deze zich
met hem in zijne moedertaal kon onderhouden. — Door
zulk een kanaal was onze Laski in het bezit van berichten,
gelijk niemand, ook de Qravin niet, ze zoo zeker en spoedig
ontvangen kon. Weldra was hij te weten gekomen, dat de
kardinaal van Trente, Madrucci, dien de Keizer tot den
Paus gezonden had, hoegenaamd niets bg P a u 1 u s III had
kunnen uitrichten, en dat alzoo de oneenigheid tusschen de
beide machten op openbare vijandschap was uitgeloopen ;
reeds in Februari droeg hij er kennis van, dat de Paus het
beleg had geslagen om Piacenza, hetwelk na de vermoording
van Pier Luigi Farnese, eenen zoon des Pauzen, door
Ferrante Gonzaga, den keizerlijken bevelhebber in Mi-
laan, was bezet geworden. ^ ) Deze berichten boezemden noch-
tans onzen Laski niet veel hoop in, die eenen scherpen
blik bezat voor het recht verstand van wereldsche dingen,
en die, wat méér is, tevens in staat was, om de grenzen
van hunnen invloed op geestelijke dingen te bepalen. Juist
in die dagen schreef hij het profetische woord, dat voor alle
tijden van kracht blijft: „Aangaande de rijksdagen, in ver-
band met godsdienstige aangelegenheden, koester ik nog al-
toos dezelfde meening, als vroeger. Wanneer wij beproeven,
om zaken van den godsdienst door menschelijke voorzichtig-
heid en schranderheid te leiden en te bevorderen, dan gaat
het met haar achteruit, van dien tijd af, dat wij ze met
menschclijken steun meenen te kunnen schragen.'^
Betreffende den dcfinitieven uitslag der beraadslagingen over
de kerkelijke aangelegenheid op den rijksdag had a Lasco
zich niet bedrogen. „Moge de Heer zijne kerk in zijne be-
scherming nemen'', zóó roept hij, na de uitvaardiging van
het Interim, weemoedig uit. Het Leipziger Interim, „dat
*) K u y p c r, IT, 013.
337
den stempel van Philippus vertoont/' baart hem diepe smart.
Uit achting voor Melanchthon wil hij, ook in zijn ver-
trouwelijk schrijven aan Hardenberg, de gewaarwordingen,
die het boek bij hem heeft opgewekt, niet met zoovele woor-
den uiten; slechts deze ééne verzuchting ontglipt aan zijne
moede ziel: „Wanneer al datgene, wat in dit geschrift als
„adiaphoron^^ niet wordt afgekeurd, van dien aard is, dat
men het weder kan aannemen, wat moeten zij dan beginnen^
die verkondigd hebben, dat men, ook met gevaar van zijn
leven, datgene bestrijden moet, wat zij nu klaarblijkelijk niet
bestrijden, en voor hoe velen was zulks toch de aanleiding,
dat zij deswege werden ter dood gebracht. O kom, Heere
Jezus T' 1)
Tegen het einde van Augustus 1548 verscheen ook te Emden
een keizerlijke bode, om gebiedend te vorderen, dat men zich
aan het Interim zou onderwerpen. Toen de bode aankwam,
vertoefde de Gravin juist buitenslands, in Heidelberg, aan
het hof van den paltsgraaf Otto Hendrik, om met hem
over kerkelijke aangelegenheden te beraadslagen; a La se o
was op het punt, om gevolg te geven aan eene dringende
uitnoodiging naar Engeland, ten einde aan de regeling van
de kerkelijke toestanden daar te lande deel te nemen. De
Gravin had hem bereids het gevraagde verlof toegestaan,
onder uitdrukkelijke voorwaarde evenwel, dat hij zoo spoedig
mogelijk zou terugkeer en, om zijne werkzaamheden in den
dienst der Oostfriesche kerk te hervatten. La ski achtte het
't raadzaamste, om, al was 't ook met een beklemd gemoed,
zijne belofte van spoedig te zullen afreizen ook nu niet terug
te nemen ; hij kon toch hopen, dat door zijne afwezigheid en
die der Gravin de beslissing op de lange baan zou worden
geschoven, en dat scheen in die kommervolle dagen reeds
eene bepaalde winst. Hoe zwaar de druk der tijden zich aan
allen deed gevoelen, en welke gevaren inzonderheid de leids-
lieden der Evangelische kerk bedreigden, kan daaruit worden
opgemaakt, dat onze vriend slechts vermomd en onder eenen
1) Ibid., II, 617.
DALTON. 22
338
yreemden naam den tocht dorst te ondernemen. Reeds op
zijne reis, van uit Antwerpen, gelijk daarna, in den loop
van den winter, bij herhaling van Engeland uit, richtte
a La SC o opwekkende troostbrieven aan zijne gemeente onder
het kruis. Het is wel te bejammeren, dat deze zendbrieven
tot dusver nog niet zijn teruggevonden; Emmius schijnt
ze nog onder zijne oogen gehad te hebben, als hij er dit
uittreksel aan ontleent, dat de predikers toch slechts moesten
volharden en goedsmoeds zijn. Ingeval zij soms uit huis en
hof worden verjaagd, dan heeft hun getrouv/e superintendent
in Engeland een toevluchtsoord voor hen bereid, alwaar zij,
in vereeniging met vele ballingen om des geloofs wil, onge-
stoord kunnen leven. Doch zij moesten slechts getrouw vol-
harden. Het is ^t lot der vromen in deze eeuw, vervolging
te ondergaan. De laatste tijden zijn aangebroken; de Satan
woedt, om het rijk van Christus te verwoesten. Maar Christus
zal overwinnen en de zijnen uitredden; immers, Hij is de
sterke Leeuw uit den stam van Juda. De Keizer, die gebiedt,
is zeker groot en machtig, maar God, die verbiedt, is grooter
en machtiger. Den Keizer moet men wel gehoorzamen, maar
slechts tot aan den dorpel van het heiligdom ^).
Intusschen was de Gravin in haar land teruggekeerd, moe-
deloos en ten einde raad, want ook in Ueidelberg was men
onzeker, wat te doen, en loodzwaar drukte de angst op aller
gemoederen. Het was een gevaarlijk spel voor land en volk,
door wederstrevigheid den toorn des Keizers op zich te laden.
En de Keizer bevond zich op eenen bedenkelijk korten afstand.
Yan Augsburg was hij naar Brussel gereisd, om aan zijnen
zoon Philips het bewind over de Nederlanden op te dragen.
AUeerst door bidden en smeeken trachtte de Gravin aan de
onderwerping onder het Interim te ontkomen. Het mocht
toch den Keizer behagen, geduld en toegevendheid te oefenen
met eene hulpelooze weduwe, en haar te vergunnen, de ker-
kelijke aangelegenheden in haar arme landje onaangeroerd te
laten, totdat er door een concilie eene beslissing zou zijn
)) Emmius, pag. U86.
339
genomen. Op dit punt echter wilde de Keizer ook het zwak-
kere geslacht niet ontzien^ en eischte daarom onvoorwaarde-
lijke onderwerping. In Februari 1549 stelde de Vorstin eene
nieuwe poging in het werk. De staatsman Frederik ter
Westen werd naar Brussel gezonden, en met de leiding
yan de moeielijke aangelegenheid aan het keizerlijke hof be-
last. Hij was daartoe evenwel niet de rechte man, in den
geest van La ski. In zijn officieel verslag is een diplomaat
aan het woord, die zich door den Keizer schrik heeft laten
aanjagen, en die zich niets pij nlij kers denken kan, dan wegens
geloofszaken zich en zijn land aan bezoeking bloot te stellen.
Ja, wel is hij de Sadduceër, als hoedanig hij ons door den
geschiedschrijver van Oost-Friesland geschilderd wordt *). Op
behendige wijze weet hij den angst der Gravin te vermeer-
deren , den gewetensdwang, welke door het Interim werd uit-
geoefend , te verkleinen, haar diets te maken, dat^ met slechts
luttele uitzonderingen, iedereen zich aan het Interim onder-
worpen heeft, en dat het mitsdien niet nalaten kan, bevreem-
ding te wekken, wanneer zij, als vrouw en met betrekking
tot haar landje, zwarigheid maakt om datgene te doen, wat
de machtigste Protestantsche vorsten aireede gedaan hebben.
Terwijl de Gravin, door de behendig opgestelde berichten
van haren gezant aan het Brusselsche hof beangstigd, in
twijfel geraakte betreffende hare houding ten opzichte van
het Interim, betrad a Lasco weder den Oostfrieschen grond.
Slechts gedurende een paar dagen hield hij zich te Emden
op, ter wille van zijnen reisgenoot bij den overtocht uit Enge-
land (graaf Mansfeld); daarop spoedde hij zich (20 Maart
1549) naar Aurich, alwaar de Gravin hom met verlangen
verbeidde. Hij vond haar geheel onder den invloed van den
hoveling en wereldlijken raadsman, die er op aandrong, dat
zij zich aan den onbuigzamen wil des Keizers zou onderwerpen.
A Lasco had binnen kort den stand van zaken begrepen,
en was op het ergste voorbereid. „Wij hebben hier" — zóó
schrijft hij aan eenen vriend in Engeland, omstreeks het
1) Ëmmius, pag. 937.
340
midden yan April, — » stellig verdrukking en vervolging te
wachten, en wekken daarom elkander op, onder aanroeping
van des Heeren heiligen naam, om het kruis met lijdzaam-
heid te dragen, opdat wij door geduld en trouw in het ver-
dragen al datgene te boven komen, wat de Heer tegen ons
wil geheugen, tot eer zijns naams en tot onze verbetering.
Gewisselijk zorgt Hij voor ons, en daarbg is Hij zóó machtig,
dat Hij al de slagordenen onzer vijanden met één enkel
woord zijns monds in een oogenblik kan ternederwerpen, en
tevens is Hij zóó goed, dat zonder zijnen wil ook niet één
haar van ons hoofd vallen kan, ook al spande de geheele
wereld tot ons verderf te zamen Aan Hem geven wij
ons derhalve geheel over, en wij verwachten met lijdzaam-
heid al wat Hij in zijne wijsheid en goedheid over ons heeft
beschikt/' i)
Uit deze treffende taal van een onbezweken geloofsver-
trouwen kan men bespeuren, dat het onzen vriend spoedig
gelukt was, om den gezonken moed zijner medebroeders weder
krachtig te verlevendigen. Het bezielende woord van hunnen
leider miste zijne uitwerking niet, gelijk wij weldra bemerken
zullen. IJverig en in alle richtingen werkzaam, was hij er
voortdurend op bedacht, hoe hij het verderfelijke Interim kon
te keer gaan , en hoe hij de Evangelische kerk tegen de ge-
welddadigheid des Keizers zou kunnen beschermen. Zij 't ook
nog slechts in schemerende verte en in onzekere omtrekken,
toch scheen het hem toe, dat er redding in aantocht was:
met verlangen richtte a La se o zijnen blik op dat verwij-
derde punt, bereid om de behulpzame hand te bieden, indien
men soms zijnen bijstand tot het voorgestelde doel mocht
behoeven. In deze gezindheid besloot hij, om bij vernieuwing
voor een paar maanden Oost-Friesland te verlaten, in de
hoop, dat hij door het mogelijke resultaat zijner reis voor
de Evangelische kerk van grooter nut zoude zijn, dan wan-
neer hij in Emden werkeloos den slependen gang der dingen
bleef aanzien.
») Kuyper, II, 621.
341
De macht des Keizers en zijn Interim drukten loodzwaar
op het Protestantsche Duitschland; de Duitsche en Evan-
gelische gezindheid des volks echter moest zich geprik-
keld voelen tot een hardnekkig verzet tegen het despotisch
gezag van den Spanjaard en Katholiek. De trotsche ver-
achting, met welke de Keizer de beide gevangengenomen
Duitsche vorsten behandelde, kon men niet verkroppen, en
zulks te minder, dewijl men daarin te gelijk eene dreigende
waarschuwing zag, dat men, met betrekking tot zijne hei-
ligste belangen, van dezen heerscher weinig goeds te ver-
wachten had. De gemoederen waren aan het gisten. „Liever
het zwaard, dan de pen; liever bloed, dan inkt": dat na-
drukkelijke woord van den markgraaf Johan van Bran-
denburg, waarmede hij de onderteekening van het Interim
weigerde, vond weerklank bij raenigen vorst. En het bleef
niet bij zulk een woord. Do edele hertog Otto van Bruns-
wijk deed, reeds in het begin van het jaar 1548, de eerste
poging tot het sluiten van een vorstenbond tegen de dwin-
gelandij des Keizers. *) Bij den verderen voortgang der zaak
kwam het er vooral op aan, hertog A 1 b r e c h t van Pruisen
voor het verbond te winnen, en vervolgens desgelijks Enge-
land, Polen, den ouden erfvijand van Kar el V, en andere
machten. In Polen had Sigismund August kort te voren
den troon zijner vaderen beklommen. De Protestanten hadden
groote verwachtingen van den Koning, die ten opzichte van
het Evangelie gunstig gezind scheen. Ook Laski koesterde
gelijke hoop. Nauwelijks vernam hij, dat de geheel Evange-
lisch-gezinde prediker des Konings, Lorenzo Prasnicius,
voornemens was zijn ambt neder te leggen, of hij smeekte
hem in eenen brief, in de dringendste bewoordingen, om van
dit plan af te zien. „Gij ziet, waarde Broeder, hoe de oogst
groot is, en hoe de arbeiders weinigen zijn. Gij gruwt van
de ongoddelijke gezindheid aan het hof? Doch gij behoeft
immers niet te vleien; stel de zonde aan de kaak, doch op
zulk eene wijze, dat het duidelijk blijke, dat gij niet de per-
»; Ra urn er (1857), S. 19.
342
aonen, maar bunne ondeugden haat. Zóó veroordeelt God
zelf onze gebreken , terwijl Hij ons daarentegen liefheeft en
als zijne kinderen erkent, zoolang wij althana Hem en zgne
onverdiende weldaad in Christus niet moedwillig ïeramaden."')
Te Riesenbnrg had eene aamenkomat plaats tuaacben hertog
Albrecbt van Pruisen en don woiwode van Mariënburg,
Achatins von Zemen, ter onderlinge beraadslaging. De
graaf Vol rad van Mansfold was naar Engeland
, ten einde den Lord-Protector te bewegen , tot het
verbond toe te treden. La ski had met hem op hetzelfde
Bchip de torugreis van daar volbracht ; hij waa in de plannen
van den Graaf, hetzij door dezen zelven, hetzij door hertog
Christoffel van Oldenburg, volkomen ingewijd. Onmid-
dellijk na z^n terugkeer naar Emdon kan hij aan den aarts-
biaachop van Canterbiiry een uitvoerig bericht aangaande den
Btand van zaken toezonden, met het verzoek, dit bericht aan
den hertog van Someraet mede te deelen.
Slechts de hoop, langs dezen weg de gewelddadige onder-
drukking van de Evangelische kerk te kunnen te keer gaan,
deed onzen a Lasco besluiten, om zich thans voor het eerst
meer rechtstreeks met de staatkunde in te laten. Heimelijk
begaf hij zich op reis, allereerst naar Bremen, en van daar,
een paar dagen later, naar Hamburg, alwaar hij spoedig
eene scheepsgelegenhcid naar Dantzig vond. Wat hij gedu-
rende de volgende acht weken in deze beroemde havenstad
van zijn vaderland verricht hoeft, dienaangaande wordt ons
helaas niets naders bericht. Het schijnt voornamelijk een
tijd van afwachten geweest te zijn. La ski beschouwde zich
ten allen tijde als Pool, die als zoodanig aan den wil zijns
koninga onderworpen was. Hij had zich naar Dantzig be-
geven, ten einde de koninklijke vergunning te verkrijgen,
om aan eene uitnoodiging van Hendrik VlII gevolg te
mogen geven, indien niet wellicht het vaderland zelf op
zgne medewerking bjj eene eventueele hervorming aanspraak
maakte. '') De koning van Engeland bad zelf hierover aan
1) Kajp.r,
)) Ibid., p. i
U, B33.
343
den koning van Polen geschreven, ^) van de onderstelling
uitgaande, dat onder den nieuwen vorst het Evangelie in
Polen zijnen intocht zou houden, en met den wensch, dat
alsdan eene zoo belangrijke kracht als Laski voor zijn vader-
land niet teloor mocht gaan. Ook Laski had aan den Ko-
ning geschreven en zich ter zijner beschikking gesteld, bij-
aldien hij zich van hem wilde bedienen in eenen kerkdienst,
die met de leer van Christus in overeenstemming was. Om-
streeks het midden van Juli ontmoeten wij Laski te Ko-
ningsbergen, alwaar hij gedurende een paar weken vertoefde.
De naam van a L a s c o was voor hertog A 1 b r e c h t van
Pruisen geenszins een onbekende naam. In al de bloedige
krijgen en veeten, in welke de wakkere Hohenzoller, als
grootmeester van de Duitsche Ridderorde (sedert 1512), met
Polen gewikkeld was, dewijl hij weigerde om den eed van
getrouwheid aan zijnen oom, den machtigen koning van
Polen, als zijnen leenheer te doen, en bijkans altoos, wan-
neer er vredesonderhandelingen werden aangeknoopt, of een
wapenstilstand gesloten werd, was aan de zijde van Polen de
leiding der zaken toevertrouwd aan den hoogaanzienlijken
aartsbisschop van Gnesen. Toen op Palmzondag van het
jaar 1525, de vrede te Krakau gesloten werd, en hertog
Albrecht van Pruisen zijn land als erfelijk leen uit de hand
van den koning van Polen ontving, legde hij den lecneed
af op het Evangelieboek, dat de aartsbisschop van Gnesen
op den schoot des Konings had nedergelegd; ■^) een andere
Laski hield, gedurende deze plechtigheid, den vierjarigen
koningszoon en troonopvolger, prins SigismundAugust,
op zijnen arm. In vervolg van tijd vertoefde Hiëronymus
a Las co meer dan ééns als gezant in Koningsbergen. Maar
ook met onzen Laski was de Hertog niet onbekend. De
ernstige, vrome vorst, die in zijne jeugd door den aartsbis-
schop Herman van Keulen was opgevoed, en die vervolgens
door prcdikatiën van Osiander in Neurenberg voor het
Evangelie was gewonnen geworden, had, door Luther met
») Ibid., p. G24.
ï) Hasc, S. 33.
344
raadgevingen ondersteund, aan de Heryorming in zijn land
den yrijen loop gelaten. In Koningsbergen predikte en dichtte
Paulus Speratus; hier in het land traden de bisschoppen
George von Polentz en een weinig later Erhardvon
Q u e i s openlijk tot de Hervorming toe. De energieke hertog
behartigde inzonderheid de belangen van het schoolwezen.
De oprichting van een gymnasium („Particularium^' geheeten)
werd weldra gevolgd door de stichting van de universiteit
(ingewijd den 17^^" Aug. 1544). Rector van het gymnasium
en tevens leeraar aan de universiteit was een vriend van
Laski, met name Willem Gnapheus, uit Holland, die,
gelijk vele andere zijner landslieden, om den wille van het
Evangelie uit zijn vaderland herwaarts gevlucht was; met
Ent f el der, hoogleeraar in de theologie, ingelijks uit de
Nederlanden, stond Laski sedert jaren in briefwisseling ^).
Yan den beginne aan was het de stille wensch van onzen
vriend, in Pruisen eenen geschikten werkkring te vinden.
Voor zijne vurige vaderlandsliefde zou het een aangename
troost geweest zijn, om ten minste als aan de poorten van
Polen te mogen wonen, en van nabij het oog zijns geestes
op den verderen voortgang van het Evangelie in zijn vader-
land gevestigd te houden. Ook hertog Alb recht wenschte
den voortreffelijken man voor zijn land te winnen. Hij waar-
deerde hem zeer , zoowel wegens zijne buitengewone begaafd-
heid, als ook wegens zijne heldhaftige gezindheid en zijnen
deugdzamen wandel.
Reeds vroegtijdig werden er onderhandelingen aangeknoopt
met den Oostfrieschen superintendent ^). Zulke onderhande-
lingen met hem hadden reeds plaats gehad, toen hij nog als
ambteloos persoon te Emden in stille afzondering leefde, en
hij wegens den ongunstigen staat zijner gezondheid in dat
ruwe klimaat naar een ander toevluchtsoord omzag. Meer-
malen reeds had hertog Alb recht zich schriftelijk tot hem
gewend ; de onderhandelingen mislukten echter, waarschijnlijk
1) Voor zoover ik weet, is ons nog slechts ccn, zeer interessante brief be-
waard gebleven (Gabbema, p. 49).
*;i Kuy per, II, 575.
345
ter oorzake van verdachtmakingen van zijn theologisch stand-
punt, hetwelk met de richting, die destijds in Pruisen heerschte,
niet overeenkwam. De Nederlanders, die voor de vervolgingen
van K a r e 1 V waren gevlucht, en zich als vreedzame lieden
in „Pruisisch-Holland," onder de veilige hoede van den Hertog
metterwoon hadden gevestigd, waren door Speratus, in
zijn geschrift: „Ad Batavosvagantes'^ (1536), heftig aangeval-
len; een gelijk lot zou ook onzen La ski van de zijde van
den Koningsberger hoftheoloog wedervaren zijn. Wij herinne-
ren ons, hoe a Lasco indertijd zijn „Kort begrip van de leer
der Oostfriesche kerk" in handschrift aan den hoogleeraar
Entfelder deed toekomen, en hoe Melanchthon den
Hertog voor dit geschrift waarschuwde. ^) Desniettemin werd
de wensch, dat Laski zich in Pruisen mocht vestigen, nog
herhaaldelijk van weerszijden geuit. Juist thans scheen die
wensch dichter dan ooit tot hare vervulling genaderd, nu er
onderhandelingen met Polen plaats hadden, en de hoop in
Laski's gemoed weder levendig werd, dat zijn vaderland
niet slechts in het staatkundige de zijde zou kiezen van hen,
die zich beijverden om een bond tegen den Keizer te sluiten,
maar dat het ook in kerkelijk opzicht de gevoelens van deze
tegenstanders van Kar el V zou omhelzen.
Het waren zeer onstuimige dagen op het gebied van
het kerkelijke leven, die paar weken, welke a Lasco te
Koningsbergen doorbracht. Een halfjaar te voren (27 Januari
1549) had Osiander, die om den wille van het Interim uit
Neurenberg verdreven was, zich bij den Hertog aangemeld,
en was prediker geworden bij de parochie der oude-stadskerk,
in de plaats van magister Funk, dien de Hertog tot zijn
hofprediker benoemd had. Reeds in April braken de oneenig-
heden uit. In de Stellingen, met welke Osiander zijn hoog-
leeraarsambt aan de universiteit plechtig aanvaardde, had hij
zich scherp aangekant tegen de door Luther ingevoerde
leerwijze van de rechtvaardiging, als eene slechts rechterlijke
daad van God met betrekking tot den geloovige. „Rechtvaar-
ij Verg. hierboven blz. 291 vg.
34R
digen kan beteekencn" — zóó luidt Het in deze theses, —
„Toor rechtvaardig verklaren; volgens het Evangelie ia het
te verstaan in den zin van rechtvaardig maken. Wanneer de
rechtvaardiging gezegd wordt te geschieden door het geloof,
dan is dit eone verkorte wijze van spreken , want niet het
geloof als ietn formeels, maar Christus, in wien wij gelooven,
Hij zelf ala de inhoud des geloofs is het, die rechtvaardig
maakt. Niemand wordt gerechtvaardigd zonder te gelijk ook
levend gemaakt te worden" ')■ De strijdlustige hoogleeraar
Lauterwald viel hom heftig aan, en nu woedde de strgd,
dio veler hartstochten gaande maakte, links en rechts onstuimig
voort, terwijl tegelijkertijd de pest op eene schrikbarende wyze
in de zwaar bezochte stad heorschte. A Laaco was, gedu-
rende zijn verblijf to Koningsbergen, bij Lauterwald ge-
huisvest; ^) aan den strijd nam hij geen deel. Met de leet
van Osiander kon hy zich niet vereenigen. ') Pijnlijker
trof hom het kleine gest-hrift, dat twee jaren later door Osi-
ander tegen de Wittenbergors, inzonderheid tegen Melanch-
thon, werd in het licht gezonden. „Het valt tegenwoordig
in don smaak, op het gebied der leer telkens nieuwe ver-
deeldheden te zaaien, en de schoot van Wittenberg zwartte
maken, door welke nochtans de geheele wereld in de kennis
van hot Evangelie zoozeer gevorderd ia , ja , aan welke ook
Oaiander zelf — mooht hij slechts zoo billjjk zijn, om het
te erkennen! — zeer groeten dank verschuldigd is. Maar ach,
dit is nu eenmaal de loop van zaken in onzen tijd!" zóÓ
sucht de edele man, die met helderen, diepen blik de smar^
telgke wonden peilde, die de Evangelische kerk in deze heftige
veeten lich Eelve toebracht. ') Gedurende deze theologische
twisten onderhield a L a s c o zich met den Hertog over ernstige
zaken des geloofs. ,Ik kan niet zeggen, welk een genoden
■) U>t«, S. 13B.
■) ËM iranavdt Ulbtss K ii jr p < r (II , ft 637).
1> Ibid., tl, p. 049; .OaiaBilri neqic doclrtoun, ocqne iutitataiB prebo.
«(■ad tjuidtM ki eaunn ïmiliSHliaiis •tttmt.''
*) lUd.. II, p. StS. Nog ojttocrigei hudelt Laski hitninr, mtl tirh *tv-
■k(Mdifh«id, ia tiJBCB brief ub dea Hertog (Ib., 11, p. 60^
347
de letteren yan Uwe Hoogheid mij verschaft hebben, uit de-
welke gemakkelijk te zien is, hoe zeer de godsdienst u ter
harte gaat, en met welk eene nauwgezetheid gij zorg draagt^
dat de' zuiverheid der christelijke leer bewaard blijve. Och
of een gelijke ijver, niet slechts bij de andere vorsten, maar
ook bij de meeste godgeleerden mocht worden aangetroffen,
en wel gepaard mot die beminnelijke bescheidenheid, welke
den grond van iedere leer tracht te ontdekken, en die den
andersdenkende eerst met christelijke liefde aanhoort, voor-
dat zij hare welberadene meening uitspreekt. Dewijl Uwe
Hoogheid met de grootste zachtmoedigheid en humaniteit aldus
te werk gaat, zoo zal ongetwijfeld deze uwe welwillendheid en
gematigdheid door alle waarlijk vromen dankbaar erkend en
geroemd worden." i) Waarom toch, zóó zouden wij geneigd
zijn te vragen, is het aan a Las co niet vergund geweest,
eene betrekking te vinden in de nabijheid van den Hertog P
Wel is het eene smartelijke beschikking! Want deze beide
waarlijk vrome mannen stemden in zoo menig belangrijk op-
zicht met elkander overeen, en eene kerkelijke figuur als
a Lasco zou stellig het land tot hoogeren zegen gestrekt
hebben, dan een Funk, een Staphilus, ^n Mörlin, en
hoe zij verder heeten mogen. Door geheel zijne geestesrichting
en denkwijze scheen onze vriend te zijn voorbestemd, als het
ware, tot de betrekking van hofprediker der Hohenzollers.
Terwijl a Lasco in Koningsbergen, naar 't schijnt te
vergeefs, op een schrijven van zijnen koning wachtende was,
en door den Hertog ook in de geheime gangen der politiek
van den vorstenbond werd ingewijd *) , ontving hg brieven
uit Emden, wier inhoud hem noopte, om zonder uitstel huis-
waarts te keeren. Den l«ten Augustus bevond hij zich te
Dantzig; per scheepsgelegenheid van hier vertrokken, mocht
hij , na eene zeereis van dertien dagen, Emden weder berei-
ï) Ibid., II, p. 624.
2) Ibid., p. 028, ia welken brief hij zich van geheimschrift bedient, hetwelk
ook de kuni>t van Kuyper niet geheel vermocht te ontcijferen. Ik zou ge-
neigd zijn te gissen, dat hij met den naam van „ChamaeleoQ" niemand andera,
dan Ter Westen bedoeld heeft.
348
ken. De Hertog was in spanning over den verderen loop der
zaken in Oost-Friesland; een uitvoerig schrijven van a La se o
maakt den verren vorstelijken vriend, en tevens, deor eene
gunstige beschikking^ ook ons, later geborenen, deelgenoot
van het snelle verloop der gebeurtenissen. ') Aanstonds na
Laski's afreize waren te Emden nadrukkelijke bevelen ont-
vangen, om onverwijld tot do invoering van het Interim over
te gaan. De Gravin zag nergens eenen uitweg. Eenige hove-
lingen stelden eene nieuwe formule op; men zou er bijkans
toe komen, haar het Emdensche Interim te noemen. Het is
een zonderling samenraapsel : het Augsburgsche Interim, ver-
mengd met reminiscenticn uit de reeds voorlang krachteloos
gewordene Lunenburgsche kerkorde uit de dagen van Enno. *)
De Emdensche predikers weigerden hun zegel te hechten aan
de formule, die buiten hen om was vervaardigd, en evenzoo
aan eene andere, over welke men met hen wilde beraadsla-
gen; de burgerij schaarde zich aan de zijde der predikers.
Door het sluiten van de kerkdeuren werd aan de wederspan-
nige leeraren de toegang tot het bedehuis belet, terwijl hun
tevens werd aangezegd, dat zij zich van het prediken in het
openbaar zouden hebben te onthouden. „Het staat gewis in
de macht der Gravin," zóó verklaarden de getrouwe belijders,
„de kerkdeuren te openen of te sluiten , maar om den wille
van hunne roeping mochten zij op het bevel der Gravin niet
stilzwijgen." De godsdienstoefening werd alsnu op het kerkhof
gehouden, onder nog grooteren toeloop dan te voren in de
kerk. Hier ook, tusschen de graven der gestorvenen, werden
de kinderen gedoopt, de huwelijken ingezegend. Slechts in
Norden hadden Lemsius en de overige Luthersch-gezinde
leeraren zich aan het Interira onderworpen.
Zoodanig was de stand van zaken bij den terugkeer van
Laski. Het strekte hem tot eene innige vreugde, den ofFer-
i) Ibid., i>. 628.
2) Dczü formule van 16 Juli 1549 is te vinden bij Meiners, I, 308; de
vergelijking met de Lunenburgsche kerkorde (zie insgelijks aldaar, I, 143)
doet zien, dat de nieuwe formule in elk geval, gelijk Meiners zegt, in niet
geringe mate „met het paapsche zuurdeeg doorkneedt is."
349
vaardigen geloofsmoed der getrouwe predikers, alsook den
stand vastigen en wakkeren ijver der burgerij te ontwaren. Op
hoogst ernstige wijze onderhield hij de Gravin over hare on-
derworpenheid aan het keizerlijk bevel. Op dit punt was
de gestrenge Christenbelijder niet gezind , om eenige de
minste toegevendheid te gebruiken; hij sprak zonder men-
schenvrees, als pleitbezorger en dienaar van den Heer. Hij
bracht haar onder het oog, „dat zij door hare handelwijze
zich zwaar bezondigd had, zoowel tegen Christus, den Heer,
en tegen den Heiligen Geest, alsook ten opzichte van de
kerk van Christus, die aan hare leiding was toevertrouwd.
Indien zij zulks door onwetendheid gedaan had,^^ — zóó
troostte hij dan weder de Gravin, — „zoo was de barm-
hartigheid Gods nog grooter dan hare zonde, wanneer zij
slechts, na hare zonde erkend en zich met de Kerk, die zij
in verwarring gebracht had , verzoend te hebben , die barm-
hartigheid smeekende inriep. Deed zij zulks echter niet, dan
had zij te verwachten, dat de toorn Gods haar en al de
haren gewisselijk zoude treffen"" Voorwaar, onder den
druk van het Interim eene stoutmoedige, onverschrokken
taal in den mond van eenen Evangelischen zielverzorger ,
en dkt zelfs tegenover de Vorstin! Nadrukkelijk geeft hij
haar te kennen, dat, zoolang zij niet oprecht berouw be-
toont, hij haar zielverzorger niet meer kan, noch ook wil zijn ;
dat hij daarom echter zijne openbare bediening niet neder-
legt, tot welke hij immers niet slechts door haar, als de
hoogste overheid, maar ook door de geheele gemeente, bij
openbare verkiezing , is geroepen geworden. Slechts wanneer
de gemeente hem uit eigene beweging ontslaat, eerst dan zal
hij heengaan, en anders slechts ingeval men hem, tegen wil
en dank, met behulp van den sterken arm mocht verdrijven.
Zoo hield a L a s c o nog een tijdlang de gewone godsdienst-
oefeningen op hot kerkhof, en wekelijks ook kwam de Coetus
bijeen, in welken de Superintendent zijne medestrijders, die
met opoffering van hunne bezoldiging getrouw in hunne bedie-
ning volhardden, krachtiglijk sterkte. Maar aan het hof des
Keizers was men niet van zins, om te gedoogen, dat de
350
gevreesde man zich nog langer in Oost-Friesland ophield.
Twee zware beschuldigingen bracht men tegen hem in : door
particuliere brieven verbreidde hij zijne dwaalleer ook in de
staten des Keizers, en de reis naar Engeland en Polen had
geen ander doel gehad , dan om allerlei slinksche prakt^ken
tegen de keizerlijke majesteit in het werk te stellen. Wat
baatte hem zijne verdediging^ dat zijne leer volstrekt geen
dwaalleer was, en dat uit alle voorhanden zijnde brieven
duidelijk bleek, dat zijne reis een gansch ander doel gehad
hadP De argwaan was nu eenmaal aan het keizerlijke hof
gewekt, en de tijdsomstandigheden waren gunstig, om zich
van den uitstekenden man in de nabijheid te ontdoen. In-
zonderheid op de laatstgenoemde aanklacht werd telkens
weder vanwege het Brusselsche hof alie nadruk gelegd , en
de Gravin, die zich te machteloos gevoelde, om den gewel-
digen boetprediker te beschermen, smeekte hem, om den
wille van het welzijn des lands haar gebied te verlaten.
A La SCO gaf ten laatste aan die bede gehoor. Omstreeks
het midden van October verliet hij het oord, waar hij bijkans
tien jaren lang gearbeid had, en dat hem tot een tweede
vaderland geworden was. Het was — wij zullen het later
zien, — geen dadelijk ontslag uit zijne betrekking, geen
eigenlijke nederlegging van zijn ambt, maar slechts een wgken
uit het land , totdat er betere tijden zouden zijn aangebroken.
Het eervolle afscheid^ dat de geheele gemeente aan a Lasco
bereidde, legde een schitterend getuigenis af aangaande de
hooge achting , die men den vromen , onverschrokken man
toedroeg. Een honderdtal godvruchtige mannen en een gelijk
aantal vrouwen werden door de geheele gemeente verkozen^
om aan den scheidenden superintendent en aan de predikers,
die zich niet hadden onderworpen aan het Interim, en die
men ook verder in hunne godsdienstoefeningen op het kerkhof
ongemoeid liet, tegen den 248*en September een feestmaal
te bereiden. Een eereblijk van de geheele gemeente wees
de onbaatzuchtige, onbemiddelde man van de hand. Nadat
de maaltijd gebruikt was , en de tafels waren weggeruimd ,
hield men zich gedurende het verdere gedeelte van den dag
351
bezig met elkander ernstig te vermanen, om toch in het
eenmaal beleden geloof en in het gebed te volharden. Daarop
begeleidde men, onder vele tranen, den Superintendent naar
zijne woning^ en nam met den vredekus afscheid van hem.
Ook de Gravin keerde zich niet af van den man, die met
zulk eene diep treffende, schier onverbiddelijke vrijmoedig-
heid hare feilen haar onder het oog had gebracht. In eene
ons nog bewaard geblevene oorkonde gaf zij aan a Lasco
de getuigenis, dat hij zich langer dan zeven jaren achtereen
aan het hoofd der Oostfriesche kerk, zoowel in het bevor-
deren van de zuivere leer des Evangelie's , als ook in zijnen
openlijken levenswandel volkomen onberispelijk betoond had,
zoodat zij hem vanwege zijn geloof, zijne vroomheid, zijne
geleerdheid, zijne rechtschapenheid en zijnen onverpoosden
ijver — met welke getuigenis alle hare onderdanen, voor zoo-
ver hun de Christelijke godsdienst en vroomheidwaarlijk ter
harte ging, volmondig moesten instemmen, — 't liefst ge-
durende al don tijd harer regcering in hare omgeving zou
hebben gehouden. Maar de Keizer had niet willen gedoogen,
dat hij nog langer in het land bleef, en daar een langduriger
vertoef zoowel voor hem zei ven, als ook voor de Vorstin
en hare kinderen, en te gelijk voor het geheele land ge-
vaarlijk zou zijn geworden, zoo had zij hem trachten over
te halen , om zich naar elders te begeven , waartoe hij dan
ook besloten had, doch onder deze voorwaarde, dat de ge-
meente hem de vergunning daartoe verleende. Met het oog
op het dreigende gevaar had do gemeente, alhoewel met
innige smart, hem het gevraagd verlof geschonken *), doch
daaraan tevens den uitdrukkelijken wensch gepaard, dat hij
tot haar zoude terugkeercn, zoodra het Gode behagen mocht,
om aan zijne kerk weder rustiger tijden te verleenen. ^)
Zoo moest dan onze vriend wederom den reisstaf ter hand
1) E m m i u 9 verhaalt (pag. 939), dat de gemeente eenparig het ontslag
geweigerd cd hem alleenlijk vergand heeft, zich tijdelijk te verwijderen en
voor de woede van „Antiuchus" te wijken , totdat zg hem ter gelegener tijd
weder zouden terugroepen.
') Kuyper, 11, G35.
352
nemen, en zich voor de tweede maal, om den wille van
Christus, zijnen Heer, in ballingschap begeven. Het zal hem
denkelijk wel zwaar zijn gevallen^ evenals tien jaren te voren,
toen hij van zijn geliefd Polen afscheid nam. Maar van de
lippen van den lijdzamen held vernemen wg geen enkele
klacht. Hij begeeft zich op weg, het oog gevestigd op zijnen
Heer, om te zien, welk land Hij hem nu wel zal wijzen.
Allereerst richtte hij zijne schreden naar Bremen, ten einde
in de gastvrije pastorie van zijnen ouden vriend een weinig
rust te nemen en in de nabijheid te zijn van het land,
dat hij gedurende het laatst verloopen tiental jaren zoo lief
had gekregen. Hij beschouwde zich toch nog altijd als ziel-
verzorger der verlaten achtergeblevene kerk, en gevoelde
zich verplicht, om haar in dat moeielijke tijdsgewricht met
zijnen troost te ondersteunen. Een treffelijke troostbrief aan
zgne ambtsbroeders in Emden is ons bewaard gebleven. ^)
Zoolang hij leeft, zóó schrijft hij, zal hij hunne belangen
en die van geheel de Oostfriesche kerk op zijn hart blijven
dragen. Hij smeekt hen, getrouw te blijven in het werk
hunner bediening, de gemeente in onderdanigheid te houden,
haar aan te sporen tot standvastig volharden in het geloof,
alsook tot alle verdraagzaamheid met zachtmoedigheid en
dankzegging. Het schrijven eindigt met deze woorden : ,,Laat
ons den Heer bidden , dat Hij zich over zijne kerk , die wij
zoozeer in verwarring gebracht zien, genadig ontferme, en
dat Hij ons in zijnen dienst door zgnen Heiligen Geest al-
zoo regeere en besture, dat wij eenmaal ten uitersten dage,
in vereeniging met geheel onze gemeente, dat vurig gewenschte
woord mogen vernemen: „Komt, gij gezegenden mijns Va-
ders T' — Ook aan andere bijzondere personen in Emden zendt
hij ernstig vermanende brieven. Een zeer opmerkenswaardig
schrgven b. v. aanzijncn vriend Leathius, den geheimschrij-
ver der Gravin. „Ik bid u, waarde Lenthius, volhard in uwe
betrekking, maar wees daarbij altoos indachtig aan het „tot
aan den drempel van het heiligdom^' („usque ad aras'^). Het
is eene zware zaak, zich schuldig te maken aan het lichaam
>) Ibid., p. 637.
353
en bloed des Heeren. Yan de schuld dezer misdaad zal nie-
mand zich in het oordeel Gods kunnen vrijpleiten, die aan
eenigerlei raadslagen tegen de kerk van Christus en haar
ambt op zoodanige wijze deelneemt^ dat hij niet, naar gelang
van zijne roeping, zijnen afkeer van zulke raadslagen te
kennen geeft, laat staan dan, wanneer hij willens en wetens
het gelukken daarvan in een of ander opzicht bevordert." *)
Zijne familie had hij op het landgoed achtergelaten ; waar-
schijnlijk wilde hij haar niet blootstellen aan de wisselvallig-
heden van een nog ongestadig omzwerven midden in den winter.
Zij bleef aan de getrouwe hoede zijner gemeente aanbevolen. *)
Werkelijk had zich iemand opgedaan, die, in weerwil van
alle waarschuwingen van La ski, dat zijne afwezigheid slechts
van tijdelijken aard was, en in weerwil van alle vermanende
brieven van de meest verschillende zijden, moeite deed, om
het ambt van superintendent in Emden te verkrijgen, opdat
Laski, tot vreugde van de keizerlijke partij, voor goed van
zijnen post zou blijken ontheven te zijn. De bedoelde persoon
was Nicolai Buscoducensis •"*), wiens broeder, den
Deenschen hofprediker, wij helaas reeds spoedig gelegenheid
zullen hebben te leeien kennen. Laski kan de mogelijkheid
van zulk eene handelwijze bij eenen Evangelischen prediker
nauwelijks aannemen. „Indien hij het nochtans mocht wa-
gen, dan zal God hem straffen, opdat de anderen worden
afgeschrikt."
Betreffende het verblijf van Laski te Brcmen is ons slechts
weinig bekend. Wel is het kenmerkend, dat onze vriend,
tijdens zijn vertoef in de genoemde stad, uit de hand van
den gestrengen Lutheraan Timann het heilig Avondmaal
ontving. Dit gaf destijds aan niemand eenigen aanstoot,
ofschoon de leeraren in Bremen nauwkeurig aangaande de
zienswijze van Laski onderricht waren Want omstreeks
denzelfden tijd had hij, in een (helaas, verloren geraakt)
zendschrijven aan de Bremensche predikers, wellicht naar
») Ibid., p. 640.
») Ibid., p. 638.
3) Vergel., met betrekking tot hem, ook Wolters, S. 97, en t. a. p.
DALTON. i3
354
aanleiding van eene onderlinge bespreking, deze zijne ziens-
wijze uitvoerig ontwikkeld. ^) Doch in het jaar 1550 oor-
deelde men klaarbiykelijk, wat de toelating tot den dieet
dea Heeren betreft, nog niet zóó streng en bar, ala weinige
jaren later. ')
In de eerste dagen van April 1550 begaf a Lasco zich
naar Hamburg. In den loop van den winter was hij tot het
besluit gekomen , om , dewijl het zich niet liet aanzien , dat
de zaken in OoBt-Friesland zoo heel spoedig eene gunstige
wending zouden nemen, een beroep naar Londen aan te
nemen. Aan de Elbe verwachtte hij eerder eone scheeps-
gelegenheid te zullen vinden, dan aan de Wezer. Ongeveer
eene miiand lang moest hij hier toeven , gedurende welken
tijd hij veel omging met A e p i n u s , den voornaamsten pre-
diker der atad. Hetgeen a Lasco ter oorzake van het
Interim geleden had, deed den streng Lutherschen leeraar
in den balling de dogmatische verschilpunten , die hen van
elkander scheidden , over het hoofd zien ; A e p i n u s toch
was één van de meest verklaarde tegenstandera van het
keizerlijk manifest. Ook met "Westphal verkeerde onze
banneling in die dagen op vriendschappelijke wijze. Een
tiental jaren later heeft a Lasco dezen zijnen heftigsten
tegenstander, dien wij op de volgende bladzijden nog zoo
dikwerf zullen hebben te ontmoeten, die dagen, in Hambui^
met elkander doorleefd, in hot geheugen teruggeroepen. On-
bewimpeld — zóó schrijft hij — heeft hij in zijne tegen-
woordigheid, bij gelegenheid van zoo menig vertrouwelijk
gesprek, de leer ontwikkeld, die hij ten allen tijde in Oost-
Friesland verkondigd had; maar destijds is zij aan West-
phal niet godslasterlijk voorgekomen, gelijk hij haar een
paar jaren later verachtelijk bestempelde, en om harentwil
heeft hij den omgang met hem niet afgebroken. =■)
Hier in Hamburg gewerden onzen vriend belangryke brie-
ven, op welke hij reeds lang gewacht had. Van den koning
<) Koypor, I, Llll.
») Verg. Spiegel, S. UO.
355
van Polen ontving hij de gevraagde schriftelijke getuigenis,
dat hij nooit eenig ygandig plan tegen Kar el Y met hem
beraamd had. Met deze getuigenis moest hij zich tevreden-
stellen ; de andere hoop, die hg koesterde, dat hij nl. in zgn
vaderland zou worden teruggeroepen, om aldaar het Evangelie
te verkondigen, wordt in het schrijven des Eonings met stil-
zwijgen voorbijgegaan. „Hij wil, dat ik nog wachten zal.
Daarom dan ook wil ik de hoop nog niet geheel opgeven." *)
Wanneer kan toch ook een Pool, in zijne roerende vader-
landsliefde, zulk cene hoop op terugkeer vaarwelzeggen ? De
brieven uit Engeland behelsden belangrijke tijdingen van
politieken aard, die hij zich haast, aan hertog Alb recht
mede te deelen. De afzenders zijn ons onbekend, maar zg
moeten aanzienlijke staatsambten bekleed hebben, en het is
een teeken van het groote vertrouwen, hetwelk zij in a Las co
stelden, dat zij hem zulke mededeclingen deden, die hij voor
een deel slechts in cijferschrift aan den Hertog waagt te doen
toekomen.
Deze brieven waren echter ook de boden, die a La se o
moesten melden, dat men in Londen stellig op zijne me-
dewerking rekende, en zoodra slechts de koorts geweken
was, — in de eerste dagen van Mei, — stak hij over naar
het land, hetwelk Christus, zijn Heer, hem, even zeker als
te voren Oost-Friesland, had aangewezen als de plaats eener
rijkgezegende werkzaamheid.
1) Ibid., p. C39.
9.
IN ENGELAND.
Welk een geheel anderen loop nam toch de Hervorming
op het vasteland , dan in Engeland , wat hare vroegste wor-
dingsgeschiedenis betreft !
Het was de rustelooze kommer wegens de zaligheid zijner
ziel, die den Augustijner-monnik in de diepten der Heilige
Schrift had doen doordringen, en nauwelijks had hij het
middelpunt der Schrift, Jezus Christus als onze éénige recht-
vaardiging voor God, gevonden, of het was de prikkel der
goddelijke waarheid, die hem aandreef, om, bezield met een
innig mededoogen, onder zijn volk op te treden, ten einde
te getuigen van datgene, wat hij zelf tot zijn heil onder-
vonden had, ja, die hem met blijden, kloeken moed tegen-
over Keizer en rijk deed optreden^ om zijn kleinood voor
het oog van de geheele wereld te verdedigen. Zijn woord
werkte als eene verlossing op het Duitsche volk, hetwelk
zich voor hem in de bres stelde en de zaak van Lu-
ther tot zijne eigene maakte, zonder zich om de mogelijke
gevolgen te bekreunen, en zonder angstvallig te overleg-
gen, welk een voordeel of nadeel uit zulk eene handelwijze
357
voor het geheel zou voortvloeien, terwijl het zich volkomen
vergenoegde met den vrede, die door het Evangelie aan het
gemoed werd verleend. In Engeland daarentegen is het een
gewelddadig, strijdlustig Koning, die allereerst tegen Luther
in het strijdperk treedt, en die zich verheugt, van Leo X,
tot belooning voor zijn literarisch wapenfeit, den bijnaam
van „Verdediger des geloofs" („Defensor fidei") te hebben
verkregen. Minder liefelijk, gewis, maar meer passend was
de naam, dien de Duitsche hervormer aan het gekroonde
hoofd van Engeland schonk, toen hij hem in dartele luim
„den dollen Hein" („tollen Heinz") noemde. Het scheen bij-
kans, alsof de Koning die benaming wilde rechtvaardigen.
De begeerte, om zich van Katharina van Arragon, met
wie hij sedert lange jaren gehuwd was, te ontslaan, ten
einde hare hofdame, Anna Boleyn, tot koningin en ge-
malin te kunnen verheffen , gaf den eersten stoot , om zich
van het gezag van den Paus, die zijne toestemming tot eene
echtscheiding weigerde, los te maken. Indien alleenlijk dit
de beweeggrond geweest ware, zou hij zeker niet voldoende
geweest zijn, om eenen zoo hoogst belangrijken stap met
goed gevolg ten uitvoer te brengen. Maar reeds voor Hen-
drik VIII, en vooral met schitterenden uitslag onder den
energieken Eduard IV, was de macht des rijks, en in
gelijke mate ook die van den heerscher, bevestigd geworden.
Frans I en KarelV dongen beiden ongeveer terzelfder
tijd (1520 en 1521) naar de gunst van Engeland; in den
invloedrijken raadsman des Konings, Thomas VS^olsey, die
reeds op jeugdigen leeftijd tot kardinaal was verheven ge-
worden , zagen niet weinigen , en onder dezen hij zelf in
de allereerste plaats, den toekomstigen paus. VS^elke stoute
plannen verbond de eerzuchtige candidaat, die met ongeduld
den dood van Adriaan verbeidde, aan de vervulling van
zijnen wonsch , dien hij nu eenmaal toch niet in vervulling
zou zien gaan ! Toen, reeds na verloop van een jaar, de recht-
schapene Adriaan VI, de pauselijke waardigheid moede,
overleed , werd Julius Medici paus , en bleef zulks , tot-
dat in Engeland de beslissende teerling gevallen was. Cl e-
358
mens VII kon er niet toe besluiten, om het huwelijk van
Hendrik VIII voor onwettig, en alzoo de nicht des Keizers,
Maria, die uit deze verbintenis gesproten was, voor een
onecht kind te verklaren. Hendrik VIII gevoelde zich sterk
genoeg, om dit aarzelen te beantwoorden met het stoutmoedige
besluit, dat het gezag van den pauselijken stoel over Engeland
was opgeheven. In de beroemde akte van Suprematie, van het
jaar 1534, bezegelde het Parlement de koninklijke bepaling,
dat op aarde de Koning het éénige Hoofd was der Engelsche
kerk. Pau lus III, die juist den pauselijken stoel beklommen
had en aanstonds het groote gevaar besefte, hetwelk de Room-
sche kerk bedreigde, stelde pogingen tot verzoening in het
werk, maar het was reeds te laat. Het genoemde besluit be-
antwoordde geheel aan de wenschen des Konings, alsook aan
die zijns volks; de Engelsche geestelijkheid zelve had, voor
een deel in de hoop, door deze goedkeuring het in hare
schatting zooveel grootere kwaad der Hervorming van Enge-
land af te keeren, aan het besluit haren bijval geschonken.
In Engeland was alzoo bereikt hetgeen de pausen te vergeefs
getracht hadden te erlangen : op één hoofd de dubbele macht
vereenigd. Met betrekking tot zijn rijk was Hendrik VIII
tegelijkertijd Koning en Paus.
Aan eene hervorming werd door Hendrik VIII in 't eerst
niet gedacht. Hij had verkregen hetgeen hij wenschte. Elke
betrekking met den bisschop in Rome was afgebroken ; geen
Petruspenning mocht langer in de pauselijke kas vloeien;
alle kerkelijke kwesties, die tot dusver slechts in Rome hare
afdoening vinden konden, werden voortaan in Engeland be-
slist. De kerkorde was gewijzigd; de kerkleer liet de „defensor
fidei" onaangeroerd. Machtiger echter dan een koning, mach-
tiger dan een geheele clerus is de geest, die eenen tijd
beheerscht, en die zijn koninklijk zegel als een goddelijk
merkteeken op hem drukt. In die dagen kon nergens eene
kerkelijke vraag worden aangeroerd , ook al lag zij aan den
uitersten omtrek der kerkelijke politiek, zonder dat de stroom
der reformatorische beweging, die de geheele christelgke
359
wereld doordroDg, zich van haar meester maakte. Al trachtte
ook Hendrik VIII, als pans-koniDg, zijne kerk op heersch-
zuchtige en gewelddadige, ja, ook bloedige wijze tegen het
indringen van de reformatorische leer te beschermen, hij
zelf geraakte nochtans op dit punt aan het wankelei^, deels
door de macht der staatkunde, deels door den wisselenden
invloed der familiën, uit welke hij zoo spoedig achtereen
zijne gemalinnen koos ; doch ook buitendien : de Hervorming
drong tóch in het land door, daar zij bezield was door den
Geest Gods, die blaast, werwaarts Hij wil.
Hier en daar in den lande vertoonden zich aanknoopings-
punten. De prediking van Wycliffe, al was zij ook reeds
sinds bijna tweehonderd jaren verstomd, was evenwel onder
het volk niet geheel vergeten. Voor zulke woorden hoeft het
volk overal een verwonderlijk trouw geheugen. De invloed
der Lolharden was in den loop des tij ds en onder zijnen
zwaren druk in het duister teruggedrongen, maar vertoonde
zich nu weder op plaatsen , waar men dien nauwelijks meer
aanwezig dacht. Het volk tastte verlangend naar den Bijbel ;
het woord van den „Doctor evangelicus", — welken bijnaam
Wycliffe verkregen had, — dat alleen in de Heilige
Schrift zekerheid te vinden is, was in de herinnering des
volks bewaard gebleven. Nu ontving het den Bijbel in zijne
moedertaal terug, en ikt niet, gelijk bij Wycliffe, over-
gezet uit de Vulgata, maar, gelijk de andere volken der
Reformatie dien óók bezaten, rechtstreeks uit de levende bron
van de oorspronkelijke taal geput. De vrome Tyndalo,
uit Engeland verbannen, arbeidde te Antwerpen aan de vol-
tooiing van het groote werk, en zulks met verdubbelden ijver,
nadat zijn getrouwe medearbeider Fryth in het vaderland
den dood eens martelaars gestorven was (1534) ^). Bijkans
ieder schip, dat van de Schelde naar Engeland koers zette,
had de verbodene vrucht aan boord, en ginds ging het boek
I) De schildering van zijnen marteldood, te gelijk met eene afbeelding van
deze terdoodbrcnging, van de hand van een tijdgenoot afkomstig, vindt men
bij Foxe, V, 10; dezelfde biedt ons ook eene beschrijving en afbeelding van
den marteldood van Tyndale in Antwerpen (V, 127).
360
van hand tot hand, en verspreidde overal het heilige zaad,
dat volbrengt hetgene, waartoe het gezonden is. ^)
Zonderlinge, verwarde tijden waren, onder de regeering van
den gewelddadigen paus-koning, voor het land aangebroken.
Een worstelstrijd tusschen twee machten : aan den eenen kant
de Koning, die geen tegenspraak duldde, en die toch eene
scherpe tegenspraak in zijn eigen binnenste omdroeg, zoodat
hij meer dan eens voor zijne tegenpartij scheen te strijden;
aan den anderen kant het vermanende geweten des volks in
den morgenglans der Hervorming, maar nog ontbrak de tolk
en leider, die stoutmoedig en duidelijk en onbewimpeld, met
heiligen toom de zaak van het Evangelie bepleitte. Niet zelden
gebeurde het, dat op denzelfden brandstapel Evangelischen en
Katholieken, als martelaars hunner overtuiging, hun leven
moesten laten. ^) Na het overlijden van Wol se y had Tho-
mas Cranmer (die in zijne jeugd, evenals onze La ski,
een ijverig leerling van Faber Stapulensis en van Erasmus
geweest was) den belangrijksten invloed verkregen. Toen hij
nog slechts 43 jaren oud was, werd de hoogbegaafde humanist,
die bereids eene vrouw had genomen, — de nicht van den
Neurenbergschen hervormer Osiander, — aartsbisschop
van Canterbury; hij had de gunst des Konings mogen ver-
werven, doordien hij, reeds in 1528, in een schriftelijk
advies het huwelijk des Konings met zijne schoonzuster voor
nietig verklaard had. XTit dien hoofde tot de genoemde hooge
waardigheid verheven, werd Cranmer, ingevolge de akte
van suprematie, primaat van geheel Engeland; met zijne
overtuiging behoorde hij tot de Hervorming, maar het ontbrak
hem nog aan de doortastende kracht van dat geloof, hetwelk
alle dingen vermag. Zijn gelaat was naar de zijde der Her-
vormers gericht, maar zijn voeten waren nog als vastge-
worteld op het standpunt van Erasmus. Toch heeft de
1) Welk een gestreng toezicht men hield op het gevaarlijke boek, blijkt hieruit,
dat van den eersten druk van T y n d a 1 e's vertaling, die in 3000 exemplaren
het licht zag, tot dusver nog slechts één enkel exemplaar is ontdekt geworden.
(Verg. Hardwick (I), p. 196.)
S) Ranke (I), S. 164.
361
Engelsche kerk haar voortdurend bestaan wellicht slechts
daaraan te danken, dat juist zulk eene persoonlijkheid lange
jaren achtereen het roer in handen had ; in dien moeielijken,
onstuimigen tijd toonde hij zich een meester in de kunst
van te kruisen, te laveeren en daardoor het schip te be-
hoeden voor het gevaar van te stranden op de klip van zulk
eenen koning. Voor Cranmer was de overtuiging, dat de
Koning de stedehouder Gods en binnen de grenzen van zijn
rijk de plaatsbekleedcr van Christus was, een soort van
geloofsartikel. Menige bevreemdende handelwijze des mans
vertoont zich daardoor in een liefelijker licht aan ons oog,
want zij is niet het uitvloeisel van lafhartigheid, maar het
onverschrokken vasthouden aan zijne overtuiging, eene hou-
ding, die hem tot eer verstrekt, ook al kunnen wij de be-
doelde overtuiging zelve niet deelen. Zijnen koning zag hij
eene soortgelijke taak toegewezen, als tot welke voorheen
bij het volk Gods koning Josia geroepen was; hem bij deze
taak de behulpzame hand te bieden, achtte hij een heiligen
plicht. Niet zelden is ^t aan zijn schrander beleid gelukt,
om uit de verdrictelijke huwelijkszaken des Konings toch
nog profijt te trekken voor de Protestantsche kerk; onver-
moeid beijverde hij zich, om ook uit de eigenzinnigheid des
Konings voordcel en voor zijne godsdienstige overtuiging te
putten. Daar zijne natuur zeer tot bemiddeling geneigd was,
vermocht hij zich ook naar menige luim des Konings te schik-
ken; daardoor behoedde hij de zaak, welke hij voorstond,
in die ongunstige tijden voor eenen algeheelen ondergang.
Een gunstiger tijd brak aan bij den dood van Hendrik
VIII (in 1547). Veel langer zou ook Engeland zijn bewind
niet hebben kunnen verdragen ; nu moest het land beslissen,
of het aan het Protestantisme, dan wel aan het Katholi-
cisme zou toebehooren. De naaste erfgenaam van den troon
was, volgens de beschikking des Konings, zijn negenjarige
zoon, Eduard VI, wiens geboorte aan de jonge moeder,
Jane Seymour, de derde en meest geliefde gemalin des
Konings, het leven had gekost. Toen, onmiddellijk na het
overlijden des Konings, zijn testament geopend werd, bleek
362
het uit de keus van de 16 mannen, die tot op de meerderjarige
heid des Eonings den regeeringsraad moesten Tormen^ dat de
partij, die aan de Hervorming toegedaan was, het overwicht
had. Nog duidelijker trad dit aan het licht, toen deze mannen,
met bijkans algemeene stemmen, den oom des Konings, graaf
Hertford, — die reeds spoedig, ingevolge eenen wensch
des overleden konings, tot hertog van Somerset was verheven
geworden ^), — tot Lord-Protector des rijks verkozen. De
voornaamste macht berustte nu in de handen van twee man-
nen, die openlijk de zaak van het Protestantisme waren
toegedaan, en die krachtig en onbelemmerd genoeg waren,
om hunne overtuiging ook tegenover het protest der tegen-
partij door te zetten. Zij hadden eenen onbeperkten invloed
op den Koning, die, terwijl hij zijnen leeftijd ver vooruit was,
gewillig en met vreugde zulk eenen invloed volgde. Want
sedert zijn vroegste kindsheid was hij in deze denkbeelden
onderwezen, en zijne opvoeders behoorden tot diezelfde rich-
ting. Reeds bg zijne kroning wees de Primaat den knaap
op het voorbeeld van Josia: op diens voetspoor moest ook
hij in zijn rijk den beeldendienst uitroeien, en de ware ver-
eering van God invoeren. Cranmer zelf beschouwde het
als zijn heiligen plicht, om voor den minderjarige in dit
opzicht den weg te effenen.
Zonder uitstel begaf men zich aan het werk. De oud-ge-
loovige bisschoppen werden teruggedrongen en allengs ver-
wijderd ; frissche krachten traden in hunne plaats, deels zulke
mannen , die, wegens hunne Evangelische overtuiging, onder
den vorigen koning gevangenschap hadden ondergaan, deels
dezulke, die, ten einde haar te ontgaan, naar het vaste-
land gevlucht waren en als ballingen in Straatsburg, Zurich,
Gencve en elders een vriendelijk toevluchtsoord gevonden
hadden. Hunnen dank voor de genotene gastvrijheid, welke in
die dagen geenszins overal zoo gewillig en meedoogend ver-
leend werd, bewezen de terugkeerende vluchtelingen ddar-
door, dat zij aan de gevoelens, in welke zij zelven gedurende
1) Barnet, II, 9.
363
hunne verbanning waren versterkt geworden, in hun vader-
land de overwinning verschaften. De beelden, aan welke de
bggeloovige menigte als aan hoofdartikelen van haren gods-
dienst gehecht was, werden uit de kerken verwijderd, niet
zelden op de ruwe wijze der beeldstormers ^); de viering van
zielmissen werd , evenals de onthouding van den kelk aan de
gemeente, verboden, weldra ook reeds de leer van de Trans-
substantiatie verworpen, en het houden van eene algemeene
kerkvisitatie in den lande verordend. De uitslag dezer laatste
was, gelijk overal, ten hoogste droevig; zij deed zien, dat
het volk, met betrekking tot de dingen des geloofs, in eene
schrikbarende onw^etendheid verkeerde, alsook, dat de geeste-
lijken ongeschikt waren, om het Evangelie te verkondigen
en het licht van het Woord Gods in den duisteren nacht des
bijgeloof» te doen doordringen. De Aartsbisschop zorgde voor
de uitgave van eene verzameling van homiliën over de belang-
rijkste punten der leer ^), welke dienen moesten, om op de
dorpen in de openbare godsdienstoefeningen te worden voor-
gelezen ; buitendien werden de bekwaamste predikers aan de
kerk visitatoren ter beschikking gesteld, om op de meest ver-
schillende plaatsen te prediken. Dit waren slechts maatregelen
tot behulp ; om eene grondige verbetering tot stand te brengen,
moest men op meer radicale wijze te werk gaan. Het kwam
er op aan, reeds op de universiteit voor geschikte onder-
wijskrachten te zorgen, en bekwame predikers te vormen.
Engeland was nog niet in staat, om zelf deze krachten aan te
kweekeh ; op het vasteland was men bereid, daartoe de behulp-
zame hand te bieden. Reeds een paar maanden na de troons-
bestijging van Eduard zien wij uitstekende mannen, zooals
Petrus Martyr Vermigli^), Bernardino Ochino*)
en anderen in Engeland bezig, den eerstgenoemden met in Ox-
*) Verg. Fox e, V, 697 sq., op wien inzonderheid de voorstelling bij B u r-
n c t , Il , 17 sq. , berust.
*) Onder dit twaalftal homiliën, dat in 1547 het licht zag, zijn er drie van
de hand van Cranmer zelven. Verg. Hard wiek (1), p. 211.
3; Verg. S c h m i d t , S. 75 f.
*) Vtrg. Benrath, S. 209 f.
364
ford het Woord Gods op zijne heldere, diepzinnige wijze voor
de studenten te verklaren, den laatstgenoemden allereerst als
prediker voor de Italiaansche vluchtelingen te Londen, en
daarenboven ijverig werkzaam op letterkundig gebied in de
onmiddellijke omgeving van den Aartsbisschop.
Bij den gelukkigen voortgang van deze wezenlijke horvor-
mingen zagen de Lord-Protector en de Primaat het gebied
hunner wenschen en plannen zich gedurig verder uitbreiden.
Cranmer zag het oogenblik genaken, waarop de Hervorming
haren volkomen intocht in Engeland zou houden ; hij gevoelde
zich waarschijnlijk niet genoeg zeker van zich zelven, om de
vragen, die alsdan eene beslissing zouden vereischen, alléén,
of slechts in overleg met de met hem gelijk gezinde mede-
arbeiders in den lande te beantwoorden, en verlangde daarom
zeer naar den raad en de medehulp van de voornaamste Her-
vormers van het vasteland. De drukkende toestanden aldaar,
ingevolge den droevigen afloop van den Smalkaldischen oorlog,
gelijk niet minder ten gevolge van het Interim, kwamen den
Aartsbisschop voor, van dien aard te zijn, dat ze het ge-
lukken van zijn plan moesten bevorderen. Aan de uit huis
en hof verjaagden kon hij in het gastvrije Engeland een veilig
toevluchtsoord beloven. In alle richtingen hadden er uitnoo-
digingen plaats, om naar Engeland te komen. Op welk eene
hartelijk dringende wijze zulks geschiedde, blijkt ons, om niet
méér te noemen, uit eene plaats in een schrijven van Cran-
mer aan Buccr, gedagteekend van den 2^^^ Octoberl548:
„Intusschen moeten alle .degenen , die bij den heerschenden
storm (van het Interim) met hun schip de open zee niet be-
varen kunnen, beschutting in eene haven zoeken. Cit dien
hoofde, waarde Bucerus, zal ons rijk, in hetwelk, door de
genade Gods, het zaad der ware leer gelukkigerwijs reeds
aanvankelijk werd uitgestrooid, u tot eene volkomen veilige
haven verstrekken. Kom daarom tot ons over, en word met
ons een arbeider in des Heeren wijnberg alhier. Zoolang gij
onder ons vertoeft, zult gij tot geen minderen zegen zijn voor
de kerke Gods in haar geheel, dan wanneer gij op uwen tegen-
woordigen post blijft. Daarbij komt, dat gij nog beter in staat
365
zult zijn, uit de verte de wonden van uw ongelukkig vader-
land te heelen ^), dan gij zulks door uwe persoonlijke tegen-
woordigheid doen kunt. Stel dus alle aarzeling ter zijde, en
kom, zoo spoedig mogelijk, tot ons oVer/* *) Aangaande het
plan, dat Cranmer bij het uitnoodigen van deze uitste-
kende mannen beoogde, vernemen wij iets naders uit zijn
schrijven aan a Lasco, waarin hij o. a. zegt: ^Wij wen-
schen aan onze gemeenten de ware goddelijke leer te bieden,
en eenen waren, duidelijken, met het richtsnoer der H. Schrift
overeenkomstigen leervorm aan onze nakomelingen na te
laten, ten einde zoowel aan alle volken een roemrijk, door
het gewichtige aanzien van geleerde en vronie mannen ge-
staafd getuigenis van onze leer te bieden, als ook aan onze
nakomelingen eenen leerregel te schenken, dien zij kunnen
volgen. Om zulk een plan te volvoeren, achten wij de aan-
wezigheid van geloovige mannen noodzakelijk, die, door hun
oordeel met het onze te vereenigen, aan alle geschillen over
de leer een einde maken en een volledig systeem („integrum
corpus") der ware leer opstellen.^' **)
Bij de volvoering van zulk een veelomvattend, belangrijk
plan, achten wij het alleszins verklaarbaar, dat ook onze vriend,
en wel als één van de eersten, werd uitgenoodigd, om tot den
kring van deze „ronde tafel" toe te treden. Zijn naam had
eenen goeden klank. Binnen weinige jaren had hij in Oost-
Friesland een werk tot stand gebracht, dat in den breedsten
omtrek verbazing en bewondering wekte. *) Het waren vooral
twee mannen, die den primaat van Engeland op La ski op-
merkzaam maakten : Petrus M a r t y r, die onzen vriend in
Straatsburg had leeren kennen en hoogachten, en de lijfarts
des Koningö, Dr. Turner. Deze had, eenige jaren te voren,
1) Straatsburg was destijds nog weigerachtig, om zich aan het Interim te
onderwerpen. (B a u m , S. 542.)
ï) „Original", 1, 20.
•*i Zie het origineel bij Gabbema, p. 108; eene Engelsche vertaling is te
vinden in „Original", l, 17.
*j Welk een eervol getuigenis van zijne bekwaamheid voor dezen arbeid geeft
£ lu m i u ïi (p. 9:^5) bij div.c gelegenheid aan onzen La^^ki !
366
wegens zijn geloof Engeland moeten verlaten , en leefde ge-
durende dien tijd in Emden, alwaar hij op zeer vriendschap-
pelijken voet met a La se o omging. Door den Lord-Protector
in het vaderland teruggeroepen, nam hij hier ijverig deel aan
den voortgang der Hervorming, terwijl hij niet verzuimde^
bg herhaling op die belangrijke kracht in Oost-Friesland de
aandacht te vestigen. Reeds in het voorjaar van 1548 kwamen
de eerste aanzoeken uit Londen, die daarop in den zomer van
dat jaar herhaald werden, met de dringende bede gepaard, om
toch al het mogelijke te doen, ten einde ook Melanchthon
te bewegen, aan don arbeid deel te nemen. Aan schriftelijke
beden in Wittenberg heeft a La se o het niet laten ontbreken.
^Daar gij nu ziet, waarde Philippus, waartoe en waarheen
gij geroepen wordt, en tevens, met welk een verlangen gij
door allen, die u en den waren godsdienst liefhebben,
verwacht wordt, zoo weet ik inderdaad niet, met welk
een geweten gij deze roeping kunt afwijzen, voornamelijk,
als gij bedenkt, dat gij daar ginds thans volstrekt geen
zekere roeping hebt, die gij aan deze met recht zoudt kun-
nen tegenoverstellen. Als gij bij eene soortgelijke roeping
geen zwarigheid gemaakt hebt tegenover onzen hoogeerwaar-
den grijsaard , den bisschop van Keulen , zoo zal het u
waariyk nu, in eene zaak, die nog zooveel gewichtiger is,
allerminst geoorloofd zijn. Ik weet, hoe ongaarne de uwen u
derwaarts zullen zien gaan, en hoe ongaarne gij hen verlaat,
vooral in dezen tijd, maar ik vrees, dat niet allen daar ginds
in die mate naar u luisteren, als wij zulks zouden wenschen
te doen." ^)
Melanchthon ging echter niet. Moeielijke dagen toch
waren voor hem aangebroken. De landdag te Meiszen (1
Juli 1548) , op welken hij eene zoo grondige en scherpe
critiek van het Interim had geleverd '^), was door een paar
kort na elkander gehoudene samenkomsten gevolgd, welker
eindresultaat het Leipziger Interim was. Indien hij naar
t) Kayper, II, 619.
S) Verg. Melanchthon, VII, 13 sq.
367
Engeland gegaan ware, zijn naam zou niet met dit ,,lap-
werk" 1), om geen scherper uitdrukking te bezigen, verbonden
zijn. A L a s c o erkende de hooge beteekenis van de beroeping
naar Londen; de gronden, met welke hij Melanchthon
trachtte over te halen, waren voor hem zelven beslissend.
Het viel ook hem niet gemakkelijk, om juist nu, al was
het ook slechts voor een paar maanden, zijn Oost-Fries-
land te verlaten. Maar door dit zware ofFer heeft hij, met
zijnen ruimen, onbenevelden blik voor de kerk des Heeren
in haar geheel, eenen invloed op de ontwikkeling der En-
gelsche kerk verkregen, die tot op dezen oogenblik te be-
speuren is.
Cranmer en de Lord-Protector wenschten goeden raad
in te winnen; Wittenberg weigerde zijnen raad op dat beslis-
sende tijdstip. Verwonderen wij ons daarom niet, wanneer de
leer der Engelsche kerk eenen stempel verkregen heeft, die
niet uit de school van Lu the r herkomstig is. Zij zou dien
destijds nog hebben kunnen verkrijgen, of — gelijk we ons,
met het oog op voorbereidende stappen in het jaar 1538,
wellicht nauwkeuriger moeten uitdrukken, — hebben kunnen
vernieuwen en bewaren.
a) Eerste verblijf in Engeland.
Drie dagen, nadat de keizerlijke bode in Emden was aan-
gekomen, tegen het eind van Augustus 1548, verliet a Lasco
met toestemming van de Gravin, Oost-Friesland. Het was
cenc gevaarlijke reis, die hij ondernam; overal loerden kei-
zerlijke gerechtsdienaren op de voornaamste hoofden der
Protestanten; juist a Lasco zou hun eene welkome prooi
geweest zijn. Daarbij voerde hem zijn weg door het gebied
des vijand». Terwijl de Keizer zich met zijn hof reeds in
Brussel bevond, reed onze Pool, vermomd en onder eenen
vreemden naam, door Holland, Brabant en Vlaanderen. Nie-
mand herkende hem ; ongemoeid bereikte hij de zeestad Calais,
>) Schmidt (I), S. 508.
368
die destijds nog in het bezit was der Engelschen. Hier vond
men altoos gemakkelijk eene scheepsgelegenheid naar de
Engelsehe kust. In het begin van September kwam onze
vriend behouden te Londen aan.
Eenen belang wekkenden kring van gelijk gezinde mannen
van het vasteland, die zich bijkans van week tot week uit-
breidde, vond Laski bij zijne aankomst reeds aanwezig,
allen bezield door het ernstig verlangen, den Aartsbisschop
en de met hem gelijk denkende mannen van Engeland met
raad en daad bij het groote Hervormingswerk behulpzaam
te zijn. Reeds sedert bijkans een jaar was Petrus Martyr
met uitnemend gevolg in Oxford werkzaam; gelijktijdig met
hem was Ochino in Engeland aangekomen (20 Dec. 1547);
hij was tot Domheer van Canterbury benoemd geworden,
en vond overvloedigen arbeid onder zijne talrijke landslieden
die uit Italië herwaarts gevlucht waren.
Later vertoefden Bucer en zijn geestverwant Fagius
als gasten ten huize van Granmer, alwaar zij zich ijverig
bezig hielden met de H. Schrift uit den grondtekst in de La-
tijnsche taal over te zetten ^). Ook Francisco de Enzinas
(Dryander) had zich, op warme aanbeveling van Melanch-
thon, naar Engeland begeven, en spoedig werd de oude
innige vriendschap uit Leuven met a La se o vernieuwd ^).
Sedert een tiental jaren had de Evangelisch-gezinde Span-
jaard een onrustig leven moeten leiden; reeds had hij het
voornemen opgevat, om naar Turkije de wijk te nemen, in
de hoop van aldaar, op de eene of andere plaats, grootere
verdraagzaamheid te zullen vinden, dan in het uitgestrekte
gebied van het keizerlijke Spanje^). Kort voor zijn. vertrek
naar Engeland was hij te Bazel in den echt getreden met
Margareta Elter, — eene keuze, met welke Laski
hem hartelijk geluk wenscht. Nog twee gestalten van het
vasteland ontmoeten wij in Londen, wier leven van nu voor-
taan nauw verbonden blijft met het lot van Laski. Voor-
*) Verg. Cranmer, p. 423.
*) Kuyper, II, 619.
3) Bühiner, ], 151.
369
eerst Johannes Utenhoye ^), een ons reeds bekende naam,
afstammeling yan eene hoogaanzienlijke, oude familie in Gent,
een broeder van dien Earel, dien a Lasco ten huize van
Erasmus had leeren kennen en liefhebben, en die hem op
zijne reis naar Opper-Italië vergezeld had. ^) Reeds vroeg
was Johannes voor de zaak van het Evangelie gewonnen ge-
worden; dientengevolge zag hij zich het verblijf in zijn vader-
land ontzegd (sedert 1544) '). Op zijne vele omzwervingen
komt zijne slechts flauw omtrokkene gestalte nu eens in
Zwitserland, dan weder onder de Straatsburgers te voor-
schijn; van nu af aan echter zien wij hem als getrouwsten
metgezel in de omgeving van La ski. Ingevolge de warme
aanbeveling van den Gentenaar werd Valérand Poulain,
een edelman uit Rijssel^ die zich aan de Hervorming aange-
sloten en in de theologie gestudeerd had, naar Engeland be-
roepen. Gelijk Ochino onder zijne landslieden in Londen
als zielverzorger werkzaam geweest was, zóó arbeidde ook
Poulain op gelijke wijze onder de Franschen, die hun vader-
land, hetwelk zich van de Evangelische beweging zoozeer af-
keerig toonde, hadden vaarwelgezegd, om in het bereidwillig
ontsloten toevluchtsoord aan de Theems overeenkomstig hun
geloof te kunnen leven. Door hunne beide vrouwen waren
Enzinas en Poulain van nabij met elkander vermaag-
schapt geworden. ^) Dit zijn slechts de namen van de meest
uitstekende leden van den Evangelisch-gezinden kring, dien de
Engelsche aartsbisschop tot zich genoodigd had, eene schoone
staalkaart van namen uit schier alle landen der beschaafde
wereld, uit Duitschland, Polen, Spanje, Frankrijk, België en
1) Het is ons onbekend , of de wensch , die reeds vóór het vierde eener eeuw
door Kist werd uitgesproken („Kerkhistorisch Archief', H, 419), in vervulling
is gegaan, nl. dat toch van deze beide broeders eene uitvoerige levensbeschrijving
het licht mocht zien. Eene reeks van belangrijke brieven, zoowel vèn hen, als
aan hen, vindt men in het „Scrinium", IV, 429 sq., 662 sq. etc. [In 18SS
verscheen in het licht: „Jan Utenhove. Zijn leven en lijne werken."
Door Dr. F. Pijper. Te Leiden, by A. H. Adriani. (256 en XCIV bladiüden.)
V e r t.]
*) Verg. hierboven , blz. 142.
3) „Calendar. Domestic", p. 144.
«) Böhmer, I, 151.
DALTON. 24
370
Zwitserland. In de moedertaal der geleerden bezaten zg het
geschikte middel ter gedachtènwisseling , doch in het Evan-
gelie het schoone vaderland, dat hen elkander als broeders
en stamgenooten in het geloof deed erkennen.
Toen a Las co in Engeland aankwam, was Cranmer
juist uit Londen afwezig. Laski verbeidde hem in zijn kasteel,
in de eerste dagen nog eenigszins in het onzekere, wat hij
zich van de voornemens van den Primaat met betrekking tot
den wederopbouw der Kerk hier te lande beloven mocht.
„Maar 't is reeds iets groots/' — zóó schrijft hij aan Dry-
ander, — „in dezen tijd een toevluchtsoord te kunnen
hebben, waar wij voor ons en de onzen, met wie wij door
den band deszelfden Geestes in den Heer zijn verbonden, in
de belijdenis van ons geloof kunnen leven.'' ^) Een paar
dagen later keerde de primaat van Engeland van zijne reis
terug, en heette den neef van den voormaligen primaat van
Polen welkom in zijne gastvrije woning, in het kasteel
Lambeth. Laski bleef zijn gast gedurende de bijkans acht
maanden van zijn verblijf in Engeland, en weldra ontstond
er eene innige vriendschap tusschen deze beide mannen. Te-
rugziende op den tijd van hun samenwonen, betuigt Cran-
mer later aan Melanchthon, dat hij gedurende al deze
maanden met a Las co, dezen allervoortreifelijksten man,
op den vertrouwelijksten en vriendschappelijksten voet heeft
omgegaan. ^) De beide uitstekende mannen bezaten vele
innerlijke aanrakingspunten. Waren zij daardoor eenmaal met
vertrouwen tot elkander genaderd, dan kon het niet anders,
of Laski moest eenen bepaalden invloed op den Aarts-
bisschop uitoefenen. Cranmer was wel een tiental jaren
ouder (geb. in 1489); zijne positie in den staat en in de kerk
ging ook in belangrijkheid de meer bescheidene stelling van
den Hervormer in Oost-Friesland verre te boven. Maar
a Las co overtrof hem in sterkte en onwrikbaarheid van
karakter; hij was vastgeworteld in zijne Evangelische over-
») Kuy per, II, 619.
2) C r a II m e r , p. 425: „JohaDnea a Lasco, vir optimus, mecam hosce
aliquüt nienscs conjunctissime et amantissime vixit."
371
tuiging, die hij met het zware offer der verbanning uit zijn
vaderland zuiver bewaard en bezegeld had. Daar hij zich in
zijnen Heer tot vrijheid geroepen gevoelde, liet hij zich nim-
mer door overwegingen van menschelijken aard influenceeren.
Zonder menschenvrees , onbekommerd, immers in het vaste
vertrouwen op zijnen God, leefde hij met onwrikbaren moed
enkel voor zijne overtuiging, bezield door de vurige begeerte,
om haar, als in eenen heiligen dienst des Heeren, ook bij
anderen ingang te doen vinden. Hendrik VIII zou niet
lang geaarzeld hebben, op zulk eene gestalte den stempel
eens bloedgetuigen te drukken.
Dat men reeds na verloop van een paar maanden dezen
invloed, door Laski aanhoudend op den Primaat geoefend,
ook in breeder kringen bespeurde, daarvoor ontbreekt het
ons niet aan de noodige bewijsstukken. Een brief van eenen
Zwitser, Johan von Eschen (ab Ulnis) uit Engeland,
gedagteekend van den IS^en Aug. 1548, bericht, dat de
Aartsbisschop in zijnen ijver verflauwd is en de verwachtin-
gen der Protestanten veel minder hoog gespannen zijn, dan
vroeger. Als bewijs wordt de onder Cranmer's naam ver-
schenen vertaling van eenen Catechismus aangevoerd, in
welken, volgens den briefschrijver, nog zeer bedenkelijke
concessies aan de Roomsche kerk voorkomen ^). Euim vier
1) De titel ?an den bedoelden Catechismus luidt: „A short Instruction into
the Christian Keligion; for the syugular commoditie and profite of children and
young people. Set forth by the most Reverend Father in God, Thomas, Arch-
byshoppe of Canterbury." Tot mijn leedwezen was 't mij niet mogelijk, een
exemplaar van dezen Catechismus op te sporen; in de uitgave van Cranmer's
werken in twee Deelen door de „Parker Society" is hij niet opgenomen ; slechts
de brief is voorhanden, met welken de Aartsbisschop een exemplaar aan koning
Edaard zendt (Cranmer, p. 418). Eene korte opgave aldaar noemt den
Catech. van Jnstus Jonas als het origineel. Uit de aanduidingen van onzen
bovengen. briefschrijver en uit de onduidelijke uittreksels bg Bnrnet, 11,118,
is niet te bespeuren, in hoever Cranmer zich met eene eenvoudige overzetting
heeft vergenoegd, in hoever hij zelfstandig gearbeid heeft. (Verg. ook Hardwick
(I), p. 211.) Tn de bedoelde passage van dien brief luidt het haastige en
„absprechende" oordeel aldus: „I wonld have you know this for certain, that this
Thomas (C run nier) has fallen into so heavy a slumber, that we entertain
hut a vcry culd hope, that he will be aroused even by your moht learned let*
ter For he has lately published a Catechism, in which he has not only appro-
372
maanden later bericht dezelfde schrijyer op verheugden toon
aan zijnen correspondent, dat Engeland krachtige pogingen
in het werk stelt, om zich aan zwakheid en dwaling te ont-
worstelen. „ Ook Thomas Cranme r,'^ zóó gaat de schrg ver
voort, „heeft zich in aanmerkelijke mate van zijne gevaarlijke
lethargie hersteld, „by the goodness of God and the instru-
mentality of that most upright and judicious man, master
John a Lasco/' ^) De verandering, welke in Cranmer's
denkbeelden dezen winter (1548 — 49) plaats greep, viel ook
aan andere tijdgenooten in het oog. ^) Engelsche navorschers
zijn geneigd, dezen opmerkelijken ommekeer aan den invloed
van den toenmaligen bisschop van Rochester, Dr. Ridley,
toe te schrijven. Het zij verre van ons, ook op dit punt de
hooge verdienste van dezen uitstekenden leider der Hervor-
ming in Engeland te willen verkleinen ; maar zoolang er niet
voldingende bewijzen voor de genoemde meening worden bg-
ved that foul and aacrilegioas transsabstantiation of the papiste in the holy
Bupper of our Sa?iour, but all the dreams of Luther seem to him sufficiently
well grounded, perspicuoas and lucid." („Original/' p. 818.) Steven Gardiner,
bisschop van Winchester, de heftige tegenstander van Cranmer, beroept zich,
in zijn werk: „An explication and assertion of the true Catholic faith touching
the most blessed sacrament of the altar," herhaaldelijk op dezen Catech. van
Cranmer, en deze laatste moot in zijne beantwoording zijne toevlucht nemen
tot de bewering, dat de aangevoerde plaats in geestelijken zin moet worden
verstaan (zie b.v., in Cranmer's „Answer to a crafty and sophistical cavilla-
tion," p. 227 en elders). — Reeds in 1525 werd aan Justus Jonas en Agricola
door Luther opgedragen, om eenen catechismus op te stellen. Hun arbeid schijnt
Luther niet bevredigd te hebben (Preasel, S. 129, en Zezschwitz, 11,
820); want hij verhinderde hem niet, spoedig daarop zijn eigen classicke werk
van den Kleinen Catech. te vervaardigen. Of deze Catech. van Jonas, uit het
jaar 1525, dezelfde is, als de z.g. Brandenburg-Neurenbergsche, dien Jonas in
1589 in het Latijn vertaalde, weet ik niet; slechts dit is zeker, dat Cranmer
deze Latijnsche overzetting aan zijnen arbeid tot grondslag legde. Het zou on-
getwijfeld interessant zijn om te weten, wat den Aartsbisschop bewogen heeft,
juist aan dezen Catech. ingang in Engeland te verschaffen. Volgens de uiteen-
zettingen van Kawerau (S. 41, 70) is het werk Van Jonas en Agricola in het
geheel niet in druk verschenen; in 1527 heeft Agricola vervolgens, gedurende
zijn verblijf te Eisleben, een soort van catechismus uitgegeven: „Eine Christ-
liche kindcr zucht yun Gottes wort und lere. Aus der Schulezu Eisleben, 1527."
1) „Original," p. 888.
a) Verg. Hard wiek (I), p. 215.
373
gebracht^ is het toch verreweg 't waarschijnlijkste, dat in
dit opzicht het meeste te danken is aan den invloed, die
door a Lasco op den primaat des rijks werd uitgeoefend.
Waarom moet de bisschop van Rochester zoodanigen invloed
juist in die maanden hebben uitgeoefend > in welke La ski,
als gast van den Aartsbisschop op het kasteel Lambeth ge-
huisvest, dagelijks op den meest vriendschappelijken voet met
zijnen gastheer verkeerde? *) Voor niet weinige hedendaag-
sche Engelschen is wellicht de werkzaamheid van den vreem-
deling en hare beteekenis voor de wording van hunne vader-
landsche kerk cenigszins pijnlijk, en vandaar dan de wensch,
om die tot de bescheidenste afmetingen terug te brengen ; in
die groote dagen der Hervorming echter trok men nog niet
die enge nationale grenzen ook op het gebied der Kerk. De
herleving der wetenschappen, de humaniteitsstudic had juist
den blik verruimd, en voor de geleerden een gemeenschap-
pelijk geestelijk vaderland ontsloten; de grenzen van dit
vaderlaudsche gebied werden verder uitgebreid en bevestigd
door de Hervorming, die eenen band van innige broeder-
schap om de meest verschillende volken strengelde.
De winter, dien a Lasco op het kasteel Lambeth en in
het middelpunt der geestelijke beweging doorbracht, was voor
den voortgang der Hervorming in Engeland van hooge be-
teekenis. Reeds in de laatstvoorgaande lente was er eeno
levendige beweging met betrekking tot het Avondmaal ont-
staan. ^) Niet lang vóór de aankomst van L a s k i had C a 1-
V ij n zich een paar malen achtereen schriftelijk tot den Lord-
Protector, den hertog van Somerset, gewend, ten einde hem
tot eene hervorming van do Anglikaansche kerk aan te sporen.
Kort te voren had hij hem zijnen Commentaar op do Brieven aan
1) Ook uit het buitenland kwamen brieven, die den aarzelendcn aartsbisschop
tot grooteren ijver aanspoorden. Ik ben geneigd, den ongedagteekenden brief van
Calvijn („Op.", XXIII, 682) aan Cranmer in dezen tijd te plaatsen; do
aldaar genoemde 3 jaren behoeven niet noodzakelijk tot het aanvaarden der
regeering door Eduard VI bepaald te worden, en laten het jaar 1545 als tijd-
stip „a quo" toe. (Verg. Fr oud e, IV, 196 sq.)
») Kuyper, II, 616.
374
Timotheüs opgedragen. ^) In November kwam het Parlement
te zamen. Cranmer kon daaraan een gebedenboek ter be-
oordeeling voorleggen, hetwelk dienen moest, om het gebruik
van de Latijnsche gebeden in de Engelsche kerk af te schaf-
fen en tevens de kerkleer vast te stellen. Merkwaardige
Parlementsvergaderingen ! „Het Parlement beraadslaagde over
het geloof van Engeland, en leeken beslisten over de leerstel-
lingen, welke de geestelijkheid voortaan zou hebben te ver-
kondigen.'* ^) Het werk was de vrucht van langdurige en ern-
stige beraadslagingen. Reeds geruimen tijd te voren was eene
Commissie van 16 bisschoppen, met de beide aartsbisschop-
pen van Canterbury en York aan haar hoofd en door een
zestal leeken ondersteund, bijeengekomen, ten einde de ver-
schillende kerkelijke liturgieën in den lande aan een onderzoek
te onderwerpen, en uit haar eene geschikte nieuwe liturgie
samen te stellen. ^) De zittingen werden te Windsor gehou-
den. *) De vreemde godgeleerden namen aan deze belangrijke
werkzaamheden niet rechtstreeks deel ; tot ons leedwezen is ons
geen enkel document onder de oogen gekomen, uit hetwelk
wij zouden kunnen opmaken, of, en in hoever onze vriend
zijdelings aan deze voorafgaande l^eraadslagingen heeft deel-
genomen. Uit een vluchtig brieQe aan Calvijn kunnen wij
enkel afleiden, dat Laski in gezelschap van Cranmer ook
in Windsor geweest is, alhoewel door eene zware krankheid
aldaar aan het ziekbed gekluisterd. ^)
Terwgl hij aldus voortdurend in de onmiddellijke omgeving
van den Aartsbisschop verkeerde, zag onze Laski zich over-
vloedig in de gelegenheid gesteld, om met de uitstekendste
mannen der Evangelische partij nader in kennis te komen en
1) Calvin, XIII, 18.
2) F rond e, IV, 882. Do oudste titel van dit „CommoD prayer book"
laidt: „The booke of the common prajer and administmcion of the sacramen-
tes and other rites and ceremonies of the Charche: after the use of the Churehe
of England. Londini in ofiicina Edouardi Whitcharche. Cum pri?ilegio ad im-
primendum solam. Anno dom. 1549, Mense Maji." (Verg. „Two litargies," p. 10 sq.)
3) Verg. Burnet, II, 98 sq., en IV, 272 sq.
«) Ihid., II, 204.
5) Kuyper, II, 620.
375
vriendschapsbetrekkingen met hen aan te knoopen. Met onbe-
grensde hoogachting en oprechte waardeering bejegende men
den man> van wien het bekend was, dat hij in zijn vader-
land, om den wille van het Evangelie, de hoogste bedieningen
in de Kerk had nedergelegd, en wiens schitterende arbeid
in Oost-Friesland algemeen bekend was. Toen de beroemde
Hugh Latimer, den 228*8» Maart 1549, zijne derde predikatie
voor den jeugdigen koning hield, maakte hij in zijne rede ook
melding van Laski: „.... een groot, geleerd man, die^ naar
men zegt, in zijn vaderland tot den adelstand behoort, deze
bevond zich hier, en is weder naar elders getogen. Het was
te wenschen, dat er zulke mannen, als hij, in ons land waren ;
het land zou bloeien, indien het de zoodanigen duurzaam aan
zich wist te verbinden. „Die u ontvangt, ontvangt Mij," zóó
zegt Christus, en hoezeer zou het den Koning tot eere ver-
strekken, zulke mannen te ontvangen en te beschermen." *)
Een paar namen van personen, aan wie Laski na zijn terug-
keer naar Emden zijne groeten zendt, maken ons ecnigszins met
den kring zijner Engelsche vrienden bekend. Het bedoelde
schrijven is gericht aan William Cecil, die, nog pas 27 jaar
oud, particulier geheimschrijver van den Lord-Protector werd.
Het schijnt, dat Laski veel en vertrouwelijk met hem heeft
omgegaan: zijne onderhandelingen met den hertog van Sonierset
in zake den vorstenbond voerde hij door bemiddeling van
Cranmer en van Cecil. ^) Den laatstgenoemden verzoekt
hij , ook zijne vrouw van zijnen twege te groeten. De jonge
Cecil was reeds voor do tweede maal gehuwd, en wel met
Mildred, de oudste dochter van Sir Anthony Cook. ^) Ten
huize van Cecil had Laski ook kennis gemaakt met Sir
John Cheke, den broeder van Cecil's eerste vrouw. Cook
en Cheke waren de beide opvoeders van den Koning, en
aan de zaak der Hervorming met hart en ziel toegedaan. *)
*) „Sermons," p. 141.
») Kayper, II, 621.
3) Froude, IV, 844.
^) Interessante brieven van deze beiden, alhoewel uit latere jaren, vindt men
in „Original," p. 139—147.
376
Tot den kring van Laski's vrienden behoorde voorts nog
Sir Mo ris on, die juist omstreeks dien tijd één van de zes
koninklijke visitatoren was, die het gesprek over het Avond-
maal, hetwelk te Oxford tusschen Petrus Martyren
Tresham zou gehouden worden, hadden bij te wonen (28 Mei
1549). ^) Ook verkeerde La ski veel 'met den beroemden
Dr. William Turner, die hem reeds in Emden had loe-
ren hoogachten, en die inzonderheid had medegewerkt, om
hem naar Engeland te doen beroepen.
Het verlof, hetwelk aan a Lasco was toegestaan, was
in het voorjaar van 1549 verstreken. Cranmer en met hem
de uitgebreide kring van vrienden, die Laski in Engeland
verworven had, drong er bij hem op aan, dat hij zou blijven,
en de rustige haven, in welke hij zich zulk een ruim veld van
werkzaamheid zag ontsloten, niet weder met don storm daar-
buiten op de hooge, onstuimige zee zoude verwisselen. Maar
onze vriend kende geeno vrees voor gevaar; hij rekende het
zijnen plicht, om ten einde toe te volharden op den post,
op welken hij gevoelde, dat hij door zijnen Heer geplaatst
was. Engeland echter had ook z ij n hart reeds gewonnen ; in
het gesprek met vrienden was menigmaal de gedachte bij
hem opgekomen, dat, indien hij soms in Oost-Friesland
voor het geweld moest wijken en het verblijf in Polen hem
nog ontzegd bleef, alsdan Engeland wellicht het uitverkoren
toevluchtsoord van den tweevoudig verbannene zijn zou. Maar
thans gevoelde hij in zich eenen sterken drang, om weder
te keeren tot de gemeente, die aan zijne leiding was toe-
vertrouwd. De ure der beslissing genaakte; zij moest hem,
wèl toegerust, op het slagveld aanwezig vinden.
Omstreeks het midden van Maart vertrok a Lasco uit
Londen. Na eene uiterst voorspoedige zeereis, liep het schip
reeds den derden dag, nadat het de Engelsche kust ver-
laten had, behouden de Eems op. Mede aan boord bevond
zich graaf Mansfeld, die de onderhandelingen over het toe-
treden van Engeland tot den vorstenbond met den Lord-
1) Schmidt, S. 92, en Foxe, VI, 298 sq.
377
Protector gevoerd had. Waarschijnlijk om zijnentwil had de
Protector als scheepskapitein eenen zeer bekwamen en be-
proefden man medegegeven , die den Graaf yervolgens nog
van Emden naar Bremen begeleidde. ^)
b) Tweede verblijf in Engeland.
Den 13de»» Mei 1550 keerde onze vriend weder in Londen
terug, iets langer dan een jaar, nadat hij de stad verlaten
had. ^) De overtocht was niet zóó voorspoedig, als de terugreis
naar Emden in het vorige jaar. Driemaal was het schip uit
Hamburg uitgeloopen, en driemaal moest het weder, nauwelijks
in de volle zee gekomen, wegens vreeselij ke stormen zich naar
de veilige haven terugspoeden. Daarbij kwam, dat de oude
koorts Laski weder duchtig kwelde, zoodat hij zich had ge-
dwongen gezien, zich een paar weken in Hamburg op te houden.
Deze tegenspoed was nu echter spoedig vergeten; metopene
armen werd de met ongeduld verbeide hervormer ontvangen.
„Zijne aankomst verschafte aan alle godvruchtige menschen
eenc groote vreugde," zóó lezen wij in eenen brief uit die
dagen. ^) Voorloopig, voor de eerste 6 è. 8 weken, nam hij
weder zijnen intrek in het gastvrije kasteel Lambeth, bij
zijnen vriend, den aartsbisschop van Canterbury.
I. VESTIGING IN LONDEN, EN WERKZAAMHEID OP
KERKELIJK GEBIED ALDAAR.
Het kwam er op aan, eene geregelde werkzaamheid te
bedenken voor de jaren, die a Lasco, naar het zich liet
aanzien, in Londen zou doorbrengen. Het eerste voornemen
was, de talrijke Duitsche protestanten tot eene gemeente te
verzamelen, en hun het Woord Gods te verkondigen. De
Duitsche kooplieden bezaten sinds eeuwen in hun prachtige
staalhof aan de Theems , een weinig stroomopwaarts van de
1) Kuyper, II, 621.
>) „Original," p. B60.
3) Ibid., p. 160.
378
London-Bridge, hunne trotsche factorij. De belangrijke privi-
legiën, door welke deze Hanzeaten, gedurende vele decenniën^
zich bijkans in het uitsluitend bezit van den geheelen handel
gesteld zagen, waren juist omstreeks dezen tijd aanmerkelgk
besnoeid geworden ; maar desniettemin vormde hun gild nog
eene aanzienlijke^ belangrijke corporatie. Niet weinigen onder
deze kooplieden huldigden het Protestantisme ; reeds omstreeks
het jaar twintig dier eeuw kon men in het staalhof de ge-
schriften van Luther aantreffen, en honderden exemplaren
van den Bijbel van Tyndale werden, in weerwil van het*
verbod, door middel van deze Duitsche factorij in Engeland
ingevoerd. Daarbij kwam thans eene groote menigte van
Duitsche vluchtelingen. In het Engelsche leger telde men
meer dan drieduizend Duitsche lansknechten, voor het mee-
rendeel Protestanten > die, ingevolge den treurigen afloop
van den Smalkaldischen oorlog, naar Engeland gevlucht
waren, en aldaar, veelal door den nood gedrongen, zich in
den krijgsdienst begeven hadden. ^) Ook uit de Nederlanden
waren niet weinigen herwaarts gekomen, voorts Walen en
Franschen, om onder de bescherming van Eduard rustig
volgens hun felbestreden geloof te kunnen leven. ^) Wij heb-
ben reeds gezien, dat Poulain zijne Fransche> Och in o
zijne Italiaansche landslieden en geloofsgenooten^ sedert 1548,
in particuliere woningen tot het houden van gemeenschappe-
lijke godsdienstoefeningen verzamelden en als zielverzorgers
onder hen arbeidden ; de Hanzeaten in het staalhof behoorden
tot het kerspel der nabijgelegene Allerheiligen-kerk, het oude
1) Burnet, II, 133.
>) Met betrekking tot het cijfer der Frotestantsche vlacbtelingen is mij uit
dien tgd geen enkele tabel onder de oogen gekomen; de vroegste, welke mij
bekend is geworden, is die, welke in 1567 door den bisschop van Londen ver-
vaardigd is, en die wellicht met het cjjfer vóór de vervolging onder de bloedige
Maria eenigszins overeenstemt. De opgave van den Bisschop aangaande de vreem-
delingen, die zich in Londen gevestigd hadden, luidt als volgt: „Venetians 10,
[Italians 128], Frenche 512, Dnche (onder welken ook de D ai tschers begrepen
z\jn) 2903, Portingalls 23, Skottes 36, Blackmores (Negers) 2, Spaniards 34
[I. 54], Gretians 2, making 8760 to be the sum total of all the strangers
aforesaid." Daarbij komen dan nog 1091 in de voorsteden van Londen, derhalve
in het geheel een getal van 4851. (Burn, p. 6.)
379
kerkgebouw der zeelieden, alwaar zij in de Katholieke tgden
hun eigen altaar hadden, en waar zij vervolgens ook bleven,
toen zij en de Eork hun hart en deur voor de Protestantsche
leer oitfsloten. ^) De Nederlanders en Noord-Duitschers, voor
zoover zij niet tot het staalhof behoorden, waren in geestelijk
opzicht nog onverzorgd. In dien toestand mochten zij niet
langer blijven, indien zij althans niet de prooi zouden worden
van de ijverige sektarissen, die mede in groeten getale naar
Engeland waren overgekomen. Sektarissen toch van allerlei
soort zwierven reeds door de straten van Londen, voor een
deel oude bekenden, Wederdoopers , verstrooide aanhangers
van David Joris ^), ja, zelfs reeds Antitrinitariërs. ^)
Tegen den invloed van deze sektarissen wilde La ski de
Duitschers en Nederlanders daardoor beschermen, dat hij hen
tot eene kerkelijke gemeente vereenigde. Zgn voornemen vond
in hoogere kringen bijval. Cranmer en de zijnen zagen het
dagelijks klimmend getal der vreemde Protestanten, en be-
seften het gevaar, dat de Evangelische landskerk bedreigde,
wanneer de bedrijvige, onrustige sektarissen, na korter of
langer tijd, ingang zouden vinden bij hunne landslieden,
die nog niet vastgeworteld waren in de Evangelische leer.
De Hervormer van Oost-Friesland was, naar hunne mee-
ning, de meest geschikte persoonlijkheid, om dit gevaar
te voorkomen. Bijgevolg werd reeds na weinige weken het
oorspronkelijke plan van La ski door de Engelsche macht-
hebbers in zooverre uitgebreid, dat men alle uitheemsche
Protestanten tot een kerkelijk organisme zou vereenigen, en
1) P a u 1 i , S. 166.
2) Verg. dienaangaaDdc de interessante uiteenzettingen bij Barclay p. 25 sq.
^) Het is wel opmerkelijk, dat de Katholieken dest^ds reeds een soortgelgk
plan op het oog hadden, als dat, hetwelk na vóór [ruim] een tiental jaren in
ï'rankrijk door enkele Chauvinisten geopperd werd, om nl. door besmette kleederen
cene epidemie in het Duitsche leger te doen ontstaan, en op die wijze eenen
vijand te overweldigen , dien men zich niet bij machte gevoelde in een open
veldslag te overwinnen. De Katholieke bisschop Gardiner ontving, den ISden
Mei 1549, een schrijven uit Delft, „acquainting him that in consequence of
the projeoted organisation of the Reformers, it became necessary to introducé
divisions among them, and that this would be best effected by preaching up
the Anabaptibts doctrines." (H a r d w i c k, p. 88.)
380
dat de alleszins ervaren superintendent van Oost-Friesland
zou worden aangesteld tot Superintendent van deze kerkelgke
gemeenschap der vreemde Protestanten in Londen. Voor dit
voorstel, hetwelk ook aan de Engelsche protestanten ten goede
zou komen, viel het den Primaat en den koninklijken raad
niet moeielijk, de bekrachtiging des Konings te verkrijgen. *)
Den é'len Juli 1550 werd het bevelschrift des Konings uit-
gevaardigd, door hetwelk de Duitschers („Germani'*) en
andere vreemdelingen als eene Evangelische gemeente erkend
werden. Zij kregen eene kerk in eigendom, terwijl één su-
perintendent en vooreerst vier leeraren aan het hoofd stonden
der gemeente, die met betrekking tot hare kerkelijke aange-
legenheden de grootste zelfstandigheid erlangde, en op gee-
nerlei wijze een deel uitmaakte van de landskerk. ^) Daarmede
nog niet voldaan, verzekerde de jonge koning uit zijne bijzon-
1) Hoe vooral de gedachte aan den invloed der sektarissen bjj den Koning
den doorslag gaf, doet a Lasco, in een schrijven aan Edaard VI, duidelijk uit-
komen (Kujper, II, 289). De Koning zelf noteert reeds den 298ten Juni in
Eijn dagboek : „It was appointed, that the Germans should have the Austin-
Friars for their Churche to have their Service in, for avoiding of all Sects of
Anabaptists and such-like." (Burnet, IV, 210.)
^) Het charter vindt men afgedrukt bg a Lasco, aan het eind zijner „Forma
ac ratio'' (z. Kuyper, II, 279), en bij verschillende schrijvers van vroeger
en later tijd (verg. ook Burnet, IV , 808). A Lasco wordt in de akte nader
beschreven als „homo propter integritatem et innocentiam vitae ac morum et
singularem traditionem valde celebris." Een paar merkwaardige plaatsen uit de
gewichtige oorkonde laat ik hier nog volgen: „Quod idem superin tendens et
ministri in re et nomine sint et erunt unum corpus corporatum et politicum
de se per nomen „Superintendentis et ministrorum Ecclesiae Germanorum et
aliorum peregrinorum, ex fundatione Regis Eduardi Sexti in civitate London,"
per praesentes incorporamus, ac corpus corporatum et politicum per idem no-
men realiter et ad plenum creamus, erigimns, ordinamus, facimus et consti-
tuimns per praesentes et quae successionem habeant.... Dedimns totnm illnd
templum habendum et gaudendum, tcnendum de nobis, haeredibns et succes-
soribus nostris in puram et liberam eleemosynam .... Damus et concedimus
praefatis ministris et successoribus suis plenam facultatem, potestatem et auc-
turitatem ampliandi et majorem faciendi numerum ministrorum et nominandi
et appunctuandi de tempore in tempus tales et hujusmodi subministros ad ser-
viendum in templo praedicto, quales praefatis Superintendent! et ministris
necessariqm visum fuerit. Et quidem haec omnia juxta beneplacitum Regium."
Etc. etc.
381
dere kas aan onzen onbemiddelden vriend een jaargeld van
100 pond. ^) Of deze niet onbelangrijke som aan den door den
Koning hooggeachten Pool persoonlijk, dan wel aan de ge-
heele, onder zijn opzicht staande kerk ten goede kwam, is
nit de genoemde plaats niet met zekerheid op te maken.
De bovengenoemde rijke, koninklijke gave van een eigen,
aanzienigk stuk gronds was het Augustijnerklooster („Austin
Friar"), tegenwoordig in de voordeeligste handelswijk, in het
midden der City, niet ver van de Cornhill- en Bishopsgate-
straat gelegen, met de schoone kloosterkerk, destijds de Jezus-
tempel geheeten. ^) Het klooster was, omstreeks het midden
van de 1 S^^ eeuw, door Humphrey Bohun, „Earl of Here-
ford and Essex", gesticht, en bleef onder de bescherming
van deze oude familie, totdat Hendrik VIII ook dit rijk-
geworden klooster ophief, en zijne goederen in beslag nam.
Het prachtige kerkgebouw bleef niet geheel ongebruikt ; reeds
vóór de schenking schijnen de in Londen woonachtige Hol-
landers hier hunne eerste godsdienstoefeningen gehouden te
hebben. •**) Reeds na verloop van een paar maanden (16 Oct.
1550) verkregen de Walen, ten einde meer onbelemmerd
hunne godsdienstoefeningen op de voor hen gelegene tijden
te kunnen houden, in de dichte nabijheid, in de Thread-
needle-straat, eene eigene kerk, die tot het Antonius-gasthuis
behoorde. ^ ) Slechts een paar malen in het jaar hielden de
Walen, om daardoor openlijk te betuigen, dat zij tot de moe-
derkerk bleven behooren, godsdienstoefening in de Jezuskerk ;
daarentegen bestreed „Austin Friar", uit zijne ook reeds
destijds niet onaanzienlijke inkomsten, de helft van de uit-
gaven der Willen voor hunne kerk. Omstreeks denzelfden
tijd ook vereenigdcn zich de Italiaansche protestantsche vluch-
telingen tot eene kleine gemeente, insgelijks onder het super-
intendcntsehap van Laski. -*) Voor hunne godsdienstoefenin-
1) Verg. den uu voor H eerüt in het licht gegeven, zeer omstandigen brief
van Utenhove aan Calvijn, dd. 23 Aug. 1550. (Calvijn, XTII, 620).
ï) Bu rn, p. 18G.
3) Male olm, II, 346.
*) B u rn , p. 2-1.
5) Kuyp er, II, 645.
382
gea bedienden zij zich van de Jezoskerk; hun eerste prediker
was Michaêl Angelo Florio.
Zoo had dan a Lasco, na nauwelijks een vierendeel jaars,
in Londen weder eene betrekking gevonden, die geheel in
overeenstemming was met zijne bijzondere begaafdheid, en
die hem eene gunstige gelegenheid bood, om deze zijne gaven
in eene nieuwe en — gelijk wij zien zullen, — belangrijke
richting te ontplooien. Hij verliet nu het kasteel van den
Aartsbisschop, waar hg tot dusver zulk eene vriendelijke
gastvrgheid genoten had , ten einde dichter bg de plaats zijner
werkzaamheid, en bovendien ook weder aan zgn eigen huise-
lijken haard te zijn. Het verschil, wat de woning betreft,
was wel zeer groot. Het prachtige kasteel Lambeth lag op
aanmerkelijken afstand vóór de stad, hooger op aan de Theems,
te midden van een schoon, gezond park, ver van het rumoer
en den nevel der enge straten. Juist in een bgzonder smal,
druk straatje had onze vriend eene eenvoudige woning ge-
huurd, nl. in Bow Lane, een zijstraatje, dat van de Cannon-
strtutt naar Cheapside voert. In AustinFriarschgnthij geene
pastorie gevonden te hebben. Bow Lane vormde destijds vrij
wel hot middelpunt van Londen. De woning van den Super-
intendent was stellig een goed kwartier gaans van zijne kerk
verwijderd.
Voor een oogenblik willen wij onzen vriend aan zijn eigen
huiselijken haard in Bow Lane een bezoek brengen. Daar
voert reeds de bekwame huisvrouw het bestuur, omringd
door do blijde kinderschaar, die waarschijnlijk spoediger,
dan de burgerdochter uit Leuven, zich aan de nieuwe, vreemde
toestanden zal hebben gewend. Zoodra slechts Laski een
oenigszins vasten bodem onder zijne voeten had, liet bij zijne
familie, van welke hij sedert maanden gescheiden was, naar
Londen overkomen, en te gelijk met haar zijne aanzienlijke
boekerij, wel een bewijs, dat hij op een langdurig verblijf
in Engeland rekende. Met de vrienden in Duitschiand werd
eene levendige briefwisseling onderhouden, die zelfs, wat
Bremen betreft , vanwege de zoo gunstige schoepsgelegenheid,
383
den vorm van een ruilhandel aannam. Har de nb erg zendt
linnengoed en meel, La ski daarentegen geheele stukken
van het reeds te dier tijde hooggewaardeerde Engelsche laken. ^)
Uit laatstgenoemde toezending ontstond voor onzen vriend
eene zeer verdrietige rechtzaak. Eene voor onze heden-
daagsche begrippen ietwat bevreemdende wet, die twintig
jaar te voren was uitgevaardigd, verbood den verkoop van
zulk laken aan vreemden; de verbodene waar werd in het
tolhuis aan de Theems ontdekt en als smokkelwaar aange-
houden, tot niet geringe ergernis der kooplieden, die even
min iets wisten van den inhoud der kisten, als onze argelooze
theoloog en vreemdeling van die oude wet.
Niet lang zou a Las co zich hier in een ongestoord hui-
selijk geluk mogen verblijden. In de heete, benauwde zomer-
dagen van 1551 woedde in Londen voor de laatste maal ^) de
vreeselijke ziekte, bekend onder den naam van „het Engelsche
zweet.'' Koning Eduard vermeldt dienaangaande in zijn dag-
boek, dat op den 10^^° Juli 100 menschen aan de genoemde
ziekte stierven, den volgenden dag zelfs reeds 120, en dat hij
om die reden zich uit Londen naar Hampton Court begeven
had. ^) Ook in het huisgezin van onzen vriend brak die ver-
schrikkelijke ziekte uit. Allereerst werd zijne vrouw door
haar aangetast; reeds des anderen daags, ten gevolge van
hare verpleging. La ski zelf, en wel zoo hevig, „dat wij
allen aan zijn leven wanhoopten. Maar hij is weder van zijn
ziekbed opgericht; want de Heer heeft zich onzer ontfermd.
Ware hij ons ontnomen geworden, zoo was er alleszins grond
om te duchten, dat de gemeente der vreemdelingen met zijn
overlijden zou zijn te gronde gegaan." *) Ook de Primaat
«) ïbid., II, 652, 664.
*) Northouck, p. 125.
3) Barnet, IV, 218: „At this time came the Sweat into London, which
was more vehement than the Old Sweat; for if ODe took cold, he died within
three hours and if he escaped, it held him bat nine hours or ten at the most ;
also if he slept the first six hours, as he should be very desirous to do, then
he roved and should die roving."
^) Züó bericht Martin us Micronius — de getroawe „Achates," gelijk hij her-
haaldelijk genoemd wordt, — aan Bullinger („Original," p. 576).
384
was bevreesd voor het leven van zgnen vriend; zijn verlies
zou voor hem in die dagen, met het oog op de snelle ont-
wikkeling van de kerkelijke aangelegenheden van Engeland,
een zware, bijkans onherstelbare slag geweest zijn. Op de
meest voorkomende, beminnelijkste wijze noodigde hij den
weder herstellenden, zoo onontbeerlijken medearbeider met
zijne geheele familie op zijn schoon gelegen aartsbisschoppe-
lijk landgoed Croydon , om aldaar , verre van de enge, geïn-
fecteerde straten van Londen, in het prachtig aangelegde
park geheel op hun verhaal te komen. In weerwil van de
zuivere, gezonde lucht, werd Laski's echtgenoote op het kas-
teel bij vernieuwing door de boosaardige ziekte aangetast;
zij genas, wel is waar, wederom, maar ten gevolge van
de doorgestane krankheid bleef zij in eenen koortsachtigen
toestand verkeeren, die allengs in uittering overging. Sedert
kwam zij er niet meer bovenop; in Augustus 1552 bezweek
zij onder haar langdurig lijden, hetwelk zg met vroom ge-
duld had gedragen. ^) De dood zijner levensgezellin sloeg onzen
vriend eene diepe wonde. Hij zelf in eenen zeer lijdenden
toestand , daarbij vier kinderen , die allen nog eene opvoe-
ding en moederlijke, zorgvuldige verpleging van noode hadden,
terwijl hun vader, in zijn gewichtig, moeielijk ambt bijkans
dag en nacht werkzaam , geheel onbedreven was in huishou-
delijke aangelegenheden, voor welk soort van zaken hg trou-
wens ook volstrekt geen liefhebberij had : genoeg, wij kunnen
het begrijpen^ wanneer hij tegenover zijnen vriend Bullinger
ook niet eenmaal eene poging doet, om zgne zware huiselijke
zorgen te schetsen, maar kunnen het ook verstaan, dat hg,
eenige maanden later, eene nieuwe levensgezellin in zijne wo-
ning binnenleidt. „Nooit zou ik, met mijne zwakke gezondheid,
tegelijkertijd aan de eischen mijner huishouding en aan die van
mijn ambt behoorlijk hebben kunnen voldoen. Maar gelijker-
wijs God mij door den dood mijner eerste vrouw heeft willen
beproeven, zoo heeft Hij nu, naar zijne Goddelijke welda-
digheid , de smart mijner ziel gelenigd door mij eene andere
1) Kayper, II, 653, 664.
385
echtgenoote te geven. Want Hij heeft mij weder eene vrome
en, naar ik hoop, getrouwe levensgezellin geschonken, die
zich tot dusver op de voortreffelijkste wijze van hare plichten
kwijt/' ^) De bruiloft had den 29s*en Januari 1553 plaats
gehad. Slechts de voornaam dezer tweede vrouw, Katharina,
is ons bewaard gebleven, dank zij den éénigcn brief, dien
wij van hare hand bezitten. *^) De vrienden billijkten den
stap; Petrus Martyr, die omstreeks denzclfden tijd in
Oxford zijne vrouw had verloren, schrijft aan Utenhove,
dat, indien hij zoovele kinderen in zulk eenen teederen
leeftijd bezat, als a Las co, „de man Gods", hij zich even-
eens weder in den echt zou begeven, welken stap hij onbe-
paald aanbeveelt en billijkt. ^) A Las co schijnt zijne tweede
vrouw hartelijk bemind te hebben; ook eene liefkozende
benaming ontglipt bij zekere gelegenheid aan zijne anders
zoo ernstige pen. Hij betuigt aan den landgraaf van Hessen
zijnen dank voor de w^eldaden, die deze aan zijn „vrouwtje"
(„uxorcula nostra") bewezen heeft. *)
Nog bijna een half jaar verstreek , voordat de gemeente
der vreemdelingen in het feitelijk bezit kwam van het ge-
bouw, dat haar door den Koning geschonken was: een dubbele
feestdag voor onzen vriend, want op denzelfden dag schonk
zijne vrouw hem den eersten zoon in hunnen kinderrijken
echt. -') De oorzaak dier vertraging lag in do groote moeielijk-
heden, welke inzonderheid de bisschop van Londen, R i d 1 e y,
aan de vorming van deze gemeente in den weg stelde, en
om welke te boven te komen niet slechts al het beleid van
La ski, maar ook al de achting en het aanzien, die hij reeds
in de hoogste kringen verworven had, vercischt werden.
«) Ibid., II, 675.
*j Ibid., p. 766.
3j „Scrinium," III, 667.
*) K u y p e r, II, 751.
^) Dien rijkdom in kinderen maak ik op uit ccno passage in concn brief van
den prediker Stanislaus Lutumirski, een half jaar na Laski's doü<i qeschreven,
alwaar van negen achtergebleven kinderen sprake is, van welke er vier van de
eerste vrouw zijn (verg. „Scrinium,'' III, 646).
DALTON. 25
386
De bisschop van Londen maakte aanspraak op het recht,
om nu ook over deze gemeente van zijne diocese het op-
zicht te houden, en eischte van haar, dat zij haren eere-
dienst overeenkomstig de Engelsche liturgie zou inrichten.
La ski wees dezen eisch zoo nadrukkelijk mogelijk van de
hand, — de inwilliging daarvan zou een doodsteek voor
zijne gemeente-inrichting geweest zijn, — en beriep zich op
het koninklijke charter. Dit sprak duidelijk ten zijnen gunste. ')
Maar moest men aan deze vreemdelingen toestaan hetgeen
men aan de eigen landskinderen ontzeido, en waarvoor een man
als Hooper op dat zelfde tijclstip in de gevangenis smachtte?
Men nam voorwendsels te baat. Aangezien de kerk een ko-
ninklijk geschenk was, zoo moest zij ook in eenen konink-
lijken staat worden overgegeven; maar hoe langzaam vor-
derde men met de herstelling! La ski verzocht om den
kerksleutel, ten einde althans des Zondags eene godsdienst-
oefening te kunnen houden. Het verzoek werd geweigerd.
Men moest zich 6f aan de ceremoniën van don Engelschen
godsdienst onderwerpen, óf aantoonen, dat deze met de Schrift
in strijd waren. ^) L a s k i zwichtte niet. Het machtwoord
des Konings werd er toe vereischt, om de deur van hun
eigendom voor hen te ontsluiten; nochtans was het aan de
tegenpartij gelukt, eene bepaling door te drijven, waarbij het
gebruik van de sacramenten in hunne kerk hun ontzegd
werd. Eerst na jaar en dag mocht onze vriend er eindelijk
in slagen, ook dit recht, en alzoo eerst de volkomene zelf-
standigheid zijner gemeente te verwerven.^) Ook later moest
La ski nog menigmaal zijnen vriend, lord Cecil, om be-
scherming verzoeken, b. v. toen de bisschop van Ely in de
wijk van Southwark , aan gene zijde van do Theems , leden
der vreemdeling-gemeente wilde noodzaken, om in de naast-
bijgelegen Engelsche parochiekerk aan het Avondmaal deel
ï) Verg. hierbij ook Kuypor, II, 10.
5) „Original," p. 569.
3) De bfbngwokkende brieven van Microoius en van Utcnhovo (^,Original/'
p. 557 — 604) geven ons ook van deze worstelingen eene levendige voorstel-
ling.
387
te nemen, op straflfe van in de gevangenis te zullen ge-
worpen verorden. ^)
Met de organisatie van de gemeente en het verzamelen
van de vreemdelingen, die door de geheele stad verspreid
waren, wachtte a Las co niet totdat dit geschil was be-
slecht. Onmiddellijk na de uitvaardiging van het koninklijke
charter, namen de geregelde godsdienstoefeningen eenen
aanvang; in afwachting van de opening van de Jezuskerk
hadden eenige Engelsche burgers het gemeenschappelijk
gebruik van eene andere kerk mogelijk gemaakt. *^) Terzelf-
dertijd ook werkte de Superintendent met zijne vier mede-
helpers de gemeente-inrichting uit; Johannes Utenhove
werd de eerste ouderling der gemeente. Het waren hier zoo
geheel andere toestanden, dan acht jaren vroeger in Emden.
De leden zijner tegenwoordige gemeente waren uit zeer
verschillende landen samengevloeid ; niet eenmaal eene gelijke
taal vormde eenen band der gemeenschap tusschen hen, al-
leenlijk het Evangelie, om welks wille zij voor het meeren-
deel huis en hof hadden moeten verlaten. Overigens hoege-
naamd geen gemeenschappelijke zeden en gebruiken, niet
eens in hun kerkelijk leven vanouds-ingewortelde , overeen-
komende gewoonten. Aan deze buitenlanders in Londen,
die schier op alle punten als vreemden tegenover elkander
stonden, was de grootst mogelijke zelfstandigheid, wat be-
treft de regeling van hunne kerkelijke aangelegenheden,
gewaarborgd; de keerzijde van deze belangrijke voorrechten
was nu, aan den anderen kant, dat a L a s c o de wereldlijke
overheid op geenerlei wijze bij het uitoefenen van zijne
kerkelijke tucht kon te hulp roepen, gelijk zulks in Oost-
Friesland mogelijk was en ook werkelijk geschiedde. Maar
juist dddr had hij ook de ontzaglijke moeielijkheid — of
liever nog de onmogelijkheid — van eene zuivere, volledige
verwerkelijking van de kerkelijke tucht met medewerking
van den Staat ruimschoots leeren kennen. Hoe vaak was hij
door de traagheid of den tegenzin , of ook door de volstrekte
») Kuyper, II, 672.
*) M^r'gJuiil»" V- »>70.
388
nalatigheid van de overheid in het verleenen van haren bij-
stand tot de uiterste afmatting en moedeloosheid gebracht!
Hier in Londen was hem ook de mogelijkheid tot het doen
van eene vernieuwde proefneming benomen. Dit is, welbe-
schouwd, een geluk te achten. De gemeente, zonder recht-
streeksche hulp van buiten, had nu uit zich zelve de wegen
te kiezen, om tot eene gezegende kerkorde en kerkelijke
tucht te geraken : in het vervolg zullen wij bespeuren, welke
juiste wegen a Lasco daartoe heeft ingeslagen, zoodat dien-
tengevolge de inrichting zijner vreemdeling-gemeente eenen
wezenlijken vooruitgang in de ontwikkeling van de presby-
teriale kerk-inrichting uitmaakt, en haar groote invloed nog
heden ten dage, zoowel in de Schotsche kerk, als ook bij
de Independenten duidelijk zichtbaar is.
Allereerst stelde a Lasco, in vereeniging met zijne vier
medearbeiders , eene belijdenis op , welke ieder moest onder-
teekenen , die in de vreemdeling-gemeente wenschte te worden
opgenomen. Want met recht legde hij er nadruk op, dat
het begrip van eene levende gemeente do overeenstemming
in de leer als hoofdmoment in zich sluit. Slechts daardoor
ook kon hij eenen krachtigcn dam oprichten tegen de sekta-
rissen, die van alle zijden kwamen opzetten. Het zou van
belang zijn, indien men kon te weten komen, of aan die
vreemdelingen, welke weigerden, de hun voorgelegde be-
lijdenis te onderteekenen en daardoor lid der gemeente te
worden , het recht om verder in Engeland te vertoeven werd
ontzegd. Tot ons leedwezen hebben wij geen enkel bericht
dienaangaande kunnen vinden. De onderteekening geschiedde
in de tegenwoordigheid der ouderlingen; slechts nadat zij
had plaats gehad, werd de belanghebbende familie in het
gemeenteregister ingeschreven. Aan de bewonderenswaardige
ontdekkingsgave van Kuyper is het gelukt, de eerste uit-
gaaf van deze „confessie Londinensis" in de bibliotheek
van het „Trinity college" in Dublin op te sporen, en haar
aan zijne meesterlijke compleete uitgave van de werken van
Laski toe te voegen. ^)
1) Kuyper, I, LXXIV, en II, 285.
389
Deze „Londensche geloofsbelijdenis," die reeds in 1551 in
druk verscheen, ^) handelt niet over alle punten der leer;
enkele belangrijke punten, zooals de leer van de Sacra-
menten, zijn opzettelijk met stilzwijgen voorbijgegaan. De
inhoud kan worden samengevat in de hoofdgedaclite, die aan
het einde voor hem, die in de gemeente wenscht te worden
opgenomen, de breedcre uiteenzetting van het geschrift be-
knoptelijk herhaalt. De bedoelde plaats, eene ontwikkeling
van het woord, dat Jezus is de Christus, de Zoon des le-
venden Gods, is belangrijk genoeg, om die hier in haar
geheel te laten volgen.
„So is dan de Ghémeynte Cliristi de vergaderinghe der
menschcn met haren zade, die (van onsen eersten vader
Adam, tot den oynde des Werelts toe, bij de stemme Gods,
door de Enghelen, Propheten, ende Christum, midtsgaders zijn
Apostelen voortgebracht, wt de menichte van allen anderen
monschen wtghcroepon zijnde, of noch wesen sal) ghelooft
ende belijdt, tzy eygontlick, tzy oponbaerlick , of met don
monde, of mot onderhoudinghe der Ceremoniën van Christo
ingestelt, ende de bewijsinge der Ampten, na den roep van
eenen ycgelicken. Dat de Sone Marie warachtelick Jesus zy,
dat is, dat hy Mensche wt mcnsche, te weten, wt de Moeder
ende Maget, door de werckinge dos Ileyligen Geests, ont-
fangen ende geboren is : op dat hy ons broeder in ons vleesch
wesen soude, ende also eyndelick in onse plaetse voor onse
sonden sterven mochto. Voorts, dat hy oock is in de ghe-
meynschap ons vh^eschs volgenoechsaem Salichmaker der
gantscher Werolt. Ende dat hy midts dien oock God zy,
genierct datter geen Salichmaker is , dan God selve. Boven
dien, die daer gelooft ende belijdt, desen selven Jesum te
wesen Christum : dic^ door de prophecien der Enghelen ende
') Hrt'ils in h«'t/.'-lfiic jaar vprvaanllgdr Jnhannis Utcnhove van dit Latijnsrhc
gpschrift n-nt' Vlaamsclir ovor/eltin«r, van wrlkr in 1505 te Euidcn pcno tSdc
uitgaaf versrhoi-n. Mi-n vindt haar bij Kuyper, II, 21*5 vgg. [De beide
hierboven v<>lg«.nde citaten zijn door mij aan genoemde „Vlaamssche** of Nc-
derduitüche vertaling ontleend. Dalton zelf deelt ze in Iloogd. vertaling naar
het Latijn mede. Vert.j
390
Propheten, van tbeghin der Werelt beloeft was: dat is den
eenigen, oppersten ende eewighen Koninck, Propheet ende
Priester aller Wereldt: die door de tockomste zijns Lichts,
alle de bcdieninghen des vleeschelicken Wets, ganschelick te
niet gedaen heeft. ^) Ten laatstcn, die daer ghelooft ende
belijdt, den selven Jesum warachtich, natuerliek, ende eenigh
gheboren Sone Gods des Vader te weeën, wt God den Vader,
selve in een wesen zijns Goddelicheyts gebaert, ghelijcker-
wijs hy Mensche wt den mensche, te weten, wt de Moeder
ende Maghet ontfanghen ende gheboren heeft willen wesen,
om dat hy mensche soude worden, ende de sonde der gant-
scher Werelt reynighen soude. De welcke met den Vader
ende den Heylighen Gheest, warachtich ende eenigh God
inder eewicheydt is prijselick. Amen." *^)
Enkele plaatsen, ook in deze beknopte samenvatting, wijzen
ons op het verzet, hetwelk hij van zijnen kant tegen Me nn o
en diens aanhangers had aangeteekend , en dat hij thans in
Londen zich genoopt voelde te hernieuwen De verdere
tegenstelling tegen alle sektarisch drijven openbaart zich in
de wijze, waarop hier de nadruk gelegd wordt op de over-
eenstemming van deze leer, en mitsdien ook van de gemeente,
met de ware, katholieke, óéne kerk van God en Christus.
Juist op deze overeenstemming in hunne leer hebben de
Hervormers tegenover de sektarissen eenen bijzonderen na-
druk gelegd. Het was hun te doen om eene Hervorming,
niet om eene nieuwe kerk, losgerukt uit het historisch
verband. Mot welk een klem doet a Lasco zulks in deze
belijdenis uitkomen! ^) Op een belangrijk punt in de na-
dere ontwikkeling der hoofdstelling moet hier nog gewezen
worden. Op die plaats der confessie, waar La ski nader
handelt over het Koninklijke ambt des Heeren, leest men:
„Aengesien dan dat de Heere Jesus onder den titel Christi,
de opperste, eewich ende altijdt teghenwoordigh Koninck
1} In het Latijn: „Qui adventus sui lace typos Ipgis carnalis omnes dispu-
lerit prorsusqiie aboicvcrit.'*
') Ibid. , p. 331 sq.
3) Verg. ibid., p. 300: „Una est igitur atque eadem semper Dei Ecclesia/' etc-
891
der Gemeynten Gods is, so behooren ons allo syn© Ghebo-
den endo ordinancien (dit leven lanck) eewich ende onver-
anderlick te wesen : op dat wyse ghelijck sy. ghcgheven zijn
(boven aller menachen ghcboden ende ordinancien) eewelick
onderhouden. Op dat wy gheen gliehoor en geven den
genen die daer verwachten een versierde vernieuwinghe der
Kercken opter Aerden, de welcke daer te niete doe de Or-
dinancien Christi : Ofte die daer versieren haer Stadthouders
te wesen des Rijckes Christi, als oft hy ons niet eewichlick
tegenwoordigh en ware: ofte haer geboden ende ordinancien
ghelijck, ja meerder autoriteyt onderstaen te geven, dan den
ordinancien Christi." *) Op nog nadrukkelijker wijze, dan dit
zelfs bij Calvijn geschiedt, wordt in de medegedeelde plaats
van het Koninklijk ambt van Christus gewaagd. De bijzondere
omstandigheden, in welke de vrecmdeling-gemeente zich ge-
plaatst zag, hebben tot deze nadere ontwikkeling aanleiding
gegeven, sinds dien tijd, welke inzonderheid in de Schot-
sche kerk en bij de Indcpendenten van Engeland, eene fun-
damenteele beteekenis verkregen heeft. ^)
Die vreemdelingen nu, welke in het bijzijn van de ouder-
lingen der gemeente deze belijdenis onderteekend hadden,
werden eerst dan openlijk in do gemeente opgenomen en tot
het IL Avondmaal toegelaten, wanneer zij zich aan het einde
van de voormiddag-godsdienstoefening in tegenwoordigheid van
den predikant en de ouderlingen aan een klein onderzoek
onderworpen hadden. De inhoud van deze vragen en ant-
woorden is ons nog bewaard gebleven: het zijn 41 korte,
gemakkelijk te onthouden volzinnen over de Geboden, de
Geloofsartikelen, de Sacramenten, en het Gebed. ^) Heeft de
candidaat de vragen beantwoord, zoo wordt hij uitgenoodigd,
om, indien hij aangaande een of ander punt der leer nog
twijfelingen koestert, die mede te deelen. Zijn ook deze voor
hem opgelost, en heeft hij eindelyk ook verklaard, dat hij
«; Ibid., p. 307.
*} Verg. de nadere uiteenzetting bij Kit&chl (S. 78), alsmede den wenk
in de Aantcckcning daar ter plaatse gegeven.
3j Kuyper, 1, XCIX, en TI, 477 vg.
het emarig voornemen koestert, om bij deze leer te volharden,
de wereld te verzaken en voortaan eon christelijk leven to
leiden , alsmede , dat hij bereid ie , om zich ook aan de
kerkelijke tucht te onderwerpen, dan eerst, na dit langdurig
en nauwkeurig onderzoek, werd hij ten volle in de gemeente
opgenomen.
Met het onderteekenen van die „Londonsehe bclijdenia,"
met het gelukkig doorgestane onderzoek in de heilsleer bij
de opneming ia de gemeente was aan den eisch, om in de
goede leer des Evangelie'a te volharden, nog lang niet
voldaan. Gedurende het geheele leven beijverde men zich
in deze model-gemeente, om de Christelijke leer te bewa-
ren en dieper in haar door te dringen. In een tweevoudig
opzicht kwam dit duidelijk en op eene wel te waardee-
ren wijze aan den dag. Met diepen ernst en op eeno
treffende, overtuigende wyze toonde Laski aan, ') dat met
den kinderdoop voor de gemeente de heilige verplichting ont-
stond , om de doopelingen , als leden van Christus , als deol-
genooten des Vcrbonds en kinderen Gods, in de christelijke
leer te onderwijzen. Gedurende den prillen leeftijd is eulka
echter de taak der oudera. Zotidra hunne kinderen het 5^=
of G^i" levensjaar bereikt hebben, zijn de oudera verplicht,
hén met de hoofdstukken van den Kleinen catechismus be-
kend te maken, en tweemaal 'ajaara heeft er in de kerk
een opzettelijk onderzoek plaats betreffende het geleerde. Tot
dat einde ia de geheele gemeente in drie deelen verdeeld;
het eene deel omvat de leden, die binnen den stadamuur,
het andere doel hen, die buiten de poorten in de voorsteden
en omliggende dorpen , en het derde deel hen , die aan de
overzijde der rivier, iu Sonthwark wonen; voor elk dezer
drie deelen hebben de genoemde ondervragingen op ver-
schillende Zondagen plaata. Met het elfde jaar begint het
onderricht in den Groeten catechismus, ') hetwelk óf door
de ouders, of door opzettelijk daartoe aangestelde leermees-
ters gegeven wordt, en dat dan verder zijne voortzetting
'1 Tbtd,, 11, B3.
>) Over irita Cateubiauiiia ïefgel. men hierboven, üb.. SUfl
393
of aanvulling vindt in de catechisatiën des Zondags in de
kerk, gedurende de namiddag-godsdienstoefening. Hebben de
kinderen hun 14^® jaar bereikt en voldoende bewijzen gegeven,
dat zij de voornaamste leerstellingen van den godsdienst
kennen, dan leggen zij vóór de vergaderde gemeente de be-
lofte af, dat zij door Gods genade in deze belijdenis huns
geloofs wenschen te volharden, en dienovereenkomstig hun
leven aan de kerkelijke tucht willen onderwerpen. Slechts
wanneer zij met een plechtig Ja op de hun voorgestelde
vragen geantwoord hebben, worden zij tot het H. Avondmaal
toegelaten. ^)
Maar ook na de bevestiging wordt het onderricht niet
gestaakt, en blijft er voor de volwassenen gelegenheid be-
staan, om toe te nemen in de kennis der Christelijke leer.
Daarvoor zorgt de zoogenaamde ^Profetie'* ^), die in de
Duitsche gemeente weder anders, dan in de Fransche is
ingericht. Des Donderdags na de predikatie, maar nog in
tegenwoordigheid van de gemeente, is het in de Duitsche kerk
aan ieder lid dor gemeente geoorloofd, eventueele twijfelingen
of bodenkingen, die onder de verschillende godsdienstige bij-
eenkomsten in den loop der week bij hem zijn opgerezen,
in het midden te brengen , en de leeraren en ouderlingen
der gemeente hebben die te wederleggen. Ten einde ieder
mogelijk misbruik te voorkomen, moeten de bedoelde vragen
vooraf aan daartoe opzettelijk gekozen vrome mannen worden
voorgelegd , om te beslissen , of zij , al dan niet , voor eene
gemeenschappelijke bespreking geschikt zijn. De Profetie in
I) Ongetwijfeld een van de oudste getuigenissen aang.iandc de Confirmatio
in de Evangrlisehc kerk.
•) Mogelijk is het slechts aan sommigen bekend, dat deze „Profetieën" ook
in de KngeJschc kerk in brcedur kring weerklank vonden. Bedenkelijke mis-
bruiken kunnen daarbij gemakkelijk insluipen, vooral wanneer d<' leeraar der
gemeente niet zelf de leiding in banden houdt. Het is opmerkelijk, dat, in
*t jaar 1577, koningin Elisabeth deze Prof«^tieën, die eenigszina aan het „Stun-
denhalten" in Wurtemberg, aan de „«Stundisten" in de Itussiscbe kerk doen
denken, veri)iedt. rVerg. Grind al, p. 4fi7. In het bewuste rescript leest
men: „whieh inanner of invasions they in some places term prophcsvings, and
in some other places exerciscs.'*)
394
de Fransche gemeente had plaats des Dinsdags, ') en be-
stond in de doorloopende verklaring van geheele boeken der
H. Schrift, niet in den vorm eener predikatie, maar meer
overeenkomende met onze Bijbellezingen (^Bibelstunden"),
slechts met dit wezenlijke onderscheid , dat het ook aan de
gemeenteleden vrijstaat, aan de verklaring van de voorge-
lezen pericoop deel te nemen. Daarbij wordt de uitlegging
voortgezet zoolang er nog iemand in de vergadering over
het gedeelte der Schrift, dat aan de orde is, het woord
wenscht te voeren. *)
Aan deze „Profetie'' hebben wij één van de voortreffelijkste
geschriften van La ski te danken, hetwelk op de ontwikke-
ling van de Evangelische kerk in Engeland en in Duitsch-
land eenen krachtigen invloed heeft uitgeoefend. In het
voorjaar van 1551 was a Las co in zijne Bijbelbesprekingen
des Maandags-avonds begonnen, het Evangelie van Johannes
te verklaren. Naar aanleiding van den doop van Johannes
den Dooper was hij bij herhaling over de Sacramenten
komen te spreken. Zijne toehoorders — onder welke ook
vele Engelschen waren, want hij hield deze Schriftverkla-
ringen in de Latijnsche taal, — verzochten hem om een
samenhangend vertoog over de Sacramenten. Aan dezen
wensch voldeed hij in een vijftal avondbijeenkomsten. ^)
Hetgeen de toehoorders nu „met groote bewondering en
veel profijt" — gelijk één hunner bericht, *) — gehoord
hadden, dat wenschten zij in druk te bewaren. Ook aan
dit verlangen meende Laski zich niet te mogen onttrekken.
In 1552 zagen deze voordrachten het licht, bijkans de uit-
[1) Dalton schrijft eigenlijk, dat de Profetie in de Daitschc gemeente „an
jedem Sonntage," en die in de Fransche gemeente „Mittwochs" plaats vond. Bij
a Las co zelven (II, 104) leest men echter: ,,Atquo ita, quoniam in Germa-
norum Ecclesia diebus Jovis prophetia, at dictum est, haberi solet, Gallicae
Prophetiae dies Martis destinatus est.*' Uit dien hoofde meende ik mij hier
en in het voorafgaande eene kleine wijziging te moeten veroorloven. Vert.]
ï) Knyper, II, 106.
3) Ibid., I, 108.
*) „Original," p. 587.
395
voerigste verhandeling, die wij van zijne hand bezitten. *)
De genoemde verhandeling is in eene blijmoedig-hoopvolle,
bezielde stemming geschreven. Drie jaren vroeger — in Mei
1549, — was tusschcn Calvijn en Bullinger de be-
roemde „Zuricher overeenkomst'^ („Consensus Tigurinus") ge-
sloten geworden: de eenzijdige Avondmaalsleer van Zwin gli
was hier innerlijk overwonnen, en de zooveel diepere op-
vatting van Calvijn had gezegevierd. Ongetwijfeld eene
veel meer ware en vruchtbaardere concordie, dan de Wit-
tenbergsche vóór meer dan een tiental jaren! Zeer spoedig
na het sluiten van deze overeenkomst zond Bullinger, daar
men met de uitgave talmde, een exemplaar in afschrift aan
zijnen vriend La ski, die de gesloten overeenkomst met har-
telijke vreugd begroette. „Allereerst dank ik den Heer, onzen
God, dat Hij het rijk van zynen Zoon door uwen dienst
in Zurich bevordert en uitbreidt, en wensch ik uwen ge-
meenten van harte geluk met de tusschen u en Calvijn
tot stand gebrachte overeenkomst, wat betreft de leer van de
sacramenten, terwijl ik hoop, dat eiken dag nog meerdere
gemeenten haar onderteekenen zullen. Wat ons aangaat, wij
volgen hier geheel dezelfde leer, al drukken wij haar ook
in ecnigszins andere bewoordingen uit." ^) Laski deelde de
missive van Bullinger aan C r a n m e r mede , op wien zij
eenen grooten indruk maakte, en die aan den inhoud zijne
volle goedkeuring schonk.**) Reeds in 1546 had Bullinger
aan C a 1 v ij n en aan Laski in manuscript eene verhande-
ling „over de Sacramenten^' gezonden, die strekken moest
tot beantwoording van de heftige uitvallen van Luther
tegen de Zurichers in den jare 1544, welk geschrift hem
evenwel eerst in 1548 in handen kwam. Laski had het
ij „Br<^vis <^t dilucida de sacramcntis Ecclesiae Christrtractatio." Dij K o y-
per, I, 'J7— 232.
») Ibid., II, 64C.
^) De uitgevers van de Werken van C a 1 v \j n hebben in de beroemde ver-
zameling van Simmler in Ziirich het belangrijke schrijven van Laski aan Bul-
linger oiftdokt, dat aan het naspeurend oog van Kuyper ontgaan was, en
in hetwelk bij uitvoerig zijne üpmerkingen over den „Consensus Tignrinos"
mededeelt. (Verg. Calvijn, Xlll , 578.)
dociiment, nadat het met zijne boelterij uit Emden gekomen
was, aan Cranmer laten lozen, en hot op diens dringend
verzoek in druk gegeven. Ook de „Zuricher overeenkomst"
voegde Laaki aan zijne verhandeling over de sacramenten
toe; deze geschriften hebben er het meeste toe bijgedragen,
om aan de daarin voorgedragen Avondmaalsleer in de En-
gelache kerk burgerrecht te verschaften.
Laaki droeg zijne verhandeling op aan den koning van
Engeland. Het zendschrijven aan dezen is in meer dan i5ón
opzicht belangrijk en ook nog heden ten dage alleszins le-
zenswaardig. In korte , claasieke bewoordingen drukt onze
vriend zijne overtuiging uit. „De Roomsche kerk is ten val
gebracht. In onze eenw ia dit, met Gods hulp, hoofdzakelijk
geschied door den arbeid van éénen man, en wel van eenen,
die door de goheele wereld diep veracht en gehaat, maar ïn
het oog van God zonder twijfel een uitverkoren werktuig was,
ik bedoel Maarten Luther" [f 1546]. Vervolgens wijst
Laski er op, hoe de Satan niettemin voortgaat met verdeeld-
heden te zaaien tusschen de Protestanten. Maar aan het bij-
leggen van die twisten wordt ijverig gearbeid. Die zich in dit
opzicht het meeste moeite gegeven hoeft, ia Bucer, „zaliger
gedachtenis" (deze vriend van Laski was ongeveer een jaar
te voren — 28 Pebr. 1.551 , — te Cambridge gestorven).
„Hetzelfde doel beoogden nog velo andere geleerde en vrome
mannen, en de Heer bekroonde deze pogingen met zijne
gunst, zoodat de voornaamste gemeenten van Zwitserland,
die te voren tegen elkander verdeeld waren, nu het eerst
van allen tot onderlinge overeenstemming gekomen zijn. Deze
overeenstemming in de leer begon zich welhaast verder uit
te breiden , al werd zij ook niet overal in dezelfde bewoor-
dingen uitgedrukt, en drong tot in Oost-Friesland, ja, zelfs
tot in het rijk gezegende Engeland door, on wordt hier met
beide banden vastgehouden." •) Op de toewijding aan den
Koning volgt nog eene zeer behartigenswaardige, stichtelijke
voorrede „aan den godvruchtigen lezer", in welke onze vriend
I) KujpEr. I, 103.
397
met allen nadruk doet uitkomen, dat de Sacramentsstrijd
hem ten allen tijde van te weinig belang is voorgekomen,
dan dat om zijncntwil de gemeenten, die het Evangelie van
Christus belijden, zouden moeten vaneengescheurd worden.
Het zou ons te ver voeren , indien wij dit belangrijke ge-
schrift als op den voet wilden volgen; zelfs aan het geven
van ecne bloemlezing van de meest kenmerkende plaatsen
valt hier niet te denken. Wij vergenoegen ons met enkele
vluchtige opmerkingen. L a s k i geeft allereerst eene beschrij-
ving van de ontwikkeling der Sacramentsleer in de Boomsche
kerk, en toont, met groote belezenheid in de kerkvaders,
aan, hoe de allengs ingeslopen dwaling zich in den loop der
tijden ontwikkeld heeft tot de valsche leer, volgens welke
er ceno volkomene vereeniging van het teeken met de
zaak plaats heeft, in dier voege zelfs, dat het teeken in de
zaak geheel opgaat en verdwijnt. Volgens de leer der H. Schrift
echter is het sacrament in het algemeen eene Goddelijke
inzetting, bestaande uit twee doelen, nl. uit een zichtbaar
teeken en uit eene onzichtbare verborgenheid („mysterium"),
opdat het alzoo beantwoorde aan het doel, waartoe het is
ingesteld. *) In hot sacrament is de beteekende zaak of
het „mysterium", hetwelk door de teekenen der sacramen-
ten wordt aangeduid, de ons geschonken vereeniging met
Christus, den Heer, in zijn lichaam en bloed. Hierin nu
stemmen allen overeen, dat het „mysterium" der sacra-
menten onze vereeniging is met Christus, den Heer, en
eveneens ook hierin, dat zij deze onze vereeniging met
Christus doen bestaan in het deelgenootschap aan zijn lichaam
en bloed. Eerst wat betreft de vaststelling van de wijze,
waarop deze onze vereeniging met Christus plaats heeft,
loopen de gevoelens der uitleggers uiteen ; dezen denken zich
eene magische verandering in de elementen van den maal-
tijd des Hoeren ; genen daarentegen nemen eene nieuwe ver-
binding („conncxio'^) buiten de natuurlijke aan, dietusschen
het teeken en de beteekende zaak bestaat. Deze opvatting
») Ibid., I, 128.
398
had haren tijd, en mitsdien ook haar recht, toen men de
dwaalleer van de wezensverandering verzaakte, en men er
zich toch ook weder niet bij kon nederleggen^ in de sacra-
menten bloote teekenen te zien. God toch buigt zich in ont-
ferming tot onze zwakheid ter neder , en openbaart zich aan
ons niet plotseling in allen deele, maar trapsgewijze, naar
de mate van onze toenemende kracht. La ski wil hierbij
geen namen noemen, maar hij verklaart nadrukkelijk, met
zachtmoedigen ernst, dat hij, uitgezonderd de leeraren van de
Transsubstantiatie, alle de overige in den Heer vereert, en
dat hunne nagedachtenis, ook al is hun mogelijk in een of
ander opzicht iets menschelijks wedervaren, hem steeds heilig
is, als van mannen, die met hun gansche hart de eer van
God hebben gezocht, en die in bijzondere mate met bewon-
derenswaardige gaven van God versierd waren. Inderdaad,
voor die dagen eene zeldzaam gematigde, objectieve taal.
Wat nu betreft de geheimzinnige gemeenschap met den
Heer, die bij de sacramenten plaats heeft, logt a Lasco
er nadruk op, gelijk wij reeds vroeger vermeld hebben,
dat de uitdrukking „communie'^ in passieven zin is op te
vatten en het deelnemen aan iets aanduidt, maar niet de
uitdeeling zelve. Bij deze „communie" geeft en ontvangt
ieder iets, zoowel Christus, als wij, die het sacrament ge-
nieten, en wel ieder datgene, wat hem kenmerkend eigen
is. Het „mysterium" der beide sacramenten, wat betreft
het deelgenootschap van onzen kant aan Christus, bestaat
hierin, dat Christus uit genade aan ons mededeelt hetgeen
het eigenaardige is in zijn lichaam en bloed, te weten zijne
onschuld, gerechtigheid, heiligheid, de geheele verdienste
van zijn Igden en sterven , en de heerlijkheid zijner wonder-
bare opstanding. Deze mededeeling van het lichaam des
Heeren is waarachtig en heil-aanbrengend , doch niet reëel
en substantieel.
De sacramenten zijn door God ingesteld met het tweele-
dige doel, dat wij door deze onze gcmecnschapsoefcning met
Christus, onzen Heer, eene volkomene rust des gewetens
hebben en verzekerd zijn mogen , dat nu niets verdoemelijks
399
ons meer aankleeft , nadat wij , door de uit genade ons ver-
leende gemeenschap aan zijn lichaam en bloed^ met Christus,
onzen Heer^ vereenigd zijn. De andere nuttigheid dezer sa-
cramenteele verzegeling is de verandering en vernieuwing
van ons gemoed, als het gevolg van de rust des gewetens,
die wij door het sacrament verkregen hebbon. — Hetgeen
a Lasco op deze wijze in het algemeen over de sacramenten
gezegd heeft, dat past hij vervolgens breedvoerig toe op de
beide sacramenten , die door den Heer zijn ingezet , om dan
eindelijk met de volgende treiFende woorden te besluiten:
,,En nu smeek ik van God, dat Hij alle verdeeldheden in
de leer door zijnen H. Geest moge beslechten, en dat Hij
ons allen, die wij zijnen ééngeboren Zoon als onzen éénigen,
waarachtigen , hoogsten en eeuwigen Koning, Profeet en
Hoogepriester geloovig belijden en verkondigen, en die, wegens
de belijdenis van zijnen aanbiddelijken naam, in deze wereld
gewis niet anders dan marteling te verwachten hebben, ge-
lijk schapen, die ter slachtbank bestemd zijn, — dat Hij
ons allen, zeg ik, door den band zijns Geestes alzóó veree-
nigen moge, dat wij Hem alleen, met verzaking van alle
zelfzucht en met terzijdestelling van allen ijdelen zelfroem,
eenpariglijk prijzen, en door onze vereeniging betuigen, dat
God waarlijk onze God is, en dat wij zijn volk zijn, ge-
kocht door het bloed zijns Zoons, wien, te zamen met zijnen
eeuwigen Vader en den H. Geest, toekomt de eer, de lof
en de aanbidding, tot in eeuwigheid. Amen." ^)
De duidelijke, gematigde en zachtmoedige behandeling van
deze mooiclijke en ook voor Engeland hoogst belangrijke
vraag liet niet na, eenen diepen en blijvenden invloed op
de verdere ontwikkeling der kerkleer te oefenen. Met steeds
klimmendon ernst on toenemende opmerkzaamheid luisterde
men naar den raad van dezen „zoo oprechten, fijnbeschaaf-
dcn, vromen en geleerden" man, ^) die tegenover aanzien-
lijken on geringen onbevreesd voor zijne overtuiging uit-
«) Ibid. I, 232.
>) „Original," p. 572.
400
kwam. Spoedig na zijne aankomst liet het gewicht van zijn
mannelijk woord zich ook in de Ëngelsche kringen gelden,
en wel in eene zeer belangrijke zaak.
Twee dagen namelijk na zijne aankomst te Londen was Jo-
hannes Hooper, alleszins een geestverwant van onzen
La ski, en omtrent van gelijken leeftijd als hij, tot Bisschop
van Gloucester benoemd geworden. Deze vrome en onver-
schrokken prediker , die reeds vroeg door de geschriften van
Zwingli en van Bullinger voor het Evangelie was ge-
wonnen geworden, moest, om den wille van zijne overtuiging,
onder de regeering van Hendrik VIII zijn vaderland ver-
laten: hij behoorde tot de groote schare van hen, die zich
door de onverdraagzaamheid des Konings gedwongen zagen,
naar het buitenland de wijk te nemen , doch die aldaar door
Gods hand zoo wonderbaar in hun geloof bevestigd werden,
opdat zij eens, in gunstiger dagen, aan hun vaderland het
woord des kruises zouden mogen brengen. Deze voortvluch-
tige zonen van Engeland trokken in die dagen zelden meer
naar Wittenberg; hunne rustplaats („étape^') was Straatsburg
geworden, en dan verder Zurich en Genève, waar hun de
vriendelijkste gastvrijheid ten deel viel. De jaren, welke
Hooper in den vreemde doorbracht, waren voor zijn gees-
stelijk leven als een rijkgezegende zomertijd , in welken zijn
geloof tot vollen wasdom kwam. Spoedig na de troonsbe-
stijging van Eduard keerde hij naar zijn vaderland terug;
het duurde niet lang, of hij was, nevens Latimer, de
meest populaire prediker, die onbevreesd, ook in tegenwoor-
digheid des Konings , de gebreken van zijnen tijd en ook
van het hof aan de kaak stelde, on duidelijk en onbewim-
peld zijne meening uitsprak. *) Het antwoord van denjeug-
1) Ik denk hierb^ aan zijn zeven predikatiën over Jona, die hij in het voor-
jaar van 1550 vóór den Koning hield, en in welke hij ook onbewimpeld en
uitvoerig zijne zienswijze aangaande de Sacramenten ontwikkelde. In zijne derde
beschouwing had hij rechtstreeks den eed bestreden, die, volgens de koninklijke
verordening van het vorige jaar, door de bisschoppen moest worden afgelegd
(verg. Hooper, I, 479). Het is de plaats: „zoo waarlijk hclpe mij God, alle
heiligen en het heilig Evangelie." („Two liturgies," p. 169: „So help me
God, all saints and the holy Evangelist.")
401
digen, vromen koning op die vrijmoedige taal was de be-
noeming van den Evangelischen prediker tot het onlangs
opengevallen bisschopsambt. Ho o per nam deze benoeming
aan, doch hetgeen hij gepredikt had, daaraan hield hij zich
nu ook met onverschrokken moed; hij weigerde, den ge-
bruikelijken eed af te leggen en in het bisschoppelijk gewaad
uit den Roomschen tijd op te treden. ^) Deze weigering
bracht overal in den lande eene geweldige opschudding te-
weeg. Ho op er volhardde bg zijn besluit, ook toen hij ten
gevolge daarvan, in stede van op den bisschopszetel verheven
te worden, in de gevangenis geworpen werd. De aanstootelijk©
uitdrukking in den eed werd, wel is waar, eerlang op een
bijzonder bevel des Konings verwijderd, ^) doch moeielijker
was het andere punt, nl. betreffende de bisschopswijding,
dat welhaast tot eene principiëele vraag verscherpt werd.
Do energieke en edele bisschop van Londen (Il i d 1 e y) lette
gestreng op den uiterlijken vorm, en gedoogde niet, dat er
in de bisschoppelijke kleeding en wijding ook maar in het
minst iets gewijzigd werd; zijne zienswijze zou hem heden
ten dage, wat dit punt aangaat, in de gelederen der Ritua-
listen plaatsen. ') Het was hem tot eene diepe smart, binnen
den omtrek van zijn bisdom de bijzondere inrichting van den
eeredienst in de vreemdeling-gemeentc te moeten dulden,
*j Verg. „Original ," p. 187. — De benoeming van Ho o per tot Bisschop
was door den Lord-Protector, den hertog van Somerset, doorgedreven, ondanks
het verzet van de gezamenlijke bisschoppen, die wel wisten, wat zij, met be-
trekking tot dit punt, van hunnen nieuwen ambtgenoot te verwachten hadden.
(Ib., p. 410.)
>) Het „Buok of common prayer" van 1552 eindigt, in onderscheiding van
de 700 even aangehaalde plaats in de uitgave van 1549, met de woorden: „Zoo
waarlijk h«'lpe mij God, door Jezus Christus.*' („Two liturg.," p. 33Ü: „So
help me God through Jesus Christ." Verg. ook „Original ,'* p. 416. 566.)
3; Tusschen U i d 1 e v en H o o p e r bleef eene spanning bestaan, tot op den
tijd, dat deze beide getrouwe belijders, onder de rrgi'ering van de bloedige
Maria in (lt>n kerker smachtten en hunne Evangelische overtuiging met den
marteldood bezegelden. De treffelijke brief, in welken KidJey, uit z^ne
eenzame cel in den Tower, aan zijnen medegevangene in den Fleet-torcn de
broederband der verzoening reikt, is ons nog bewaard gebleven. (Verg. Kidley,
p. 355, en wat het geschilpunt betreft: „Original," p. 567.)
DALTON. 26
402
en hij vreesde, dat Hoop er een man was, geschikt en
bereid, om eene gelijke zienswijze in de Engelsehe kerk in-
gang te doen vinden. Niet weinigen, ook onder de hooge
waardigheidbekleeders der Kerk, waren met hem van het-
zelfde gevoelen. Een onzijdig standpunt werd door C ra nmer
en eene groote schare van met hem gelijk gezinden inge-
nomen. Zij beschouwden de zaak als van onbeduidenden
aard, en waren ontevreden, dat Ho op er haar tot eene zoo
ernstige aangelegenheid verhief. In plaats van daarover strijd
te gaan voeren , was het , volgens hunne meening , verstan-
diger, om eene gewoonte als deze, die door een bestaan
sinds eeuwen her gewijd was, onaangetast te laten, en zich
te voegen naar een gebruik, hetwelk zoo ver van de heilig-
heden des geloofs verwijderd was. Onder degenen, die met
den Aartsbisschop instemden, bevonden zich ook Bucer ^)
en Petrus Martyr, die vooral het ondoelmatige van
eenen strijd over zulke beuzelachtigheden in eenen zoo ern-
stigen tijd wraakten.
Onze vriend daarentegen stond met volle overtuiging aan
de zijde van Ho o per. Voor La ski, zoowel als voor den
nieuw verkozen bisschop was de genoemde aangelegenheid
eene gewetenszaak, die diep in het geheele geloofsleven in-
greep; beiden waren er wellicht ook van overtuigd, dat in
. zulke gevallen niet al te veel van eenen toekomenden, meer
verlichten tijd te verwachten is, en dat het er ten tijde van
den strijd op aankomt, het wellicht lastige geschilpunt snel
en kordaat af te handelen. Zij staan daar vóór ons als
profeten, die in hunnen tijd niet zijn begrepen geworden,
maar de tegenwoordige tijd stelt hen in het gelijk: de
gebruiken, die toenmaals voor iets onverschilligs gehouden
werden, zijn als tot brugpijlers geworden, door welke de
1) Verg. Hoop er, II, XIII. — De strijd doet cenigszios denken aan de
kwestie o?er de beelden in de kerk. Lather wenschte die toch ook uit de
kerken verwijderd te zien (verg., in de uitgave van Walch: III, 1566: XX,
35. 193), maar afkeerig als hjj was van alle beeldstormerü, wilde hij te zijner
tijd de zaak nog op haar beloop laten, terwjjl hij van de toekomst eene ver-
andering en verbetering te dezen aanzien verwachtte.
403
terugkeer uit de streng episcopaalsche kerk („Hochkirche"
[„high-church"]) tot de Roomsche kerk mogelijk gemaakt
wordt. A L a 8 c o hield met B u e e r over dit onderwerp eene
belangrijke discussie, van welke de hoofdpunten ons zijn
bewaard gebleven. ^) —
Wij behoeven den verderen loop der zaak van Ho op er
hier niet in bijzonderheden te schetsen ; zij eindigde daarmede,
dat de nieuw benoemde bisschop, die door het verblijf in de
gevangenis handelbaarder geworden was, zijne toestemming
gaf tot de schikking, dat* hij bij zijne bevestiging de gehate
gebruiken stilzwijgend zou dulden, doch dat hij dan ook de
bevoegdheid zou hebben, om voortaan in zijne diocese te dezen
aanzien naar eigen goeddunken te handelen. Nadat de zaak
met den Engelschen bisschop ^op deze tamelijk vreedzame
wijze beslecht was, werden de grievende aanvallen tegen
de gemeente in Austin-Friar voortgezet. Waarom toch aan
de vreemdelingen toegestaan hetgeen men aan de landskin-
deren weigerde! Altijd weder kwam men terug op het ambts-
gewaad, terwijl men er zich e venzoo aan ergerde, dat deze
gemeente het H. Avondmaal zittende placht te ontvangen.
Manmoedig verdedigde La ski zich tegen hen, die hem
zulke — naar zijne overtuiging — apostolische gebruiken
wilden ontzeggen. In een uitvoerig schrijven wendde hij zich
tot zijnen vriend, den Aartsbisschop, om bescherming tegen
deze aanhoudende plagerijen. Het interessante stuk is ons
bewaard gebleven. ^) Nog een half jaar later vernemen wij
eene zinspeling op dezelfde zaak, ineen schrijven van La ski
aan den jeugdigen koning. Want ook op deze Roomsche
overblijfsels heeft de schoonc en juiste gelijkenis betrekking,
welke La ski aan den jongen koning verhaalt, aangaande
den vader, die zijne dochter, welke bijkans ten val gebracht
en reeds met de kleederen eener boeleerster getooid is, nog
juist van pas uit het huis der ontucht redt, en haar naar
de ouderlijke woning terugvoert, doch haar nu ook niet
ï) K uy p e r, I, LV.
*) Ibid., II , 655.
404
vergunt, de kleederen te dragen, die aan het vreeselijke
gevaar herinneren, in hetwelk zij verkeerd heeft. ^) — Het
gelukte Laski, zijne kerk voor deze eischen te behoeden,
en in de hoofdstad zelve cene bloeiende gemeente te stich-
ten, welke al die herinneringen aan den Roomsehen tijd had
vaarwelgezegd.
Dat Laski in deze zaak zulk een beslist standpunt had
ingenomen, vervreemdde hem geenszins van Cranmer, en
deed ook aan zijnen invloed in broederen kring volstrekt
niet te kort. Integendeel, zijn aanzien en invloed namen toe,
en naarmate het grootsche plan van zijne kerkelijke organi-
satie der vrecmdeling-gemeente allengs zijne voltooiing na-
derde, des te sterker en levendiger werd ook het verlangen
naar zijnen raad en zijne medewerking bij de regeling van
de kerkelijke toestanden in Engeland.
Met deze definitieve inrichting van de Evangelische kerk
in Engeland was men in 1552 ijverig begonnen voortgang
te maken. In de lente van dat jaar had de Koning eene
Commissie benoemd, die zich met de samenstelling van een
Kerkrecht op Evangelischen grondslag had bezig te houden.
Immers, ofschoon men sedert bijkans twee decenniën van
Rome gescheiden was, had men zich echter tot dusver nog
steeds aan de oude pauselijke decreten gehouden ; aan dezen
valschen toestand nu, die steeds duidelijker aan het licht trad,
moest de benoemde Commissie een einde maken. Zij bestond
1) [Ib., I, 103.] Ook Calvijn kwam op voor de zaak, die door Hooper en
Laski verdedigd werd. Verg. „Original," p. 710: „It is true, sire, that there
are certain things indifferent, which we may lawfully bcar with. But we must
always observe this rale, that there must be sobriety and moderation in ce-
remonies, so that the light of the gospel be not obscured, as though we were
still ander the shadows of the law, and then, that there be nothing incon-
sistend with and unconfortable to the order established bjj the Son of God
and that the whole ma^ tend and conduce to the ediücation of the chureb."
(Het origineel van dezen brief is te vinden bij C a 1 v ij n, XIV, 38.) C a 1 v ij n
was door Utenhove met den geheelen stand der zaak bekend gemaakt
(Ib., XIII, 658). De wijze, waarop het bedoelde geschil door Froude (IV,
556) besproken wordt, is uiterst partijdig; minder eenzgdig is de voorstelling
b\j Barnet, II, 2'13 (zie ook de Bijvoegsels ald., III, 29U sq.).
405
uit 32 leden, onder welke ook twee vreemdelingen, nl.
Petrus Martyr en Laski. ') Aan de werkzaamheden
der Commissie nam onze vriend een niet onbelangrijk aan-
deel; enkele punten in het door haar vervaardigd ontwerp,
hetwelk vervolgens onder de regeering van koningin Elisabeth,
onder den titel van „Reformatie legum," werd in het licht
gegeven, ben ik geneigd, rechtstreeks aan zijne hand toe te
schrijven. Zoo, in de eerste plaats, het 30^^® Artikel, het-
welk over de kerkelijke tucht en de excommunicatie handelt,
en dat geheel in zijnen geest is opgesteld, slechts met deze
afwijking van het in zijne gemeente heerschende gebruik,
dat, terwijl bij deze laatste elk beroep op de wereldlijke
overheid door de bijzondere positie der gemeente gelukkiger-
wijs was afgesneden, daarentegen in de Engelsche kerk een
inroepen van de wereldlijke macht als geoorloofd en nood-
zakelijk beschouwd werd. ^) Ook het derde Artikel, hande-
lende over de wijze, waarop men met ketters moet te werk
gaan, doet ons denken aan de maatregelen, die Laski in
Emden getroffen had. In andere Artikelen bespeurt men den
strijd tusschen twee verschillende beschouwingen, van welke
de eene werd voorgestaan door de ritualistische bisschoppen
van Londen en van Ely, llidley en Ooodrick, ^) terwijl
de andere haren pleitbezorger had in Hooper, die mede
in de Commissie gekozen was, en die door Laski krachtig
ondersteund werd. —
Tegelijkertijd vergaderde eene andere Commisie, voor het
meerendeel uit dezelfde leden samengesteld, ten einde de
artikelen der Leer voor de Engelsche kerk te bespreken en
vast te stellen. Aan de beraadslagingen nam niemand van
*) „Original," p. 503, 580. In zijn dagboek heeft koning Eduard, oader dag-
teckening van 10 Fehr. , de namen van de ge/amcnlijke leden aangeteekend,
met de opmerking: „Commission was granted out to 32 persons to examine,
correct and set forth the Ecclcsiastical Laws." (Bom et, IV, 227.)
'; Eene beknopte analyse van deze Artikelen vindt men bij Bur net, IT, 314.
3) Over dezen man, die, in verband met den val van den hertog van Somer-
set, met behoud van zijne bisschoppelijke waardigheid tot Lord-Kanselier ver-
heven werd, zie men het scherpe, maar alleszins juiste oordeel bij Barnet,
II, 291.
406
de vreemdelingen rechtstreeks deel; de invloed echter, door
La ski en de door hem vertegenwoordigde zienswijze zijdelings
op deze beraadslagingen uitgeoefend, is onmiskenbaar. Op
Zondag na Paschen, ten jare 1549, was reeds het „Common
prayer book" in gereedheid gebracht en ingevoerd geworden.
De samenstelling van eene gemeenschappelijke liturgie, aan
de oude godsdienst-ordeningen der Engelsche kerk ontleend
en met do nieuwe toestanden in overeenstemming gebracht,
had niet veel tijd gekost. Zij vertoont slechts zwakke sporen
van Laski's invloed; ^) immers, zij was reeds nagenoeg
voltooid, toen hij en de overige genoodigde gasten — en ikt
niet om harentwil, — naar Engeland overstaken. Eene an-
dere en moeielijker zaak was het, eene voor het geheele
land geldende kerkleer op te stellen. In 1543 was het
Koningsboek verschenen, onder den titel: „Noodzakelijke
leer en onderrichting voor lederen Christen" („Necessary
doctrine and crudition for any christian man"), in den grond
der zaak slechts een herziene uitgaaf van het Bisschopsboek
van 1536. ^) Bij dit samenstel was het tot dusver gebleven,
alhoewel in de laatstverloopen vijftien jaren de ontwikkeling
der leer, ook in Engeland, inzonderheid sedert de troons-
bekliraming van Eduard, zulke ontzaglijke vorderingen ge-
maakt had. Cranmer aarzelde aanvankelijk, de nog niet
genoegzaam bezonken leer kerkelijk vast te stellen; zelf nog
weifelend met betrekking tot de voornaamste leerstukken,
verlangde hij naar medehclpers en leeraren uit Duitschland
en Zwitserland. Reeds hebben wij gezien, op welk eene
wijze aan zijne dringende uitnoodigingen gevolg werd gegeven.
De aangekomen gasten gaven den doorslag, ondersteund door
*) Verg. Procter, p. ,49. Deze nauwkeurige geschiedschrijver van het
„Common prayer book*' toont aan, hoe onder de vreemde godgeleerden in En-
geland alleenlijk onze Laski eenen bepaalden invloed op de revisie van het boek
heeft uitgeoefend: «The friendly intercourse of this truly influential pcrson
with Cranmer would naturally lead to an inquiry as to the form of his
worship. In his book („Forma ac ratio") is a form of Confession and of Ab-
solution , in which some phrases resemble the corresponding portions which
were added to the Second book of Ëdward VI."
*) Verg. H a r d w i c k , p. 50.
407
degenen, die, onder Hendrik VIII uit hun vaderland
gevlucht, aan den Rijn en in Zwitserland in hunne Evan-
gelische gevoelens waren versterkt geworden, en die nu in
hun vaderland wederkeerden, ten einde aan den arbeid
krachtig deel te nemen. In de voorste rij dier invloedrijke
mannen hebben wij La ski opgemerkt, don vriend en gast
van den AartsbisHchop , juist in den tijd, in welken Cran-
mer er naar streefde, om zelf tot meer helderheid van
denkbeelden te komen. Deze invloed was nog bestendig toe-
genomen, sedert dat La ski onder de oogeu der kerkelijke
waardigheidbekleeders zijne leer aan zijne eigene gemeente
voordroeg, terwijl hij in woord en schrift met duidelijke wel-
sprekendheid en met innige overtuiging voor haar opkwam.
Vele plaatsen uit brieven van dien tijd getuigen, welk oenen
machtigen invloed La ski op don Aartsbisschop uitoefende.
Bucer had getracht, mot name in de Avondmaalsleer,
aan zijne, ofschoon eenigszins onduidelijke, toch meer bepaald
naar de Lutli(»rsohe zijde overhellende zienswijze ingang te
verschaffen; Laski, die wel begreep, tot welk een groot
nadeel het zou strekken, indien nu ook in Engeland de Sa-
cramentsstrijd moest ontbranden, trad hierover in eene leven-
dige briefwisseling met zijnen ouden vriend in Cambridge,
die toen reeds met rassche schreden zijn einde naderde; de
rusteloos werkzame Bucer stierf, voordat deze zaak tot
eene beslissing gekomen was. Maar de schriftelijke discussicn,
die de beiden mannen gevoerd hadden, lagen op de schrijftafel
van den Aartsbisschop, evenals „de Zuricher overeenkoipst"
en de verhandeling van Bullinger over de Sacramenten.
Deze zienswijze aangaande het belangrijke leerstuk kreeg bij
Cranmer de overhand; sedert dien tijd heeft zij op deleer
der Engelsche kerk haren onuitwischbaren stempel gedrukt. ^)
1) Het zou voorzeker de moeite waard zijn, om op grond van de in onzen
tijd overvloediger outsluten bronnen, de voortgaande ontwikkeling bij Cranmer,
wat betreft de AvondniaaUIe^r, aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
Het groote werk van den Aartsbisschop over het Avondmaal, tegen Gardiner
gericht, zou het uitgangspunt moeten vormen. (Verg. de mededeelingen bij
S t r y p e, p. 254, over bet ontstaan van het boek.) Ook nog op eene uiterl^k
408
Bereids in 1549, wellicht reeds ten tijde, dat La ski nog
als gast ten zijnent vertoefde, had Cranmer enkele Arti-
kelen der leer opgesteld. De zaak bleef daarop weder eene
poos rusten, totdat zij in het volgendejaar met nieuwen ijver
weder werd opgevat. In 1551 werden de Artikelen aan de
bisschoppen ter beoordeeling toegezonden. Terzelfdertijd, dat
onze La ski, tot herstel van zijne gezondheid, inhetzomer-
paleis van den Aartsbisschop te Londen [L: Croydon?] ver-
toefde, nam Cranmer kennis van de ingekomen adviezen,
onderwierp, naar aanleiding van deze laatsten, de genoemde
Artikelen aan eene nauwkeurige herziening, en zond ze in
hunnen gewijzigden vorm ter beoordeeling aan de vrienden
van Laski, nl. aan Sir Cecil en Sir Cheque, „de groote
leekepatroons der Hervorming aan het koninklijke hof.'' ^)
Door hunne tusschenkomst kwamen de Artikelen aan den
Koning in handen. Nog ettelijke maanden verliepen er, voordat
zij eindelijk als de zoogenoemde „42 Artikelen van 1553"
(1552) ^) kracht van wet ontvingen. Onder koningin Elisa-
both werden, zooals bekend is, deze geloofsartikelen aan
eene vernieuwde herziening onderworpen, en zagen zij ver-
volgens op nieuw, in de zoogenaamde „39 Artikelen", als de
belijdenis der Engelsche staatskerk het licht.
merkbare wijze had Ijaski bij dit voornaamste geschrift van den Aartsbisschop
z^jne hand geleend. Toen het bedoelde werk, dat oorspronkelijk in de Engelsche
taal geschreven was, door Sir Cheque in het Latijn vertaald werd (1558),
veranderde Laski de Latijnschc uitdrukkingen van den niet theologisch gevorm-
den vertaler in de gebruikelijke schoolsche termen. (Strype, p. 2G1.)
Waarschijnlijk was het Ilidlej, die, kort vóór de eerste komst van Laski in
Engeland, Cranmer met betrekking tot de leer van de Transsubstantiatie
het eerst aan het twijfelen bracht. Toen hij nog vicaris te Herne was, kreeg
Ridley het beroemde werk van Ratramnus over het Avondmaal in handen,
in hetwelk de stoutmoedige monnik van Corvej, in de Ue eeuw, zelfs de li-
chamel^ke tegenwoordigheid van den Heer in het Avondmaal verwerpt. Hij
deelde den inhoud van dit geschrift aan zijnen vriend Cranmer mede, die van
toen af de kerkleer begon te wantrouwen.
ï) Hard wiek, p. 73.
>) „Articles agrced on by the Uishoppes and other lenrned mennc in the
Synode at London in the yere of our Lord Goddo MDLII, for the auoiding
of controaersie in opinions and the establishement of a godlie concorde in cer-
teine matters of Religion." (Verg. den afdruk bij Hard wiek, p. 289.)
409
Hetgeen men bij de discussicn over het kerkrecht had
zien geschieden^ herhaalde zich bij de vaststelling van de
Artikelen. Zij vertoonen, al is het ook slechts in zwakke
mate, de sporen van den strijd tusschen de beide richtingen,
die in Ridley en Ilooper hare persoonlijke uitdrukking
vinden. Petrus Martyr en Laski ondersteunden Hoo-
per in zijne pogingen, om de door hem verdedigde zienswgze
te doen zegevieren, en haar eene uitdrukking in de Artike-
len te verschaffen. ^) Niet overal behield zij echter de over-
hand ; men troostte zich met de hoop op eenen beteren uitslag
in de toekomst. Het zou ons te ver doen afdwalen, indien
wij wilden aautoonen, hoe in de eerste jaren van koningin
Elisabeth deze hoop meer en meer ongegrond bleek te
zijn, '^) doch hoe dit er toe medewerkte, om de „Puritei-
nen" — in zeker opzicht de geestelijke zonen en erfgenamen
van Ho o per, — in hunne ontevredenheid over vele gebrui-
ken der Staatskerk te bevestigen.
IT. WERKZAAMHEID OP STAATKUNDIG GEBIED IX LONDEN.
Niet alloen op het kerkelijke gebied zien wij Laski, ge-
durende den tijd van ^ijn verblijf in Engeland, aan de ge-
beurtenissen aldaar deelnemen: bij den hooggaanden vloed
dier dagen word hij ook mede betrokken in politieke stroo-
mingen, tegen welke hij zich niet kon, en mogelijk ook niet
eenmaal wilde verzetten. Want het politieke was met de
kerkelijke?, het kerkelijke met de politieke gebeurtenissen in
die veelbewogen dagen op zulk eene wijze ondereengemengd,
dat aan een vreedzaam uit-elkander-houden van deze beide
sferen niet te denken viel, en dat, indien iemand op het eene
gebied eene invloedrijke positie innam, hij zich ook onver-
hoeds in de beweging op het andere gebied betrokken zag.
Inzonderheid het lid van eene familie, die bij de politieke
gebeurtenissen in Europa meer dan eens schitterend op den
'. H a rd w ie k, p. 06.
-I Kon Dauw keuriger inzicht in deze gebeartenisucn bieden ons de n^°'
nals,'* I, 53, 174 sq.
410
voorgrond getreden was, en wier naam op dit gebied in de
meest verschillende landen eenen uitnemenden klank had.
Het was niet geheel zonder grond, wanneer K a r e 1 V tegen
den drager van dezen naam, den superintendent in Oost-Fries-
land, argwaan koesterde; Laski kon voorzeker met een
goed geweten de verdenkingen van het Brabantsche hof te
dien aanzien, althans tot op den tyd van hot Interim, van
zich werpen. Daarna echter moest hem. zulks toch moeielijk
vallen. De, naar 't schijnt, helaas verloren geraakte brief
van den koning van Polen, in welken Sigismund August
aan zijnen landsman de getuigenis geeft, dat deze bij hem
nooit iets tegen den Keizer beraamd had, zou voor ons van
het hoogste belang zijn. ^) Gewis, persoonlijk mot hem had
Laski eenig plan van dien aard wel niet beraamd; maar
hij droeg alleszins kennis van de onderhandelingen, die ten
doel hadden, om den koning van Polen voor den vorstcnbond
te winnen, en het schijnt ook, dat hij in deze onderhande-
lingen min of meer do hand gehad heeft.
Wij hebben reeds vermeld, hoo Laski de eerste terugreis
van Londen naar Emden in gezelschap van graaf Vol rad
van Mansfeld volbracht, die juist in den kring, welke onzen
vriend het naaste was, krachtige pogingen in het werk ge-
steld had, ten einde Engeland over te halen, om zijdelings
of rechtstreeks aan den vorstenbond deel te nemen. Waar-
schijnlijk reeds in deze kringen werd Laski in de geheime
onderhandelingen ingewijd ; want van uit Oost-Friesland kan
hij reeds, aangaande den verderen loop dier onderhandelin-
gen op het vasteland, aan den Primaat berichten voor den
hertog van Somerset doen toekomen. De daarop in den zomer
van 1549 gevolgde, nog niet geheel opgehelderde, raadsel-
achtige reis naar zijn vaderland, naar Dantzig; het verblijf
gedurende verscheidene weken te Koningsbergen, terwijl men
zou hebben gemeend, dat zijn post, in die moeielijke dagen,
enkel en alleen in Oost-Friesland zijn kon; zijne bekendheid
met het cijferschrift, van hetwelk do hoofden van den vor-
») Kuyper, II, C39.
411
stenbond zich, tot meerdere geheimhouding van hunne be-
doelingen, bedienden; zoo menige ontcijferde plaats in brieven
uit die dagen: dit een en ander geeft ons grond voor het
vermoeden, dat hij van al doze geheime verrichtingen kennis
droeg, en dat men voor het vervolg bepaald op zijne mede-
werking rekende. Als broed(ïr van den beroemden diph)maat
Laski, moest hij wel met de staatkunde van het Poolscho
hof vertrouwd zijn; bovendien had hij zich nu oen halfjaar
achtereen in do dichtste nabijheid van die mannen in Enge-
land opgehouden, in wier sterke hand het bestuur deslands
berustte !
Toen nu Laski voor de tweede maal, als een soort van
banneling, naar Engeland ging, reisde hij met bopaalde vol-
machten van de hoofden van den vorstenbond. Reeds gedu-
rende zijn verblijf te Koningsbergen, den 3'l<^" Juni 1550,
had hertog Al br echt van Pruisen hem als zijn gezant bij
den Lord-Protector geaccrediteerd. ♦) In December 1551
zond hertog Johan Albert van Mccklenburg, de ijverige
voorstander van den vorstenbond , den vrijheer J o a c h i m
Maltzan als zijnon gezant tot Eduard VI; daar hevige
stormen den gezant verhinderden, uit Ilarburg uit te zeilen,
vertrouwde deze zendbode de vervulling van zijnen last aan
onzen Laski toe. '^) Allereerst kwam het er op aan, do
Engelsche regeering in zooverre voor het streven van den
vorstenbond te winnen, dat zij zich b(;rcid verklaarde, door
het verstrekken van geldmiddelen te zorgen voor luït onder-
houd van een bepaald aantal troepen, di(ï hertog Albrecht,
zonder opzien te verwekken, aanwerven en gereed houden
zou voor het geval, dat d(j oorlog mocht uitbreken. Laski
onderhandelde daarover met den Primaat; hij verzocht om
50,000 thalers gedurende driejaren. Het antwoord, dat reeds
^ „Calcndar Forcign.", p. 4S. In h':t bedortldn or-hrijveii iiof;int rJe liirrtog
on7«n Laski oenen even eerlijkrn en oprechten, als door bijzondrre bekwaam-
heid uitstekenden nieo<«rh, aan wien de Lord-i'roteetor zijn volkomen vertrou-
wen kon schenken, en met wien hij op eene gelijke wijze kon onderhandeJen,
aUof hij zelf aanwezig was.
') Ib., p 205.
412
in Juli 1550 volgde, laidde voor dit jaar afwijzend. ^) De
Koning, zóó werd gezegd, had reeds aan graaf Y o Ir ad van
Mansfeld en Hans von Heideck voor een gelijk doel gelden
gegeven. ^) Maar niettemin verklaarde de Koning zich be-
reid, om in het volgende jaar eenen zeer belangrijken onder-
stand te verleenen, ingeval de hertog van Pruisen en de
markgraaf van Brandenburg beloven wilden , dat zij met
vereende krachten den koning van Engeland bg zijn dingen
naar de Duitsche keizerskroon, bij gelegenheid van de eerst-
volgende verkiezing, zouden ondersteunen. ^) Verdere onder-
handelingen in den loop van den herfst deden Laski bespeuren,
dat men méér kans had van slagen, wanneer het aanzoek
niet door één der vorsten in het bijzonder, maar door den
gezamenlijken vorstenbond, en wel schriftelijk en in het geheim,
niet door een gezantschap, gedaan werd. Als zulke verbonden
vorsten noemt Laski, in zijn scjirijven aan zijnen lastgever,
behalve dezen laatsten zei ven, den markgraaf van Branden-
burg, de hertogen van Pommeren, de zeesteden en mogelijk
ook nog den koning van Denemarken, aangaande wien hij
wist, hoe groot eene moeite zich bepaaldelgk hertog Johan
Al br echt van Mecklenburg gaf, ten einde hem voor den
vorstenbond te winnen. De raad van Laski, dat men ge-
meenschappelijk te werk zoude gaan, vond bijval; de loop
1) Kuyper, IT, 642.
^) Ook door deze ondersteuning was het mogelijk geworden, in het stift
Bremen eene legermacht van 4000 man voetvolk en 300 ruiters bijeen te bren-
gen. Verg. Raam er (1857), S. 90.
3) Kuyper (II, 643) wijst er op, dat uitsluitend op deze ucne plaats zulk
een wensch des Konings, of wellicht ook slechts van zijne raadslieden, voor-
komt, maar dat het bericht zelf in allen deele geloofwaardig is. Kanke
(V, 160) schrijft de geldelijke ondersteuning, die Johanncs Heideck en graaf
Vülrad van Mansfeld van Engeland erlangden, aan Laski's tusschenkomst toe,
en kenschetst haar als de eerste terugwerking van de verandering, die aldaar
op godsdienstig gebied had plaats gegrepen. Het bewijs daarvoor kan ik niet
vinden. De gelden werden bewilligd, juist toen Laski zich voor de tweede
maal naar Engeland begaf. Graaf Volrad zelf had, een half jaar te voren, met
gunstig gevolg de voorbereidende stappen daartoe bij den Lord-Protector ge-
daan. Het is mogelijk, dat Laski daarbij de behulpzame hand geleend heeft;
in hoeverre, is echter niet duidelijk. Geen enkele plaats in zijne brieven be-
vat dienaangaande ook maar de geringste aanduiding.
413
der gebeurtenissen echter had, in het voorjaar van 1551 ,
onverwachts zulk eenen beslissenden keer genomen, dat wij
onder de gemeenschappelijk ageerende vorsten eenen man op
den voorgrond zien treden, van wien noch La ski, nóch
over het geheel waarschijnlijk iemand in het vorige jaar zulks
gedacht had.
In Februari 1551 waren keurvorst Maurits en Hans
van Brandenburg in Dresden bijeengekomen, ten einde een
mondgesprek met elkander te houden. De Markgraaf had de
uitnoodiging aanvankelijk gewantrouwd, en gemeend, dat hem
een strik werd gespannen; maar den 20s*en Februari was
reeds eene schriftelijke overeenkomst tusschen hen beiden
tot stand gebracht. Keurvorst Maurits had zijne zaak van
die des Keizers losgemaakt; nu wilde hij weder frank en
vrij, tot handhaving van den godsdienst volgens de Augsburg-
sche confessie, land en volk in de waagschaal stellen. Hij
bleef allerminst werkeloos; de geheele zaak was toch ook
zoo in alle opzichten een kolQe naar zijne hand, want van
geheime plannen ging zijne ziel voortdurend zwanger. *) Een
vierendeel jaars later kwamen de beide bondgenooten ander-
maal, thans te ïorgau, bijeen, ten einde nader met elkander
te beraadslagen ; aan deze bijeenkomst namen ook deel hertog
Al bert van Mecklenburg en Wilhelm van Hessen, de oudste
zoon van den Landgraaf, welke laatste nog altijd gevangen
gehouden werd. Men besloot, zich tot Frankrijk en Engeland
te wenden met het verzoek om hulp, voorloopig in den vorm
van onderstandsgelden. Ten behoeve van de onderhandeling
met Engeland werd, ten einde zooveel mogelijk alle verden-
king van de zijde des Keizers te voorkomen, een tamelijk
onbeduidend man, een van de geheimschrijvers van keurvorst
Maurits, met name Füss, naar Londen gezonden, aan
wien echter in zijne instructiën werd gelast, enkel volgens
de voorschriften van Laski de onderhandelingen met den
Koning te voeren. Deze consideratie („Bedenken") der Tor-
gausche bondgenooten, gedagteekend van den H^cn Juli, is
1) Ranke, V, 175.
414
ons bewaard gebleven. ') Terwijl in de gelijktijdige onder-
handelingen met Hendrik II van Frankrijk de staatkundige
overwegingen op den voorgrond geplaatst werden, moest daar-
entegen aan het Engelsche hof de meeste nadruk gelegd
worden op de kerkelijke belangen, die door de politiek des
Keizers bedreigd werden, en op de vrijheid van het Duitsche
volk, welke door den Spanjaard werd aangerand. *^) Buiten
medeweten en toestemming van Laski mocht de gezant vol-
strekt niets ondernemen, ja, indien Laski het raadzamer
keurde, moest Füss zijne volmachten aan hem afstaan, en
deze laatste alsdan, hetzij persoonlijk^ hetzij door tusschen-
komst van den Lord-Protector, met den Koning in onderhan-
deling treden. Het verzoek had de strekking, om onder-
standsgelden te verkrijgen voor het werven van troepen; de
berekening was opgemaakt voor 8- a 12,000 man, voor welke
maandelijks 56- k 88,000 gulden gevorderd werden. ^) Eene
som van 300,000, of, indien dit niet mogelijk was, dan al-
thans van 200,000 kronen, als voorschot voor een paar
maanden, wenschte men, dat, in geval van eene gunstige
beschikking, in Hamburg of in Dantzig werd gedeponeerd.
Bijaldien Laski echter van meening was, dat het voorstel
vruchteloos zgn zou, moest de gezant de gcheele zaak laten
1) Afgedrakt bij Langen n, II, 828.
2) „Nemlich es solle der Geschickte (Füss) sich bei dem Hernn Lasco
angeben, and Ime von unser der Chur und Fürsten wegen, ncben geburender
unsers gunstigen und genediges grus vormeldang, ufs vertraulichstc und In
hochster Geheim vormelden, Nachdem Ime unverborgcn, was gestalt nan eine
lange Zeit her anscre heil. christliche Religion der Augspurg. Confession und
die vorwandten stende derseibcn, durch die widerwertigcn unserer Lehr und
bekenntnusz verfolget, betrübt und In viel wegc zum Hochsten beleidigt wor-
den, auch der augcnschein und teglichc erfarung gibt, das man fcrrer damit
umbgehe, diesclben Evangelischen Stende soviel deren noch der Augspurgischen
Confession vorwantt und durch Gottes Gnade darbey zuvorharren gedenken,
follents zu bekricgen und gentzlichen auszureuttten, darzu auch nebendcmc die
Hochlöbliche hergebrachte freiheit der Teutzschen Nation unsers vaterlandts
In ein knechtische Servitut und Dinstbarkcit zu bringcn das man also der
christlichen Religion und der freiheit zu gleich , in Hochster und cusserster
gefahr stehen muste."
3) Van den koning yan Frankr^k verzocht en Tcrkreeg men eene maande-
lijksche bgdrage van 100|000 kronen (Langen n, I, 479).
415
rusten en het diepste stilzwijgen dienaangaande in acht nemen.
Den 14den September kwam Johannes Füss te Lon-
den aan, en vervoegde zich ten huize van Laski; bijkans
te gelijk met hem kwamen er brieven van den hertog van
Pruisen, in welke onze vriend om zijnen bijstand in parti-
culiere aangelegenheden van den Hertog met de Engelsche
regeering verzocht werd. ^) Laski had er geen bezwaar tegen,
het verzoek der Vorsten aan den Koning voor te stellen;
Cranmer gaf hem den raad, de aangelegenheid van den
hertog van Pruisen voorshands te laten rusten, totdat deze
meer gewichtige zaak zou zijn afgehandeld. Vier weken daarna
was men met de ernstige behandeling der zaak zóó ver ge-
vorderd, dat het aanzoek der Vorsten aan den jongen koning
kon worden voorgesteld. Door tusschenkomst van den Lord-
Protector, en waarschijnlijk ook in zijne tegenwoordigheid,
had de audiëntie, den 13<ien October, plaats in Hampton Court,
het prachtige koninklijke slot, dat kardinaal Wolsey, eerst
weinige jaren te voren, had laten bouwen en aan zijnen koning
ten geschenke gegeven had, en alwaar koning E du ar d nog,
sedert het uitbreken van den vreeselijke ziekte in het mid-
den van don zomer, zijn verblijf hield. Het blijkt niet met
zekerheid, of Laski bij de audiëntie tegenwoordig geweest
is, of mogelijk zelfs — wat echter volgens enkele aanduidin-
gen niet waarschijnlijk is, — van zijn recht heeft gebruik
gemaakt, en hij de zaak geheel alleen vóór den koning be-
pleit heeft; slechts dit staat vast, dat de fraai gestileerde
Latijnsche rede van den gezant geheel uit de nu ook diplo-
matisch geoefende pen van Laski gevloeid is. ^) In den
aanhef der rede wordt nadruk gelegd op de gemeenschappe-
') Van hoedanigen inhoud het verzoek van den Hertog was, is niet ge-
noegzaam duidelijk. Kuyper zegt (II, G67): „Aut simpliciter de nummis
mutuandis, aut de pctitionc quadain intcllige, ut Duci Prussiae Conuiliarii An-
gliae Regis titulus cum stipendio deferretur, ut hand ita raro tune ficri solebat."
2) Het originctrl der rede, door Laski zeiven geschreven, maar met kleine
toevoegsels van vreemde h«ind voorzien, wordt in het staatsarchief te Berlijn
in eenen belangrijken akten-bundel bewaard. Zij is, voor zoover ik weet, nog
nergens gepubliceerd, en, naar 't schijnt, heeft ook nog geen enkel historie-
schrijver, zoover ik kan nagaan, van deze rede gebruik gemaakt.
416
Igke godsdienstige belangen en op de verplichting, die daarait
ontstaat, om elkander wederkeerig bijstand te bieden, ten
einde alle ondernemingen van den Vorst dezer wereld, in de
gedaante van den Roomschcn Antichrist, te verijdelen. ^) In
den verderen loop der rede wordt niet verzuimd, den konink-
lijken jongeling te wijzen op koning Josia, het voorbeeld,
door Cranmer hem weleer voor oogcn gesteld, en dat den
Koning sedert lief was geworden. In dezen tijd, zoo ging de
spreker voort, komt het er op aan, de gemeenschappelijke
belangen door een onderling verbond, zoowel openlijk te
erkennen, als ook te bevestigen. Dat de bondgenooten op
zulk eenen verren afstand van elkander wonen, behoeft niet
als eene verhindering te worden beschouwd ; die bestaat niet,
waar het de levende leden van écn en hetzelfde lichaam van
Jezus Christus betreft. Ja, juist de tegenwoordige ervaring,
wat belangt het bondgenootschap van de Perzen met den
Keizer tegen de Turken, leert, dat zulke vriendschappelijke
verbintenissen, ook op verren afstand, nuttig konden zijn.
Uit dien hoofde wenschten de Vorsten, eene christelijke
bondsbetrekking met den Koning aan te gaan. Hier viel de
Koning den spreker in de rede, en antwoordde, dat hem
zelven niets wenschelijker en aangenamer zijn zou^ daar zijn
geheele streven er op gericht was, om door den waren gods-
dienst de eer van God en den vrede van Christus' kerk en
van hare zuivere godsvereering te herstellen en te bescher-
men. Te dien einde, zóó vervolgde daarop weder de gezant,
komt het er op aan, een vast, op deugdelijke grondslagen
berustend verbond te sluiten; zijne zending heeft ten doel,
om hetzij daarop betrekking hebbende voorslagen des Ko-
nings te ontvangen, of die van zijne lastgevers ter tafel te
brengen. In het laatstgenoemde geval is het buiten kijf, dat,
indien men tot eenen oorlog om des geloofs wille bereid is,
twee dingen gevorderd worden , nl. eene geduchte krijgs-
toerusting en daarbij nochtans eene strikte geheimhouding
dienaangaande. Vele duizenden soldaten , alsmede een zeer
1) Het andere, hierboven Termelde punt, nl. wat betreft de bedreigde vrijheid
der Diiitsche natie, heeft Laski raadzaam geoordeeld, om achterwege te laten.
417
aanzienlijk oorlogsmateriaal worden er vereischt. Desniettemin
verlangen de Vorsten, ten einde niet onredelijk te schijnen,
van den Koning slechts 400,000 thalers, als toereikend om
12,000 man voetvolk gedurende vier maanden te onderhou-
den; van den anderen kant beloven de Vorsten, dat zij den
Koning, indien hij soms mocht worden aangevallen, een
geiyk aantal troepen ter beschikking zullen stellen, en ver-
klaren zich bereid , te dezen aanzien voldoenden borgtocht te
stellen. Wat betreft de geheimhouding van het dool der toe-
rusting, beroepen de Vorsten zich op de overeenkomsten,
die de hertog van Pruisen, drie jaren te voren, met Ij a s k i
gesloten had ^).
Ook aan het slot der rede schonk de Koning zijne goedkeu-
ring, en verklaarde, dat hij eenen gevolmachtigde zou benoe-
men, ten einde verder over de zaak te handelen; de gedane
voorstellen moest de gezant in schrift achterlaten. De onder-
handeling had intusschen niet zulk oen snel en voorspoedig
verloop, als men had mogen verwachten na het zoo hoogst
gunstig onthaal, dat de zaak bij den Koning gevonden had.
Het was ócne van de laatste handelingen, tot welke de in
zaken der regeering bijkans alvermogende Lord-Protector, de
zoo kloeke beschermer der Protestanten, zich ambtshalve
geroepen zag. Slechts vier dagen later, don 17*^'-''» October,
was het aan de tegenstanders van den hertog van Somerset - -
onder aanvoering van den Earl of War wiek, die eerst
kort te voren tot de waardigheid van Hertog van Northum-
berland was verheven geworden, — gelukt, den oom des
Konings in ongenade te doen vallen. In den Tower geworpen,
verwisselde de groote man zijne gevangenis nog slechts met
het schavot; den 22"»^^'" Januari 1552 werd hij onthoofd '^).
Met den hertog van Somerset was een machtige en warme
voorspraak voor de ontworpen verbintenis gevallen. Toch was
1) Het zijn niet ten voUc drie jaren (Juli }oVJ; verg. overigens ook : „Calen-
dar. Foreign.", p. G()). De overeenkomst, insgelijkb door Laski'o hand gCHchrcvcn,
is aan den boven vermelden aktenbundel toegevoegd; een nauwkeurig afschrift
ligt vóór mij.
»i Burnct, II, 2Ö4.
DALTON. 27
418
zij nog niet opgegeven. Acht dagen na de gevangenneming
van den Lord-Protector toekent de Koning in zijn dagboek
aan, dat hij de Lords heeft bijeengeroepen, en op hunnen
raad de beide geheimschrijvcrs Petre en Sir Cecil heeft
belast met de taak, om zich met den gezant in gemeenschap
te stellen, en nadere inlichtingen aangaande den Vorstenbond
in te winnen ^). Onder zulke ongunstige omstandigheden (te
gelijk met den Protector waren ook Lord Paget, voorts
nog drie van de voornaamste raadsheeren en veertien andere
aanzienlijke mannen in ongenade gevallen) kon de onderhan-
deling, die toch ook niet met den rechten ijver gevoerd werd,
slechts langzaam vorderen. Nog in het begin van December
heeft La ski niet alle hoop opgegeven ^): hij merkt op, dat
de zaak den Koning ter harte gaat, en dat deze begint aan-
spraak te maken op zelfstandigheid, terwijl hij meer en meer .
blijken geeft, een eigen wil te bezitten.
Voor den gezant F ü s s duurde het intusschen te lang, om
het einde der onderhandeling af te wachten. Den 20»*^^
November ontving hij zijnen reispas; tijdens zijne afwezig-
heid — Füss was destijds van meening, in het voorjaar te
zullen terugkeeren, — moest La ski zijne bemoeiingen tot
sluiting van het verbond voortzetten. Maar de gezant kwam
toch nog niet weg, en La ski had om zijncntwil nog verdere
verdrietelijkheden. Kort vóór de afvaart was de dienaar van
Füss in twist geraakt met den gezagvoerder; het was tot
dadelijkhedcn gekomen, de dienaar had met de sabel er op
ingehouwen en den scheepsjongen eone wonde aan het hoofd
toegebracht. Naar aanleiding daarvan was de dienaar, maar
ook zijn heer, in de gevangenis geworpen, en La ski moest
bij Sir Cecil pogingen doen, om zijne invrijheidstelling te
verkrijgen. Eerst den 12dcn December keerde Füss te scheep
over Hamburg huiswaarts. Laski haalde ruimer adem ^).
Maar reeds was er met betrekking tot dezelfde aangelegenheid
') Ibid., IV, 222.
*) Kuyper, II, 666.
^) Ibid., p. C6-1: ,,Patabam me jam forc liberum a molestiis istis aulicis,
posteaquam causa legati absolata jam esset."
419
nieuwe moeite in aantocht, en intusschcn moest onze arme
vriend tehuis zijne getrouwe echtgenoote langzaam zien weg-
kwijnen. Terwijl Füss te Hamburg voet aan land zette,
bevond zich, niet verre van daar, in Harburg, de vrijheer
Joachim Maltzan. Hertog Johan Albrecht van Mcok-
lenburg was nu ook tot de nieuwe overeenkomsten met keur-
vorst Maurits toegetreden, en zijn vertrouweling Maltzan
kreeg in last, zich naar Engeland te begeven, ten einde
aldaar voor het verbond werkzaam te zijn. ïoen het schip
twintig mijlen van Harburg verwijderd was, werd het door
zulk eenen geweldigen storm beloopen, dat het in allerijl
naar de veilige haven terugkeerde; de staatsman, die zich
waarschijnlijk op zee niet bijster tehuis gevoelde, had geen lust,
andermaal in den wintertijd den overtocht te wagen, en ver-
trouwde de waarncjtning van zijne zending aan L a s k i toe *).
Bij deze onderhandelingen, die, ten gevolge van het dralen
en weifelen der Engelsche regecring, door de gebeurtenissei^
achterhaald werden en alzoo vruchteloos bleven, verdient
het inzonderheid de aandacht, dat onze vriend zich enkel
met hare leiding belastte in de hoop, dat hij door het
genoemde verbond wiïllicht zou kunnen bevorderlijk zijii aan
de heilige zaak, aan welke hij gewillig en met vreugde zijn
geheele leven had toegewijd. Ook hier heeft hij getoond,
dat hij rijkelijk met diplomatieke gaven was toegerust, en
dat, indien hij met deze gaven gewoekerd had, hij waar-
schijnlijk in de wereld een niet minder aanzienlijken rang
zou hebben verworven, dan zijne broeders. Hetgeen hem
echter zoo beminnelijk en achtenswaardig maakt in ons oog,
het is, dat hij niettemin slechts een arme di(?naar van Chris-
tus zijn >vil, bereid. Hem overal te dienon, waarh(inen het
den Heer ook behagen mag, hem te zenden. Wij hebben
reeds doen uitkomen, hoe hij uit dien hoofde het andc^rc; mo-
ment, nl. wat betreft de bedreigde vrijheid van het Duitsche
volk, in zijne boodschap aan den Koning achterwege liet : hij
achtte zich niet geroepen, als pleitbezorger voor haar op te
*j „Caltndar. Foriign.," p. 'ZOo.
420
treden; al zijne kracht behoorde aan de Evangelische kerk,
als aan het rijk van Christus op aarde. Deze standvastige,
vrome gezindheid sprak hij ook duidelijk en onbewimpeld uit
voor de ooren der verbondene vorsten, met name in het
schrijven, waarin hij hun bericht geeft aangaande do vol-
voering van den hem opgedragen last. Denkelijk zijn niet
vele gezantschapsberichten in oenen dergelijken geest van
ernstig vermaan opgesteld, en de vroolijke keurvorst Mau-
rits, die schertsend beleed, dat hij niet veel bad, zal mogelijk
bij de vermciningen van den gezant wel een weinig geglim-
lacht hebben, als hij in het bericht o. a- de zoo innig-ware,
mannelijk-vrome woorden las: „Indien overigens in deze ge-
heele zaak iets anders wordt nagejaagd, dan de handhaving
van de Evangelische en Apostolische leer, en de onderHnge
verzoening van de kerken, die deze leer belijden, dan vreeze
ik , dat wij met deze onze plannen ons eerder den ondergang
berokkenen, dan onze zaak bevorderen. Ik twijfel in geenen
decle aan uwe vroomheid; maar wanneer ik aan vroegere
voorbeelden bij soortgelijke raadslagen gedenk, dan acht ik
het geenszins overbodig, de aandacht hierop te vestigen, opdat
wij ons toch door de voorbeelden van anderen laten waar-
schuwen en zorgvuldig toezien voor ons zelven. Dit is zeker,
God laat zich niet bespotten, en Hij duldt niet, dat wij zijnen
heiligen naam tot dekmantel onzer begeerlijkheden gebruiken.
Wanneer wij er op bedacht zijn, ons menschelijken bijstand
te verschaffen, doch met terzijdestelling van de zorg, om ons
met God te verzoenen, tegen wien wij zoo ernstig misdreven
hebben, waarlijk, dan Aveet ik niet, of wij in onze raad-
slagen niet veelmeer onze eigene eer, dan die van God be-
doelen. Och, dat er tot dusver zooveel ijver en vlijt aan den
dag ware gelegd , om met God verzoend te worden , als er
moeite gedaan is, om hulp van menschcn te verkrijgen, dan
zouden zonder twijfel zoowel de geschillen in de leer, die wij
nog altoos in de gemeenten zien bestaan, ja, die wij dagelijks
zoozeer zien toenemen, zijn bijgelegd, als ook het rechte ge-
bruik van de kerkelijke tucht reeds voorlang zijn ingevoerd." *)
1) Kuyper, II. 068.
421
De door Laski gevoerde onderhandelingen, met betrekking
tot welke hij zijnen vriend, den Aartsbisschop, voortdurend
op de hoogte hield, deden bij Cranmer weder den ouden
lievelingswensch ontwaken, om de voornaamste geestelijke
loidslieden der Evangelische kerk te verzamelen, ten einde
met vereende krachten het hoofd te kunnen bieden aan de
Roomsche kerk, die hare geschokte krachten juist onlangs
te Trente met nieuwen ijver begonnen was te vergaren, en
wier geestelijke aanvoerders van nu voortaan in de kort te
voren gestichte Jezuïeten-orde met stouten, vastberaden tred
in het strijdperk traden. Laski schonk aan het genoemde
plan zijnen vollen, onverdeelden bijval: oneindig veel belang-
rijker dan de Vorstenbond, en daarbij dringend noodzakelijk
achtte hij een verbond van de mannen der Kerk, die met
terzijdcstelling van de betrekkelijk geringe dogmatische ver-
schilpunten, bereid waren, om het rijk des Heeren met
vereende krachten tegen de lioomsche kerk te verdedigen.
Cranmer wendde zich wederom tot de mannen, die hij
reeds twee jaren te voren had uifgenoodigd, om naar Engeland
over te komen. Bullinger, Calvijn en Melanchthon
werden met schier gelijkluid(Mide bewoordingen dringend
aangezocht, om hetzij in Engeland, hetzij ergens elders
bijeen te komen tot het houden van eone soort van anti-
Trentsche synode '). Aan magister Philippus wordt in
herinnering gebracht, op wolk eene schromelijke wijze de
oneenigheid op godsdienstig gebied, inzonderheid wat betreft
de leer van het Avondmaal, de kerken van elkander ver-
wijderd had, en hoe de Smalkaldische oorlog niet zou zijn
uitgebroken, indien men dezen strijd tijdig had bijgelegd.
II(ït antwoord van Melanchthon heb ik niet kunnen
vinden '-), evenmin als dat van Bullinger, van hetwelk
Calvijn noi'htans gewaagt. Tn^ffend is het antwoord van
den laatstgenoomde. Al moest hij ook, zóó schreef hij,
twintig zeeön doorschepen, hij ztiu er zich niet door laten
wec^rhouden, indien hij van eenig nut kon zijn. Zelfs indien
«, „Original." p. 23- 2f..
*; De briff van Cranmer is afgedrukt bij Melanchthon, VII, 970.
422
het (laarbij uitsluitend de belangen van Engeland gold, zou
licra dit reeds eene voldoende reden zijn om over te komen ').
Desniettemin moet Cranmer, in den herfst van 1552, aan
Calvijn berichten, dat de zaak mislukt is. Melanchthon
had tot dusver nog in het geheel niet geantwoord, en 13 ul-
lingcr achtte de tijdsomstandigheden voor het oogenblik te
hac;helijk ^), dan dat, naar zijne mcening, iemand lust zoude
gevoelen, zijne vaderlandsche kerk in den steek te laten. ^)
Naar C r a n m e r's meening, wel is waar, was het plan slechts
tot eene gelegener stonde verschoven; hij zelf echter mocht
zulk een tijdstip niet meer beleven.
III. DE VREEMDELING-GEMEENTE IX LONDEX.
Yan deze mislukte pogingen om aan de dreigend opkomende
contra-lieformatic tijdig het hoofd te bieden, van de diploma-
tieke beslommeringen van onzen vriend, van dewelke hij zelf
zich zoo gaarne zou hebben ontheven gezien : van al deze werk-
zaamheden, die hem zoo veelvuldige teleurstelling baarden,
wenschcn wij reeds lang onzen blik te mogen afwenden, om
dien gedurende eene wijle op een lichtpunt in die onstuimige
dagen, op het glansrijkste punt van La ski's werkzaamheid
te laten rusten , alvorens de verdere loop der geschiedenis
ons tot do beschouwing van zijne smartelijkste ervaring doet
overgaan. Wij willen onzen hervormer een bezoek brengen,
ditmaal niet in zijne nederige woning, maar in het bewon-
derenswaardige gebouw, dat hij in de organisatie zijner ge-
meente gedurende zijn driejarig verblijf in Engeland heeft
opgetrokken. Hij heeft het ons gemakkelijk gemaakt, om,
in weerwil van de lange tusschenHggende tijdruimte, met
') Calvijn, XIV, 3M.
-) Wij hprinnercn ons, dat, in de maand Maart, keurvorst Maurits zijnen
krijgntocht togen Karel V begonnen had; den 4den April hield hij zijnen zege-
vierenden intocht in Augsbnrg, omstreeks terzclfdertijd Hendrik II in Mctz.
Gekweld door de jicht en in hulpeloozen toestand bevond Karel V zich te
Insbnick; nog vier bange maanden dnurde het, alvorens het verdrag van Passau
gesloten werd.
«; Calvijn, XIV, 87ü.
423
het leven en streven in de gemeente nauwkeurig bekend
te worden. Zijn voornaamate geschrift geeft ons daarvan
eene uitvoerige beschrijving. ^) Van den discipel, dien Jezus
liefhad, verhaalt eene vrome legende zoo schoon en zinrijk,
dat uit den graf heuvel, onder welken men zijn stoffelijk
omhulsel had ter ruste gelegd, nog na tientallen van jaren
een liefelijke reuk is opgestegen, zoet als rozengeur. Want
ook het lichaam van den jonger, die blijft, totdat de Heer
komt, is, volgens do legende, geenszins tot stof en asch
vergaan. Zoo kan men ook van onvergankelijke geschriften
spreken, uit welke een lang vervlogene tijd ons telkens
bezielend te gemoet treedt, en tintelend van leven ons begroet.
De lievelingsarbeid van onzen vriend behoort tot deze uit-
verkorene getuigen der Hervorming: zoo menigmaal wij in
het boek bladeren en lezen, is het ons, alsof de frissche
levensadem van die groote, onvergetelijke dagen ons daaruit
te gemoet komt, en onder het lezen gevoelt ons hart zich
verruimd, evenals bij de onvergankelijke meesterstukken van
eenen Luthor en ecMien Calvijn. In dat bock, hetwelk
aangaande zijne lievelingsschepping getuigenis geven moest,
heeft Laski dan ook geheel zijne vrome, oprechte ziel uit-
gestort; wij mogen zeggen, dat hij het genoemde geschrift
met zijn hartebloed heeft geschreven, ja, het is ons, als ver-
nemen wij hier eene hymne ter eere van Christus, zijnen lieer.
Het kwam er op aan, zijne vreemdeling-gemeertte tegen valscho
beschuldigingen te vrijwaren , en aan de inrichting der ge-
meente, zooals die door onzen vriend geheel aan het Woord
Gods was ontl(M»nd, het recht van voortdurend bestaan te ver-
zekeren, alsof 't het eigene leven gold ; het kwam er op aan,
dit boek t(^ zenden naar het geliefde Polen, opdat het aan den
Koning, aan den Senaat, aan zijn volk verslag geve van het-
geen de verbannen Pool in den vreemde had verricht, wat
nuiér zegt, opdat het boek, evenals een vriend des bruidc^goms,
dinge naar de liefde» van het vaderland voor Christus, zijnen
^} „Furma nc ratio tuta ccclcsiadtici miuisti^rii in peregrinoruiu ecclesia,
institiita Londini in Anglia." (Zie: Kuyper, II, p. 1—277, en zijne scherp-
zinnige toelichtingen, 1, p. CII — CX.)
424
Heer. De drie begeleidende missiven, die hij aan het boekske
op zijne reis naar Polen medegaf, zijn een kostbaar bewijs
daarvoor. Aan het geschrift ontbreekt ongetwijfeld, gelijk
een kunstrechter zich zou uitdrukken, de laatste fijne schaaf.
Het is in eenen moeielijken, drukkenden tijd opgesteld; de
achtergeblevene naden en klinknagels getuigen daarvan op
ondubbelzinnige en treffende wijze, en doen ons het boek,
ook wat die enkele gebreken in den vorm betreft, liefhebben
en waardeeren. Laski heeft het geschrift nog in Londen,
ongeveer ten tijde van het overlijden van E du ar d VI, be-
gonnen, en het op zijne smartelijke vlucht van Engeland
naar Emden voortgezet; het heeft eindelijk het licht gezien
te Frankfort, ten tijde, dat Laski te midden van de
verstrooide overblijfselen van zijne voormalige vreemdeling-
gemeente in de stad aan de Main, alwaar zij eene wijkplaats
gevonden had , vertoefde. Aan de hand van dit boek is
het ons mogelijk, onzen vriend het gewenschte bezoek te
brengen, ten einde het leren en streven zijner gemeente
van meer nabij te leeren kennen. Brengen wij hem dat be-
zoek ongeveer in het voorjaar van 1553, op oenen tijd, dat de
verschillende inrichtingen der gemeente reeds tot meerdere
vastheid gekomen waren.
Op eenen Zondagmorgen wonen wij de godsdienstoefening
in de Jezus-kerk in Austin Friars bij. Het is negen uur in
den ochtend, de tijd van den voormiddagsdienst. Wij treden
binnen door de hoofddeur, boven welke het groote, schoone
Güthische vensterraam zich verheft. De inwendige ruimte is
heden ten dage nog dezelfde, als vóór 300 jaren ; de vreese-
lijke brand van Londen, in het jaar 1666, heeft deze kerk
gespaard. Wij herinneren ons, hoe er, na do afkondiging
van het koninklijke charter in 1550, maanden verhepen,
alvorens de gemeente zich voor goed in het bezit van het
gebouw zag gesteld, dewijl, zooals men voorwendde, het
koninklijke geschenk in eenen den gover waardigon staat
moest worden overgegeven. Het spreekt vanzelf, dat alles
A^erwijderd was, wat aan den Koomschen misdienst der
425
vroegere bezitters, de Augustijner-monniken, herinnerde, zoo-
als beelden, altaren, koorstoelen. Slechts de grafteekens, die
men onaangetast gelaten had, herinnerden en herinneren,
dat hier de stoffelijke o verbiyfsclen van Edmund, den stief-
broeder van Richard II, alsook die van den stichter van
het klooster, Humphrey Bohun, en van zijnen nakome-
ling, den beklagenswaardigen Edward Bohuu, hertog van
Buckingham, die in 1521 onthoofd werd, en van nog zoo
menig ander aanzienlijk personage rusten. *) Een klein op-
schrift aan drie geschilderde kerkvensters toont ons, dat ook
hier eene herstellende hand vroegere verwaarloozing weder
heeft goed gemaakt; het zijn de op het glas ingebrande
woorden: „Jesus Tëplo. 1550.'' '^)
Het teeken tot aanvang van de godsdienstoefening is ge-
geven, de gemeente is bijkans voltallig vergaderd, de prediker
betreedt den kansel. ^) Heden is het onze superintendent,
de ernstige, eerwaardige man met den witten baard, die in
dichte golven tot op zijne borst reikt. Met duidelijke, krach-
tige stem roept hij do gemeente op ten gebede ; wij bezitten
nog de innig stichtelijke woorden, *) die met het gebed des
Hoeren besloten werden. Daarop volgt hot zingen van oenen
psalm, zonder begeleiding van een orgel ; een paar leden der
gemeente, opzettelijk daartoe benoemd, stemmen het lied aan
en houden de wijs; de goheele gemeente valt krachtig in,
en allen zonder uitzondering nomen deel aan het gezang.
Vervolgens leest do prediker zijnen tekst af. Niet de eene
of andere oud-kerkelijke peiïcoop, ook niet een zelfgekozen
dool der Schrift, midden uit het verband genomen. In
doorloopendo volgorde worden geheele boeken der Heilige
») Knight, V, 166.
r *) Verg.: „Op Reis. Bladen uit de portefeuille van J. J. van Oosterzee.
Nieuwe, her/iene en vermeerderde uitgave. Te Leiden, bij A. W. Sythoir. 1873."
Blad/. 43 en verv. Ver t.1
ai
•V Do gewone uitdrukking, in het geschrift gebe/igd, is „snggestus", waarbjj
wij wellicht eerder aan een redenaarsgestoelte („Kednerpult"), dan aan eencn
kansel in den engeren zin des woord» te denken hebben.
*i Kuyper, II, H3. [Vergelijk het „Gebed vóór de leer van den Catechis-
mus," io de Liturgische geschriften onzer Nederl. Herv. kerk. Vert.]
426
Schrift uitgelegd, want de gemeente die geregeld aan de gods-
dienstoefeningen pleegt deel te nemen, moet met het geheele
Woord Gods vertrouwd worden. De prediker leest slechts
zooveel uit de Schrift als tekst af, als hij gedurende een uur
tij ds naar eisch meent te kunnen bespreken. Allereerst wordt
dit gedeelte der Schrift meer in het algemeen verklaard, ver-
volgens doet de dienaar des Woords die plaatsen dor voorgele-
zene pericoop nog nader uitkomen, aan welke hij inzonderheid
zijne stichtelijke vermaning wenscht vast te knoopen. La ski
heeft veel en gaarne gepredikt, zoodra hij slechts de vreemde
landstaal meester geworden was, hetgeen, bij de groote lin-
guïstische begaafdheid der La ski's, voor hem geen al te
zware taak was. Toen hij in Emden, uit hoofde van de vele
tegenkanting, die hij ondervond, zijn superintendentschap
had nedergelegd, kon hij niet besluiten, den kansel vaarwel
te zeggen, en bleef hij in de Groote kerk aldaar het predik-
ambt waarnemen. Tot ons leedwezen is ons geen enkele
proeve van zijn talent als prediker bewaard gebleven, terwijl
ook van andere zijde geen enkel oordeel dienaangaande tot
ons gekomen is. Wanneer wij echter den innigen, trouwhar-
tigen toon van goloovige overtuiging, van offervaardige ziels-
kracht, van de bereidwilligste toewijding aan Christus, zijnen
Heer, welke wij in zijne geschriften en brieven vaak op
aangrijpende wijze kunnen vernemen, tot ons binnenste laten
doordringen; wanneer wij ons dat woord bezield denken,
aan die gestalte met hare fonkelende oogen ontvloeiende ,
wier vaste trekken den Evangelisclien prediker kenbaar ma-
ken, die zich een goed krijgsknecht van Christus betoont,
dan mogen wij wel veronderstellen, dat het welsprekend
getuigenis zijne blijvende werking op de gemeente niet miste
en haar hare rijke en innige stichting liet vinden in eenc
verkondiging, die het Woord Gods, en enkel dit, met den
heiligsten ernst wilde verklaren, volgens onzen, meer vcr-
weekelijkten smaak, die den sentimcnteelen trant van het
Piëtisme niet kan te boven komen, wellicht oon weinig sclierp,
maar krachtig, ongekunsteld en alleszins geschikt, om cene
gemeente te kweeken, die in staat is, een zwaar martelaarschap
427
om den wille des Heeren te verdragen. Dat is méfr waard,
dan om fijngevoelige lieden in hunne kleine, allcdaagscho en
vaak ook ingebeelde smarten op zalvende wijze te vertroosten.
Onmiddellijk op de preek volgden bijzondere mededeelin-
gen aan de gemeente, bijaldien dezulke voorhanden waren,
en op deze dan weder het gebed om bewaring van den zegen
der prediking. Het is eene voortreftclijkc bede: „HeereGod,
onze Vader, die in de hemelen zijt! Nademaal uw Zoon,
Jezus Christus, slechts diegenen zalig prijst, die uw Woord
niet alleen hooren, maar het ook bewaren en onderhouden,
doch niemand onzer bij machte is, datzelve te onderhouden,
tenzij het door uwen Heiligen Geest in onze harten worde
ingeprent, zoo smeoken wij U: wil den Satan van ons we-
ren, opdat hij ons niet de leer van uw Goddelijk Woord,
welke wij vernomen hebben, op cenigerlei wijze ontroove.
Wil ook ons stcenen hart vermurwen en het overvloedig
bevochtigen mot den dauw uws Heiligen Geestes, opdat niet
de vruchten van uw Goddelijk Woord, door uwe genade in
onze harten opwassende, onverhoeds vergaan. Neem voorts uit
onze zielen weg de zorgen on bekommeringen dezer wereld,
die uit haren aard, gehjk aan de doornen, het zaad uws Woords
in ons binnenste dreigen te verstikken, en maak ons tot die
goede en vruchtbare aarde, in welke het zaad uws Woords
vruchten kan dragen, die l'wcr waardig zijn, tot eeuwigen
roem uws naams. Dat bidden wij van ir. Vader aller barm-
hartigheid, in den naam van uwen eeniggeboren Zoon, Jezus
Christus, onzen Heer. Amen."
Daarop roept de voorganger de gemeente op, om de ge-
boden Gods aan te hooren, die hij haar woordelijk volgens
de Schrift voorleest. Hieraan knoopt hij eene korte aan-
spraak vast, in welke hij de gemcionte wijst op hare zonden
en haar opwekt. God om schuldvergiifenis aan te roepen.
Deze opwekking baant den weg tot oon ernstig, aangrij-
pend boetgebed. ') Vervolgens verkondigt de leeraar aan de
J) Veel overLM;nkom!jt met dit k<''»'-«1 toont het „Oebed des Zondag» vóór de
predikatie,'* voorkomende onder do Liturgische geschriften onzer Ncderl. lïcrv.
kerk. Vert.]
428
boetvaardige gemeente plechtig de vergeving van hare zonden.
^Wij hebben de gewisse en ontwijfelbare belofte aangaande
den eeuwigen, onvcranderlijken wil Gods, dat Hij aan alle
waarlijk berouwhebbenden , die nl. hunne zonden erkennen,
en met beschuldiging van zich zelven zijne genade in den
naam van Christus, onzen Heer, inroepen, alle hunne zon-
den vergeeft en die volkomenlijk uitdelgt, en dat Hij die
voortaan nimmermeer wil gedenken. Doch wij hebben ook
de vrecselijkc uitspraak der Goddelijke gerechtigheid aan-
gaande allen, die de duisternis liever hebben dan het licht,
en die de genade, in Christus hun aangeboden, gering achten
en versmaden, dat aan die allen eene eeuwige verdoemenis
bereid is. — Zoovelen gij derhalve alzoo gezind zijt, dat gij,
overeenkomstig het gebed, hetwelk door ons werd opgezonden,
uwe zonden met schaamte en smart vóór het aangezicht des
Heeren belijdt, alzoo, dat gij, met do beschuldiging van u
zelven, van God, onzen hemelschen Vader, vergiffenis van
al uwe overtredingen afsmeekt en daarbij niet twijfelt, dat
ze u, om den wille van Christus en de verdienste van zijnen
dood, om-niet en volkomen vergeven worden, on gij ook
in uwe harten hot ernstig voornemen gevoelt, om voortaan,
door Gods genade, den ouden mensch in u met zijne lusten
te dooden, ten einde, naar de mate uwer zwakheid, in nieu-
wigheid des levens te wandelen: aan u allen, zeg ik, die
alzóó gezind zijt, verkondig ik, in vertrouwen op de beloften
van Christus, dat u alle uwe zonden in den hemel door God,
onzen Vader, in ieder opzicht vergeven zijn, om den wille
van onzen Heer en Zaligmaker, Jezus Christus, di(i geprezen
zij in alle eeuwigheid. Amen. — Degenen echter, die zich
in hunne zonden alzoo behagen, dat zij daarbij niet zoozeer
zich zelven, als wel veeleer do Goddelijke gestrengheid aan-
klagen, terwijl zij daarbij zich zelven ontschuldigen, of ook
zij , die wel op eenigerlei wijze ook zelven hunne zonden
erkennen, maar, met verachting van do weldaad van Chris-
tus, onzen Heer, in zijnen dood, andere middelen des heils
voor zicli verkiezen: aan deze allen wederom verkondig ik,
volgens het Woord Gods, dat alle hunne zonden hun gehou-
429
den zijn in de hemelen, indien zij zich niet bekeeren. —
Voorts, gelijk wij reeds door ons gebed openlijk verklaard
hebben, dat wij tot het getal derzulken geenszins behooren,
zoo willen wij thans hetzelfde nog daarenboven betuigen door
ons geloof met korte woorden te belijden." Dit laatste ge-
schiedt door verkondiging van de Apostolische geloofsbelijdenis.
Nu volgt het nagebed, eene rijke menigte van voorbeden
voor de kerk van Christus, die over den geheelen aardbodem
verspreid is, voor de kerken des lands en hare predikers, voor
Eduard VI, — („Gelijk Gij hem met uwe machtige hand tot
dusver voor zijne en uwe vijanden tevens beschermd hebt,
wil hem zoo ook verder beschermen en bewaren, en hem
daarbij met uwen Heiligen Geest leiden en regeeren, opdat,
terwijl uwc Goddelijke genade jegens hem van dag tot dag
met zijnen leeftijd toeneme, hij eindelijk zijn volk, onder
ons aller opperhoofd , Christus , alzóó kunne regeeren , dat
wij , door uwe gunst , onder zijn bestuur een stil en rustig
leven mogen leiden, in alle godzaligheid en eerbaarheid,
overeenkomstig uw Woord."), — voor het koninklijk huis
en de geheele regeering, voor het volk van Engeland, voor
de stad Londen, in het bijzonder voor de gemeenten der
vreemdelingen, voor alle koningen, vorsten en overheden,
voor allen, die, om den wille van hun geloof, vervolgd worden
en lijden — (»Wil hen vertroosten, zóó bidden wij IJ, Heer,
door uwen Heiligen Geest, de bron van allen waren troost,
in hunne droefenissen en onder hun kruis, en versterk van
Omhoog door uwe Goddelijke kracht hunne harten alzóó in
het ware geloof, dat zij al datgene, wat Gij over hen be-
schikt, geduldig en kloekmoedig en met dankzegging kunnen
dragen, en dat ?ij onverschrokken en standvastig den naam
van U en van uwen Zoon, zoowel door hun leven, als door
hunnen dood in uwe gemeente mogen verheerlijken ; of wil
hen uit hunne ellenden en droefenissen, naar den rijkdom uwer
genade, bevrijden, en hun kruis verlichten, indien Gij zulks
althans voor den roem van uwen aanbiddelijken naam en voor
de opbouwing van uwe kerk op cenigerlei wijze bevorderlijk
acht."), — en eindelijk weder in het bijzonder, tot besluit van
430
deze voorbeden, het gebed voor de lijdende, kranke, zwaar
beproefde leden der gemeente — („Verlaat hen niet, heilige
Vader, in hunne nooden, maar verlicht hun kruis, naar den
rijkdom uwer vaderlijke goedheid en barmhartigheid, of ver-
meerder hunne kracht en lijdzaamheid, opdat zij moedig en
standvastig al datgene verdragen, wat Gij, overeenkomstig
uw welbehagen, genadiglijk over hen beschikt of gehengt/').
„Zóó bidden wij U, o onze Vader, die in de hemelen zijt,
in het vast vertrouwen, dat wij dit alles, naar den rijkdom
uwer vaderlijke liefde en barmhartigheid, van U zullen ver-
krijgen , en in die hope roepen wij ootmoedig uwen heiligen
naam aan in het gebed, hetwelk uw cénig geliefde Zoon ons
heeft bevolen te bidden." Voorwaar , wel werd de gemeente
der vreemdelingen, onder het opzicht van onzen vriend, tot
eene biddende gemeente gevormd!
Op het gebed des Hoeren volgden dan op bepaalde Zon-
dagen het heilig Avondmaal, de Doop en de Huwelijksinze-
gening, wanneer er waren, die deze handeling begeerden.
Op den dag van ons bezoek mogen wij het treffen, dat de
drie heilige handelingen zich aan de voormiddagsgodsdienst-
oefening aansloten, of, juister nog, in haar waren opgenomen.
Allereerst alzoo de bediening van het heilig Avondmaal en
de voorbereiding tot deze plechtigheid.
Op eiken eersten Zondag van de maand wordt beurtelings,
hetzij in de Duitsche , of in de Franschc kerk , het heilig
Avondmaal bediend. Veertien dagen te voren wordt zulks
in de godsdienstoefening aan de gemeente bekend gemaakt,
en wordt zij daarbij uitgenoodigd, zich tehuis ernstig daarop
voor te bereiden. Deze voorbereiding, zóó wordt nadrukkelijk
herinnerd, heeft te bestaan in het nauwlettend onderzoek,
of wij de rechte kennis van God en van ons zelvcn deelach-
tig zijn; waarin deze bestaat, wordt aan de gemeente uit-
voerig voorgehouden. Daarop worden de leden der gemeente
uitgenoodigd, om alle wellicht voorhanden zijnde twisten of
verdeeldheden onder elkander bij te leggen, want wij zijn
geroepen, om, zooveel in ons is , vrede te houden met allen ;
431
ook is de maaltijd des Heeren een maaltijd van ons aller
onderlinge gemeenschap en vereeniging, niet van onderlinge*
oneenigheden en krakeelingen.
Dit alles echter was, in La ski's oog, nog geenszins
voldoende, om de heiligheid van het Avondmaal tegen allo
geringachting te beschermen. Wij hebben roods gezien,
welke voorzichtigheidsmaatregelcn bij de opneming in do ge-
meente, en mitsdien bij de toelating tot het Avondmaal ge-
troffen waren. Ook zij, die reeds waren aangenomen, hadden
zich aan een ernstig onderzoek vóór don kerkraad te onder-
werpen. Gedurende de 1 4 dagen, die tusschcn de aankondiging
en de viering van het heilig Avondmaal verliepen, bleven do
predikanten en de ouderlingen der gemeente, na afloop van
de weekgodsdienstoefeningen des namiddags in de kerk achter,
ten einde alle mogelijk voorkomende vragen en bedenkingen
op te lossen, of de nieuw toegetredemm te ondervragen. Dan
werd een bepaald uur vastgesteld, op lietwelk de gemetmte-
leden van elk der drie doelen , in welke de stad , wat do
vreemdeling-gemeente aangaat, verdeeld was (City, Southwark,
en die buiten de muren woonachtig waren), beurtelings in
de kerk bijeenkwamen. Na ecne korte voorbereiding moest
olk op zijne beurt vóór den kerkeraad verschijnen, om zijnen
naam op de lijst te doen plaatsen. Dit gaf aan de predikers
en ouderlingen der gemeente gelegenheid, om, ingeval zij
zulks noodig keurden, bijzondere vermaningen tot sommigen
te richten. De nieuwe lijsten werden met de oude vergeleken,
deels om indringers te weren, maar deels ook tevens, om na
te gaan, wie van de gemeente zich van den maaltijd onthield.
Want de goheele gemeente was geroepen, om telkenmale
aan de plechtigheid deel te nemen. De ouderlingen waren
verplicht, om, vóór den volgenden Zondag, de nalatigen
ten hunnent op te zoeken en hun hunnen plicht onder het
oog te brengen, alsmede eene behulpzame hand te bieden,
ingeval het er op aankwam, oneenigheden te beslechten of
private twistzaken bij te leggen. Des Zaterdags vóór do
bediening, te twee uren des namiddags, vereenigden zich do
Avondmaalsgasten in de kerk; de kerkeraad is vooraf reeds
432
bijeengekomen, ten einde onderling te beraadslagen over al
degenen, die, om de eene of andere reden, van het Avond-
maal op den volgenden dag zijn uitgesloten. Hunne namen
worden aan den predikant, die de voorbereidingsgodsdienst-
oefening leidt, medegedeeld, ton einde daarvan, hetzij zónder,
of ook, in een ernstiger geval, met vermelding van den naam,
aan de gemeente kennis te geven. Hetgeen reeds veertien
dagen te voren, bij de aankondiging van de Avondmaals-
viering, aan de gemeente op het hart was gedrukt, wordt
door den prediker nog eens met ernstige, dringende woorden
aan de Avondmaalsgasten voorgehouden, en het wezen en
doel van het Nachtmaal hun geschetst. Na gebed en vóór het
zingen van den laatsten psalm, wordt er mededeeling gedaan
met betrekking tot hen, die van het Avondmaal zijn uitge-
sloten, en wel, gelijk daarbij uitdrukkelijk verklaard wordt,
ten einde de bestraften door zulk eene openlijke berisping
tot bekeering te roepen , of hen , die ook dan nog onboet-
vaardig blijven, onder openlijke betuiging van het leedwezen
der gemeente, van de gemeenschap der Kerk uit te sluiten.
Op den dag van het Avondmaal zelf nu is eene tafel, met
wit linnen bedekt, vóór de oogen der vergaderden geplaatst ;
op die tafel staan vier bekers en daartusschen een drietal
schotels. Op den grootsten dezer schotels ligt, onder oenen
linnen doek, het voor de heilige handeling benoodigde witte-
brood ; de beide kleinere schotels zijn bestemd , om tot het
rondreiken van het gebrokene brood te dienen. Op deze
dagen heeft de gemeente zich reeds om acht uur in den
morgen verzameld; de predikanten, de ouderlingen en de
diakenen zitten in de nabijheid van den disch, zoodat de
geheele gemeente hen kan zien. Eén der predikanten bestijgt
den kansel, en houdt eene rede, in welke hij wezen en doel
van het heilig Avondmaal nader in het licht stelt. Inzonder-
heid heeft men te letten op het zichtbare tecken in het
Avondmaal, op de verborgenheid, die door dat toeken wordt
aangeduid, alsook op het doel, waartoe deze maaltijd hoofd-
zakelijk is ingesteld. Teeken is niet alleenlijk brood en wijn,
maar de geheele, uit bepaalde deelen bestaande uiterlijke
433
Yoriii^ ceremonie en handeling, in óón woord» do doi^r Chris-
tus, onzen Heer, op eene bepaalde wijze iugostoldo divlno-
ming aan brood en wijn. De vorborgonhoid van hot heilig
Avondmaal is datgene, wat ons door dozo von^rdiuivnlo
deelneming aan brood en wijn wonlt voorgesteld on vorzogoUU
nl. de voor alle vromen waarachtige on hoilzamo gonioonsohjij»
met Christus, onzen Heer, in zijn lichaam on bloed. Het
doel eindelijk van het Avondmaal onzea Hoeren is dat, het-
welk Christus zelf ons in zijne woorden iwubeveelt , nl. do
gedachtenis aan Hem en aan zijnen dood. Nadat de/.o drie
punten uitvoerig zijn toegelicht, knielt de geheelo gemeente
ter neder, ^) en smeekt de voorganger met luider steui th»n
zegen des Heeren over de plechtigheid af. De inzetting«-
woorden bij Paulus worden voorgelezen [1 Oor. Il :2\\ LM)|,
en aan de waarschuwing des Apostels enkele veriuanendo
woorden vastgeknoopt. Daarop verlaat de prediker den kansel,
en roept, van vóór de Nachtmaalstafel, dti blijde tijding [viM'g.
I Cor. 5 : 7^, 8] aan do gemeente toe: „Ziet dan, golierdo
broeders! ook ons Pascha is voor ons geslacht , namelijk
Christus. Zoo dan laat ons feest houden, niet in (U^n ouden
zuurdeescm, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en d(M'
boosheid, maar in de ongezuurde broeden der oprechtheid
en der waarheid, door Hem, onzen Heer en Heiland iIoxuh
Christus. Amen."
Nu zetten allereerst de predikanten, de ouderlingen en do
diakenen, en vervolgens, voor zoover <ïr plaats ïh, mannen
uit de gemeente zich rondom don AvondmaalmÜHch neder, dn
dienstdoende predikant in het midden, terwijl er eeno hMJigo
ruimte tegenover hem wordt opengelaten, zoodat de geheelo
gemeente hem bij voortduring gemakkelijk kan zien en hoeren.
[') Het gezamenlijk nederknielcn in het bncJeliuiH kwam, lilijkeim de „l'nrmn,
ac Ratio/' bij de vreenidelin^-gerneente te i^ondini gi'duri^ voor, en luid o. a.
óók plaatd bij de {decbtige d;inkzeff{(ingen ua de bcdieuinfr van den If. Oooj»
en van bet H. Avondmaal. — Hij het nafrebed in de voormiddaf(((od«di'n«t'
oefening des Zondags — hierboven , op blad/.. 42'J V(;rm«'ld , verzuimde ik
te Tervrijzen naar bet daarmede min of intnr overcenkomntige gebf^d , voorko-
mende onder de Liturg, gebcbriften onzer kerk, onder het op«ehrift: ,/febed
Toor allen nood der Christenheid." -- Vert.'
DALTON. 2^
434
Aan dit zitten gedurende het Avondmaal werd een belangrijk
gewicht gehecht. Het geschiedde niet slechts, omdat het bij
de inzetting van het Avondmaal aldus geweest was, maar
vooral ook, ten einde op zinrijke wijze uitdrukking te geven
aan de schoone gedachte, dat, terwijl Israël weleer, bij het
eten van het Pascha, de lendenen omgord en den reisstaf
in de hand had, om aan te duiden, dat het volk nog eenen
langen weg had af te leggen, alvorens het 't land der belofte
zou mogen betreden, de Avondmaalsgasten daarentegen niet
meer ergens in de wijde wereld een land der belofte hadden
te zoeken, maar, door Christus, den Heer, hunnen waarach-
tigen Jozua, uit kracht van zijn verzoenend sterven, in het
ware land der belofte overgebracht, zich nu aldaar neder-
zetten en volkomene rust genieten mochten, terwijl zij bij
voortduring indachtig waren aan de verdienste van den
dood en de verrijzenis van Christus en aan de heilzame ge-
meenschap met Hem, die hun uit genade verleend was. ^) —
Zoodra alle plaatsen aan den disch bezet zijn, neemt de voor-
ganger, ten aanschouwen van de gcheele gemeente, het brood
uit den grootsten schotel, breekt het, terwijl hij zegt: „Het
brood, dat wij breken, is eene gemeenschap des lichaams
van Christus," en vult met de gebrokene stukken de beide
1) Kuyper, II, 118. — Dit zitten van de vreemdeliDg-gemeente bij het heilig
Avondmaal was eene ergernis voor de staatskerk, maar werd daarentegen door hen,
die niet met hare gebruiken en denkbeelden overeenstemden (de „Nonconfor-
misten"), met blijdschap begroet. De almede daardoor teweeggebrachte spanning
is tot diep in den regeeringstijd van koningin Elisabeth duidelijk te bespeu-
ren; de ^verige kampioen voor de instellingen der staatskerk, de latere aartsbis-
schop van Canterbury en vriend der Koningin, Whitgift, heeft in zgn
beroemd geschrift: „The Defence of the Answer to the Admonition", ook op
het gebruik bij Laeki moeten acht geven (Whitgift, III, 94). Cartwright,
de begaafde leider van die bepaalde richting aan de hoogeschool te Cambridge,
welke, in den geest van Laski en Hooper, zich tegen de catholiseerende ge-
bruiken der staatskerk verzette, wordt veelal beschouwd als de opsteller van
de anonym verschenen „Admonition", die te harer tijd (omstreeks 1570) zulk
een geweldig opzien baarde. In dit geschrift wordt Labki geroemd als een
„notable learned and zealous man." — Schoon en behartigenswaardig zijn ook
de bezadigde woorden, met welke Laski over de gebruiken in zijne gemeente,
alsmede over de door hem gewcnschte en dan ook verkregene vrijheid te dezen
aanzien spreekt. (Verg. Kuyper, II, 115 vg.)
435
kleinere schotels. Ondertusschen worden de vier bekers met
wijn gevuld, en twee aan twee bij elk der beide kleinere
schotels geplaatst. Daarop langt de voorganger het gebrokene
brood hoofd voor hoofd aan hen, die aan weerszijden het
dichtst bij hem gezeten zijn, en zegt onder het toereiken:
„Neemt, eet, en zijt er aan indachtig, dat het lichaam van
onzen Heer Jezus Christus voor ons, tot vergeving van alle
onze zonden, in den dood aan het hout des kruises is over-
gegeven." Tegelijkertijd ^) neemt hij ook zelf van het brood,
en schuift vervolgens de schotels aan de verdere dischge-
nooten ter rechter- en ter linkerzijde toe, opdat elk hunner
op zijne beurt eene bete broeds daarvan afneme. Nadat allen
van het brood genomen hebben, vindt, met wijziging van
woorden, nogmaals hetzelfde plaats bij de toereiking van den
beker. Nadat de beker is rondgegaan, staan allen, slechts de
voorganger uitgezonderd, op van den disch, aan welken zich
de andere gemeenteleden nederzetten, waarbij ouderlingen
en diakenen er op letten, dat slechts leden der gemeente,
en wel dezulke, die tot het gebruik van het Avondmaal ge-
rechtigd zijn, toetreden. Eén van de predikanten bestijgt den
kansel, en leest gedurende de bediening [met de noodige
geregelde tusschenpoozen] het zesde hoofdstuk uit het Evan-
gelie van Johannes [of eenig ander toepasselijk gedeelte der
Schrift] aan de gemeente voor. Dit een en ander wordt her-
haald, totdat de geheele gemeente de gewijde teekenen ont-
vangen heeft. De predikant, die het Avondmaal bediend
heeft, verheft zich alsnu van den disch, en noodigt, in het
midden van de andere leeraren en de ouderlingen vóór de
tafel staande, de gemeente uit, om in vereeniging met hem
God ootmoedig te danken. Op dit plechtstatig dankgebed
[}) Niet geheel nauwkearig — gelijk blijkt nit de vergelijking met de
woorden van a Lasco zelvcn, t. a. p., II, p. 163, — schrijft Dalton ei genlgk
alleen: „Der Geistliche nimmt zanacbst selbst von dem Brote and scbiebt dann
die Schalen seinen Nachbarn zu beiden Sciten mit den Worten za: „Nehiuet,
esset," etc. Uit dien hoofde heb ik mij in het bovenstaande eene kleine nood-
zakelijke wijziging en aanvulling veroorloofd. Vergel. hierbij voorts in het alge-
meen, het ,,Formulier om het heilige Avondmaal te honden," voorkomende
onder de Liturgische geschriften der Ned. Herv. kerk. — Vcrt].
436
volgt nog eene korte vermanende rede, waarna de indrukwek-
kende kerkelijke plechtigheid met psalmgezang besloten
wordt. Hetgeen er overschiet van brood en wijn wordt onder
de armen der gemeente, bij voorkeur onder hen, die krank
of hoog bedaagd zijn, verdeeld.
Wij hebben reeds vermeld, dat ook de Doop in de gods-
dienstoefening was opgenomen. Eenige weinige woorden over
deze plechtigheid. Dewijl de Doop de geheele gemeente aan-
gaat, daarom behoort hij ook in tegenwoordigheid van de
geheele gemeente voltrokken te worden. Slechts kinderen van
lidmaten der gemeente worden gedoopt ; hunne namen, alsook
de namen en de woonplaats hunner ouders, voorts ook
het jaar, de maand en de dag van den Doop worden in een
bijzonder boek opgeteekend. Wanneer een volwassene, hetzij
van Joodsche, hetzij van Heidensche afkomst, zich aanmeldt,
om den Doop te ontvangen, of ook ingeval een nog onge-
doopt Baptist zich door den Doop in de gemeente wenscht te
doen opnemen , dan moet de zoodanige vooraf in het geloof
onderwezen worden, en kan eerst na afgelegde geloofsbelij-
denis den Doop ontvangen.
Alvorens de laatste psalm wordt aangeheven, ^) noodigt de
voorganger de doopgetuigen en ouders der doopelingen uit,
om met het kind nader te treden. Daarop wordt de geheele
gemeente met betrekking tot het wezen van den Doop uitvoerig
onderricht, ook aangaande het rechtmatige en het plichtma-
tige van den Kinderdoop, waarna, in een kort gebed, de zegen
des Heeren over de plechtigheid wordt afgesmeekt. Vervol-
gens wendt de voorganger zich in het bijzonder tot hen, die
het kind ten doop brengen, en richt tot hen de vraag, of
deze kinderen waarlijk het kroost der gemeente zijn, en
derhalve wettiglijk alhier kunnen gedoopt worden; voorts,
of zij, nl. de [vaders en] doopgetuigen, de leer, welke zij
zoo even aangaande den Doop en zijne verborgenheid ver-
nomen hebben, als de ware erkennen, en mitsdien belijden,
[1) Verg. t. a. p. , II, blz. 107: „sab finem concionis, priusquam Psalmus
decantetur.*' Alzoo niet: „Nachdem der Psalm beendigt." — Vert.]
437
dat onze kinderen, ofschoon van nature, gelijk ook wij allen,
kinderen des toorns en des doods zijnde « noolitanSi oui den
wille van Christus, met ons in her verbond van l^ul begre-
pen zijn, en daarom met het door Christus vertu'dint^M'de
zegel, zoowel van hunne genadige aannonung, als van /ijne
gerechtigheid, nl. met den Doop, bohooron ver/.«^geld te
worden ; en eindelijk , of zij niet erkennen , dat op hen , o\\
tevens op de geheele gemeente, inzonderheid eehter op Ihmi,
vaders, in vereeniging met de moeders dezer kinderen, dt*
roeping en verplichting rust, om deze kinderen, bij het op-
wassen, in de ware kennis en den waren dienst van (lod te
onderwijzen. Nadat deze vragen bevestigend zijn ImmiuI woord
geworden, laat de voorganger dcï kinderen in g(M'c»geld(^ volg-
orde voorbrengen, en bevochtigt elk van hen, oncb^r het nocw
men van zijnen (des doopelings) naam, aan het voorhoofd nu^t
zuiver water, terwijl hij daarbij de woorden uitHpnM»kt: „N.,
ik doop u in den naam des Yaders, en des Zoons, en dos
Heiligen Geestes. flod, de Vader van onzen lieer iIozuh
Christus, bezegele u en ons allen te zamen in degaveon/or
wedergeboorte en gerechtigheid in (JbristuH, door zijnon lloi-
ligen Geest, ten eeuwigen leven. Anujn." Vervolgons gaat
de dienaar des Evangelie's do gomeente voor in oen kort
dankgebed,^) waarna hij haar nog met eenigo weinige
woorden vermaant, om zulk eene |)l(M'htigh(!i(l niet uit ge-
woonte of bijgeloovigheid te begrjeren , maar uit het geloof
aan de belofte, in welke de lieer ons verzekert, dat niet
slechts de volwassenen, maar ook hun kroont in de gemeento
met ons in het verbond Ood.i zijn begrepen, en dat ook de
kinderen tot het verborgen lichaam ^„mynticum corpun"; van
Christus Udiooren.
Als derde handeling, die, bij voorkomende gelegen h'ïid. in
den gewonen lo^^p der god MÜen «toefen ing werd ingevlo':ht<;n,
noemden wij de H u w e I ij k « i n ze g e n i n g. Ook dez<j ple'h-
tig}:eid m^X'-st in eene oj/^;nbare ftanienkoni>t. der ger/i'-^r/ite
438
geschieden, zoowel om de eerbaarheid van het huwelijk open-
lijk te betuigen, als ook ten einde de gemeente in haar geheel,
tot hare opbouwing, telkens bij vernieuwing op de plichten
van den echtelijken staat te wijzen. Reeds bij de verloving
moeten een paar waardige mannen, alsmede, zoo mogelijk,
enkelen van de ouderlingen der gemeente tegenwoordig
zijn, die vervolgens in de vergadering van de leeraren en
ouderlingen getuigen kunnen, dat alles zich op wettige en
voegzame wijze heeft toegedragen. Zoodra de verloving heeft
plaats gehad, wordt daarvan kennis gegeven aan den kerke-
raad , die in zijne vergadering onderzoekt , of er ook soms
tegen deze verbintenis overwegende bezwaren voorhanden
zijn. Ingeval er niets van dien aard wordt voorgebracht,
worden de namen van het bruidspaar in het kerkelijk register
aangeteekend , en de voorgenomen echtverbintenis op drie
achtereenvolgende Zondagen van den kansel aan de gemeente
bekend gemaakt. Indien er geene wettige bezwaren worden
ingebracht, dan wordt het huwelijk in de tegenwoordigheid
der gemeente voltrokken. Zonder gedruisch, zonder eenigen
theatralen pronk of praal verschijnt het bruidspaar, door een
paar eerzame mannen en vrouwen begeleid, op eene eenigs-
zins verhevener plaats vóór de leeraren en de ouderlingen
der gemeente. Daarop houdt één der predikanten de toespraak,
in welke hij allereerst de gemeente om hare voorbede voor
dit bruidspaar verzoekt; vervolgens richt hij zijne rede
tot het bruidspaar zelf, aan hetwelk hij al den ernst, maar
ook het groote geluk van den Christelijken staat des huwe-
lijks in treffende bewoordingen schildert, om, ten slotte, zoowel
aan den bruidegom, als aan de bruid bijzondere vermaningen
op het gemoed te -drukken. ^) Daarop vraagt hij aan den
bruidegom, of hij niet dit alles, wat hem zoo even, volgens
het Woord Gods, is voorgehouden, als waarheid erkent, en
of hij zich door de genade Gods in zijn hart heeft voor-
genomen en in tegenwoordigheid der gemeente verklaart,
[>) Verg. het „Formulier" der Ned. Herv. kerk, „om den Huwelijken staat
voor de gemeente van Christus te bevestigen", in hetwelk men o. a. ook de
bedoelde vermaningen in hoofdzaak wedervindt. — V e r t.]
439
dat hij op zulk eene wijze gedurende zijn gcheele loven te
zamen met deze zijne vrouw wil leven, die hij hier openlijk
erkent als zijne éénige, ware, wettige huisvrouw, door God
hem gegeven, alzoo, dat hij door den band des huwelijks
met haar wenscht verbonden te worden. Op gelijke wijze
wordt de vraag tot de bruid gericht, en wanneer zij door
beide partijen bevestigend is beantwoord, legt de voorganger
de handen van het paar in elkander, en sluit hun echtver-
bond met deze woorden: „De almachtige, eeuwige God, die
u te zamen tot den staat dos huwelijks geroepen heeft, ver-
eenige en verbinde u met elkander tot óón vleesch, door den
band zijn Geestes, in ware en bestendige onderlinge liefde
en in zijne vreeze, opdat gij, gedurende uw geheele leven,
in uwen echt de wonderbare verborgenheid der verloving
van Christus, den Heer, met zijne gemeente moogt uitdruk-
ken, en gij u zelvcn door de gedachte aan Hom ten allen
tijde onder elkander kunt vertroosten; de Heer, onze God,
make u vruchtbaar en vermeerdere u, tot heil van u zelven
en tot wasdom zijner gemeente, door Hem, onzen Heer Jezus
Christus . Amen/' Daarop leest de voorganger uit het lO^J"
hoofdstuk van Mattheüs de plaats voor over de echtscheiding
[vs. 3— 9] , en wendt zich tot het jonge paar met de ver-
maning, zich ernstig te wachten voor alles, wat deze ver-
bintenis zou kunnen opheffen. Met een hartelijk gebed voor
de beide jonggehuwden en eene heilbede eindigt de plech-
tigheid, welke de gemeente harerzijds met het zingen van
den 127*^*^° [of den 1289ten] psalm besluit.
Na deze tusschenvoogselen , die niet eiken Zondag voor-
kwamen, beschouwd te hebben, moeten wij tamelijk ver
teruggaan, om den draad, wat betreft de beschrijving van
de gewone voormiddag-godsdienstoefening, weder op te vat-
ten. Aan het einde van den dienst stemmen de voorzangers
op plechtstatige wijze („magna gravitate'') weder een psalm-
gezang aan , en de geheele gemeente valt aanstonds op ge-
lijke plechtstatige wijze daarbij in. Hierop laat de prediker,
terwijl de diakenen zich aan de kerkdeuren plaatsen, om
440
de liefdegaven te ontvangen, de gemeente huiswaarts keeren,
met deze woorden: „Gedenkt uwen armen, en bidt voor
malkander. God nu ontferme zich over u, en Hij zegene u.
Hij doe het licht van zijn Goddelijk aanschijn over u lichten,
tot roem van zijnen heiligen naam, en beware u in zijnen
heiligen en heilzamen vrede. Amen."
De namiddag-godsdienstoefening op de Zon- en feestdagen
begint te twee uren. De gemeente is weder bijkans voltallig
vergaderd. De gang van zaken is nagenoeg dezelfde, als des
voormiddags, behalve dat de Schriftverklaring, die ditmaal
een half uur duurt, gevolgd wordt door de uitlegging van
den Groeten catechismus, dien de aankomende jeugd moet
opzeggen. De knapen en meisjes zitten rondom den kansel;
de voorganger heeft hunne namen op eene lijst, en laat hen
nu de stukken van den Catechismus, die aan do orde der
behandeling zijn, geregeld opzeggen, welke stukken ver-
volgens verklaard en uit de Heilige Schrift bewezen worden,
en wel op zulk eene wijze, dat het ook voor de ouderen
van jaren, die daarbij tegenwoordig zijn, zijne nuttigheid
heeft. Deze catechese duurt een half uur; gezang, gebed
en zegen besluiten de plechtigheid, terwijl ook nu weder,
gelgk bij alle godsdienstoefeningen, de diakenen bij het
verlaten van de kerk de aalmoezen der gemeente voor de
armen in ontvangst nemen.
Behalve deze godsdienstoefeningen des Zondags, kwam
de gemeente nog een paar malen in de week tot gemeen-
schappelijke stichting bijeen, in de Fransche kerk des
Dinsdags en des Donderdags, in de Duitsche kerk des-
gelijks op Donderdag. Ook bij deze weekgodsdienstoefeningen
vormde de verklaring van do Heilige Schrift het middel-
punt der plechtigheid, terwijl gezang en gebed zich daarbij
aansloten ; alleen de liturgie na de voormiddagsprodiking des
Zondags bleef achterwege. Iets geheel eigenaardigs en daarbij,
wat zijnen blijvenden invloed op een deel der Engclsche
kerk betreft, iets zeer merkwaardigs was de zoogenaamde
„Profetie," welke in de Duitsche en de Fransche kerk ver-
441
schillend was ingericht, eene belangrijke poging, om hetge-
meentelid tot een zelfstandig onderzoek van de Heilige Schrift
op te wekken. In de Duitsche kerk volgde men daarbij
deze gewoonte, dat, in aansluiting aan de Bijbel-oefening
des Donderdags [voormiddags], de gemeente vergaderd bleef,
en ieder alsnu het recht had , zijne bedenkingen betreffende
de eene of andere verklaring van eene Schriftuurplaats ge-
durende de godsdienstoefeningen der afgeloopene week in het
midden te brengen. In de eerste plaats waren daartoe ern-
stige , vrome mannen uit de gemeente gekozen , om derge-
lijke tegenwerpingen te maken, ten einde daardoor iedere
poging, om slechts onnutte vragen der nieuwsgierigheid te
opperen, te voorkomen; om echter niettemin weder elk
gemeentelid in het onverkort bezit van zijn recht te laten,
mocht ieder zijne bedenkingen aan deze opzettelijk daartoe
gekozen mannen vooraf kenbaar maken, en dezen hadden dan
te beslissen, of zij, al dan niet, geschikt waren om in het
openbaar besproken te worden. *) De leeraar had van zijne
betwiste verklaring rekenschap to geven, hare rechtmatigheid
aan te toonen, en de ingebrachte bedenkingen uit den weg
te ruimen. Het was zaak voor hem, om zadelvast te zijn,
wat betreft de leer dor Heilige Schrift, want hij had te doen
met ernstige onderzoekers van den Bijbel. Als loon voor zulk
eenen niet gemakkelijken arbeid zag hij zich de zegen be-
schoren, eventueel opkomende onrechtzinnige leeringen aan-
stonds te ontdekken, en die te mogen verwijderen, alvorens
zij dieper wortel geschoten hadden. Het was een wederkeerig
geven en ontvangen ; in zulk eene opwekkende samenspraak
bevorderde de leeraar de ontwikkeling van het gemeentelid,
en dit laatste wederom, door de openhartige modedeeling
van zijne opvatting, de ontwikkeling van den leoraar : — een
treffelijk, bezield arbeiden in hot zoeken van het éóne Noo-
dige; een rijke zogen, zoolang het aan eene bedachtzame,
geloovige leiding gelukt, iedere buitensporigheid te vermij-
[() Met dfen Terstande echter, dat uitsluitend bij monde van do. daartoe aan-
gewezen mannen dergelijke opmerkingen en bedenkingen in de „Profetie"
mochten worden ter sprake gebracht. Verg. t. a. p., II, blz. 102. — Vert.]
442
den. — In de Fransche kerk was de „Profetie" op deze wijze
ingericht, dat, in aansluiting aan de wcekgodsdionstoefening,
één van de Boeken der Heilige Schrift in geregelden samen-
hang verklaard werd. Eerst gaf de prediker zijne eigene
uitlegging van het gedeelte der Heilige Schrift, dat aan de
orde was; op deze verklaring volgde, hetzij van den kant
van één der ouderlingen, hetzij van een ander gcmeentelid
[die, met anderen, opzettelijk daartoe gekozen was] eene tweede,
derde, vierde verklaring, totdat niemand meer iets in het
midden had te brengen, en de voorganger de gemeente, na
het zingen van een lied, huiswaarts deed keeren. Aan deze
„Profetieën" hechtte La ski groot gewicht; zij waren voor
hem de gewenschte middelen, om de predikers te versterken
in het Woord Gods, en om de gemeenteleden allengs tot
mondigheid in het geloof te doen komen.
Van de gevaren, met welke zulke openbare samenspre-
kingen over het Woord Gods gepaard gingen, was Laski
zich alleszins bewust, maar hij was niet geneigd, om hunnent-
wil eene inrichting prijs te geven , van welke hij de be-
ginselen in do dagen der Apostelen vond, en voor welker
rijken zegen, mede voor zijnen tijd, hij een geopend oog had.
Hij beschouwde het als voordeeliger voor de gemeente, wanneer
de vragen, die aller gemoederen ten zeerste in beweging
brachten, — immers, wat in onze dagen de sociale kwestie
is , dat was destijds het godsdienstige vraagstuk , — in het
bijzijn van de dienaren des Woorda en in het openbaar, in
tegenwoordigheid van de gemeente, besproken werden, dan
tehuis in de zwoele lucht van conventikelen, of door dezulken,
„die hier en daar in de huizen sluipen." Dat is ook heden
ten dage, de vruchtbare bodem voor sekten, of ook wel
voor het ongeloof, dat in de onwetendheid der lieden ten
opzichte van de Goddelijke waarheid zijn steunpunt vindt.
Laski kon die zegenrijke inrichting en tenuitvoerbren-
ging van het Apostolische voorschrift, het Woord Gods rijke-
lijk onder ons te laten wonen , zooveel te eerder wagen ,
dewijl hij zich daarbg ondersteund gevoelde door de voor-
treffelijke, schier voorbeeldige organisatie van zijn gemeente-
443
wezen, die hij met zelfstandige navolging van de inrichting
der vreemdeling-gemeenten in Genève en in Straatsburg,
gelijk hij zelf betuigt, ') had tot stand gebracht. Met een
zeker weemoedig genot, als met een soort van heimwee,
beschouwen wij haar gedurende eenige oogenblikken.
„Gelijk een huis niet zonder economie, een schip niet zonder
stuur, en in het algemeen geen enkele staat of gemcenebest
zonder eenig wettig bewind goed geregeerd kan worden,
noch ook langen tijd in stand kan blijven, zoo is het on-
twijfelbaar zeker, dat ook de gemeente van Christus, onzen
Heer, inzonderheid, waar zij zich door zulk eene menigte
van vijanden en van veelsoortige gevaren ziet omgeven, noch
naar eisch bestuurd, nóch ook lang (althans op ééne en
dezelfde plaats) kan blijven bestaan zonder eene wettige
kerkelijke organisatie, gelijk die door Christus, den Heer,
is ingesteld/^ Met deze woorden begint La ski de inrichting
zijner gemeente op de boeiendste wijze te beschijven. Vcmr
alle dingen acht hij het noodig, de bijzondere deelen der
kerkelijke bediening [„Ecclesiastici ministerii"] op juiste wijze
van elkander te onderscheiden , maar dan ook , dat elk in
dat gedeelte van den arbeid, hetwelk hem, in onderscheiding
van anderen, werd toegewezen, met de grootste trouw, zorg-
vuldigheid en vlijt zich geheel en al aan zijne taak toewijde.
La ski eischt veel van de verschillende arbeiders in de ge-
meente ; heden ten dage zouden do meestcn van hen , die
zich tot eenen gelijken trcffelijken dienst geroepen zien ,
zuchtende uitroepen, dat het te veel is. En toch hebben die
mannen het ten uitvoer gebracht, en hebben bovendien
hunne huiselijke aangelegenheden goed bestuurd, en zijn ge-
trouw de plichten van hun dagclijksch beroep nagekomen,
en hebben daarenboven het hoogste geleerd, nl. geen oogcn-
blik te aarzelen, om, ingeval van nood, martelaars van hun
geloof te worden. Eene rijke mate van plichten werkt ver-
sterkend, eene rijke mate van rechten werkt verslappend.
Bij de inrichting zijner gemeente gaat La ski tot op dpn
h Ibid., TI, 50.
444
Apostolischen tijd terug. De grondtrekken dier inrichting
bestaan, volgens zijne nieening, niet uit deelen, die slechts
voor eenen bepaalden tijd voorbijgaande waarde en betee-
kenis hebben, maar zij bezit, in La ski's oog, een blijvend
karakter, dat haar door den Heer zelven, op ecne nog ten
deele waarneembare wijze, is medegedeeld.
Nadat allereerst het betoog is geleverd, waarom wij niet
langer Apostelen kunnen hebben, gelijk er waren ten tijde
van de stichting der Kerk, en dat wij daarom ook op een
deel van hunne gaven niet meer mogen aanspraak maken,
toont L a s k i aan, dat voor den voortgezettcn arbeid aan het
gebouw, welks grondsteen Christus is, drie verschillende
soorten van bouwlieden noodig zijn: de dienaren des Woords,
of de herders en leeraars , en aan hunne zijde, als een soort
van wachters in de gemeente , de ouderlingen („presbyters")
en de diakenen. De herders en leeraars behooren tot de
kerkelijke regeering („magistratus"), welke uit de ouderlingen
is samengesteld; de zorg voor de leiding en instandhouding
der Kerk komt hun alleen in de gemeenschap („coetus^')
met de ouderlingen toe, en het tusschen hen aanwezige
onderscheid bestaat enkel daarin, dat hun in het bijzonder
de arbeid in het Woord en in de leer is toevertrouwd.
Daarom wordt, in den Apostolischen tijd, ook aan de her-
ders en leeraars zelven de naam van ouderlingen („presby-
ters") gegeven , en Petrus , als hij tot de ouderlingen spreekt,
noemt zich hun medoouderling [verg. I Petr. 5 : 1]. Deze drie
ambten komen nu in de vreemdeling-gemeente te Londen op
de navolgende wijze tot ontwikkeling.
Allereerst wordt in het licht gesteld, dat in de gemeente
de geheele leiding in de hand van twee ambten, nl. der
ouderlingen en der diakenen, berust. De raad („coetus") der
ouderlingen is weder verdeeld in ouderlingen , die tegelijker-
tijd met den dienst des Woords belast zijn, en eenvoudige
oudsten uit de gemeente. Aan het hoofd van dezen raad
staat de superintendent, niet boven den genoemden raad
vorheven, maar uit zijn midden en door hem tot voorzitter
gekozen, en door den Koning als zoodanig uitdrukkelijk
445
erkend, zonder eenige bijzondere voorrechten met betrekking
tot de bediening des Woords en der Sacramenten, of wat
betreft de kerkelijke tucht, aan welke ook hij, gelijk ieder
ander gemeentelid, onderworpen is.
Met grooten ernst gaat men te werk bij de keuze van
eenen bedienaar desWoords. Is eene dergelijke keuze
op handen, dan wordt voor de geheele gemeente een vast-
en bededag verordend. Op zulk eenen dag komt de gemeente
des morgens te negen uren in het bedehuis bijeen, en na het
zingen van een lied houdt één der leeraren van den kansel
eene toespraak , in welke de geheele betcokonis dor keus on
de vereischten van eenen degelijken prediker aan de ge-
meente met ernstige woorden op het gemoed worden gedrukt. >)
Aan het eind dezer rede, en voordat de andere, gewone
kerkelijke gebeden plaats hebben, noodigt de voorganger de
gemeente uit, om in het bijzonder te bidden voor den goeden
uitslag der verkiezipg, en gaat hij haar voor in het navol-
gende gebed, dat wel waard is, ook door ons behartigd te
worden: „Heere God, onze Vader, die in de hemelen zijt,
door wiens onverdiende gunst het alleenlijk geschiedt, dat
wij goede en getrouwe dienaren in de gemeente hebben,
en zonder wiens hulp alle menschelijke inspanning vol-
strekt niets vermag, zoodat wij ook uit ons zelven gansche-
lijk niet in staat zijn, om rechtmatige dienaren uwer
gemeente te verkiezen, — wij smeeken van uwe goedertie-
renheid , o heiligste Vader , dat het U behago, om aan deze
onze gemeente, welke U, in vereeniging met uwen eeniggeboren
Zoon en den Heiligen Geest, als haren éénigen, waarach-
tigen en eeuwigen God erkent en belijdt, en voor welke
deze uw Zoon zelf niet geaarzeld heeft, zijn onschuldig bloed
te vergieten , vrome , getrouwe en vlijtige dienaren to schen-
ken, die hun ambt overeenkomstig uwen Goddelijken wil,
tot roem van uwen naam en tot stichting van onze gemeente
vervullen. Regeer en bestuur ons aller harten, overleggingen
en stemmen bij deze verkiezing, opdat wij, alleenlijk uwen
1) Ibid., JI, 53 vg.
446
roem beoogende, dezulken tot dienaren onzer gemeente ver-
kiezen, die, daar zij ook zelven bovenal de eer uws naams
bedoelen , hunnen dienst naar behooren en getrouwelijk waar-
nemen. Verhoor ons , zóó bidden wij U, o allergoedertierenste
Vader, die wij uwe Goddelijke hulp ootmoedig afsmeeken
door den dierbaren naam van Jezus Christus, uwen Zoon,
onzen Heer. Amen."
Na dit gebed en de gewone voorbeden laat de voorganger
de gemeente huiswaarts gaan met de vermaning, om dien
geheelen dag, tot aan den avond, zich van spijs en drank
te onthouden, en den dag in het gebed en het lezen van
het Woord Gods door te brengen. Slechts ingeval de gezond-
heid zulks bepaaldelijk vereischt^ ^^ë^ ™^^ ^^ grootst mogelijke
matigheid , eenig voedsel genomen worden , opdat de gcheele
dag aan het gebed en den dienst van God zij toegewijd.
Des namiddags kwam de gemeente andermaal in de kerk te
zamen, ten einde tot hare stichting nog nader bepaald te
worden bij de roeping eens Evangeliedienaars volgens de Hei-
lige Schrift. In den loop dier zelfde week dient ieder gemeen-
telid schriftelijk bij den kerkeraad den naam in van den
candidaat, aan wien hij zijne stem wcnscht te geven. In do
daarop volgende week komen, op den vastgestclden verkie-
zingsdag, de leeraren, ouderlingen en diakenen in de kerk
bijeen, onderzoeken de stembriefjes, en spreken hun gevoelen
uit over die candidaten, welke de meeste stemmen verkregen
hebben. De zitting wordt niet opgeheven, vóór en aleer de aan-
wezigen het onderling eens zijn geworden over de keuze van
éénon uit die candidaten, welke de meeste stemmen verkregen
hebben. Daarop wordt de gekozene uitgenoodigd , om in de
vergadering te verschijnen , en hem al datgene voorgehouden,
wat in deze betrekking van hem verwacht wordt. Ingeval
hij zich daarop bereid verklaart, om het moeielijke, maar
kostelijke ambt te aanvaarden, dan wordt op den volgenden
Zondag, aan het einde der voormiddag-godsdienstoefening,
mededeeling van deze keuze aan de gemeente gedaan, en
de gekozene aan haar voorgesteld, terwijl daarbij echter te-
vens aan haar wordt bekend gemaakt, dat, bijaldien iemand
447
in de gemeente eenig bezwaar^ hetzij met betrekking tot de
leer , of tot den wandel van den gekozene , heeft in te bren-
gen, hij daarvan in den loop der week bij den kerkeraad
aangifte moet doen. Wordt zulk een bezwaar als gegrond
erkend , dan vervalt de gedane keuze, en de kerkeraad gaat
over tot eene nieuwe verkiezing uit het getal der overige
eandidaten, die het grootste aantal stemmen op zich veree-
nigd hebben. Indien er echter binnen den bepaalden tijd geen
enkel gegrond bezwaar is ingediend, dan gaat de kerkeraad
over tot de bevestiging van den gekozene, nadat vooraf de
koninklijke approbatie verkregen is.
Op eene even ernstige, plechtige wijze, die een alleszins
welsprekend en treffend getuigenis er van aflegt, hoe zeer
de geheele gemeente doordrongen was van de hooge betee-
kenis harer taak, had vervolgens ook de bevestiging van den
gekozene plaats. Op den Zondag zijner bevestiging, „nadat
de openbare gebeden der gemeente geëindigd zijn, alvorens
de psalm wordt aangeheven ,'' plaatst de benoemde zich, op
uitnoodiging van den voorganger, in het midden van de andere
leeraren en de oudsten der gemeente, zoodat hij door de
geheele vergadering gezien kan worden. Na eenige korte
woorden ter inleiding richt de dienstdoende leeraar aan den
kerkeraad de vraag, of alles zich volgens het aan de ge-
meente geschonkene privilegie heeft toegedragen. Na een
toestemmend antwoord ontvangen te hebben, wendt hij zich
tot den gekozene, en geeft hem met enkele woorden te ken-
nen , dat hij , alvorens door handoplegging, volgens de wijze
der Apostelen, tot zijne openlijke wijding over te gaan, in
de tegenwoordigheid van God en zijne gemeente eenige
vragen tot hem moet richten. Het zijn vier belangrijke vragen,
van welke de eerste b. v. aldus luidt: „Gevoelt gij den
ademtocht des Heiligen Geestes in uw hart, die u aanspoort,
om den u voorgestelden dienst in deze gemeente te aan-
vaarden, en wel alzoo, dat gij in deze bediening niet eenig
voordeel voor u zelven, noch ook uwen eigenen roem beoogt,
maar alleen de eere Gods en den wasdom van het rijk van
Christus in zijne gemeente door de prediking en de verbrei-
448
ding van zijn Evangelie in uwe bediening? Ziedaar hetgeen
ik thans, in de tegenwoordigheid van God, die alle dingen
ziet en weet, en van deze zijne geheele gemeente, van u
wensch te vernemen, tot stichting der gemeente en tot be-
vestiging van uwe bediening in haar midden/^ ^) — Hierop
moest de gekozene antwoorden: „Ik gevoel dien ademtocht,
en ik bid God, dat het Hem behage, om datgene, wat Hij
in ons begonnen heeft, ook voort te zetten en te voleindigen
door Christus, tot roem van zijnen heiligen naam. Amen."
De tweede vraag liep hierover, of hij aan de leer der Pro-
feten en der Apostelen in het Oude en Nieuwe Verbond, als
het óénige, waarachtige en volkomenste fundament der ge-
meente Gods in Christus geloofde, als behelzende alles, wat
noodig is tot de zaligheid, welker aanvang, midden, hoofd
en einde alleen Jezus Christus is. De derde vraag handelde
hierover, of hij op zoodanigen grond zijnen dienst, naar zijn
beste vermogen, waarnemen en aan de gemeente goud, edel-
gesteenten en zilver aanbieden, haar daarentegen voor hout,
hooi en stoppelen bewaren wilde. De vierde vraag eindelijk
kwam hierop neder, of hij bereid was, om zich, evenals ieder
ander lid der gemeente, in voorkomende gevallen aan de ker-
kelijke tucht te onderwerpen.
Nadat alle vragen toestemmend beantwoord zijn, noodigt
de bevestiger de gemeente uit tot het gebed, naardien God
enkel aan het willen het volbrengen verleencn kan. Daarop
naderen alle de predikanten en de ouderlingen der gemeente
den gekozene, en leggen tegelijkertijd hunne rechterhand op
zijn hoofd, terwijl de dienstdoende leeraar met luider stem
de navolgende woorden spreekt: „Onze God en hemelsche
Vader, die u tot den dienst zijns Woords in deze zijne ge-
meente geroepen heeft, verlichte u door zijnen Heiligen Geest,
versterke u door zijne machtige hand, en regeere en besture
uwe bediening alzóó, dat gij daarin ten allen tijde getrouw
en met vrucht kunt arbeiden tot uitbreiding van het rijk
[}) Lat.: „ad Ecclesiae aedificationem et vestri ia illa ministerii approbatio-
nem." Hoogd.: „zar Erbaaang der Gemeinde und als Zustimmung zu diesem
deinem Dienste in ihr." — V e r t.]
449
zijns eeniggeboren Zoons in zijne gemeente door de predi-
king van zijn Evangelie, welke Hij verordineerd heeft, door
denzelven, zijnen eeniggeboren Zoon, Jezus Christus, onzen
Heer en Zaligmaker. Amen." ')
Alsnu, na volbrachte wijding, richt de voorganger zich we-
der tot de gemeente, wijst haar op hare plichten ten aanzien
van den prediker, en wekt haar op, om zonder aflaten voor
hare leeraren te bidden. Het laatste, aangrijpend schoone
woord betreft den pas bevestigden ambtsbroeder: „Zoo heb
dan acht op u zelven, geliefde Broeder, en zie toe, dat gij in
deze uwe roeping waardiglijk wandelt, gelijk het eenen ge-
trouwen dienaar van Christus, den Heer, betaamt. Weid de
kudde van Christus, welke u is toevertrouwd, en draag zorg
voor haar, niet als uit bedwang, maar gewillig, niet om
vuil gewin, maar met een onbaatzuchtig hart; matig u ook
geene heerschappij aan over de gemeente', maar wees als
een voorbeeld der kudde. Laten de onspoeden — op welke
gij u steeds moet voorbereid houden, — u den moed niet
benomen. Verdraag moedig en standvastig, met alle lijd-
zaamheid, de verachting, de smaadheden en lasteringen
van de dienaren der wereld, ja, verblijd u daarover j
terwijl gij u zelven het voorbeeld van alle profeten en
apostelen en bovenal van Christus, onzen Heer zelven, voor
oogen stelt. Betoon u een getrouw en naarstig medearbeider
van Christus, den Heer, en van den Heiligen Geest, die de
wereld zoekt te overtuigen van zonde, en van gerechtigheid,
en van oordeel. Word niet overmoedig, wanneer u soms iets
naar wensch gelukt, of wanneer voorspoed op eenigerlei wijze
uwe pogingen bekroont; verlang nog veel minder naar de
schatten of de eerbewijzingen dezer wereld, opdat gij niet,
daardoor bedwelmd, eindelijk insluimert, en intusschen de
vijand komt, die, terwijl gij «laapt, onkruid zaait in uwen
akker. Vertroost de bedrukten, ondersteun de behoeftigen,
zooveel gij vermoogt, en spoor met allen ijver anderen aan,
om evenzoo te handelen. Kortom , wees indachtig aan de u
[') Verg. bierbij, en bij de volgende toespraak, het „Formulier" der Ned.
HerT. kerk, „om te bevestigen de dienaren des Goddelijlcen Woords." — Vert.]
DALTON. 29
450
ê
to dezen aanzien toeyertrouwde talenten, dat gij daarmede
woekert, en ze niet, in eenen zweetdoek gewikkeld, in de
aarde verbergt. Leg er u op toe, dat gij door uwen ijver
en uwe inspanning nog meer andere talenten voor onzen ge-
meenschappelijkcn Heer, door zijne genade, moogt gewinnen.
Alzoo toch zal het geschieden, dat gij eenmaal, aan het
einde van al uwen arbeid, wanneer de opperste en eeuwige
Herder verschenen zal zijn, de onverwelkelijke kroon der
heerlijkheid zult behalen, en ten aanhooren van de geheele
wereld die liefelijkste aller roepstemmen vernemen zult : Wel,
gij goede en getrouwe dienstknecht ! ga in in de vreugde uws
Heeren. Onze God en hemelsche Vader schenke ons, naar
zijne oneindige barmhartigheid, dat wij allen eenmaal dat
zelfde woord mogen vernemen, om den wille van zijnen ge-
liefden Zoon, onzen Heer. Amen.'^ Daarmede eindigde de
ernstige, eerbiedwekkende plechtigheid.
De beschrijving van de bevestiging eens Evangeliedie-
naars is, naar ik vrees, bijkans al te uitvoerig geworden.
De dienstvaardige pen wilde haren loop niet staken, alvorens
zij het geheele aangrijpende beeld had vastgehouden, en nu
blijve het dan ook onuitgewischt staan, en zij het ons, ge-
roepen dienaren des Woords, als een spiegel uit die groote
dagen van de gronding onzer dierbare Evangelische kerk
voorgehouden ! Zoowel wij, herders, als ook onze gemeenten,
wij hebben in onze dagen dringend behoefte, in zulk eenen,
met behulp van het Woord Gods helder gepolijsten spiegel
telkens bij vernieuwing te starpn.
De verkiezing van eenen Ouderling, of van eenen
Diaken had op eene even ernstige, innig stichtelijke wijze
plaats, slechts eenigszins gewijzigd, overeenkomstig den ver-
schillenden aard der bijzondere verplichtingen. Ook aan hunne
verkiezing ging een algemeone vast- en biddag vooraf, want
ook hunne bediening werd als een goddelijke dienst beschouwd,
en als van niet minder belang voor de gemeente, dan het
ambt van den dienaar des Woords. Bij gelegenheid van de
godsdienstoefening op dezen vastendag werd de aandacht der
451
gemeente bepaald bij de plichten der ouderlingen of der
diakenen volgens het Woord Gods. Met betrekking tot do
ouderlingen werd aangetoond, dat zij, in verceniging met de
Evangeliedienaren , al hun zorg en toezicht, ten aanzien van
de leiding der gemeente, op de bewaring van de zuiverheid
der leer, op de bediening van de sacramenten overeenkomstig
hunne instelling, en op de uitoefening van de kerkelijke tucht
te richten hadden. Ze zijn verplicht, op het leven en den
wandel der geheele gemeente, en van elk harer leden in
het bijzonder een wakend oog te houden, en zoowel in het
verborgen, als in het openbaar te vermanen en te berispen,
alsmede toe te zien op de leer en den wandel der predi-
kanten, en voorts iederen twist, elke verdeeldheid in de
gemeente, in de huisgezinnen en tusschen bij^sondere per-
sonen te beslechten, opdat de gemeenteleden zoo zelden
mogelijk genoodzaakt zijn, om tot de openbare rechtban-
ken hunne toevlucht te nemen. In vereeniging met de
dienaren des Woords, hebben de ouderlingen het opzicht
over de geheele gemeente; tegelijkertijd zijn zij echter ook,
de mond en hand der geheele gemeente tegenover de
predikanten en alle degenen, die een openlijk ambt in de
gemeente bekleeden. Vervolgens werden do eigenschappen
opgenoemd , die een ouderling als zoodanig bezitten moet.
Wel staat hij, wat geleerdheid betreft, niet gelijk met
den Evangeliedienaar, maar toch mag hij voor dezen niet
onderdoen in ernst van karakter, in bedachtzaamheid, in
reinheid van wandel, in praktische ervaring en in kloek-
zinnigheid, allerminst in godvruchtigen ijver. Daarop werd,
ten slotte, aan de gemeente onder het oog gebracht, hoe zij
zich tegenover de ouderlingen had te gedragen, dat deze
laatsten, evenals de dienaren des Woords, in groote waarde
behoorden gehouden te worden, dat men naar hunne ver-
maningen luisteren en hunne verordeningen opvolgen moest.
Was op zulk eenen vastendag de verkiezing van diakenen
aan de orde, dan werd de gemeente er allereerst op gewezen,
dat ook dit ambt van Apostolischen oorsprong is, en dat,
wanneer er reeds onder het volk Gods volstrekt geene bede-
452
laars mochten zijn, op eene Christelijke gemeente nog zooveel
^ te meer de verplichting rust, om voor hare armen te zorgen,
hetgeen slechts door het ambt der diakenen naar eisch ge-
schieden kan. Het is hunne taak, met onverdroten ijver de
aalmoezen in te zamelen, en die getrouw en bedachtzaam
te verdeelen. Tot. diakenen zijn bij voorkeur mannen te ver-
kiezen van beproefde oprechtheid des geloofs, van erkende
reinheid van wandel, die aan het voorbeeld, ons door den
Apostel Paulus [I Tim. 3] geschetst, beantwoorden. Ten
laatste wordt aan de gemeente voorgehouden, hoe zij zich
jegens de diakenen heeft te gedragen: gewilliglijk en onbe-
krompen offere zij hare liefdegaven, en toone zich er aan
indachtig, dat hetgeen zij bezit het eigendom is van God,
en zij slechts beheerderesse daarvan, geroepen om eenmaal
rekenschap dienaangaande af te leggen. De rijken moesten
wèl bedenken, dat het niet geheel hetzelfde is, of zij zelven,
dan wel de diakenen de aalmoezen verdeelen. Alle dingen
toch behooren tot stichting der gemeente te geschieden; aan
die stichting is het echter niet bevorderlijk, wanneer met de
aalmoezen luiaards en lediggangers gevoed worden. l)at ver-
hoedt de zorgvuldigheid der armverzorgers , die door de ge-
meente verordineerd zijn. Het is de plicht der armen ten
opzichte van de diakenen en van de geheele gemeente, zich
er op toe te leggen, dat zij niet langer behoeven te ontvan-
gen, maar zelven in staat zijn te geven. De christen behoeft
zich over zijne armoede niet te schamen, want het is eene
beschikking van Gods voorzienigheid, dat sommigen rijk,
anderen arm zijn; hetgeen de armen ontvangen, moeten zij
met dankbaarheid en bescheidenheid aannemen, en zich tot
hunnen troost ten allen tijde het voorbeeld van Christus, den
Heer, voor oogen stellen, die om onzentwille vrijwillig arm
is geworden. Zij moesten bedenken, dat zij de gaven als uit
Gods hand ontvangen, en dat zij die dus ook als gaven Gods
hebben te gebruiken, zonder morren, met matigheid, slechts
tot hunne nooddruft, maar niet tot overdaad, want ieder
misbruik van de aalmoezen is eene zonde tegen God.
De verkiezing van ouderlingen en van diakenen had plaats
453
op gelijke wijze, als de keuze van eenen dienaar des Woords.
Desgelijks ook de bevestiging in het ambt, natuurlijk be-
houdens de noodige wijziging in de voorgestelde vragen,
overeenkomstig den verschillenden aard der bedieningen. Aan
do ouderlingen werd gevraagd, of zij zich door den adem-
tocht des Heiligen Geestes innerlijk voelden aangedreven, om
deze bediening te aanvaarden; voorts, of zij geloofden, dat
de leer der profeten en der apostelen, begrepen in de heilige
Schriften, en op den uitersten hoeksteen, Jezus Christus, be-
rustende, alles in zich bevat, wat noodig is tot onze behou-
denis, en dat zij de volkomene leer is tot zaligheid voor een
iegelijk, die gelooft; en eindelijk, of zij bereid waren, zich
met al hunne krachten aan hunnen dienst te wijden, met
raad en daad de predikers des Woords ter zijde te staan,
en door het voorbeeld van eenen zuiveren levenswandel den
opbouw der gemeente te bevorderen , maar ook , ingeval zij
zei ven zich kwamen te ontgaan, zich aan de kerkelijke tucht
te onderwerpen. Bij de wijding tot het diakenschap zijn. de
beide eerstgenoemde vragen nagenoeg gelijkluidend; daarop
volgt de nadere vraag, of zij bereid zijn, om, overeenkom-
stig hunne roeping, de aalmoezen tot ondersteuning der
armen naarstig en zorgvuldig te verzamelen, en de inge-
zamelde giften getrouwelijk, in de vreeze des Hoeren, op
verstandige wijze, met alle zachtmoedigheid, vriendelijk-
heid en bescheidenheid onder de behooftigen te verdeelen,
zonder zich daarbij te laten leidep/door eenige overweging
van liefde of van haat jegens i^ id , maar alleen met het
oog op ieders behoefte en nood. aft; en eindelijk, of zij ge-
zind zijn, deze hunne bediening zelve door een deugdzaam
en godzalig leven en door de vervulling van de plichten der
christelijke godsvrucht en liefde, naar hun beste vermogen,
tot stichting der gemeente te versieren, maar ook, zich aan
de kerkelijke tucht te onderwerpen, ingeval zij zich kwamen
te ontgaan.
Beiden, ouderlingen en diakenen, werden, na de voorge-
stelde vragen toestemmend beantwoord te hebben, op gelijke
wijze als de dienaren des Woords, door handoplegging on
454
zegenbede, plechtig in hun ambt bevestigd. Ten slotte ont-
vingen zij, die in één der beide bedoelde ambten bevestigd
waren, in tegenwoordigheid der gemeente nog voortreffelijke
wenken met betrekking tot de waarneming hunner bediening.
De ouderlingen werden aangespoord, om zich niet te laten
ontmoedigen door de verachting en den haat dezer wereld;
om, zonder aanzien des persoons, allen, die op eenigerlei wijze
aan de gemeente ergernis geven, gelijkelijk te vermanen, terecht
te wijzen en volgens het gebruik van de kerkelijke tucht te
bestraffen ; om op de leer, de zeden en den geheelen levens-
wandel, niet alleen van de massa des volks in de gemeente,
maar ook inzonderheid van alle hare dienaren nauwkeurig
acht te geven ; om, in vereeniging met de predikers des Woords,
de wolven van de kudde verwijderd te houden; om zei ven,
door de zuiverheid en godzaligheid van hunnen wandel en
de betooning hunner christelijke liefde boven de geheele ge-
meente uit te blinken, en eindelijk, om de talenten, die hun
zijn toevertrouwd, hetzij ze vele, of ook slechts weinige zijn,
in hunne bediening op woeker te stellen, opdat zij een-
maal, bij de verschijning van Christus, den Heer, de kroon
der eeuwige heerlijkheid mogen verkrijgen. — De pas be-
vestigde diakenen werden opgewekt , om de vroomheid , de
standvastigheid en het geloof van eenen Stefanus, niet daar-
entegen het bedrog en de geveinsdheid van eenen Judas zich
ter navolging voor te stellen; om met ijver en getrouwheid
hunne bediening waar te nemen, en zich de onwaarheden
en smaadredenen der menschen niet aan te trekken. De god-
vruchtigen hadden nu eenmaal geen ander loon dan dit van
deze wereld te verwachten. Maar zij moesten ten allen tijde
het oog gevestigd houden op Hem, die hunne bediening ver-
ordend heeft, dewelke, daar Hij getrouw is, ook zal maken,
dat zij dat alles tot overvloedig voordeel voor de gemeente
verdragen kunnen, en die eenmaal, indien zij althans vol-
harden, tot hen zeggen zal: „Komt, gij gezegenden mijns
Vaders! beërft het koninkrijk.''
Gelijk door eenen rooden inslagdraad, die het weefsel
455
bijeenhoudt, zoo is de geheele gemeente-inrichting door de
kerkelijke tucht als doorweven. Wij hebben gezien ,
hoe niemand in de gemeente wordt opgenomen, die zich
niet vrijwillig aan hare tucht onderwerpt, en ook de nieuwe
lidmaten der gemeente worden slechts onder deze voorwaarde
voor de eerste maal tot het heilig Avondmaal toegelaten.
De predikant, de ouderling^ de diaken aanvaarden hun
ambt slechts onder deze voorwaarde, dat zij bereid zijn,
zich aan de kerkelijke tucht te onderwerpen. Zij is de hart-
ader van het geheele organisme. Met heiligen ernst heeft
onze vriend reeds in Oost-Friesland voor hare regeling en
instandhouding gestreden, en haar te Londen doorgezet.
La ski kon deze zaak doorzetten, dewijl hij hier niet eene
landskerk had met territoriaal-d wang, maar eene gemeente,
wier leden zich vrijwillig aan hare instellingen onderwierpen,
en wien het ook ten allen tijde vrijstond, weder uit haar
verband uit te treden en zich aan de naaste parochie der
Engelsche kerk aan te sluiten. Niet ieder vreemdeling als
zoodanig was lid van deze vreemdeling-gemeente, maar slechts
diegene onder hen, die bereid was, om de reeds genoemde
verplichtingen van een gemeentelid te vervullen. Telken
jare diende de gemeente eene opgave van de namen harer
Avondmaalgangers bij den bisschop van Londen in, opdat
deze zou kunnen zien, welke vreemdelingen, als niet tot
deze gemeente behoorende, onder zijn geestelijk opzicht
stonden. ^) Zeer nauwkeurige wetten regelden deze verhou-
dingen , door welke het tevens alleen mogelijk was , de ge-
meente tegen sektarissen te beschermen. ^)
Het begrip der kerkelijke tucht wordt door L a s k i in deze
bewoordingen samengevat, dat zij eene zekere, aan de H. Schrift
ontleende instelling is, volgens welke, met trapsgewijze op-
klimming, alle broederen in de gemeente van Christus elkan-
der, overeenkomstig hot Woord van God, christelijk hebben
te vermanen, opdat zoowel het geheele lichaam en alle zijne
leden, elk in zijnen bijzonderen werkkring, voor zoover zulks
O Kuypcr, II, 136.
>) Ibid., p. 236 sq.
4S6
mogelijk ia, worden bijeengehouden, als ook opdat, indien
er wellicht sommigen in de gemeente gevonden worden, die
dergelijke vermaningen hardnekkig versmaden, dezulken ten
laatste, door uitsluiting uit haar midden, aan den Satan
worden overgegeven (I Cor. 5 : 5) , of misschien ook nog
door zulk eene beschaming het vleesuh, wat zijne begeer-
lykheden betreft, in hen te niet gedaan, de geest daarentegen
eindetijk tot bekeering geroepen en alzoo nog behouden
worden mocht. •) ïe ver zou het ons voeren, indien wg
de nadere toelichting dezer stelling, gelyk die dnor Laski
in het breede gegeven wordt, te dezer plaatse wilden mede-
deelen; wij hebben ons hier slechts bezig te houden met de
wijze, waarop hij dozo zijne grondstelling te Londen heeft
doorgezet en in practijk gebracht. Wij kunnen hier niet uit-
weiden over de broederlijke vermaningen, die in stilte onder
vier oogen, of in tegenwoordigheid van eenen derden en vier-
den broeder plaats vinden en door een gewenscht gevolg
bekroond worden. Bijaldien echter de schuldige partij naar
zulke broederlijke vermaningen niet luistert, of ook, indien
het gepleegde kwaad aan de geheelc gemeente bekend ia,
dan wordt er aangifte gedaan bij den kerkoraad, die den
overtreder vóór zich Iaat komen, en hem broederlijk ver-
maant zich te bekeeren. Indien hij ook naar deze verma-
ning niet luistert, dan wordt tot de openbare behandeling
der zaak overgaan. Daarbij moet worden opgemerkt, dat
twee of drie geloofwaardige mannen de aanklacht hebben
in te dienen, en wel rechtstreeks bij den kerkeraad, en
dat slechts zoodanige klachten worden aangenomen , die op
de zuiverheid der leer, of op de gehoorzaamheid aan de
Goddelijke wet, of op de verstoring van den algemeenen
vrede , of van de orde en leiding der gemeente , of van de
onderlinge broederlijke gemeenschap betrekking hebben. In-
dien de zaak nog voor den kerkeraad kan worden geschikt,
dan wordt zij hier afgedaan ; is zij echter algemeen be-
kend , en de overtreder tot boetedoening bereid , dan ge-
il ibid., p- 170.
457
schiedt deze in tegenwoordigheid der gemeente. Op den ker-
keraad rust echter de verplichting, vooraf nauwkeurig te
onderzoeken, of het berouw oprecht is. Daarop wordt er een
Zondag vastgesteld, op welken de boetvaardige zijne schuld
voor de vergaderde gemeente belijdt. Aan het eind der gewone
predikatie, doch die op dezen dag een weinig wordt ingekort,
houdt de leeraar een kort vertoog over de kerkelijke tucht,
gelijk die in de Schrift gegrond is. Daarna plaatst de berouw-
hebbende zich v()ór het aangezicht der geheele gemeente, terwijl
de leeraren en ouderlingen zich om hem heen scharen, allen
met het gelaat naar de gemeente gericht. Alsnu wendt de
dienstdoende prediker zich met eene ernstige toespraak tot de
vergadering, en noodigt haar uit, om gemeenschappelijk met
vurige smeeking God aan te roepen, dat Hij den boetvaardige
zijne schuld moge vergeven. Na dit diep aangrijpend gebed te
hebben uitgesproken, verzoekt de voorganger, met hartelijke,
ernstige woorden, den berouwhebbende , openlijk eene be-
lijdenis van zijne schuld af te leggen en de gemeente om
vergiffenis te smeeken. Is hij soms door schaamte of aan-
doening buiten staat, dit zelf te doen, dan spreekt de leeraar
de woorden voor hem uit, en [de boeteling] betuigt slechts,
dat het zijne woorden zijn. Daarop vraagt de voorganger
aan den kerkeraad, of hij de afgelegde schuldbelijdenis vol-
doende acht. Volgt hierop geone tegenwerping, dan heet de
dienaar des Woorda den gevallene weder welkom in de
gemeenschap der broederen; de geheele gemeente buigt
zich neder, en dankt God, dat Hij den gevallen broeder
weder in zijne genade heeft opgenomen. Daarna vraagt de
leeraar aan den gewonnen broeder, of hij zich ook in het
vervolg aan de kerkelijke tucht wil onderwerpen, en op
zijn toestemmend antwoord verkondigt on verzekert hij hem
de volkomene vergeving van zijne zonde; de dienaren des
Woords en de ouderlingen reiken, ieder op zijne beurt,
den berouwhebbenden broeder, in de tegenwoordigheid der
geheele gemeente, de rechterhand en geven hem den broe-
derkus. Na het zingen van den 103^^'^ [of eenen anderen
soortgelijken] psalm, verlaat de gemeente het kerkgebouw.
458
Ingewikkelder en ook pijnlijker was de aard Yan het proces,
ingeval de zondaar hardnekkig en onboetvaardig weigerde,
den geringsten stap te doen om vergiffenis te verkrijgen.
Wanneer alle opeenvolgende vermaningen: eerst onder vier
oogen, daarna vóór den kerkeraad, en eindelijk in het bijzijn
van de geheele gemeente, zonder uitwerking gebleven waren,
dan maakte de kerkeraad aan de gemeente bekend, dat
tot de uitsluiting van den onboetvaardige moest worden
overgegaan. Doch slechts met toestemming van de geheele
gemeente kan deze maatregel worden ten uitvoer gebracht.
Daartoe wordt een bepaalde dag vastgesteld, tot op welken ieder
gemeen telid het recht heeft, aan den kerkeraad zijne beden-
kingen aangaande de uitsluiting, in het bedoelde geval, mede
te deelen en om uitstel te verzoeken. Indien er bedenkin-
gen worden ingebracht, of ook, indien zich sporen van berouw
bij den aangeklaagde vertoonen, dan wordt de dag der uit-
sluiting eene week verschoven , en wanneer het berouw op-
recht blijkt te zijn, dan wordt ten aanzien van den zoodanige
gehandeld, gelijk zoo even vermeld is. Worden er echter
geene bedenkingen geopperd, en volhardt de aangeklaagde
in zijne onboetvaardigheid, dan komt de gemeente, in den
vooravond van den bepaalden Zondag, in de kerk bijeen, ten
einde nog eenmaal gemeenschappelijk, volgens het Woord
Gods, te onderzoeken, of het gestrenge oordeel niet nog uit-
gesteld, of wellicht zelfs geheel vermeden kan worden. Ver-
klaart de gemeente door haar stilzwijgen , dat zij geene
gronden daarvoor kan vinden, dan wordt, op den naderenden
rustdag, de uitsluiting op eene hoog-ernstige, plechtige wijze
voltrokken. ^) De gewone predikatie [des voormiddags] wordt
een weinig ingekort, om tijd te winnen, ten einde aan de
[1) TUt de vergelijking met de woorden van a Lasco, t. a. p., II, p. 196,
blijkt, dut niet de geheele gemeente, maar enkel de leeraren en de ouderlingen,
zoowel van de Dnit8che, als \nn de Franscbe afdceling der vrcemdeling-gemcente,
des Zatcrdags-namiddags tot het genoemde duel onderling bijeenkwamen.
Ingeval er in deze samenkomst geene geldige redenen tegen de voorgenomene
excommunicatie werden aangevoerd, had zij des anderen daags voortgang, in
het bijzijn der geheele gemeente, wier openlijk stilzwegen alsdan als een be-
w^s van hare goedkearing beschouwd werd. — Yert.]
459
gemeente het rechtmatige en plichtmatige van zulk eene uit-
sluiting volgens het Woord Gods te betoogen, en haar te
wijzen op den zegen, die voor de gemeente uit de nauw-
gezette handhaving van de kerkelijke tucht voortvloeit.
Daarop gaat de dienaar des Woords tot de excommunicatie
zelve over. ^) Eerst roept hij aan de gemeente hot bewuste
geval in zijne bijzonderheden in het geheugen terug, en
welke vergeefeche pogingen men in het werk heeft gesteld,
ten einde den onboetvaardigen broeder van de dwaling zijns
weegs te bekeeren. Vervolgens richt hij tot den gezamen-
lijken kerkeraad, die bij deze gelegenheid op ecnc eenigszins
verhevener plaats, vóór hot oog der geheele gemeente is
nedergezeten , het verzoek, om door een plechtig „Ja" te
bevestigen, dat alles zich op die wijze heeft toegedragen.
Daarop noodigt de voorganger do gemeente uit, om hare
droefheid over den onboetvaardigen broeder in een gemeen-
schappelijk gebed te uiten. Het is een aangrijpend gebed ^
hetwelk ons nog woordelijk is bewaard gebleven, een door-
dringende zielekreet, dat Ood toch, om den wille van zijnen
geliefden Zoon, dezen ongelukkige van zijnen boezen weg
des verderfs mocht doen wederkooren.
Xa dit gebed geeft do voorganger er acht op, of de on-
boetvaardige ook wellicht te voorschijn treedt,- om eenig
teeken van berouw te geven. Doet hij zulks, en geeft hij
zijn berouw op ondubbelzinnige wijze te kennen, dan wordt
de uitsluiting onmiddellijk geschorst, en met een dankgebed
geëindigd. Geeft echter de aangeklaagde, nóch persoonlijk,
nóch door iemand anders, eenig teeken van berouw, dan wijst
de leeraar de gemeente op de gestrengheid Gods jegens zulke
onboetvaardigen. Vreeselijk is het, te vallen in de handen van
den levenden God; verreweg het ellendigste echter is 't, indien
wij in onze harten den toorn Gods tegen de zonde niet ge-
voelen. Daarom richt hij nogmaals, in den naam van Jezus
Christus , die voor onze zonden gestorven is , de dringende
[*) Verg. hierbij, in het algemeen, het „Formulier van den Ra n, of der afsn ij-
ding van de gemeente van Christus," voorkomende onder de liturgische ge-
schriften der Nederl. Herv. kerk. — Vert.~;
460
bede tot den ongelukkige, dat hij toch de schuld van zijn
misdrijf en van zijne hardnekkigheid crkenne, en dat hij
zich met de gemeente verzoene. Vindt ook deze laatste bede
bij den halsstarrige geen gehoor, dan verklaart de leeraar,
dat alsnu, tot leedwezen van de geheele gemeente, moet
worden gedaan hetgeen wij, volgens het bevel van Christus,
onzen Heer, en naar het voorschrift zijner Apostelen, schuldig
zijn te doen, nl. door het ambt der sleutelen plechtig te
verklaren, dat degene, die, overeenkomstig het getuigenis
des Woords, niet behoort tot de gemeenschap van Christus,
ook evenmin tot onze gemeente behoort. Tot teeken echter,
dat zulks geenszins eigendunkelijk, maar op gezag van
Christus zelven geschiedt, noodigt hij de gemeente uit, om
den naam van Christus ootmoedig met hom aan te roepen.
In dit gebed wordt de afsnijding van de gemeente in deze
woorden uitgesproken: „Steunende op uw woord, en verlicht
door de werking van uwen aanbiddelijken Oeest, o Heer, die
onze eeuwige Koning, Leeraar en IToogcpriester zijt, sluiten
wij hier openlijk dezen onzen onboetvaardigen broeder ,
die alle kerkelijke vermaningen tot dusver hardnekkig bleef
verachten, in uwen naam van onze gemeente en hare heilzame
gemeenschap uit. Krachtens de volmacht onzer bediening ver-
klaren wij , dat zijrie zonde hem , niet slechts op de aarde ,
maar, volgens do leer uws Woords, ook in den hemel gehouden
blijft In navolging van uwcn^apostel Paulus, geven wij
hem met weeklagen aan den Satan over, tot verderf zijns
vleesches, of wellicht onder de kwellingen, die hem door den
Satan zullen worden aangedaan, zijn geest aan het eind, door
uwe genade, uit den doodsslaap der zonde ontwaken en behou-
den worden mocht. Want Gij zijt gekomen, om te behouden
hetgene verloren was, en om een einde te maken aan de
dwingelandij van hom, die wegens onze zonde de heerschappij
des doods over ons vorkreeg, — Gij, o Heer, die met God,
uwen Vader, en met den Heiligen Geest, als drieëenig en
cénig God , leeft en regeert in eeuwiglieid. Amen."
Hierop stelt de prediker in het licht, op wat wijze de
gemeente zich ten opzichte van zulk oenen uitgeslotene heeft
461
te gedragen. Als een heiden en tollenaar moet hij, volgens
het bevel des Heeren, beschouwd worden, maar het bijwonen
van de openbare^odsdienstoefeningen , voor zoover althans
de prediking des Evangelie's betreft, blijft hem vergund,
of hij zich soms nog bekeeren mocht. Alle gezellige omgang
met hem moet, zooveel mogelijk, vermeden worden, doch
wat burgerlijke overeenkomsten en handelszaken aangaat,
behoeft men zich niet ganschelijk aan hem te onttrekken.
De meer gevorderden in het geloof moeten geen enkele ge-
legenheid verzuimen, om hem christelijk te vermanen en
hem te bewegen, om tot de gemeente weder te keeren;
niemand mag zulk eenen uitgeslotene hoonen of bespotten,
maar allen moeten veeleer zijn lot oprecht beklagen.
Gevoelt nu zulk een uitgeslotene toch nog, na korter of
langer tijd, berouw over zijne zonde, en ontwaakt in zijn
binnenste het vurige verlangen, om van den vreeselijken ban
bevrijd te worden, dan stelt hij, hetzij zelf, of door een ander,
den kerkeraad daarvan in konnis. Deze zendt ten spoedigste
één of een paar van zijne leden, om den ongelukkige te troos-
ten, en hem de behulpzame hand te bieden, opdat hij op den
rechten weg moge terugkeeren. Met het gelijke doel worden
een paar van zijne vroegere bekenden uitgenoodigd. Hebben
deze pogingen het gewenschte gevolg, dan verschijnt de
berouwhebbende vóór den [bij zonderen] kerkeraad, die nauw-
keurig onderzoekt, of de kenteekenen van een waar berouw
bij hem aanwezig zijn. Is dit werkelijk het geval, dan wordt
voor de wederopneming in de gemeente een bepaalde Zondag
vastgesteld, en acht dagen te voren aan de gemeente ver-
zocht, om voor den boetvaardige te bidden. Enkel op den
dag des Heeren, en alsdan met de meest mogelijke plechtig-
heid heeft deze wederopneming in de Kerk plaats. Nadat de
gewone voormiddagspredikatie, die echter op dezen dag een
weinig wordt ingekort, geëindigd is, zet de leeraar allereerst
voor de gemeente uiteen, wat de Schrift leert aangaande
de bekeering en de w^ederopneming der geëxcommuniceerden,
en noodigt de gemeente uit, om, indachtig aan de handel-
wijze van den vader jegens den verloren zoon in de gelijkenis,
462
den terugkeerenden broeder met alle zachtmoedigheid en
vergevensgezindheid te bejegenen. Na een gemeenschappelijk
gebed brengt de leeraar den berouwhebbende met ernstige
woorden geheel zijn zondig gedrag onder het oog, en deze
moet eene onbewimpelde belijdenis van zijne zonde en van zijn
berouw afleggen, of, ingeval hij door schaamte, of uit eenige
andere oorzaak daartoe niet in staat is, op eenige bepaalde
vragen, die hem worden voorgelegd, met een duidelijk „Ja"
antwoorden. Daarop wendt de leeraar zich openlijk tot den
kerkeraad met de vraag, of hij dusdanige bekentenis voldoende
keurt. Luidt het antwoord bevestigend, dan richt hij eenige
vermanende woorden tot den boetvaardige en tot de gemeente,
en spreekt op gelijke wijze, als bij de uitsluiting geschied is,
nl. in een gebed, waarbij de geheele vergadering zich neder-
buigt, de wederopneming van den berouwhebbende in de ge-
meente uit. „Ootmoedig smeeken wij U, genaderijke Heiland,
dat Gij dit uw schaap, hetwelk verloren was en weder is
terechtgebracht, mitsgaders ons allen met een ontfermend oog
wilt aanzien, en dat Gij deze onze ambtsverrichting, wat betreft
de wederopneming van dezen uitgeslotene in de christelijke
gemeente, nu ook met uwe goedkeuring wilt bekronen. Im-
mers, uit uw Evangelie weten wij, dat Gij zulk een herder
zijt, die uwe verdoolde schapen op uwe schouderen legt en
ze met vreugde tot uwe schaapskooi wederbrengt "
Daarop verkondigt de leeraar aan den berouwhebbende zijne
wederopneming, en vermaant de gemeente, hem nu weder
als eenen broeder te beschouwen. In tegenwoordigheid van
de geheele gemeente geeft de kerkeraad hem de broederband
en den broederkus, terwijl de gemeente, met een blijmoedig
hart, den 103^^" lofpsalm aanheft. ^) —
Een belangrijk hoofdstuk in de kerkelijke tucht vormt hare
toepassing, bij voorkomende gelegenheid, ook op de leeraren
der gemeente. Het ontbreken van zoodanige toepassing be-
schouwt Laski, zeer te recht, als eenen terugkeer tot het
\}) Verg., in het algemeen, wat deze geheele plechtigheid betreft, het „For-
mulier van Wederopneming des afgesnedenen in de gemeente van Christus,"
voorkomende onder de liturgische geschriften der Ned. Herv. kerk. — Vert.]
463
standpunt der Roomsche kerk. De superintendent en de
leeraren hebben aanspraak op bijzondere eere, maar wat de
leiding en instandhouding der gemeente betreft, zóó verklaart
L a 8 k i, hebben zg boven de andere leden van den kerkeraad
niets vooruit, en moeten zij zich ook, evenzeer als ieder
ander lid, aan de gemeenschappelijk genomen besluiten on-
derwerpen. Daarom leggen leeraren, ouderlingen en diakenen,
alvorens zij hun ambt aaavaarden, openlijk, ten aanhooren
van de gemeente, de verklaring af, dat zij bereid zijn, om
zich ook aan de kerkelgke tucht te onderwerpen.
Op één punt hebben wij nog ten slotte onze opmerkzaam-
heid te vestigen, nl. op de inrichting van den Goetus,
die, in overeenstemming met de gewijzigde omstandigheden,
te Londen eenigszins anders was georganiseerd, dan in
Oost-Friesland. Eiken Donderdag vergaderden de leeraren
en ouderlingen der Duitsche gemeente, ten einde over aan-
gelegenheden der gemeente te beraadslagen, oneenigheden
tusschen gemeenteleden bij te leggen enz. Op den eersten
Donderdag van iedere maand nemen ook de diakenen aan deze
vergadering deel, in welke alsdan gemeenschappelijk wordt
beraadslaagd over do aangelegenheden der armen; bij die
gelegenheid doen de diakenen rekening en verantwoording
aangaande ontvangsten en uitgaven, en, daar zulks op den
voorafgaanden Zondag wordt bekend gemaakt, zoo kan ieder
gemeentolid, die zijn verlangen daartoe te kennen geeft, het
doen van deze verantwoording bijwonen. Op den eersten
Maandag van elke maand komen alle leeraren, ouderlingen
en diakenen, die onder hot opzicht van den superintendent
staan, bijeen, om over zulke onderwerpen te beraadslagen,
die op de vreemdeling-gemeonten der verschillende nationa-
liteiten betrokking hebben. Op den tweeden Donderdag,
eindelijk, van elk vierendeeljaars vergaderen de leeraren,
ouderlingen en diakenen der Duitsche gemeente, ten einde
onderling over de zuiverheid in de leer en den zcdelijken
wandel van elk hunner broederlijk hun gevoelen uit te
spreken. Op den voorafgaanden Zondag wordt deze vergade-
464
ring aan de gemeente bekend gemaakt, en ieder heeft dan
het recht, om, ingeval hij iets tegen de leer of den wandel
van één der leeraren, ouderlingen of diakenen heeft in te
brengen, daarvan, vóór den bepaalden dag^ één van de ouder-
lingen in kennis te stellen. Doch hetgeen hij te berde brengt
moet hij door de verklaring van twee of drie geloofwaardige
getuigen kunnen bevestigen, deels, om op die wijze alle
valsch getuigenis-spreken in het verborgen tegen hen, die
het vertrouwen der gemeente bezitten, zooveel mogelijk te
voorkomen, deels echter ook, om alle misbruik van zulk eone
aanklacht te keer te gaan. Eén van de leeraren houdt alsdan,
op den bepaalden dag, eene korte rede over de beteekenis
van dit broederlijk wederzijdsch onderzoek , en de superin-
tendent wekt de broederen op, zich bij hunne onderlinge
vermaningen alleenlijk door den geest van christelijke liefde
en vrijheid te laten leiden, en er zich wel voor te wachten,
de feil van den broeder uit haat of wangunst te overdrijven,
of haar uit toegenegenheid en vriendschap te verkleinen of te
vergoelijken. Daarop verwijderen zich beurtelings degenen,
over wie een oordeel moet worden geveld; in ieders afwe-
zigheid bespreken de broederen onderling hetgeen tegen
hem is ingebracht, en overwegen te zamen, of het van dien
aard is, om hem daarover bij zijne terugkomst eene broeder-
lijke vermaning te geven, en zoo ja, in welken vorm. Na
weder in de vergadering te zijn toegelaten , neemt hij , op
wien zoodanige maatregel wordt toegepast, de vermaning
bescheidenlijk aan, tenzij hij haar als ongegrond kan afwijzen.
Laat hij zich echter niet aan haar gelegen zijn, dan wordt
hg in zijne bediening geschorst, voor zoolang, als hij blijft
weigeren, de vermaning ter harte te nemen ; volhardt hij in
zgne weigering, dan kan de zaak, na de verschillende stadiën
doorloopen te hebben, ten laatste zelfs zijne uitsluiting uit
de gemeente ten gevolge hebben. Bijaldien do ontheffing van
het ambt op den superintendent zelven moet worden toe-
gepast, dan kan zulks alleenlijk geschieden met toestemming
van de kerkeraden van al de gemeenten, die onder zijne
leiding staan. Want ook de superintendent moet, in voor-
465
komende gevallen^ niet gespaard worden. ^Immers, het is
openbaar, dat er niets is, wat tot dusver méér tot het
verval der geheele kerk heeft bijgedragen , of nog verder
daartoe kan bijdragen, dan wanneer de dienaren der Eerk^
in welke betrekking zij ook geplaatst zijn, zich zei ven van
de gehoorzaamheid aan de kerkelijke tucht, die zi) aan an-
deren voorschrijven, ontslaan, terwijl het toch veeleer hunne
zaak zijn zoude , om haar door hun eigen voorbeeld aan an-
deren aan te bevelen".... „Wg hebben het zelven metterdaad
ondervonden, en ondervinden het van dag tot dag méér, dat
op geen andere wijze in de Kerk, èn al het goede be-
houden, èn al het kwade met Gods hulp vermeden kan
worden, dan door een ernstig en naarstig gebruik van de
wettige kerkelijke tucht, gelijk die in het Woord Gods is
gegrond." ')
In het breede hebben wij van deze vreemdeling-gemeente
te Londen, het voornaamste werk van onzen vriend, een
beeld trachten te schetsen. Als cene soort van ideaal-ge-
meente staat zij vóór ons, terwijl zij door menigen hel-
deren trek ons den ouden, apostolischen tijd te binnen
roept, met welks gemeenten zij ook in dit opzicht overeen-
komst vertoont, dat zij onder zulk ecno beiUg-strcnge tucht,
die zonder aanzien des persoons werd toegepast, tot eene
geschikte oefenschool werd, om geloofshelden te kweeken,
die bereid waren, ter wille van hun geloof alles prijs te
geven, en zich onbevreesd aan verdrukking, vervolging en
ballingschap te onderwerpen, in standvastige navolging van
hunnen eeuwigen, éénigen, waren Koning in den hemel. Wij
ontveinzen ons niet, dat bijzonder gunstige omstandigheden
de ontwikkeling van zulk eene gemeente bevorderden; maar
wij houden tevens in het oog, dat er ook al de geloofsmoed,
alsmede de volle, onverbiddelijke energie van Laski en zijne
bewonderenswaardige begaafdheid toe vereischt werden, om
de desniettemin zoo groote moeielijkhedcn te overwinnen,
») Ibid., II, p. [235,] 236.
DALTON. 30
en raet Gods hulp zulk eenen terapelbouw tot stand to brongen.
Niet tot in alle onderdeelen kunnen wij dien bouw ala een
onverbeterlijk model voor alle tijden en allo omstandigheden
aanmerken, en wie zich eene slaafsche navolging wilde
ten doel stellen, zou, naar ons oordeel, niet eenmaal in
den geest van Laeki handelen '); maar ieder, die een
hart bezit voor onze Evangelische gemeenten, en die met
hare tegenwoordige droevige omstandigheden begaan is, alwie
onder de bouwlieden geroepen ia , om in zijne gemeente
'b Meeren tempel te bouwen, moet allereerst met den arbeid
■) Op Lïski
w^ie is tfn voIl<
(ie edele John
toen lij gereed
reii nou AmeHb
geluk»lige engel
iJDB TTÜe, mur nochtans diep in Gods Woord gegronde liens-
1 toepming bet treffende, eehoone ifseheidsiroord, hettrellc
linaon [f 1630] tot de eerito „Pelgrimvaders" richtte,
len, om met hel icUp „de Meibloem" G.Mij-flower") de
aaovaaidcD ; „Voor ïict ungezicbt vg,n God en ynn lijoe
eriaaan ik u. mij slecht in lucirerre te volgen, aU gij mij
jriatus riet nnvulgen. Indien God u soms het eenofunder
door ééa zijner andere werktuigen openhnart, zoo veest bereid, lolki aan te
□omen, gelijk gij, gedurende mijne bediening, iedere waarheid bereidirillig hebt
aaogenomen; nant ik hen ten volle overtuigd en in de stellige verwachtiog,
dat de Heer nog méér waarheid uit lijn heilig Woord aan het licht ia\ doen
kumen. Wat mïj betreft, ik kan den tegenvroordigen toestand der Hervormde
kerkeo, die tot een keerpunt genaderd zijn, niet genoeg beklagen, en ik wil
thans niet verder gaan , dan de oitverkoren werktuigen harer Hervorming.
De Lutheranen zijn et niet toe te bewegen, nm in eenig opzicht verder te
gaan, dan hetgeen Lu tb er gezegd heeft. Welk gedeelte van zijnen v'ü de
goede God aan C a I V ü n beeft geopenbaard, zij Zouden liever sterveo, dan het
aannemen; en de CalvioiBLcD, zoonla gij ziel, zijn oobeweeglijb blijven stilstaan
ter ploalie, naar de groote man Gods hen verlaten heeft, alhoewel dele ooge-
twijFeld nog niet allo dingen duidelyk doorzag. Dat is een diep betreureni-
waardig kwaad, want in hoe hooge mate die mannen in hunnen tydookbrao-
dende en lichtende kaarsen [Joh, fr : >)&] geweeet zijn, zoo hebben zij nochtani
bet raadsbesluit Gods niet ten volle doorgrond. Indien zij nog in leven wareiii
zouden zij thans evenzeer bereid z\jn, om bet verdere licht aan te nemen, ah zy
dat ten hunnen tïjde hebben aangenomen. Ik bezweer u, vergeet zulk» nimmeri
bet is een hoofdsTtikel van avre kerkelykc Inriehting, ten allen tyde bereid
te lijn, om iedere waarheid aan te nemer, die u mogelijk Ie eeniger lijd ml
bet geschrevene Woord Gods zal wordeo onthuld." (Barclay, p. 121.J
[Over de waarde, in het algemeen aan de kerkelijke ajmbqlen van vroeger
dagen door den Hervormden belijder te hechten, kan men o. a, vergelijken bot
Artikel ran wijlen Dr. J. J. van Oustcrzee, getiteld: „Auierlkaansche
Theologische Litterataar", geplaatst in de „Stemmen voor Waarheid en Vleds"
van Jnni 1881 (18e Jaarg., D. Ij, inzonderheiil bl. BSb vgg. — Vcrt.]
467
yan La ski rekenen, en dezen bij zijn streven tot uitgangs-
punt kiezen.
Do ernstige moeielijkheden, met welke La ski bij de ten-
uitvoerbrenging van zijn bouwplan had te worstelen, hebben
hem niet afgeschrikt, maar hem integendeel — gelijk wij
uit zijne laatstelijk aangehaalde woorden kunnen bemer-
ken, — in de waarheid zijner overtuiging bevestigd. In het
voorjaar van 1553 was hij tot tweemaal toe in de gelegen-
heid, om de kracht zijner inrichting op de proef te stellen.
Het moeielijkstc deel der gemeente was hare jongste loot,
de Italiaansche afdeeling. Het schijnt, dat er in deze laatste
menig onzuiver element is voorhanden geweest, en dat het
haar ontbroken heeft aan eene kern van waarlijk geloovige
mannen, die, vast in het Evangelie geworteld, eenen dam
zou hebben kunnen vormen tegen alle buitensporigheden in
hun eigen midden. Men was niet tevreden over den leeraar,
en deze was ook voor zijn moeielijk ambt niet berekend.
Daarbij kwam de zware beschuldiging, welke bij den ker-
keraad tegen hem werd ingediend, dat hij zich bezondigd
had tegen het zevende gebod. De onzedelijke zielenherder
kon de daad niet loochenen ; zijn armzalige brief aan Sir
Cecil, die ons is bewaard gebleven, bevestigt het wanbedrijf,
en openbaart ons de betreurenswaardige gezindheid van den
verblinden man. *) Uit dien hoofde werd Florio van zijn
ambt ontzet. Dat kon de man niet verdragon, en daar hij
tegen den levenswandel van zijne vroegere ambtsbroeders
niets kon inbrengen, liet hij niet af, twisten te zaaien op
het gebied der leer , en uit te strooien , dat , hetgeen er op
het punt van do Predestinatie geleerd werd, niet in over-
eenstemming was met de Heilige Schrift. Onze vriend had
nl. in zijne Schriftverklaringen met recht doen uitkomen, dat
1) S t r 7 p e (verg. het Aanhangsel op zijn geschrift, p. 143) plaatst de zaak
in het jaar 1551, maar tast hierin kennelijk mis. De brief aan Cecil heeft
enkel eenen datum (Februari), zonder vermelding van het janrtal; Laski maakt
echter melding van het geval in [Jnni] 1553 (Kuyper, II, G76); in elk
geval was Michaël Angelo Florio in Februari 1551 nog niet aangesteld tot
prediker der gemeente.
468
diegenen dwaalden^ die door deze leer op eene of andere
wijze do verdienste en waarde van den zoendood van Chris-
tus trachtten te verkleinen, hetgeen, zijns inziens, vooral
dddrom geschiedde, dewijl velen de kracht en de doemwaar-
digheid van onze zonde in Adam niet genoeg tot haar recht
lieten komen, en dat hij zich niet kon vereenigen met hen,
die op sommige plaatsen der Schrift over de Predestinatie
zoo éénzijdig den nadruk legden, dat zij zelfs bepaaldelijk
loochenden, dat Christus voor ellen gestorven is. De geheele
zaak was des te verdrietiger voor Laski, daar hem ter
oore was gekomen, dat men er zelfs naar Genève over ge-
schreven had, terwijl niets hem pijnlijker was, dan den naam
van Calvijn in de zaak betrokken te zien, „dien ik als
eenen man Gods hoogacht en liefheb." *) Daar Florio
onzen Laski zelven niet rechtstreeks van onrechtzinnigheid
op dit punt kon beschuldigen, bracht hij tegen één van de
andere leeraren eene aanklacht van dien aard bij den Coetus
in; het viel Laski echter niet zwaar, de aanklacht tegen
zijnen ambtsbroeder te ontzenuwen.
Moeielijker was het andere geval, dat zich omstreeks dien
zelfden tijd voordeed. Een van de predikanten, Deloenus,
was, zonder vooraf zijne ambtsbroeders daarin te hebben ge-
kend, met drie nieuwe leerpunten opgetreden, die veel beweging
veroorzaakten. Hij beweerde nl. , dat er bij den kinderdoop
in de gemeente geen doopgetuigen mochten worden toege-
laten; voorts, dat gemeenten, die bij de Avondmaalsviering
niet gezamenlijk aanzaten, zich aan afgoderij en ontheiliging
van de inzetting des Hoeren schuldig maakten; en eindelijk,
dat het artikel van Christus' nederdaling ter helle, als
niet Schriftmatig, uit de belijdenis moest worden verwijderd.
Het kostte veel moeite, den wat al te radicalen man van zijn
ongelijk in het eigenmachtig voordragen van zulke leeringen
te overtuigen, en hem te doen inzien, dat hij, alvorens die
in de gemeente te verbreiden, zijne ambtgenooton daarover
*) Zie K a y p e r, t. a. p. — Dat het schrgven van C a 1 v ij n, dd. 27 Sci)-
tember 1552 („Op." XIV, 363), op deze aangelegenheid betrekking zon hebben,
acht ik niet waarsch^jnlgk.
469
had behooren to raadplegen. Ook nadat hij schriftelijk zijn
leedwezen had betuigd, kwam hij toch weder op deze dwaal-
leer terug, alsof hij die van den Heiligen Geest had ontvangen.
IV. DE VERBANXING UIT ENGELAND.
Het eindoordeel in deze pijnlijke zaak was nog niet ge-
veld, toen God, naar zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit, aan
den geheelen arbeid van La ski in Londen een einde
maakte. In zgncn brief aan Bullinger van don 7^^^ Juni,
aan welken wij de bovenstaande mcdodeeling ontleend heb-
ben, lezen wij ook reeds het korte, vluchtige bericht : „Onze
allerdoorluchtigste koning heeft reeds sinds eenigon tijd in
lijdenden toestand verkeerd , maar begint nu weder — dank
zij den Heer, onzen God, — een weinig te herstellen." *)
Het was echter slechts eene bedriogelijke herstelling. In het
laatstverloopene jaar had E d u a r d VI de mazelen, vervolgens
de pokken gehad, doch was van deze krankhcden weder ge-
nezen; alleenlijk was hem eene neiging tot verkoudheid bij-
gebleven. Sinds Januari leed hij aan eencn zwaren hoest ^
die niet wilde wijken. De kwaal verergerde. Met groote be-
rusting in den wil van God droeg hij zijn lijden. Den 0*1*"
Juli [1553] stierf de vrome vorst, nog slechts 10 jaren oud,
„De godzalige Josia, onze hoop op aarde, is niet meer": '^)
die hartroerende weeklacht des volks kon men veelvuldig bij
de kist des Eonings hoeren. Het was de zwaarste slag, die
de Evangelische kerk des lands kon treffen. De laatste bede
van den stervenden koning, dat God zijn land voor het Paus-
dom mocht behoeden, werd niet op zoodanige wijze vervuld,
als hij zulks vermoedelijk gewenscht had. Want die na hem
den troon beklom, was zijne stiefzuster Maria, de dochter
der verstootene koningin Katharina van Arragon [f 153G|,
op dat tijdstip bereids 37 jaren oud, doch die met hare reeds
grijzende haren en met hare schrale, ziekelijke gestalte er
*) K u y pe r, II, 677.
*) „Original." p. 365.
470
nog ouder uitzag. Zij had een vreugdeloos, somber, eenzaam
leven achter zich^ en koesterde, bij hare komst aan de regee-
ring, geen hoogeren wensch^ dan om de Roomsche kerk,
hare troosteres in menig smartelijk uur^ weder in het bezit
van hare oude rechten te doen treden. Onverwijld sloeg zij
dan ook, op schier fanatische wijze^ de hand aan de vervulling
van deze taak, welke haar, gelijk zij meende, door do
Voorzienigheid was toebedeeld. Alle prediking en Schrift-
verklaring zonder bijzondere vergunning werd verboden; de
vroegere, katholieke bisschoppen, die van hunne oude er-
varingen niets vergeten, en in de laatstverloopene, leerrijke
jaren niets geleerd hadden^ keerden uit de gevangenis, of
uit de verbanning, of uit het afgezonderde, ambtelooze leven
terug, en namen hunne vroegere zetels weder in bezit, terwijl
mannen als Cranmer, Ridley, Latimer en Hooper
de ledig geworden cellen in den kerker innamen, en wel-
haast den marteldood moesten ondergaan, aan welken zij zich
als heldhaftige bloedgetuigen van het Evangelie in Engeland
met onbezweken geloof onderwierpen. ^)
De gestrenge wetten trofifen ook, men zou kunnen zeggen :
in de allereerste plaats, de vreemdeling- gemeente. Was reeds
voor eenen man als Ridley het bestaan dezer gemeente,
meer dan ééns, eene ergernis, omdat zij in haren eeredienst
de besliste tegenstelling vormde tegen de gebruiken van den
ouden tijd, die in de Engelsche staatskerk nog werden ge-
duld, en daardoor mannen als Hooper in hunne meeningen
versterkte, hoeveel te meer was zulks het geval met den
geheel pauselijk gezinden Bonn er, die, als een der eersten,
zijnen ouden bisschopszetel in Londen weder innam. Hot
spreekt vanzelf, dat geen van hare leeraren de noodige
vergunning kreeg om te prediken. Do Jezus-kerk werd ge-
sloten; alle recht van verceniging werd aan de gemeente-
*) Aangrijpend eo stichtend zijn de uitvoerige schilderingen, welke Foxe
(in het Ode on 7dc Deel v<in zijn AVerk) aangaande het uiteinde dezer bloed-
getuigen geeft. Gelijk bekend is, put hij daarbij meestal uit de verzamelingen,
die de edele, vrome Grindal ter rechter tijd heeft aangelegd. (Verg. Grin-
dal, III, en zijne Brieven aan Foxe, p. 210 sq.)
471
leden benomen. Laski kon ieder oogenblik verwachten, dat
hem een gelijk lot van gevangenschap zoude treffen, als
zijnen vrienden en geloofsgenooten wedervaren wa,^. Reeds
den Isten September werd Ho op er in de Fleet-govangenis
geworpen; met Coverdale, den bisschop van Exeter, had
hij het bevel getrotseerd, en in zijn bisdom de predikingen
niet doen staken. Laski bezocht zijnen vriend in diens duis-
teren kerker. ^) Als Hooper, zeven weken daarna, aan
zijnen getrouwen geestverwant in Emdcn een schrijven richt,
had men hem in een enger en ongeriefelijker vertrek in den
toren opgesloten. ^) Doch de geestkracht van den martelaar
bleef onverzwakt. „De toestand onzer kerk" — zóó schrijft
de gevangene aan onzen verbannen vriend, — „is beklagens-
waardig en ellendig. Moge de Heer in genade op ons
nederzien, en de macht der tegenstanders verbreken. Van
dag tot dag worden zij verwoeder en aanmatigender. Maar
Hij, die op dit oogenblik, wat ons lot aangaat, schijnt te
rusten. Hij zal zich nochtans opmaken, en onze vijanden
verslaan. Indien do Vader aller genade ons zulk eene gunst
nog tijdens ons leven mocht willen verlecnen, zoo zij zijn
heilige naam daarvoor geprezen, doch indien niet, — zijn
wil geschiede! Hij zelf gebiedt ons, voor den roem zijns
naams te sterven. Moge Hij ons verlecnen hetgeen Hij
gebiedt, dan mag Hij nog smartelijker dingen gehengen,
indien Hem zulks goeddunkt. Ik schrijf u inderhaast en
steelswijze in de gevangenis ; men heeft mij onlangs in eene
engere cel gebracht, waar ik strenger bewaakt word, dan
toen gij mij bezocht. Met Gods hulp ben ik echter bereid,
dit alles te verdragen, en ook nog smartelijker beproevingen,
die wel niet zullen uitblijven. Wil mijnen ouden, godzaligen
vriend Meester Maarten (Micronius), den edelen Utenhove
en al de Broederen uit mijnen naam groeten ; en ik bid
u, dat gij mij en mijne medegevangenen in Christus Jezus
aan onzen almachtigen Vader in den hemel aanbeveelt,
1) Eerst onder de tegenwoordige koningin werd de oude, beruchte gevange-
genis afgebroken.
») „Original", p. 101.
472
opdat door onzen dood zijn roem, hoo langer hoe meer^
te midden van deze zoo zwaar bezoedelde wereld moge
blinken/', i)
La ski ontging de gevangenschap. Blijkbaar wilde men
zich toch niet aan de vreemdelingen vergrijpen ; do regeering
van de bloedige Maria vond onder hare eigene landskinderen
voldoende gelegenheid, zich dien vreeselgken naam waardig
te maken. Hij on zijne gemeente kregen bevel, om binnen
den kortst mogelijken termijn het land te verlaten. ^) Op de
Theems lagen twee Deensche zeilbooten, de „kleine IJslandsche
Kraai'' en de „Moriaan," die eigenlijk uit het vaderland den
last' hadden medegekregen, om, nadat zij te Londen hare vracht
gelost hadden, de Fransche kust aan te doen, en eene lading
zout voor Denemarken in te nemen, •**) doch wier gezagvoer-
ders, door den nood der lieden en de zooveel voordeeliger
vracht bewogen, zich bereid verklaarden, om een deel der
gemeente uit het ongastvrije land weg te brengen. Eenl75tal
gemeenteleden, zoo plotseling aan hunnen handel en wandol
meedoogenloos ontrukt, maar nochtans bereid, om liever in
den vreemde met vrouw en kind het harde brood der bal-
lingschap te eten, dan om aan den warmen, huiselijkcn haard
niet volgens hun heilig geloof te kunnen leven, scheepten
zich den IT^en September in: niet eens werd hun de tijd
gegund , om de zware najaarsstormen af te wachten. Het
deel der gemeente, dat thans nog achterbleef, deed de
anderen stroomafwaarts uitgeleide. Bij Gravesend, aan den
mond van de Theems, moest men elkander eindelijk het
1) Eerst den 5deD Februari 1555, na vele zware martelingen, ging de bede
van den vromen geloofsheld in vervulling. Tot driemaal toe moest het vuur
van z\jnen brandstapel op nieuw worden aangestoken, alvorens, ten langen leste,
de vlammen haar werk hadden volbracht. De laatste woorden van den mar-
telaar waren: „Heere Jezus, erbarm U mijner! Hccre Jezus, ontvang mijnen
geest I" (Fox e, VI, 658. Zie aldaar ook eene afbeelding van dezen vnurdood,
uit die dagen zelve afkomstig.)
>) Het merkwaardige document, volgens hetwelk de vreemdelingen binnen
24 dagen Engeland moesten ontruimen, en dat hen deels als roovers, deels als
sektarissen brandmerkt, is afgedrukt bij l?\oxe, VI, 429.
S) Har boe, S. 29.
473
laafcst vaarwel toeroepen. Op den heuvel aan den oever stonden
met een droevig hart de achterblij venden, en hieven, terwijl
de beide zeilscheepjes Itogzaam voorbijvoeren, den tweeden
psalm, den lievelingspsalm van Laski aan. ^) Onder de tonen
van dat lied verdwenen de beide schepen uit hun gezicht.
Treurig en weemoedig gestemd, namen de achtergeblevenen
den terugtocht aan naar hunne eenzame huizen, die zij zelven
wellicht spoedig zouden hebben te verlaten. Alsof het eene
godsdienstoefening in de open lucht geweest was, — twee
van hunne predikanten, Deloenus en Riverius, waren
thans nog bij hen achtergebleven, — zoo keerden zij niet
huiswaarts, alvorens te zamen gebeden en op de gewone
wijze de liefdegaven voor de armen onder elkander te heb-
ben ingezameld. '^)
Nog geruimen tijd, tot aan het vallen van den nacht,
stond onze vriend aan het roer, en staarde naar de kust,
die allengs voor zijnen blik verdween. Dit was nu reeds de
derde, maal, dat hij zich, om zijns geloofs wil, in balling-
schap moest begeven. Veertien jaren te voren had hij zijn
vurig geliefd Polen moeten verlaten, drie jaren voordezen
het land, dat hem als een ander vaderland geworden was,
on nu ook Engeland, in hetwelk Christus, zijn Heer, hem
zulk een ruim en tevens gezegend arbeidsveld ontsloten had.
Voorwaar, wel moest hij op eene smartelijke wijze de waar-
heid ondervinden van de uitspraak der Schrift, dat wij hier
geen blijvende stad hebben, maar met onbezweken volhar-
ding en in een blijmoedig geloofsvertrouwen heeft onze
geliefde balling de toekomende stad gezocht. Aan zijnen
mond ontglipt voor ons oor geen enkele klacht, noch ook zien
wij hem aan moedeloosheid ter prooi worden, als hij hot oog
slaat op vrouw en kind en op die groote schaar van vluchte-
lingen, die, van alle middelen van bestaan verstoken en
niet wetende, wat de naastvolgende dag hun zal baren, met
') „Iloe rasen so die Ileydcnca te hoop? End die volcken betrachten ijdel
dinghen," etc. (Verg. Bart els, III.)
') Utenhüvius, p. 22.
gelatenheid afwachten hetgeen Gtode behagen zal hun toe
te zenden.
Kalm, in rast vertrouwen op God hield hij zijnen blik
gevestigd op het land, dat de vallende nacht aan zijn gedchÉ
onttrok. Ook in de volgende jaren verloor hij hot niet uit het
oog, gelijk do hoveniei- zijnen akker niot kan vergoten, aan
welken hij het zaad heeft toevertrouwd. Het was toch ook
niet bestemd om verloren te gaan, het kostbare zaaisel, dat
nu mot hot mar tel aar eb! oed van getrouwe arbeiders beaprooid
werd. Tweehonderd acht on tachtig Protestanten, onder wel-
ke de zuilen der jeugdige Evangelische kerk zich bevonden,
hebben gedurende do slechts vijfjarige heerschappij der bloe-
dige Maria hun geloof met den dood bezegeld. Zulk een
offer heeft God beloofd, honderdvoudig te zullen vergoeden:
heil een land, dat in de ure der bezoeking zonen bezit, dio
zich bereid toonen, ooi zoodanig offer te brengen ; want God
is getrouw, dat heeft Engeland waarlijk in overvloedige mato
mogen ervaren. Ook aan onzen banneling was het nog ver-
gund, het zaad te zien opkomen. Juist die drie korto jaren,
welke hij daar ginds op het schoone eiland doorleefde, waren
voor den invloed van Laski op tijdgenoot en nakomeling-
schap de vruchtbaarste tijd; do zwaro bezoeking, die over
de vreemdeiing-gemeente kwam, tengevolge waarvan zg
zonder vaste woonplaats in verschillende landen verstrooid
word, droeg er in eene aanmerkelijke mato too bij, om het
zaad zyner leer tot op den versten afstand te verspreiden.
Hare Geloofsbelijdenis werd het eerste belijdenisBclirift van
de Gereformeerde kerk der Nederlanden. Haar Catheohismus
is eene hoofdbron geworden van den Heidolbergaehen Cate-
chismus, het voornaamste symbolische geschrift der Duitsch-
gereform eerde kerk. Uit haar Psalmboek — do bear-
beiding van de psalmen tot gebruik bij het kcrkelyk
gezang was voornamelijk het werk van Utonhove, — zong
men in Oost-Frioaland , aan don Ryn, en overal, werwaarts
de arme vluchtelingen verstrooid werden, terwijl het werk
van Laski over de Kerkorde in zijne Londensche gemeente
eenen machtigen invloed uitoefende in alle landen, waar de
475
presbyteriale inrichting der gemeente de overhand verkroeg. *)
Maar ook de onmiddellijke werking van zijne schopping in
Engeland bleef niet achterwege, en werd tot een vrucht-
brengend zaad. In zijne gemeente had hij eene regeling tot
stand gebracht, die als model werd beschouwd bij de geweldige
pogingen, in welke, in de volgende eeuw, de reformatorische
beweging in Engeland hare volle kracht openbaarde en althans
aanvankelijk haar einddoel bereikte. Aan den dorpel van de
kerk zijner vreemdeling-gemecnte staan de Puriteinen. De door
Hoop er ten deele op ruwe wijze gevoerde strijd, betreffende
de verwerping van lloomsche overblijfselen in de liturgie en
de inrichting der Engelsche kerk, was niet louter de uiting
van eene persoonlijke meening; hij droeg do kiem en giststof in
zich, die later in de worstelingen der Nonconfor misten, welke
de geheele kerk in beroering brachten, eonon tastbaren vorm
verkreeg. La ski had aanstonds de hooge belangrijkheid der
zaak ingezien, en stond onvoorwaardelijk on onwrikbaar aan
de zijde van Hoop er. Letten wij op de menigvuldige, latere
buitensporigheden dezer Nonconformisten, die zich voor eon
deel in verschillende sekten oplosten, dan bemerken wij, dat
deze buitensporigheden daardoor ontstaan zijn, dat men den
weg had verlaten, dien L a s k i uit volle overtuiging had in-
geslagen en met bewonderenswaardig beleid was blijven vol-
gen. De latere tijd heeft Laski, tegenover Cranmer,
Ridley en ook tegenover Buc er, wat dit vraagstuk betreft,
in het gelijk gesteld: het waren geen „adiaphora", over welke
het geschil in de „kleeding-kwestie^* liep; 't was een worste-
len van het Evangelische beginsel, dat nu juist op dit punt
aan het licht trad. De twist wus dijstijds slechts oppervlak-
kig bijgelegd, om eene halve eeuw latijr op eene andere
plek des te heftiger te ontbrand(;n.
De diep-ingrij pende bet(ïekenis van deze vreemdeling-ge-
meente en van hare kerkorde werd ook door hare tegcnstandijrs
zeer goed ingezien, en daarom is het alleszins te bogrij|)en, dat
^1 Vere. L L' n h 1 r r, S. (52, en W i: i d g a r t e n , Jj. 30: „l)v kcrkordi; van
Juhannrs u Lascü bi-eft tot voürbccld gestrekt voor but Kngelscbi; en bet
i>cbotflcbe l'rcsbvtcrianlsuje."
476
ook zulke vrome mannen als Ridley en anderen geërgerd
waren over de uitgebreide rechten en vrijheden dezer ge-
meente. Want haar bestaan was een protest tegen de aanspra-
ken van de bisschoppelijke Engelsche kerk op een algemeen
geldend gezag. De bloeiende staat, in welken de gemeente
der vreemdelingen verkeerde, maakte hen, die over do toe-
standen in de Engelsche kerk ontevreden waren, opmerk-
zaam op hetgeen hun ontbrak. Het tweeslachtige in de
vormen hunner kerk viel hun te scherper in het oog, hoe meer
zg in deze gemeente en — na hare opheffing — in hare
kerkorde zich de zuivere, consequente toepassing van oen
denkbeeld zagen voor oogen gesteld, hetwelk hun volkomen
duidelijk was, en dat zij van harte beaamden.
Overal, waar L a s k i gedurende de eerstvolgende jaren op
zijne omzwervingen buiten Polen kwam, ontmoette hij be-
vriende vluchtelingen, die hem op de hoogte hielden aan-
gaande de treurige toestanden in hun vaderland. Wel waren
het schrikkelijke tijden, die Engeland gedurende deze vijf
jaren doorleefde: alsof het was teruggevoerd tot de tijden
der Christenvervolgingen door de Romeinen. Dat velen wer-
den ter dood gebracht, en de uitnemendste mannen naar hot
buitenland de wijk namen, was, naar het oordeel der bloedige
Maria en van hare handlangers, Gardiner en Bonner, ^)
geenszins voldoende: de woede der vervolging strekte zich
ook uit tot de drukwerken en geschriften, ja zelfs tot de
brieven van deze vluchtelingen, welke moesten worden over-
geleverd, ten einde althans die tot den vuurdood te doemen,
welken men oneindig veel liever aan de opstellers zelven zou
hebben doen ondergaan. Op den ons bewaard gebleven Index
van de verboden geschriften vindt men in de voorste rij.
1) Deze beide hoofdbewerkers van de vervolgingen en terdoodbrcngingen
worden door Ranke (1 , 1 , S. 202) , op zijne gewone keurige , kalme wijze ,
met deze weinige woorden treffend geschilderd: „Gardincr betoont zich bij deze
terechtstellingen heerschzachtig, trotsch, in die drieste stemming der geweld-
hebbers, in welke zij zich inbeelden, dat zij ook in geestelijk opzicht do meer-
doren zijn; bisschop Bonnor van Londen daarentegen fanatiek, zonder ouder-
scheidingsgave en bijkans bloeddorstig."
477
dicht achter Calvgn en Bullinger en Melanchthon,
de werken van La ski vermeld. ^) Onze vriend gaf zich ook
moeite, om het lot dezer vluchtelingen te verlichten : tot zelfs
in zijn Poolsche vaderland verschafte hij hun een vriendelijk
toevluchtsoord. Onder deze beschermelingen van La ski is,
behalve bisschop Barlow van Bath ^) en John Burcher,
van wien ons nog eene reeks van belangrijke brieven uit
Polen, in de omgeving van La ski geschreven, is bewaard
gebleven, •**) vooral de hertogin van SuflFolk te noemen, do
weduwe van den vriend der jeugd van Hendrik VIII, die
niet geaarzeld had, hem zijne zuster Mary tot vrouw te
geven. ^) Aangrijpend is de schildering van hare vlucht uit
Engeland, en hoe zij met haar kindje, hulpeloos en door
hare vervolgers achternagezet, in de Nederlanden rond-
zwerft, totdat zij, na eerst in Wezel een tgdlang eene schuil-
plaats gevonden te hebben, eindelijk, dewijl zij zich ook
dair niet zeker achtte, door Laski's bemoeiingen bij den
koning van Polen en bij vorst Radziwill, in het verre
Polen een veilig tehuis erlangt. ^)
*) Foxc, VII, 128. Het bevelschrift van den 13den Juni 1555 werd, blij-
kens het onderschrift, bekrachtigd in dezelfde vertrekken van Hampton Court,
in welke Laski, vier jaren vroeger, koning Eduard had zoeken te bewegen, om
tot den Vorstenbond tegen Karcl V toe te treden. liet stuk is medeondurtce-
kcnd door dun zoon van Karet V, koning Philips van Spanje, die, sedert een
jaar, met Maria gehuwd was. Onder de vragen, die de bijgevoegde instructie
betreffende het zoeken naar verboden geschriften uitdrukkelijk aangeeft, is de
vijfde aldus luidende: „of men ook iemand weet, die brieven of geld van en
naar Zurich, Straatsburg, Frankfort, Wezel, Emden, Duisburg (de voornaamste
nederzettingen der vluchtelingen) overbrengt, of dien men daarvan ook slechts
ernstig verdenkt."
») „Original," p. 687, en Fox e, VIÏI, 574.
3) „Original," p. 671—702.
*) Burnet, I, 14, en II, 281.
5) Verg. het belangwekkend bericht bij Fox e, VIII, 569 sq. Als hare ver-
blijfplaats wordt aldaar Crozan in Samogitië genoemd, een mij onbekend oord.
[Volgens eene opgave, die ik aan den Heer M. J. Evans, den vertolker van
Dalton's geschrift in het Engelsch, te danken heb, was Mary van SufTolk
destijds reeds lang overleden, en is de hier bedoelde weduwe Katharinavan
SafTolk, aan wie Latimer zijne Leerredenen over het gebed des Heeren heeft
opgedragen. — Ver t.]
478
- Niet zoo lang als de regeering van E d u a r d, die als een
heldere zonnestraal op het land rust, en als zoodanig in ge-
zegend aandenken gebleven is, duurde het bloedige bewind
van Maria^ dat ons aan eene donkere onweerswolk doet
denken, die verderf-brengend over de aarde voortjaagt. Reeds
na vijf jaren, den IT^en November 1558, bezweek de Ko-
ningin onder eene destijds heerschende koorts ; zij stierf, ge-
folterd door een diep zieleleed, dat reeds vóór haar uiteinde
haar hart bijkans had doen breken, want zij moest nog zien,
hoe haar vurigste wensch, tot welks verwezenlgking zij nau-
welijks voor éenig middel was teruggedeinsd, verijdeld werd.
Hare regeering vertoont zich als eene schrikwekkende scha-
duw in de geschiedenis van Engeland ; aangezien hare levens-
vezelen in het Spaansche vaderland en den Koomschen
godsdienst harer verstootene moeder wortelden, was zij vreemd
gebleven ten opzichte van het land, over hetwelk zij regeerde,
terwijl haar gemoed even somber gestemd was, als dat van
haren gemaal, koning Philips van Spanje, aan wien z^ ,
bijkans reeds als matrone, wel hare hand geschonken had,
maar niet haar hart, hetwelk, volgens hare eigene getuigenis,
nimmer liefde had gevoeld.
Het onderscheid tusschen de Roomsche en de Evangelische
kerk is niet grooter, dan het verschil tusschen de beide zus-
ters, die elkander in de regeering opvolgden, kinderen van
denzelfden vader, wel is waar, doch wier moeders zulke geheel
verschillende karakters bezaten. Want tusschen de Spaansche
prinses en Anna Boleyn is de afstand niet gering. E 1 i s a-
beth besteeg den troon, de jonkvrouwelijke koningin, bleek
en trotsch, die hare betuiging, dat zij met haar volk gehuwd
wilde zijn, in een langdurige regeering heeft bewaarheid.
Alsof een akelige droom, eene benauwende nachtmerrie ge-
weken was, zoo herademden de Evangelischen in het geheele
land ; alsof het lente geworden was, zoo keerden van uit het
Zuiden de vluchtelingen in hun vaderland terug. Onze vriend
mocht den ommekeer in het lot der Evangelische kerk, in
welker dienst hij vroeger gearbeid had, nog beleven. Nauwe-
lijks had Elisabeth den troon beklommen, of de overal
479
rusteloos werkzame Zanchius ^) wendde zich schriftelijk
tot La ski met het verzoek, een schrijven te willen richten
aan de Koningin, „want ik weet, hoe groot uw invloed is
bg de Engelschen en ook bij de Koningin zolve/^ ^) Ook
zonder deze aansporing zou L a s k i zich zeker innerlijk hebben
gedrongen gevoeld, om ten behoeve van zijne gcloofsgenooten
als pleitbezorger bij de Evangelische koningin op te treden.
Gedurende zijn verblijf in Engeland was hij met haar, als
prinses, in persoonlijke aanraking gekomen ; hij moest weten,
welk een gewicht zijn woord bij haar bezat, want hij richtte
een lang en breedvoerig schrijven aan haar, dat in zijnen
gedetailleerdcn inhoud zoowel daarvan, als ook tegelijkertijd
van den adel en den ernst zijner vrome gezindheid een tref-
fend getuigenis aflegt. Gekroonde hoofden zullen vermoedelijk
niet vele soortgelijke zendbrieven ontvangen hebben ! Voor ons
echter heeft het bedoelde schrijven dubbele waarde. Het is
't laatste geschrift uit de pen van onzen vriend, hetwelk ons
is bewaard gebleven; reeds heeft de krankheid zijne moede
hand verlamd, die zij slechts vier maanden later in den dood
zal doen verstijven, maar de geest is tot in de stervensure
frisch gebleven, en de edele strijder Gods tot aan den rand
van het graf onvermoeid in het kampen van den goeden strijd
voor de eere Gods. Hoe gaarne zouden wij deze laatste,
zuivere getuigenis in haar geheel hier mededeelen; doch dit
zou te veel ruimte vorderen. Maar wij kunnen er ons althans
niet van onthouden, den alleszins belangrijken gedachtengang,
zg 't ook slechts uit do verte, te volgen. ^)
La ski wijst allereerst op de wonderbare leiding Gods,
zichtbaar in het lot van Engeland. Met teedere kieschheid
noemt hg niet uitdrukkelijk den naam harer zuster, en gewaagt
van hare bloedige regeering enkel uit het verheven oogpunt,
dat zij, onder Goddelijke toelating, heeft moeten strekken tot
een bepaald, zegenrijk gevolg. Ook dit is overeenkomstig Gods
[1) Vergel. over Zanchius, f 1590, o. a. Dr. J. J. Her zog, „Abriss
der gesammtcn Kirchengcschichte/' III (1882), S. 80G. — Vert.]
1) Zan chius, II, 235.
3) Verg. Kuyper, II, 758—705.
480
genadigen wil^ dat de vrome^ godzalige E d u a r d, wiens naam
hg met hartelijke bewoordingen in het geheugen der zuster
terugroept, zoo vroeg van deze aarde heeft moeten scheiden.
Onder zijne regeering heeft men begonnen, aan menschelijke
wijsheid in de leer en in den eeredienst eene bedenkelijke speelr
ruimte te gunnen, alsof onze alleronschuldigste Jozef, nl. onze
Heer Jezus Christus, zulke voorzichtigheidsmaatregelen be-
hoeft, om hem tegen de vrouw van Potifar te beschermen.
Christus, onze Heer, wil van dergelijke menschelijke voor-
zorgsmaatregelen hoegenaamd niets weten. Hij heeft onzen
raad niet van noode; Hij eischt enkel van ons, dat wij aan
zijne bevelen gehoorzamen, en vordert zulks inzonderheid
van de koningen, op welke in de eerste plaats het woord
van toepassing is: „Gehoorzamen is beter dan slachtoffer'^
alsook dat andere: „Omdat gij des Hoeren woord verwor-
pen hebt, zoo heeft Hij u verworpen'*. [I Sam. 15 : 22, 23.] —
„God heeft u begiftigd met niet alledaagsche kundigheden;
Hij heeft de ware en heilzame kennis van Hem zelven,
in zijnen eeniggeboren Zoon, daaraan toegevoegd, eene
kennis, die gij niet slechts onder de regeering van uwen
broeder, maar reeds in uwe prille jeugd, tijdens de regeering
van uwen vader beleden hebt; Hij heeft u door menigerlei
kruis geoefend , en u tot deze hoogte doen stijgen, opdat gg
met des te meerder ijver en nauwgezetheid uwen plicht zoudt
vervullen. Niet naar de inzettingen der menschen, maar
alleen volgens het eeuwige, onveranderlijke raadsbesluit van
den levenden, eeuwigen, almachtigen God hebt gij uw gedrag
te richten. En wat de gaven betreft , die u door God in zulk
eene rijke mate zijn toevertrouwd, wil ik u hier slechts
herinneren, dat van hen, aan wie veel gegeven is, ook
eenmaal in het gericht Gods veel zal afgeoischt worden".
Met betrekking nu tot haren koninklijken plicht, roept de
eerwaardige La ski aan de jeugdige, 26jarige koningin toe,
dat het onderscheid tusschen eene heidensche en eene christe-
lijke regeering daarin berust, dat de heidensche koningen
zich beschouwen als de Hoeren hunner volken, die aan hunne
willekeur onderworpen zijn; het Woord Gods echter leert,
481
dat de Overheid niet zoozeer tot heerschappij voeren, als wel
veeleer tot den dienst van God in zijne gemeente geroepen
is; de koningen moeten zich dienaren Gods toonen, wier
roeping het is, niet om zijn volk te beheerschen, maar om
het te besturen. Alle macht is en behoort te zijn een dienen
van God. „Er zijn twee zwaarden: het zwaard des Geestes
is aan de bisschoppen en ouderlingen in de Eerk, het
wereldlijke zwaard daarentegen is aan de wettige Overheid
toevertrouwd. Tusschen deze beide mag volstrekt geene ver-
warring plaats hebben, gelijk onder de Papisten geschiedt;
de Magistraat en het Kerkbestuur hebben zich elk tot zijne
bgzondere volmacht en roeping te bepalen. Zoo hebt ook gij,
allerdoorluchtigste Koningin, volgens het voorschrift van den
Apostel, het als uwe hoogste roeping te beschouwen, eene
getrouwe dienstmaagd on modearboidster Gods te zijn, bereid,
om de zuiverheid der Apostolische leer en van den waren
godsdienst, de eerbaarheid der zeden, deze onafscheidelijke
gezellin van ware vroomheid, de openbare rust en veiligheid
onder uw volk te beschermen, en daarentegen iedere verval-
sching en ontheiliging van de Apostolische leer, iedere anti-
christelijke schending van den waren godsdienst, en alle
hardnekkige verstoorders van de openbare eerbaarheid en
rust tegen te gaan en te straften. Vergeet nimmer, dat gij
eene dienaresse Gods, en niet der menschen zijt, en dat gij u
mitsdien niet naar do inzichten en meeningen der menschen,
maar enkel naar den wil en het bevel van God hebt te
richten. In aangelegenheden van den staat hebben wereld-
lijke besluiten, wetten en gebruiken hunne rechtmatige be-
teekenis , maar in goddelijke dingen mogen zij zich volstrekt
geen gezag aanmatigen boven den Heer." Wel dankt Laski
God voor hare troonsbcklimming, doch hij heeft zich tevens,
zooals hij verklaart, in gemocde gedrongen gevoeld, haar op
haren duren plicht opmerkzaam te maken. Hij herinnert de
hoog-ontwikkclde koningin aan het woord van Socratcs bij
Plato („Platonicus ille Socratcs"), dat er twee soorten van
vrienden zijn, de ecncn, die niet zoozeer ons, als wel het
onze; de anderen, die ons, on niet het onze liefhebben.
DALTON. 31
482
Genen beminnen in den grond der zaak alleenlijk zich zelven,
dezen daarentegen beminnen ons om den wille van ons zei ven.
De laatstgenoemden kunnen zich reeds bezorgd maken, wan-
neer het ons bijzonder goed gaat, gelgk Socrates bekommerd
was over Alcibiades, toen deze tot de heerschappij over de
Atheners geroepen werd. In het gevoel dezer bekommering
roept Laski aan de Vorstin toe: Herinner u, dat er tot de
koningen gezegd is: „Nu dan, gij koningen, zijt wijs!" *)
Hierin echter bestaat de ware wijsheid, den Zoon van God
als Heer en Koning te erkennen.
Hoe dit zendschrijven, hetwelk zich door eenen geestvan
christelijke vrijmoedigheid kenmerkt, en dat doorUtenhove
naar Engeland werd overgebracht, door de Koningin is opge-
nomen, weten wg niet. Op één van de eerste dagen van
December werd het haar overhandigd door graaf Bedfort,
die er ernstig naar streefde, om den draad der ontwikkeling
van de Evangelische kerk weder op te vatten terzelfder
plaatse, "waar die door de troonsbeklimming van Maria zoo
gewelddadig was verbroken geworden. Ongeveer terzelfdertijd
dienden ook de leeraren, ouderliogen en diakenen der vreem-
deling-gemeente een verzoekschrift in bij de Koningin, om
weder in het bezit van hunne kerk en van de hun vroeger
verleende rechten hersteld te worden. ^) De blijmare, dat dit
verzoek was toegestaan, vond Laski niet meer in leven.
Deloenus en Utenhove stonden nu aan het hoofd der
vreemdeling-gemeente , die spoedig haar vroeger zielental
weder bereikte. Een gedeelte, wellicht zelfs een groot deel
der gemeente had den rcgeeringstijd van Maria in het land
overleefd, onschadelijke lieden, die te voren reeds burgerrecht
hadden verkregen, en gedurende de jaren der vervolging
ongetwijfeld in het verborgen volgens hun geloof geleefd
hadden. Want de onbedriegclijkc sporen zijn voorhanden,
dat ook in de donkerste dagen de prediking des Evangelie's
[») Verg. Ps. 2 : 10* (Staten-Vert. : „handelt verstandiglijkl") —
V e r t.]
>) „Calendar. Domestic.", p. 144; gedagtcekend van den lOdcn December
1559.
483
in Londen is voortgezet; hoe zou het ook te verklaren zijn,
indien zij geheel ontbroken had? ^)
Maar toch zou onze vriend met den loop der gebeurte-
nissen onder Elisabeth niet tevreden geweest zijn; de
jonkvrouwelijke koningin sloeg eenen anderen weg in, dan
Laski haar had aangeraden. En zulks voorwaar niet ten
voordeele van het Evangelie! Haar ijverig streven was op
eenvormigheid in den eeredionst gericht; hoe gestrenger zij
met hare koninklijke macht aan dat streven uitdrukking
verleende, des te meer maakte zij de Puriteinen, die door
den hun geboden weerstand steeds krachtiger werden, van
zich en van de Engelsche staatskerk afkeerig. Elisabeth
was krachtig genoeg, om gedurende hare regeering die sterke
gisting te onderdrukken, doch zij was niet in staat, haar
geheel te doen ophouden. Aan de eischen, die met geweld
tot zwijgen waren gebracht, moest daarop in de volgende
eeuw het oor worden geleend: in hen lag de levenskracht
der Evangelische kerk van Engeland. De stem van Laski
klinkt als eene profetie. Koningin Elisabeth zou do klove
nog hebben kunnen dempen, de opkomende tegenstelling nog
hebben kunnen verzoenen. Doch zij luisterde niet naar den
raad en de waarschuwing van den stervenden Pool, on gaf
er de voorkeur aan, zich onvoorwaardelijk ten gunste van
de eene der beide richtingen op kerkelijk gebied te ver-
klaren. Whitgift werd haar raadgever en te gelijk de man,
die, als aartsbisschop van Canterbury, aan hare wcnschen in
de Kerk uitdrukking gaf; Grind al, de edele aartsbisschop
van York en daarna van Canterbury, zoo geheel en al een
man naar het hart van Laski, werd van zijnen post ontzet,
en verloor de gunst der Koningin. ^)
') ^crg. , met betrekking tot deze verborgen Evangelische gemeente, den
hoogst interessanten brief van Thomas Lever („Zurich/' I, 29), een schrijven,
bij hetwelk Foie vele en belangwekkende bewijsstukken biedt.
1) De reden, waarom do Koningin den Aartsbisschop hare gonst onttrok,
zou a Lasco tot niet geringe vreugde gestrekt hebben. In 1577 nl. had de
Koningin een bevel aan de bisschoppen uitgevaardigd, in hetwelk de vrije
predikaticn beperkt, en met name de „profetieën" — die ait de gemeente
van Laski in de £ngelsche Evangelische kringen waren overgegaan, — ait-
484
drukkelijk verboden werden. O r in dal, die als een getroaw zielenherder het
nat dezer Bijbeloefeningen kende, en die in het bevel ecne bedenkelijke kren-
king van de vrijheid eens christens zag, verzette zich tegen dat voorschrift,
in eenen uitvoerigen, treffelijken brief aan de Koningin. (Verg. Grind al, p.
376 sq. , alwaar men ook, p. 467, het koninklijke bevelschrift vindt afgedrukt.)
De uitwerking van het genoemde schrijven — aangaande hetwelk een £n-
golsch geschiedschrijver (Collier) verklaart, dat het den geest eens bisschops
uit den oudsten christentijd ademt, — was het ontslag van den wakkeren,
vromen man uit zijne hooge betrekking, terwijl hèm bovendien huisarrest werd
opgelegd. Maar het volk bleef hem in hooge achting houden; de dichter Spencer
maakt dikwgls melding van hem, alleenlijk, dat hij den verongelijkte onder
den naam van Algrind in zijne gedichten sprekende invoert.
. 10.
Omzwervingen in de verbanning, en terugreis
naar liet vaderland.
a) Het martelaarschap der vreemdeling-gemeentc
in Denemarken en Noord-Duitschland.
Wij hebben onze vluchtelingen te O ravcaend uit het gezicht
verloren, toen, op den 17^«n September [1553], een gunstige
wind de zeilen hunner beider schepen deed zwellen, en hen
zeewaarts voerde, een onbekend verschiet te gemoet.
De schepen zetten koers naar de Deensche kust; hier
hoopte Laski, voor de gezinnen, die aan zijne hoede waren
toevertrouwd, een toevluchtsoord te zullen vinden. Want
van den koning van Denemarken verwachtte hij niets dan
goed. Sedert bijkans twintig jaren had C h r i s t i a a n III
de teugels van het bewind in handen. Hetgeen zijn vader,
die uit het huis van llolstein gesproton en met het Saksische
vorstenhuis vermaagschapt was, indertijd slechts stilzwijgend
kon laten geschieden, daar hij door de ovenïenkomst bij zijne
verkiezing in zgne vrijheid van handelen beperkt was, dat
ontwikkelde zich met alle kracht onder zijnen meer bevoor-
486
rechten zoon: de Hervonning hield haren vollen, openlij-
ken intocht onder het volk, welks hart zij reeds vroeger
gewonnen had; de Roomsche bisschoppen weken voor den
druk. Bugenhagen, de verdienstelijke Luthersche organi-
sator, regelde de kerkelijke zaken op veelszins voortreffelijke
wijze; niet zelden kon men den vromen koning, gelijk
Eduard VI, als eenen anderen Josia hooren prijzen. De
onderstelling was derhalve gerechtvaardigd, dat de arme
vluchtelingen zich in Denemarken weder in het bezit van
gelijke voorrechten zouden mogen verheugen, als Eduard VI
hun in zijne koninklijke gunst had verleend.
De dag van het vertrek roept ons den tijd van de aequi-
noctiaal-stormen voor den geest. Op deze wordt in het strenge
bevel van de onverbiddelijke Maria in het geheel niet gelet;
onze arme reizigers werden door wind en weder verschrik-
kelijk omgedreven. Tot op den 4den October konden de
schepen hunnen koers in elkanders nabijheid vervolgen;
daarna echter dreef de storm hen uit elkander. Het kleinere
schip, de „Moriaan,^' landde den IS^en October teElseneur;
het andere schip werd, tusschen gorden en klippen door,
niet ver van Fleckeroe, tegen de Noorweegsche kust gedreven,
waar het gedurende acht dagen bleef liggen. Zes van de
reizigers wilden zich niet meer aan de zee toevertrouwen;
zij trokken landwaarts-in , onbekend mot de taal, blootge-
steld aan al de ruwheid van het klimaat, en kwamen eerst
een half jaar later te Kopenhagen aan. Den IS^^^n October
zeilde het schip, met gunstigen wind, weder verder in het
onstuimige Skagerrak en Kattegat, on werd op nieuw,
thans bij.Marstrand, tegen de kust gedreven. Hier lag het
vaartuig tien dagen voor anker; Laski, Micronius en
Utenhove verlieten hunne reisgenooten , en spoedden zich
langs eenen anderen weg vooruit, ten einde voor de zwaar-
beproefden huisvesting in Denemarken te bereiden. Den 298tcn
October bereikten zij Elseneur; een paar dagen later liep
ook de „IJslandsche Kraai" de veilige haven binnen.
De vluchtelingen waanden, den eindpaal van hun kommer
en ellende bereikt te hebben, en waren toch nog pas
487
aan het begin; veel bitterder, dan het zilte zeewater, was
de drank, dien de geloofsgcnooten in Denemarken aan de
arme ballingen reikten. Openhartig bekennen wij , dat wij
geruimen tijd geaarzeld hebben, alvorens de pen voor dit
werk ter hand te nemen ^ daar wij opzagen tegen de smar-
telijke taak, om nu ook van deze ellende te moeten gewagen.
Slechts de kleine troost, dat juist zulke ervaringen, Gode
zij dank, nu aan de Evangelische kerk bespaard zijn, deed
ons onzen tegenzin overwinnen. Door het bittere, harde
leergeld, dat zij heeft moeten betalen, heeft zij eene meer
zachtmoedige en broederlijke gezindheid leeren koesteren.
De smartelijke omzwerving van de zoo zwaar beproefden is
ons nauwkeurig medegedeeld. Utenhove heeft haar beschre-
ven, en Laski zelf heeft aan het werkje, dat te Bazel ter
perse was, toen onze vriend in Polen ter ruste ging, een
schrijven van zijne hand toegevoegd, waarin hij de waarheid
van den inhoud uitdrukkelijk betuigt. *) Zulk eene getuigenis
scheen alleszins noodig te zijn, want het bericht klinkt fabel-
achtig; ook het tegenbericht, hetwelk bisschop Har boe
gegeven heeft, draagt er slechts toe bij, de feiten te beves-
tigen , die het poogt te rechtvaardigen. Deze rechtvaardiging
behoort tot eenen voor goed vervlogenen tijd; wellicht ter-
nauwernood aan de rotswanden der Missouri-synode zal zij
heden ten dage eenen hoorbaren weerklank vinden.
Terwijl de schepen zich gereed maakten, om naar het nabij-
gelegene Kopenhagen te stevenen, spoedde Laski zich met
zijne beide getrouwe metgezellen tot den Koning. Den S»***"
November meldden zij zich aan in zijn slot „Koldingshuus,*'
nabij Kolding, in Jutland. Zijnen daar aanwezigen hofpre-
diker Noviomagus, die hun op dien dag zijne deelneming
betuigde met hun droevig lot, smeekten zij om eene audiëntie
bij Christiaan III. Voor den eer.stvolgcnden dag konden
zij die niet verkrijgen , eerst tegen den daarop volgenden ,
I) Het geschrift \s uiterst zeldzaam; de woinige voorbandcii zijnde excm-
plarco kunnen geteld worden. Eén van die weiniiri', dat aan de kostbare biblio.
theek te Krakau behoort, werd mij voor mijne studie gedurende geruimen tijd
met vriendelijke bereidwilligheid afgestaan.
4»
ecDon Zondag, werd het gewensohr gehoor hun toegezegd,
en wel in aansluiting aan de gOilsdiens:c>efening , tot deel-
neming aan dewelke zij tegelijkenijd werden uitgeuoodigd.
Het was de 23=** Zondag na Trinitatis: de vaste pericoop
voor dien dag in de Luthersohe kerk is het sohoone woord
van Paulns aan de Philippiërs. hoofdst. 3 : 1 7 — 21. Welkeen
he^^rlijk troostwoord voor vrienden van het kruis van Christus,
die om zijnentwil huis en hof en al het aardsche hebben
vaarwelgezegd ; ja, welk een laafdrank voor arme schipbreu-
kelingen, die reeds sinds weken eene geregelde, gemeen-
schappelijke godsdienstoefening ontbeerd hadden 1 Helaas, van
die gehoopte lafenis viel aan de dorstigen geen enkele druppel
ten deel. Het voornaamste deel der predikatie groepeerde zich
rondom de leer van de Sacramenten , terwijl daarbij , zooals
van de zijde van den Lutherschen hofprediker te verwachten
was, de lichamelijke tegenwoordigheid des Hoeren in brood
en wijn, krachtens de almacht van Jezus Christus, sterk op
don voorgrond geplaatst werd. Wie deze leer niet aanneemt, —
(vergeten wij niet, dat Xoviomagus de leer dezer vluch-
teling-gemeente kende, en dat aan den voet van zijnen kansel,
ter eener zijde de Koning en de Koningin, ter anderer zijde
L a sk i gezeten was, die om bescherming en huisvesting kwam
smeeken !) — de zoodanige moet ernstig vermaand en bestraft
worden ; want wie de lichamelijke tegenwoordigheid van den
Heer in het Avondmaal loochent, diens einde is de verdoe-
menis, daar zulk één zich verzet tegen Gods Woord. Derge-
lijke lieden, indien zij zich, ondanks de vermaning, niet
bekceren, moet men zorgvuldig vermijden.
Laski kon wel gissen, wat hij te verwachten had van
oenen koning, dien zijn hofprediker zoo even ter gcwijder
plaatse op dusdanige wijze gewaarschuwd had. Maar hij
deinsde er nochtans niet voor terug, zijn smeekschrift te
overhandigen; het zijn aangrijpende woorden, ongekunsteld,
vroom , vol ziclenadol. Hij schetst den Koning de genade ,
di<ï Uod aan hen en aan geheel het volk in Engeland be-
wezen heeft, welke rechten hun waren toegekend, en in
welk oenen bloeienden toestand de gemeente verkeerde.
489
Maar het volk was niet recht dankbaar voor zulk eene wel-
daad, en daarom nam God die van hen weg. Ook hen trof
het harde lot. Liever, dan voor de verdrukking van de zijde
van Rome te zwichten, besloot de gemeente het land te
verlaten. Zoo komen zij dan als ballingen herwaarts, hopende
en biddende^ dat hun onder de bescherming des Konings ver-
leend zou worden hetgeen zij te Londen bezeten hadden,
nl. het recht, om overeenkomstig hun geloof te leven, en
hunnen godsdienst op hunne wijze in te richten, eene bede,
tegen welker inwilliging te minder bezwaar kon bestaan,
daar zij onbekend waren met de landstaal. Zij zijn ten allen
tijde bereid, om rekenschap van hun geloof af te leggen,
alsook om zich te laten terechtwijzen en het betere aan te
nemen, wanneer zij uit het Woord Gods in conig opzicht
van ongelijk overtuigd worden. „Want wij zoeken niet onze
eigene eer, maar alleen de eer van Christus, en willen ook
volgaarne al het menschelijkc in ons tot onze eigene be-
schaming erkennen, wanneer wij slechts zien, dat daardoor
de roem van Christus, onzen Heer, in zijne leer naar waar-
heid verheerlijkt wordt. Want Hij moet wassen, maar wij
moeten minder worden, gelijk wij van ganscher harte met
Johannes den Dooper belijden." ^)
De Koning, die niet kon nalaten, hun zijne deelneming met
hun moeielijk lot te betuigen, beloofde hun een antwoord.
Eerst vijf dagen later volgde het toegezegde bescheid, en
wel in weigercndeii zin. De vermanende rede van den
Hofprediker was niet zonder uitwerking gebleven. Hun zou
vergund worden, zich in het land te vestigen, indien zij
zich aan de leer en den eeredienst der landskerk aansloten, en
den eed van getrouwheid aflegden, dat zij zich in alles stipt
naar de koninklijke verordeningen zouden gedragen. Het
wederantwoord kon niet twijfelachtig zijn. lieeds dos anderen
daags diende La ski een tweede verzoekschrift in, in het-
welk hij verklaarde, dat zij benïid waren, iedere leer en
eiken eeredienst te volgen, van welke hun kon worden aan-
ï) K u y p c r , II , 084.
490
getoond, dat zij Schriftmatiger waren dan de hunne^ weshalve
zij smeekten, dat er maatregelen mochten w^orden genomen
tot het houden van een openbaar gesprek. Middelerwijl mocht
het den Koning behagen, hun althans voor dezen winter
eene wijkplaats te verleenen, en hun de gelegenheid te
geven, om prediking en doop op hunne wijze te doen plaats
hebben. „Uwe Koninklijke Majesteit gelieve te bedenken, welk
eene jammerlijke zaak het toch is voor eene gemeente, die
om den wille van den godsdienst en in het vertrouwen op de
vroomheid des Konings herwaarts gekomen is, en dkt in
dezen tijd des jaars, en met al de hunnen en al hunne have,
de prediking des Woords en haren troost te moeten ont-
beren, terwijl zij onbekend is met de taal des lands, en
zich aan al de ongunst des volks ziet blootgesteld/^
Maar ook deze bede was vergeefs. De Koning ver-
klaarde, van geen godsdienstgesprek te willen hoeren, maar
enkel onderwerping te eischen, terwijl hij er thans nog bij-
voegde, dat, wanneer zulk eene onderwerping niet volgde,
het bevel reeds naar Kopenhagen verzonden was, om de
gemeente der vluchtelingen zonder uitstel uit het land te
verdrijven. La ski antwoordde, dat de koninklijke meening
steeds strenger werd, „doch wij willen haar met een gerust
hart als uit de hand van den lieer, onzen God, aannemen;
wij zijn ons niet bewust, eene valsche leer aan te kleven,
en hebben wegens de zuiverheid onzer zaak een goed geweten."
Zoo werd dan het Draconische bevel ten uitvoer gebracht.
Het klinkt als ironie: ter eener zijde die bijkans onmen-
schelijke hardheid, en aan den anderen kant de hooggcprezene
gunst des Konings, die zich bereid verklaarde, de onkosten
voor het verblijf aan het hof te dragen en nog 100 thalers
reisgeld te geven. ^) Hoe vreeselijk moet het voor oenen
man als Lask i geweest zijn, zulk eene gave niet fier te hebben
kunnen weigeren ; maar de drie afgevaardigden waren geheel
van middelen verstoken, en zouden zonder dit geld niet eens tot
1) Zcifs nog bg den hedvndaagschen verdediger van Westphal klinkt het
als ernu lofspraak, dat de Koning die 100 thalers aao de geheel hulpeloozen
491
de hunnen in Kopenhagen hebben kunnen terugkeeren. Ook
deze gunst werd liun nog op het laatste oogenblik ontzegd.
Over Holstcin moesten zij alléén vertrekken ; slechts dit ééne
werd hun vergund, dat La ski eencn bode met brieven
naar de hoofdstad moeht zenden. ïot Hamburg reisden de
drie lotgenooten onder het geleide en opzicht van eenen
koninklijken dienaar. Laski en Utenhove spoedden zich
te scheep naar Emden , alwaar zij den 4*l''° December aan-
kwamen; *) Micron ius begaf zich oostwaarts, naar Lubeck
en Wismar , ten einde aan de zeekust uit te zien , waar do
vluchtelingen wel zouden landen. Hij kon ze echter niet
vinden. De kust was geheel door het ijs ingesloten; op den
4den Kerstdag — de oude kerk vierde op dien dag de ge-
dachtenis van den eersten bloedgetuige Stephanus, —
kwam hij met een angstig hart te Emden aan. Eerst tien
dagen later ontving hij tijding van de on gelukkigen , uit
Wismar, en onverwijld spoedde de onvermoeide, trouwe ziel-
verzorger zich tot hen. Ook wij gevoelen begeerte, hem te
vergezellen on van hot lot dier beklagenswaardigen iets
naders te vernemen.
Den 3«len Xoveniber was de vluchteling-gcmeente te Kopen-
hagen geland, en vriendelijk en deelnemend door de bevolking
ontvangen. Aan de handwerkslieden onder hen werd vergund,
hun beroep uit te oefenen; alleen werd aan hunnen onder-
wijzer verboden, om aan d(^ medegebrachte kinderen sc^hool-
ondcrwijs te geven. Hoe dankbaar verheugd en hoopvol ge-
stemd waren de lieden, na het volbrengen van demoeielijkc
zeereis! Maar dat veranderde, toen op den 2r)»ten November
de bode met de brieven van Laski, alsmede de koninklijke
verstrekt heeft. (Verg. M ö n k e b e r g, S. 25.) De geaclite Ilambiirgsche prediker
had dusdanige lofverheiling maar liever aan deu ouden Ilarboc alléén moeten
overlaten.
1) ])c reis ging over Rremen. Na de harde beproevingen, die hij pan in
Denemarken had doorgestaan, onthield Laski er zieh van, onderweg bezoeken af
te leggen. Slcehts te Hremen braeht Timann hem een bezoek, en gebruikte bij
hem in de herberg op vriendsehappelijke wij/e het middagmaal. De strijd sehriften
van Westphal aehijnen bij dezen Bremensehen zeloot destijds nog geen weer-
klank gevonden te hebben. (Kuyper, II, 24.)
b^rVfïloTi U: {vopfrnhanrcrn aankwamen. De superintendent der
rttvl, I'all/idiuii. ha'1. in ovf;rl'rz mo: d*i lieden zelven, (^en
opz<;trelijk on'lerzoek n;iar hun geloof inirer:t».*ld : de uitslag
wa.i ^un••tiJ.^ ^Voor de ^eloof:?belijdeni-ï . die ik van deze
rnannen vernomen heb." z*Vj beï:ui;r«le de waardige <reeï?te-
lijke, *j „rlank ik Ood ; want zij i- vreemd aan alle sektarisch
drijven, en in, wat fle houfdpunr*:n aanirijat, met de «.-hriste-
lijlce godrtdien.-ït in overeenatemminL'. Sloohtri in de leer van
het Avondmaal be.-itaat er een klein verschil, en dat niet ten
aanzien van de hoofdzaak en het ra varene van dit sacrament,
maar sief:ht» wat betreft de vraag aangaande de wijze,
waarop het liehaam van Chri»tu;i in h(;t Avondmaal tegen-
WMirdig is. Het versehil i.-* eehter niet zóó groot, dat wij
ter oorzake daarvan den band der broederlijke gj-meensohap
zouden moeten verbreken, vooral dewijl er met betrekking
tot de voornaamste leerstellingen des christelijken geloofs
volkomene overeenstemming heerseht/' Inderdaad een geheel
ander oordeel, dan de hofpredikers te Kolding, zonder zulk
een voorafgaand onderzoek , geveld hadden ! Maar het was
toch niet bij maehte, om de uitvoering van het gestrenge
koninklijke brsvel te doen opschorten. Ook een verzoek van
den Deensehen senaat aan den Koning, om de ongelukkige
liiïdeii ten minste gedurende den gestrengen wintertijd in
het land ia dulden , bleef vrueht(jloos. Den S-^tm December
kwam het bevel t^irng, om alle dc^gcnien , die zich niet ten
volhï aan de bepalingen en verordeningen der landskerk
onderwierpen, uit Jhïnemarken tcj verdrijven. Slechts van
t\r\\ j)ersoon, ecMi scho<ïnmaker, wii^ns vrouw beangst was
voor de /«ïereis, wordt vfïrhaald, dat hij den eed afgelegd,
en daardoor h<»t recht om te blijven verkregen heeft. Alle
de overigen verkozen lievcjr, vervcdgd te worden, dan iets
tegen hun geweten te doen.
!*) Mrt wjKinl : ,.(iri«tlirlir," door Dalton in dit werk gedurig;, ook met
hntrrkkiiiK tul li r r v i) r iii d r iccrami ^cbc/.igd, heb ik dourgaans, om bekende
rrdcri. nirl. dixir: „grriitplijkr," injiar door: „Iccraar," of con dergcljjk woord
vrrtolkt. VVuar lirt rühtrr, gelijk hiirr trr plaatse, ter aanduiding van ccnen
iiii|ii<rintendi'ni, of Van (tenen prediker der Luthorscbc kerk gebruikt
wortll, kan er tegen het woord : „geestelijke" uiinder bezwaar bestaan. — Vert.j
403
Het was een deerniswekkend schouwspel, den jammer
der arme lieden te zien, en hoe zij om uitstel smeekten,
eerst om twee maanden. Zij hadden de huur hunner
woningen tot aan het voorjaar vooruitbetaald, en hadden
reeds aankoopen gedaan, ten behoeve van hunne huiselijke
inrichting. Daarop smeekten zij om éóne maand uitstel, dan
wilden zij te land naar Duitschland trekken; eindelijk om
een uitstel van veertien dagen : de koude toch was zoo groot,
en nergens zou men ceno zoo talrijke schaar van armzalige
lieden willen opnemen; wat moest er dan worden van de
arme kinderen en van de kranke bejaarden? Maar ook
dit uitstel word niet gegund. Binnen drie dagen moesten
zij zich inschepen; slechts deze ëéne gunst verkregen zij, dat
men aan eenen zieken man, alsmede aan vier vrouwen, die
in de eerstvolgende dagen hare bevalling te gemoet zagen,
benevens aan hare kinderen, in het geheel aan dertien
personen, nog voor cenigcn tijd het recht van asyl verleende. ^)
Toen alle smeeken vergeefs was, stond éón van de ge-
loofshelden en vluchtelingen op, en zeide tot de senatoren:
^Dewijl er dan bij u en den Koning te onzen aanzien
niet de minste toegeeflijkheid is, zoo stellen wij ons in de
handen van God, onzen Heer en goedertierensten Vader;
Hij zal met ons handelen gelijkerwijs Hij wil, doch wij hopen,
dat Hij , naar zijne goedgunstigheid , ons in deze onze be-
proeving niet zal verlaten. Bijaldien echter cén van ons
zijn leven mocht verliezen, zoo weet, dat gij schuldig zult
staan aan zijn bloed, en dat gij aan de straf Gods geenszins
ontkomen zult." Mot veel moeite werden er drie schippers
gevonden, die bereid waren, om de ballingen naar Kostock,
Wismar en Lubeck te brengen. Onder eene dichte sneeuw-
jacht, en terwijl de ijsschollen reeds op eene ontrustende
wijze in de haven ronddreven, vond de inscheping plaats.
Ten strengste werd aan de schippers verboden, om, ook al
') Bij H ar boo (S. 55) viudt men de opgave van de gezamenlijke ballingen, en hoc
zg op de schepen van Ch^i^itiern (ilnrs, Andreaü Prat/ en van eenen srhecps-
kapitein uit Wismar verdeeld werden, alsook eene opgave van de ISpersoneOy
aau welke word toegestaan, de reis over land te doen.
4W4
verkeerden zij in het gr«»r5re gevaar, eene Deena»:he haven
binnen te loopen. De ellende z*>u no^ vree^el ijker geweest
zijn. indien niet, een paar da^en v'"»r de afvjkar*. t-én van
degenen, die nog in Engeland waren aohrergebleven , een
diaken^ met eenen gnviteren, aldaar verzamelden reispenning
wa.% aanirekonien : want aile middelen, die de viaohtelin^en
\3^zftXHiï haflden. waren aireede opgebruikt. Het was aan-
doenlijk, toen de roeibooten, te midden van de dichte
sneeu wjaeht en tusschen de ij:?sehoUen door, de lieden
overbra/:hten naar de schepen, die daarbuiten op de reede
lagen, en toen de kinderen den lievelingspsalm van hunnen
superintendent begonnen te zingen, terwijl allen, die reeds
aan boord waren, in het plechtig gezang mede instemden.
Ken paar dagen nog bleven do reizigers daarbuiten in de
opene zee voor anker liggen, wachtende op eenen gunstigen
wind, terwijl zij God dankten, dat althans niemand van hen
de kiem der ziekte met zich op het schip had gebracht, die
juist in deze dagen te Kopenhagen was uitgebroken. Den
18<ïeD December eindelijk konden de ankers gelicht worden.
De wind was gunstig; reeds op den tweeden dag kreeg
men de Duitsche kust in het gezicht. Het ecne schip liep te
Wamemünde binnen; de drost aldaar neemt de ongelukkige,
half bcvrorene lieden vriendelijk op , doch op bevel uit Ros-
tock moet hij hen roods eene week later wegzenden.. Der-
waarts, naar de oude univcrsitcitsstad , begeven zich de
ballingen; maar ook duar worden zij, den 12^'" Januari,
verjaagd, alsof zij schurftigo honden waren, en \vedorom
gaat het door wind on weder, door sneeuw en koude,
langs den hcirwcg naar Wismar, de bloeiende Hanzestad,
alwaar de hertogen van Mecklcnburg in het schoone „Vor-
stenhof hunne residentie hadden. Aldaar troffen zij een
ander dool hunner lotgenooten aan. De scheepskapitein
dezer laatsten wildo ook in de haven van Rostock binnen-
loopcn. Maar door oenen heftigen wind op do hoogte van
Warneiniinde overvallen, werd hot schip uit zijnen koers
en in do richting van Wismar gedreven. De bocht was vol
drijfijs; ecne mijl vóór de stad blijft het schip vastzitten.
.495
In den nacht verheft zich een storm; de ijsschotsen worden
tegen het schip geworpen, en de kapitein spoort de reizigers
aan , dat zij , over de drijvende schollen heen , in den don-
keren nacht de kust zullen zoeken te bereiken. Doch niemand
waagt het, don roekeloozen tocht te ondernemen. Een van
allen geeft den raad, het ankertouw te kappen, en het ruime
sop te kiezen. Dit gelukt. Bij het aanbreken van den dag
bevindt men zich tegenover hot eiland Poel. De scheepsvoogd
wil trachten Lubeck te bereiken; maar de reizigers willen
zich niet weder aan de stormachtige, ijzige zee toevertrouwen.
Eén der visschers van het eiland haalt hen op zijn ranke
vaartuig van boord, terwijl het schip met al het huisraad der
vluchtelingen de reis naar Lubeck voortzet. Onze arme rei-
zigers, verstijfd van koude, en bijna vergaan van den honger,
banen zich met hunne kinderen eenen weg door het riet;
gelukkig komen een paar visschcrsbooten , en brengen hen
aan den vasten wal. Des anderen daags komen zij te Wis-
mar aan; de arme kinderen en de bejaarde lieden waren,
ten gevolge van de doorgestane koude, met builen overdekt,
die eerst in het naderende voorjaar geheel verdwenen. ^) Die
aanblik was te erbarmelijk, dan dat de Overheid zou hebben
kunnen weigeren om hun, zij 't ook slechts voor eenen korten
tijd, gelegenheid te geven, zich van hunne vermoeienissen te
herstellen. Na veertien dagen echter werd hun aangezegd,
dat zij weder moesten vertrekken; gelukkig trok hertog
Johan Albert zich de belangen der deernis waardigen aan,
en wist te bewerken, dat hun werd toegestaan om aldaar
te overwinteren.
Doch deze gunst werd hun veclszins vergald. Op de kansels
weerklonken de grofste uitvallen tegen deze „geestdrijvers,'' die
men voor wederdoopers, voor sacramentisten [sacramentschen-
dcrs] uitmaakte, en aan wie men hun martelaarschap voor de
voeten wierp; indien zij rustige lieden waren, dan zouden zij wel
') De winter was zoo buitengewoon streng, dat in het begin van Januari
een burger van Emden, die van Groningen kwam, over den toegcvroren DoUart
van Oierdum naar Knocke wandelde. (Kminius, p. Ü50.)
utiy:/z'Xfff}T'\ in Enz^rland hfrbbfrn kann^rn bliJT*:n. Zridira M i-
';ronirj^ •'.' Wirrn^r fffrkom'.-n wa^. ünTaarfi-ie hij d^n strijd
m<:r df; z';!oi:i.-'':h': :rfr<;rt«:!ij!-:f:n. di^- ori'.ph'y'j'ïfriijk d*:r Overh»?id
t/f^^rfj d^: hï\'j:/:hiV.\:vjit'.n f}\i'^fjft\'i'J:Vi. H»:: Z'-u on* t^r ver voeren,
indi^;n xij wüd^rn lui-tor^rn naar de ver-H.hillfrnde g'.idsdifïnstse-
jïpr'rkk'jri. in welke de jret rouwe Micro niuff het sek»of zijner
z'A'aar^fproefde en verdrukte met:reze!Ien Z'»o manni'^edis en
wakker verdedi^^de. Deze tijd VMrrar »V*n van de donkerste,
pijriiijk-.te epi-soden in de ïre-ïehiedenis nnzer Hervorming.
Weldra zullen wij zien. wat de reden wa.-? van zulk eene
onmensehelijke, gruwzame handelwijze tegenover geloofege-
nooten, die ongetwijfeld hadden mogen verwachten, dat men
overal in Kvangelische landen zou hebben gewedijverd, om
de striemen en builen van hun martelaarschap om de? E van-
gel ie'-i wil met teederheid en blij moedigen dank te verzachten.
Eéne zaak blijkt uit die ver-schil lende gesprekken zonneklaar,
nl., dat de vertoornde geestelijken de jongste geschriften van
WrsHtphal hadden gelezen, en zijne getrouwe leerlingen gewor-
den waren ; het gerlrag der Overheid echter toont eene bedenke-
lijke verkoeling en verslapping van den roformatorischen ijver.
Men rne(jnt zijn erfdeel verkregen te hebben, en streeft er
ni(;t meer naar, zijne bezitting te vermeerderen, maar is er
nog HhichtH op bedacht, den verworven schat te bewaken,
en doet zulks met d(jn angst van een vrek, welke in ieder,
die zijne hulp inroept, eenen roover meent te ontdek-
ken, en niets zoozeer ducht, dan om uit de wellicht met
mofjitcj verkregen aangename rust weder te worden opge-
Hc;hrikt. Wat verschil is er dan echter nog tusschen de houding
der zoodanigen en die van zoo menig klooster en zoo menigcn
biHscho|)? - Zoo waren dan ook de dagen van het verblijf
d(ïr ballingen te Wismar gcïteld. Tegen het einde van Fe-
bruari moesten zij wedcTom het stof, of, in dit geval nog
juister, het ijs csn do sneeuw, van hunne voeten afschudden,
WW den nïisstaf w(ïd(ir t(!r hand nomen, ten einde mot vrouw
en kroost venhïr \i\ tn»kken. Slechts éénen enkelen dag had
men hun vergund, om zich voor de reis gereed te maken.
JCe<Mls dcts anderen daags bevinden zij zich op weg naar Lubeck.
497
Zien wij eindelijk naar de reizigers van het derde schip
om! Dat had cene voorspoedige reis, zoodat het reeds op
den tweeden dag vóór ïravemünde het anker kon uitwerpen ;
het lot dezer ballingen echter was niet gunstiger, dan dat
hunner lorgenooten te Rostock en te Wismar. Toen zij zich
met al hun huisraad, hetwelk zij op wagens geladen hadden,
van Travemünde op weg naar de stad [Lubeck] begeven
hadden, werd de karavaan midden op de ijzige heirbaan
staande gehouden, alsof zij Zigeuners en landloopers waren.
Twee van hen spoedden zich naar de stad, ten einde hunne
geloofsbelijdenis aan de Magistraat te overhandigen, en toen
deze daaruit bespeurde, dat men toch niet met heidenen te
doen had, werd aan de halfverkleumden toegestaan, om
binnen de stad te komen. Het was omstreeks Kersttijd.
Gedurende de feestdagen hadden de zwervelingcn rust, maar
reeds op den 3'ï<*n Januari begonnen ook hier, in de Hanze-
stad, de plagerijen der geestelijkheid. Ook hier weder eindelooze
godsdienstgesprekken, en in deze laatste vele herinneringen
(„Ankliinge'') aan het heillooze geschrift van Westphal.
Het eindresultaat was zooals overal. Den 2()8tcn Februari
ontvingen do vluchtelingen het bevel, om binnen vier dagen
het gebied der stad te verlaten. De ongelukkigen richtten
hunne schreden naar Hamburg.
Dat was een gang naar het hol van den leeuw. De spo-
ren der vijandige gezindheid jegens de arme vluchtelingen
wijzen telkens weder op den voornaamsten prediker in de
St. Katharina-kerk te Hamburg, Joachim Westphal,
den stijfhoofdigen, strijdvaardigen pleitbezorger der Luthersche
Avondmaalsleer , die met hartstochtelijke haast zich in den
strijd wierp, dien hij zelf altoos weder opnieuw aanwakkerde,
en dien hij in onbegrijpelijke kortzichtigheid op zulk eeue wijze
voerde, dat men wel mag veronderstcllcMi , dat Luther, bij
den aanblik van de offers, door zijne manier van strijden
gevorderd, zou zijn uitgebarsten in de jammerklacht: „O
Varus, geef mij mijne legioenen weder!" — Keeds in October
waren er vluchtelingen uit Engeland te Hamburg aangekomen,
voor het meerendeel Engelschen, aan welke de Senaat op
DALTON. 32
498
vriendelijke wijze gastvrijheid verleende. Toen echter in de
Elbestad het bericht kwam aangaande die schare van zwer-
velingcn , en hoe zij uit Denemarken en Rostock en Wismar
en Lubeck waren verdreven geworden, toen scheen het, alsof
do geestelijken in ijver bij hunne ambtsbroeders daar ginds
niet wilden achterstaan. De stand van zaken veranderde, toen
de ongelukkigen de stad naderden. W e s t p h a 1 wenschte een
onderhoud te hebben met Micron lus; de beide strijdvaar-
dige mannen hebben , in het bijzijn van getuigen, geruimen
tijd met elkander geredetwist. Van welk eene opgeblazcnheid,
laatdunkendheid en verwatenheid getuigt zoo menige uitspraak
des mans, die er zich op beroemde, tegen C al v ij n en de andere
hoofden der „sacramentisten" in het strijdperk getreden te zijn !
Iloe schandelijk was de bedreiging, die don ijveraar ont-
glipte, dat de Overheid tegen zulke dwepers het zwaard
moest ontblootcn ! De eind-uitslag was ook te Hamburg even
bedroevend als elders. Een bevelschrift werd uitgevaardigd,
dat alle „sacramentisten" de stad moesten verlaten. Den
248tr.n Maart werden zij allen gezamenlijk verdreven, ook do
Engelschen, in welke W e s t p h a 1 met hetzelfde recht sacra-
mentisten had ontdekt, alsmede Walter Deloenus, die
juist omstreeks den Paaschtijd met eene nieuwe schaar van
vluchtelingen uit hot ongastvrije Engeland in het toenmaals
niet minder onherbergzame Hamburg was aangekomen, het-
welk aan de arme vluchtelingen een gelijk lot bereidde, als
de gruwzame Katholieke koningin te Londen.
Den 26«t<ï" Maart vonden de overal verdrevenen op do
Elbe, beneden de stad, een schip, dat hen naar Oost-
Friesland overbracht. Nu nam hun leed een einde. Welk
oen allerdroevigst halfjaar hadden zij doorleefd! Het ver-
slag van hunne omzwerving luidt schier als een verdicht-
sol. En toch betuigt Laski voor God, dat het verhaal
de zuivere waarheid bevat. *) Ja, hij voegt er bij, dat,
indien sommigen desniettemin de waarheid van het bericht
mochten willen in twijfel trekken , hij tegenover zulk eenen
1) K u y pc r , 11 , p. 75'ii.
499
euvclmoed slechts het woord dos Apostels in herinnering
brengt, dat wij allen eenmaal voor den rechterstoel van
Christus zullen goöteld worden. Dan zal de list en huiche-
larij der tegenstanders voor de geheele wereld openbaar
worden.
Wij intusschen zijn verheugd, het sombere verslag aan-
gaande dezen moeielijken, onvergetehjken winter der Evan-
gelische kerk achter ons te hebben, en nu, bij den aanvang
dor lente, weder helderder zonnestralen ons te zien tegen-
blinken. Wij slaan het treurige blad schielijk om, maar toch
niet zonder vooraf de laatste bede van den vromen TJten-
hove aangaande zijn bericht ook hier te herhalen: „Ten
slotte wenschen wij tot alle godvruchtigen om Christus' wil
de bede te richten , om toch geenen wrok te koesteren
tegen degenen, die ons aldus in onzen druk vervolgd heb-
ben, en ook niet, gelijk Jakobus en Johannes weleer
[Luc. 9 : 54] , te verlangen , dat er vuur van den hemel
op hen nederdale, tot straf voor hunne onherbergzaam-
lieid, maar dat zij veeleer, overeenkomstig de leer van
Christus, voor hen bidden, en in vereeniging met ons God
vuriglijk smeeken , dat zij zich mogen bekeeren en zalig
worden." ')
b) HetasylteEmden.
„Na deze onze moeielijke omzwerving," — zóó besluit
Utenhove zijn aangrijpend bericht, - „schonk God, de
Heer, gelijk ITij voorheen aan zijnen dienstknecht en profeet
huisvesting en onderhoud bij de weduwe te Zarfath verschafte,
ook aan (ms, naar zijne goedgunstigheid, eene vaste verblijf-
plaats bij de doorluchtige vorstin en weduwe Anna van
Oldenburg, de bestuurster van Oost-Friesland, en de leera-
ren te Emden en de burgers hebben jegens de onzen alle
plichten der menschlievendheid vervuld. Want alzoo pleegt
God, in zijne vaderlijke goedheid, aan zijne zwaar beproefde
'; U t c ü h o V i u s , p. 23b.
500
kerk, na heftige stormen des onspoeds, rust te verleenen,
gelijk de Handelingen der Apostelen [9 : 31] getuigen, dat,
na de steeniging van Stephanus en na de verstrooiing der
Jeruzalemsche gemeente, de Christelijke gemeenten in Judea,
Samaria en Galilea vrede gehad hebben." ^)
La ski had voor zijne vreemdeling-, of thans liever vluch-
teling-gemeente herberg in Oost-Friesland bereid. Hij zelf
was in dit zijn tweede vaderland met open armen ontvangen
geworden, even hartelijk en innig, als wanneer een vader,
na langdurige afwezigheid, tot de zijnen wederkeert. Den
zwaarbeproefden man, die door de onbillijke bejegening,
welke hij in Denemarken had ondervonden, tot in het
diepst zijner ziel gekrenkt was, deed het zoo onuitspre-
kelijk goed, hier dan toch eindelijk broederlijke liefde
aan te treffen. Hij gunde zich geene rust, zoolang het lot
zijner vluchteliifgen niet verzacht was. In die winterdagen
deed hij denken aan eene leeuwin, wier jong men waagt
aan te tasten ^); daarbij hij zelf in zijne heiligste over-
tuiging gegriefd, zwaar gekweld door den ziekelijken toe-
stand zijns lichaams, in pijnlijke onzekerheid aangaande het
lot zijner arme knapen , die te Kopenhagen waren achter-
gebleven , en nauwelijks had zijne vrouw, die zich met hare
kinderen rechtstreeks van Londen naar Emden begeven had,
en die aldaar vroeger dan haar man was aangekomen, voet
aan land gezet, of zij beviel van een zoon. Het knaapje
ontving bij zijnen doop den naam van Samuël: „God heeft
verhoord.'^ In zijn vast vertrouwen op God bleef onze held,
in weerwil van alle ramp en druk, onbezweken volharden.
Het eerste, wat Laski na zijne aankomst te Emden deed,
was, een schrijven aan den koning van Denemarken richten. **)
») Ibid., p. 233.
*) In een schrijven van Laski aan Calvijn (C a 1 v ij n , XV, 82) vermeldt
onze vriend een gezegde van Ë r a s m u s , hetwelk hij, gedurende zijn verblijf
te Bazel, menigmaal van diens lippen vernomen had, nl.: „Fore si Luthcrani
ibti reram potiantur, ut multo graviorem sub illis quam sub plcrisque Papistis
tyrannidem sustinere cogamur."
3) Verg. Kuy por, II, p. 687.
501
Als Christen heeft onze vriend aan zijnen medechristen diens
gedrag onder het oog gebracht, op ernstige wijze, met gestrenge
gisping, en bezield met den innigcn wensch, dat de Koning
tot het inzien mocht komen , dat hij zich in tweevoudig op-
zicht zwaar bezondigd had: ten eerste, doordien hij in de
handelwijze ten opzichte van zijne gemeente had toegelaten,
dat de geheele kerk van Christus op de alleronbillijkste wijze
veroordeeld werd, en vervolgens, doordien hij de hem toe-
vertrouwde gemeente van Christus, die in het vertrouwen op
zijne vroomheid tot hem hare toevlucht genomen, en hem
in den naam van Cliristus om hulp gesmeekt had, op oene
wijze behandeld had, dat hij [Laski] vast overtuigd was,
dat hij bij heidenen meer welwillendheid zou hebben onder-
vonden. De brief is ons een kostbaar document, zoowel om
den wille van den schrijver, als ook om den wille van hom,
aan wien hij gericht werd. Koningen zijn niet gewoon, op
zulk eene zieldoordringende wijze de waarheid te hooren, en
te midden van de vleiende woorden der hovelingen wordt de
stem van oenen Nathan zelden gehoord ; doch wie is er eer-
der toe geroepen, om ook tegenover het gekroonde hoofd
cene vrijmoedige taal te voeren , dan hij , die als dienst-
knecht des Allerhoogsten zich tot taak zitit gesteld , om
in het openbaar getuige en verkondiger te zijn van zijncm
heiligen wil? Tot ons leedwezen hebben wij niet kunnen
te weten komen, welke de uitwerking van deze roepstem tot
bekeering bij den Koning geweest is, en of hij ook soms als
David gehandeld heeft.
Zoodra Laski vernomen had, dat een deel zijner gemeente,
waaronder zich ook zijne beide zonen uit zijn eerste huwelijk
bevonden, te Wismar geland, of, juister gezegd, gestrand
was, richtte hij zich ten hunnen behoeve met eene dringende
bede om hulp tot den hertog van Mecklenburg, die hem tovh
sedert zijn verblijf in Engeland erkentelijkheid verschuldigd
was. Wij hebben reeds gezien, dat zijne bode niet tevergeefs
was. Daarop kwamen er telkens weder nieuwe berichten aan-
gaande het schier onnnmschelijke lot, hetwelk de vluchtelingen
overal wedervoer. Tegelijkertijd echter drong ook steeds dui-
502
I
delijker een kreet van verontwaardiging over zulk eene gruw-
zame behandeling van alle zijden tot Laski door. De koning
van Zweden betuigde hem zijne hartelijkste deelneming en
daarbij zijn leedwezen, dat liij niet aanstonds uit Deneraar-
ken met zijne gehecle gemeente naar Zweden gekomen wa8,
w^aar zij een vriendelijk onthaal zouden gevonden hebben ^).
Ondertusschcn kwamen de bijkans tot stervcns toe vervolgde
en doodelijk vermoeide vluchtelingen in Oost-Friesland aan.
Hier vonden zij hetgeen zij elders tevergeefs hadden gezocht,
een door innige, christelijke br'oederliefdc bereid onderkomen.
Laski zelf is door de betoonde gastvrijheid dankbaar ver-
rast. „Wij zijn hier op zulk eeno wijze opgenomen, dat,
als wij bij onze naaste bloedverwanten gekomen waren, wij
niet liefderijker zouden hebben kunnen ontvangen worden.
Voor geene andere gemeente is bijkans de geheele adel zoo-
zeer bezorgd, zoodat ik zijn ijver en welwillendheid, alsook
zijne mildheid niet genoeg kan roemen. Chri stoffel van
Eusum wordt niet moede, de plichten eens waren broeders
jegens ons te vervullen : zij helpen de onzen inderdaad op zulk
eene wijze, dat het ons allen is, alsof wij in een gemeen-
schappelijk vaderland gekomen zijn. Ook van de Gravin
beloven wij ons alles goeds; zij heeft mij bereids oen niet
onduidelijk bewijs te dezen aanzien gegeven. Kortom, ik
dank den Heer, mijnen God, dat hij onze schreden her-
waarts geleid heeft." '^) Uit de hartelijke woorden van
Laski bespeurt men, hoe weldadig zulk eene handelwijze
hem heeft aangedaan ; het is toch ook éóne van de schoonste
vruchten zijner werkzaamheid in dit land, welke hij, de
zaaier, nog mocht inoogsten. ^) Treffend was de aanblik der
•) Tbid. , II, 709. Het was niot mogelijk, in het archief te Stockholm een
afschrift van den bedoelden brief te ontdokken.
2) Ibid., II, 005.
^) Deze vriendelijke ontvangst was, in zeker opzicht, slechts de getrouwe uit-
voerins: van de Sde paraj^raaf van de politieverordening van gravin Anna, uit
het jaar 1545, die destijds ouder rechtstreeksehen invlord van den Superintendent
schijnt te zijn opgesteld. In de genoemde paragraaf leest men : „Ingeval er echter
iemand mocht gevonden worden, die alleen om den wille van het Evangelie ,
en omdat hij dienovereenkomstig had willen leven, verbannen was, en die
503
zelfopofferende liefde, inzonderheid der Emdensche burgers.
Zoo leest men, in den brief van eenen raadsheer in die dagen :
„De liefde toen ter tydt was zo groot, dat goedthartige burgers
zich dagelyks by de poorten en bruggen lieten vinden, de
aankomende vreemdelingen vlytig onderzochten en vervolgens
in hunne huyzon op en aannamen." ') liet getal dezer vluch-
telingen, door scharen van vervolgden uit Kngeland, België en
Frankrijk vermeerderd, zal, naar luid van óénc der opgaven,
binnen weinige jaren tot op zesduizend zijn aangegroeid: '^)
een cijfer, hetwelk het aantal der vervolgden om desgeloofs
wil binnen de muren van Zurich of van Genève evenaarde.
Hot gerucht van zulk eene edelmoedige handelwijze ver-
spreidde zich tot op verren afstand; Emden verkreeg den
schoenen naam van Moeder der vluchtelingen en ballingen ,
en van Herberg der uitverkorenen Gods. Nog heden ten dage
ziet men tegen de Groote kerk der stad, in steen uitgehouwen,
een schip met het onderschrift: „Schepken Christi. 1553'',
en het rand^^ch^ift: „Gods Kerk vervolgt, verdreven, Heft
God hyr Trost gegeven." ^) Het schip heeft gewis betrekking
op de zeereis der vluchtelingen ; voor ons echter is het tevens
als eene liefelijke herinnering aan den man van het geslachts-
wapen Korab, die zulk eene gezindheid van hartelijke broe-
derliefde ter plaatse van zijne werkzaamheid had weten op
te wekken.
Het was geen geringe zorg, die door deze scharen van hulp-
behoevenden allereerst \oov Emden en voor La ski werd
teweeggebracht. In de eerste plaats waren het noodlijdenden.
Het kwam er op aan, de middelen te vinden voor hun onder-
houd. Met zijne gewone bekwaamheid als organisator richtte
Laski eene bijzondere vreemden-diaconie op, die nog heden
ten dage bestaat; de burgers (mderwierpen zich vrijwillig aan
eene belasting , en brachten , behalve hunne aalmoezen voor
daarvan een voldoend bewijs kan leveren .... /ulk eenen moet men niet uit den
lande verdrijven."
<) Mciners, F, 328.
*) B c r t r a in , p. 27U.
^) Eene afbeelding is te vinden op het titelblad b\j Mulder, S. 1.
de inhcemschc behoeftigen, ook nog eenc geregelde bijdrago
voor de vreemdelingen op. Niet allen echter hadden noodig,
op zoodanige wijze ondersteund te worden. Sommigen waren
bij hunne aankomst in het bezit van eigene geldmiddelen,
en verleenden in dat geval aan hunne lotgenooten overvloe-
digen onderstand. De lieden waren bekwaam en gewillig
tot den arbeid. Eduard VI had aan velen hunner het
burgerrecht geschonken, dewijl hij hen als vlijtige, bedrij-
vige handwerkers en kooplieden waardeerde. Inzonderheid
als wevers („bursat wevers") of passementwerkers waren zij
heinde en ver beroemd. Zij draalden niet, in het hun ont-
sloten verblijf hunne kunst uit te oefenen. Reeds na wei-
nige jaren konden zij aan deze „moeder der bannelingen''
den tol hunner dankbaarheid betalen: de welvaart nam op
merkbare wijze toe. Handel en vertier bloeiden in het landje,
gelijk nimmer te voren, ja, het duurde niet lang, of de
wangunst ontwaakte, alsof de vreemdelingen, wat rijkdom
en macht aangaat, de landzaten zouden overvleugelen. Oost-
Friesland had de ondervinding, welke later de landen van
den groeten keurvorst en de andere gewesten opdeden, die de
voortvluchtige liugenooten openlijk w^elkom heetten, dat nl.
de beste aanwas eener bevolking zulke lieden zijn, die om
des geloofs wille zich in ballingschap begeven.
Reeds in het jaar 1554 gelukte het aan La ski, voor de
Walen eene k(rrk te ontsluiten, in welke zij hunne godsdienst-
oefeningen in hunne moedertaal konden houden. *) Spoedig
daarop konden ook de Engelschen, die in grooten getale voor
de vervolging d(ïr bloedige Maria gevlucht waren, zij 't ook
slechts vooreerst in eene bijzondere woning, in hunne eigene
taal godsdienstoefening houden. Hoe groot hun aantal moet
geweest zijn, blijkt uit de opgave, dat zij, behalve hunnen
eigenen leeraar, vijf ouderlingen, vier diakenen en twee s( hool-
onder wijzers gehad hebben. Niet te Emden alleen hielden de
vluchtelingen zich op: eveneons, ofschoon in geringereu getale,
ontmoeten wij hen te Xorden, te Leer en op andere plaatsen.
I) Calvyn, XV, 82, «n Mt-incra, 1, 325.
505
Zag Laski dozc zijn pogingen, om het harde lot der vluch-
telingen te verzachten, door de offervaardige deelneming van
do gohcele bevolking met schitterend gevolg bekroond, moeie-
lijk viel het hem, aan den anderen kant, zich op nieuw aan
de kerkelijke toestanden van het landje, of veeleer van ge-
heel Duitöchland, te gewennen. Gedurende zijne afwezigheid in
Engeland was in het vaderland der Hervorming eeno groote
verandering tot stand gekomen, die hare slagschaduwen in
alle richtingen verspreidde, voor vooruitziende naturen op eene
zorgwekkende wijze. Hoe heeft Laski, die aanstonds het
geheele gevaar doorzag, daaronder geleden! De onherstel-
bare klove, die van nu voortaan de Evangelische kerk in
twee heirlegers verdeelde, was duidelijk zichtbaar gewor-
den, en wel in de haclielijkst;e ure, in welke de Roomsche
kerk zich tot eenen nieuwen aanval had gereed gemaakt, en
in eene vaste, geslotene eenheid tegen de Protestanten op-
trad. De gevolgen van dezen heilloozen omkeer in de ontwik-
keling der Evangelische kerk van Duitschland hadden de
vluchtelingen op hunne omzwerving op grievende wijze onder-
vonden: thans had Laski tijd en gelegenheid, om de be-
gins(ïls van dien noodlottigen omkeer te leeren kennen. Deze
laten zicih niet tot hot eene of andere feit terugbrengen; zij
hebben zich langzamerhand ontwikkeld. Trachten wij, al is
het ook slechts zeer vluchtig, de oorzaken der bedoelde ver-
andering na te gaan.
Aan de gewelddadigheden van het Interim had het ver-
drag te Passau een einde gemaakt; tusschen Katholiekenen
Protestanten was een vrede tot stand gekomen, die in 1555,
op den rijksdag te Augsburg, in den „godsdienst- vrede'' zijne
bevestiging vond. De volken waren die heillooze worstelingen
hartelijk moede geworden; overal openbaarde zich op drin-
gende wijze de behoefte aan rust; men gevoelde zich geheel
uitgeput. Hoc sterk dit verlangen naar bijlogging van den
twist reeds sinds lang ook in de Kerk gevoeld werd, bleek
uit den geringen weerklank, dien de Sacramentsstrijd, door
Luther in zijn laatste levensjaar weder aangeblazen, over
het geheel gevonden had. liijkans schroomvallig vermeed men
506
fionn vornifjTiwing van flon ntrij^l; de angst, die Melanch-
thon te dien opzichte bezielde, werd d«>or de naeerderheid
gedeeld. \u was de groote Duit.iche hervormer van de kamp-
plaatr* afgeroepen: een zware slag voor zijne kerk. Lat her
had onder zijn volk zulk eene reuzcngrootheid bezeten, en zijn
invloed was bijkana oppermachtig gewee^>t. Bij zijn verscheiden
wart niemand onder de Wittcm bergers krachtig en uitstekend
genoeg, om den profetenniant^d van dezen man te dragen^
en toch kon de kerk der Ifervorming nog niet buiten haren
proferjt, want haar laatste woord was nog niet gesproken.
Welanchthon bestuurde niet langer den strijdwagen; sinds
de dagen van het Interim lag er voor velen eene schaduw over
zijn yKïrsoon, en mecjr lirht lag er voor het oog dezer velen
verspreid over de gestalte van den aan de leer getrouwen,
onvorbiddelijken, onverschrokken Illyriër Matthias Flaeius,
die thans meer dan tot dusver op den voorgrond trad. Zijne
woonplaats Maagdenburg scheen de erfenis van Wittcnberg
te aanvaanhm, s(ïdert dat de ontzagwekkende persoonlijkheid
van liUther aldaar niet meer hccrschte. Do strijd tusschen
do godgeleerden der Wittenbergsche s(;hool woedde voort, al
Ixïtrof hij ook niet langcïr dat punt, met betrekking tot het-
W(dk de Mcjcïster, kort vóór zijn(;n dood, dien had doen ont-
brandcïu. liet is des Antinomistische en Osiandrische strijd,
h(ït zijn d(? twisten tusschen Klacius en Strigol, door
welke de beklageuswaardigcï kerk nog gedurende tientallen
van jaren tot op han; grondvesten werd geschokt. In deze
kh^nercï gescdiillcMi verward, die haar liarc kracht deden
versjiillen, wan de k(»rk van Ijuther niet meer in staat, om
de an<lere volk(Mi , die d(^ zc^geningen der Hervorming nog
niet waren deelachtig gc^worden , voor zit^h te winnen. Bij
den dood des IIervorm<»rs had zijne kerk, over het geheel,
haren grootsten omvang hmmIs bereikt: van nu voortaan heeft
zij, terwijl zij in hanï eigene» ingewanden woelde, doorgaans
sletdits t<»rrein verloren.
Anders <»n tevens voorspoediger was de loop der ontwik-
kt^ling in «Ie Zwitsersche kerken. Uier hield blijkbaar eene
energif»ke hand het roor der Hervorming omklemd. Üp den
507
voorgrond der beweging trad, hoc langer hoe meer, Cal v ij n,
die ons aan een profeet des Ouden Verbonds doet denken,
„vol godsdienstige diepzinnigheid en met eene onverbiddelijke
consequentie in zijne dcnkbeehlen.'' ^) De Avondmaalsleer
werd door hem in de nauwste aansluiting aan het Woord
Gods ontwikkeld, waarbij hij het midden hield tusschcu
Zwingli en Luther. Melanchthon schonk aan de op-
vatting van Calvijn zijuon bijval; ook met betrekking tot
dit hoogst belangrijke punt dor leer hebben de beide mannen
elkander te Frankfort aan de Main, in 1539, de broederband
gereikt ; het was een oprechter, waarachtiger verbintenis, dan
Bie, welke door de Wittenbergsche Concordie, een paar jaren
te voren, met zooveel moeite was tot stand gebracht. De nieuwe
uitgave der Augsburgsche confessie is de schoone vrucht van
deze wederzijdsche toenadering. Calvijn heeft haar zonder
aarzelen, ja, gelijk hij zelf verklaart, gewillig en van ganscher
harte op den rijksdag te iiegensburg, in 1541, als afgevaardigde
van de Straatsburgsche gemeente onderteekend. In breede
kringen raakte men er in Duitschland aan gewoon, Calvijn
en zijne kerk tot de Augsburgsche geloofsverwanten te reke-
nen ; een wezenlijk onderscheid in de Avondmaalsleer tusschen
L u t h (j r en C a 1 v ij n was, wel is waar, duidelijk bemerkbaar,
maar werd niet als eene reden van scheiding beschouwd,
en velen in Duitschland helden tot de verklaring van Cal-
vijn over. -) ilet deze verzoening, die langzaam en bijkans
ongemerkt begon tot stand te komen , was het woord van
Luther, in het jaar 151 J: „Kurzes Bekenntnis vom heili-
gen Sakrament wider die Sch warmer," in de pijnlijkste te-
genstelling. Och ware dat boek toch ninmier in het licht
verschenen ! Een antwoord daarop is ook de schoone „Zuricher
Consensus/' in welken Genève en Zurich blijmoedig hunne
overeenstemming, en wel door verzaking van Zwingli's
opvatting, beleden.
De voorstelling der leer, in dit symbolisch geschrift neder-
gelegd, vond weerklank in die landen, in welke tot dusver
M ilasi; (I), S. llü.
-; Verjr. IMauck, I, 5 — 35.
508
m
dc Evangelische leer nog geen vasten stempel verkregen
had. Het opmerkelijkst was de uitwerking in Engeland.
Daar had men zich, na het jaar dertig, tot Wittenberg ge-
wend met het verzoek, om leeraren der Hervorming: My-
conius en Aepinus waren in Engeland geweest. De
„Engelscho artikelen van 1536'' vertoonen de sporen hunner
werkzaamheid. *) Na verloop van een tiental jaren deed een
andere invloed zich gelden. De mannen, die den primaat
van Engeland als een geestelijke raad ter zijde stonden, heb-
ben wij leeren kennen. C r a n m e r stemde volkomen en van
heeler harte in met de Zuricher overeenkomst; de voorstel-
lingswijze van Calvijn en BuUinger werd het richtsnoer
voor de leer der Engelsche kerk.
De tijding van deze belangrijke uitwerking was spoedig
tot Duitschland doorgedrongen, inzonderheid tot Hamburg,
alwaar Joachim Westphal en A^»pinus den machtig-
sten invloed oefenden. Beide mannen waren strenge aanhan-
gers der zuivere leer van Luther op dit punt, en wel in
hare scherpste uitdrukking. Het laatste geschrift van den
Hervormer tegen de dwepers werd door hen beschouwd als
eene uiterste wilsbeschikking, die men nauwgezet moest na-
komen. Het schoone woord, dat Luther, bij gelegenheid
van zijne laatste reis naar Eisleben, tot Melanchthon
sprak: „Lieve Philippus, ik moet bekennen, dat er in de
zaak van het Avondmaal veel te veel is gedaan,'' was niet
in den geest van eenen man als Wcstphal; die hield zich
liever aan dat andere, betreurenswaardige woord, hetwelk
Luther, kort vóór zijn uiteinde, aan Jakob Probst zal
hebben geschreven: „Welgelukzalig is de man, die niet wan-
delt in den raad der Sacramentisten, noch staat op den weg
der Zwinglianen, noch zit in het gestoelte der Zurichers,''
en dat onze arme vluchtelingen op zulk eene grievende wijze
in Denemarken, te Wismar en te Hamburg kregen te hooren
en ook te voelen. -) Zou, na zulk cen(3n uitslag in Engeland,
aan de Zwitsers overal de overwinning ten deel vallen ? Nam
•) Verg. Hard wiek, p. 13—51.
2) Verg. Har boe, S. 115, en zijne uitlating daarover.
509
niet ook in Duitschland hot govaar toe, dat de Luthersche
Avondmaalslcer hoo langer hoe meer op den achtergrond
zou gedrongen worden? De strijdbare held aan het strand
der Noordzee achtte zich ten duurste verplicht, als Zions-
wachter de stormklok te luiden, en de slapende makkers
op het dreigend gevaar opmerkzaam te maken. Zijn alarm-
kreet, in hartstochtelijke haast geslaakt, weerklonk in 1552.
Hij scheen zonder uitwerking te zullen blijven. Daarom wel-
haast een tweede noodkreet, en nu zorgde hij er voor, dat
die niet ongehoord vergeten werd. Met het heillooze libel
van Westphal, getiteld: „Farrago^^ en het geschrift, dat
hij in 1553 daarop liet volgen, onder den titel: „Von dera
rechten Glauben über das Abendmahl" ^), was de gemeen-
schap tusschen de Evangelische geloofgenooten verbroken.
Van nu voortaan vernam men weder in de Evangelische
kerk van Duitschland den noodlottigen kreet, die eertijds
zoo jammerlijk door de Duitsche gewesten weerklonken had :
„Hier Welf! Hier Waiblingen!" Alsof hij in den dienst der
Roomsche kerk gestaan had, zoo heeft Westphal, in zijn
„Farrago," voor de pauselijke aanvallers een wichtig wapen
gesmeed: hoe behendig wisten mannen als Hosius dit wa-
pen tot het grootste nadeel voor de Evangelische kerk te
hantceren!" '^)
1) flet zou ODs te ver voeren, indien wij den inhoud dezer geschriften, als-
mede dien der tcgenschriften nader wildon aangeven. Wie de bedoelde, thans
zeldzaam gewordene boeken niet onder zijn bereik heeft, zal zich nog altijd
het nauwkeurigst kunnen oricnteeren bij Planck, V, 2, S. 1 — 137, alhoewel
misschien niet alle gevolgtrekkingen van den beroemden geschiedschrijver ook
nog heden ten dage kunnen worden aangenomen.
*) De Zuricher overeenkomst was W'estphal een doorn in het oog; zulk eene
overeenstemming sch^nt bij aan de „sacramentisten" niet te willen gunnen,
en schrijft, op bijkans verraderlijke wijze, hun niet minder dan acht en twintig
verschillende uitleggingen van de woorden der inzcttiog toe, waarbij hij in
blinden ijver zich aan de grofste misslagen schuldig maakt, en verscheidenheid
in de woorden als verschillen in de leer doet voorkomen. Zoo worden alleen
aan Laski zeven verschillende uitleggingen toegedicht. Zulk een opstel wist
de bisschop van Ërmeland, Hosius,. alleszins naar waarde te schatten. Met dit
wapen heeft hij in Polen en in Oostenrijk aan de Evangelische kerk onherstel-
bare verliezen berokkend. Men vergelijke de buitengewoon interessante en
510
Eén van de eerste uitwerkingen van dezen geest van ver-
deeldheid, die over de Evangelische kerk vaardig was ge-
worden, kregen onze arme vluchtelingen te bespeuren. Het
bock van Westphal was aan de noordkust van Duitsch-
land en in Denemarken ijverig verspreid geworden. Onder
de smadelijk bejegenden was ook Laski gebrandmerkt,
dien men voor den hoofdschuldige hield, wat betreft de vast-
stelling van de leer in Engeland, en wiens werk over het
Sacrament korten tijd te voren het licht had gezien ; het
kwam er derhalve op aan, de eigene kerk tegen zijne ge-
meente, als tegen pestlijders, te beschermen. Laski kende
het geschrift nog niet; eerst thans, te Emden, vond hij
gelegenheid om het te lezen. „De Geest van Christus
legt verdeeldheden bij, en verzoent hetgeen schijnt te zullen
uiteengaan; Westphal echter zoekt tweedracht te wekken,
waar eendracht heerscht, ten einde de Kerk te verdeelen.
Indien ik tijd en lust had, de uitleggingen van diegenen
bijeen te brengen, die hij meent, dat aan zijne zijde staan,
dan zouden ook wij gemakkelijk zulke „farragines'* kunnen
verzamelen, en metterdaad, niet door leugenachtige smaad-
redenen, kunnen aantoonen, dat zij niet slechts onder elkander,
maar de meesten hunner ook met zich zelven in tegenspraak
zijn, en Aki niet slechts wat de woorden, maar wat het wezen
der zaak zelve aangaat." Zóó luidt het eerste oordeel van
Laski over het boek, van hetwelk hij het verderfelijke voor
de kerk van Christus aanstonds besefte. Hij was voornemens
om er op te antwoorden, en de ook tegen hem ingebrachte
beschuldigingen van zich te werpen; maar bij nader inzien
achtte hij het toch weder beter, om er op te zwijgen. Hij kon
het niet van zich verkrijgen, eenen persoon te antwoorden,
wiens zedelijke en ook wetenschappelijke ruwheid hem tegen de
borst stuitte: de adel van zijn vroom gemoed, de fijne urba-
niteit zijner humanistische beschaving deinsde, als met jonk-
vrouwelijken schroom, daarvoor terug. Eerst na verloop van
belangrijke berichten, die Hosius naar Home zond, bctreiTcndc den uitslag
zijner poging, om keizer Maximiliaan van zijne neiging tot de Evangelische
kerk af te brengen (Theiner, II, 603 sq.).
511
een jaar, toen het gevaar ilozer strijdschriften was roegenoiuen,
overwon hij zijnen tegenzin: niet om zijnentwil, maar hot
kwam er nu op aan, de aan zijne leiding toevertrouwde kerk,
welke op zulk eene schandelijke v;ijze was aangevallen, te
besehermen, en dat gaf hem den moed, om openlijk tegen
den Zionswachter in Hamburg op te treden.
Dat de wind thans in Duitschland uit eenen anderen hoek
woei, kreeg La ski nu ook in Oost-Friesland op gevoelige
wijze te bespeuren. Do wond, welke hij, bij don zwaren ramp-
spoed zijner vluchtelingen, zelve ontvangen had, lag open en
gloeide; iedere tochtwind, die er overheen streek, smartte
hem gevoeliger, dan wel gewoonlijk. De gewonde miste het
oude weerstandsvermogen; de blootgelegde zenuw gevoelde
de geringste prikkeling in hevige mate, en verzette zich alsdan
even heftig. Die den tijd van het Interim en zijne verdee-
raoediging in Duitsche landen doorleefd hadden, hun was ccnc
gedrukte stemming bijgebleven; overal het bijkans erbarme-
lijke verlangen naar rust, slechts rust tot iederen prijs ; aller-
wegen een bescheiden zich-tevreden-stellen met het geredde
bezit. Zulk een verlangen strookte zoo in 't geheel niet met
de overtuiging van onzen vriend, en prikkelde hem slechts,
om met des te meer gestrengheid op treden. Hij nam de
zaken oneindig veel zwaarder op dan ze waren. Want de
onuitsprekelijke zielesmart was hem overkomen, dat hij do
zenuw van de werkzaamheid zijns levens en zijner liefde —
nl. aan de grondvesting eencr volgens Gods Woord hervormde
Christenheid te arbeiden, — bij zijnen terugkeer had zien
in twijfel trekken.
Stilzwijgend, en alsof het vanzelf sprak, had hij te Emdcn
zijne vroegere, voor hem opengehouden betrekking weder
aanvaard. Een ergerlijke twist, die te Norden tusschen den
ons reeds bekenden Lemsius en eenen ambtgenoot was
uitgebroken , was alreedc bijgelegd ; de Nordensche leerarcMi
waren verwijderd , en de getrouwe M i c r o n i u s had óóno
der opengevallen plaatsen vorkregen. Ook een ander geschil
eindigde ten slotte naar Laski's genoegen. Zijn ambtsbroeder
512
in de gemeente van Emden, Gellius Paber, die, op
de wijze van Bucer, tot eoncessiön geneigd was, ^)
meende, door verzachting van sommige uitdrukkingen in
den Emdenschen Catechismus , inderdaad te kunnen bijdra-
gen tot verzoening van hot verschil in de leer, hetwelk
in de Nordcnsche twisten duidelijk aan den dag was geko-
men. Slechts met goedkeuring van La ski wilde de Coetus
in de voorgestelde wijziging bewilligen; Gellius echter,
die deze toestemming niet verwachtte, liet met het drukken
van den Catechismus in Bremen een begin maken. Juist
kwam Laski te Emden aan, en vernam hetgeen zijn
ambtgenoot, in zekeren zin achter zijnen rug, gedaan had.
Met volle beslistheid eischte hij van Hard en berg, onder
wiens toezicht de druk plaats had, dat het werk zou gestaakt
worden. In de bedoelde wijzigingen kon hij volstrekt geen
genoegen nemen. De Coetus stelde Laski in het gelijk, en
ook Gellius gaf toe. In 1554 verscheen de Emdensche
Catechismus ; K u y p e r heeft op voldingende wijze aangetoond,
hoe het genoemde leerboek in zijnen tegenwoordigen vorm
niet slechts geheel en al den stempel van Laski vertoont,
maar ook voor het grootste deel uit zijne pen is gevloeid. ^)
Uit de vastberadenheid, met welke Laski bij deze gele-
genheid optrad, konden de bewoners van Emden bespeuren,
dat in hunnen superintendent de oude, vurige ijver voor de
zaak van het Evangelie nog steeds onverzwakt was, en de
meesten hunner begroetten deze waarneming met vreugde.
„Nooit was de overeenstemming in de leer zóó groot als
thans," zóó bericht Laski aan Bullinger, in een schrijven
in hetwelk hij den geheel en twist nauwkeurig beschrijft. ')
Niet aan allen echter was de energieke man welgevallig,
en inzonderheid aan het hof waren velen hem gansch niet
genegen. Volgens hun oordeel schikte hij zich niet genoeg
naar de veranderde tijdsomstandigheden; zij wenschten ecnen
meer buigzamen superintendent der Kerk, en werkelijk werden
1) Bartels, S. 52.
2} Kuypcr, I, XCV.
3J Ibid., II. 712.
513
er, zonder dat La ski iets daarvan gewaarwerd, onderhande-
lingen met Melanchthon aangeknoopt, ten einde hera te
bewegen, het bestuur over de kerk van Oost-Friesland op
zich te nemen. Zoodra de zaak bij de Stenden tor tafel
kwam^ werd zij door de gezamenlijke ridderschap verworpen,
en met nog grooter liefde hechtte men zich aan den vereerden
superintendent. E m m i u s , die dit vermeldt , voegt er bij :
„Laski was van zulk eene geaardheid, dat niemand het
openhartiger en vrijmoediger uitsprak dan hij , wanneer iets
hem krenkte of mishaagde, terwijl ook niemand gemakkelij-
ker vergaf en zich weder met den ander verzoende, of zich
minder tegen zijne vrienden wegens hunne feilen toornig
maakte, dan hij.'' *) Dit laatste heeft betrekking op H ar-
de nberg, die, onbegrij pel ijker wij ze, in de onderhandelingen
met Melanchthon de hand had gehad : ook hij alzoo was
van gevoelen, dat zijn oude, trouwe vriend niet moer in
de lijst der tijdsomstandigheden paste. Het was eene bittere
smart voor Laski, toen hij van de zaak vernam. De
oude vriendschap kreeg eenen bcdenkelijken schok; onbe-
wimpeld en zonder terughouding bracht Laski hem zijn
gedrag onder het oog; Hardenberg gevoelde den scherpen
angel der rede. ^) „Indien mijn brief u scherp is voorgekomen,
zoo zult gij dat niet zoozeer aan mij, als wel aan uwe eigene
letteren te wijten hebben, die gij mij een weinig te voren
geschreven hebt, en die mij al zeer weinig gesmaakt hebben....
Dit heeft mij gehinderd, mijn waarde Albert, dat gij tot zulk
eene poging de hand geleend hebt, niet zonder nadeel voor
ons ambt en tot leedwezen van velen in mijne gemeenten.
Toch heeft het mij niet in die mate gekrenkt, dat het
mijn hart van u zou vervreemden j ik vorder slechts, dat gij
bij diegenen, aan welke gij, achter mijnen rug, den raad
1; Emmius, p. 950.
') In zijne kort daarop losbarstende geschillen met TiniAnn, den (gelijk
gezinden strijdgenoot van Westphal, zou Hardenberg nog eenen geheel nii*
deren angel krijgen te gevoelen, die hem deed inzien, dat toegevendheid bij
dit soort van strijders niets baten kan. (Verg. Spiegel, S. 158- 205, en
Planck, V, 2. S. 138—328.)
UALTON. 33
514
hebt gegeven om Mclanchthon te beroepen, of bij wie gij
dien raad, door anderen gegeven, hebt goedgekeurd, dit
advies nu weder zult wraken, aangezien deze zaak het ver-
trouwen in mijne ambtsbediening noodzakelijk aan het wan-
kelen moet brengen." ^)
De veel vermogende partij aan het hof, die ook sedert de
onderhandelingen van ter Westen in Brussel bij de Gra-
vin de overhand verkregen had, rustte niet, voordat zij L a s k i
verwijderd had. Zij beweerde, dat onze vriend zoozeer ge-
haat was bij het Bourgondische hof, dat hij zonder gevaar
voor het vaderland niet langer in Oost-Friesland geduld kon
worden. Deze bewering was niet geheel ongegrond. Voor
de koningin van Engeland was het eene verdrietige zaak,
te zien, dat zoovelen harer landskinderen vluchtten en in
het kleine Oost-Friesland vriendelijk werden opgenomen.
Door haren gemaal, den koning van Spanje, liet zij te Brus-
sel ernstige vertoogen over dusdanige handelwijze der Gravin
indienen. Daarbij kwam, dat het den koning van Denemar-
ken en den Noordduitschen steden, die de vluchtelingen zoo
onmeedoogend verdreven hadden, eene ergernis was, te moeten
hooren, dat deze vermeende landloopers in don naburigen
staat zulk een vriendelijk onthaal gevonden hadden. Hunne
ontvangst aldaar was eene aanklacht tegen hunne eigene
handelwijze, en daarom werden zij niet moede, Oost-Fries-
land als een schuilhoek van slechte lieden te brandmerken. *)
Maar La ski beschouwde het beroep op zulke bedreigingen
en vertoogen toch slechts als een welkom voorwendsel, om
isich van hem te ontslaan. Met welk recht, valt in onzen tijd
moeielijk uit te maken. „Ik ben voor hunne kuiperijen ge-
weken, op aansporing van de geheele gemeente, die mij
intusschen nog altoos eenstemmig als haren leeraar erkent,
en niemand anders in mijne plaats begeert. Zij heeft mij zoo
vele bewijzen harer liefde geschonken, en doet zulks nog voort-
»; Kuyper, II, 709.
2) ËmmiuB, p. 949. Laski zelf vermoedt, dat Westphal en Timann en
consorten aan deze kuiperijen tegen hem rechtstreeks hebben deelgenomen.
Verg. Kuyper, II, 31.
515
durend, dat ik hare liefde en trouw niet genoeg kan roemen." *)
Ook de Gravin leende aan zulke influisteringen betreffende het
gevaar, dat uit een langer vertoef van La ski voor haar land
zou kunnen ontstaan, het oor en bewilligde in het ontslag van
den man, die zich ten opzichte van haar land zulke hooge
verdiensten verworven had. Deze zwakheid der Gravin heeft
La ski als eene bittere krenking gevoeld; het smartte hem
innig, de vrouw, die in vroegere jaren de zaak van het
Evangelie zoo nadrukkelijk had voorgestaan, nu in haren
vromen ijver te zien verkoelen. De Vorstin, die zich door
hare omgeving had laten bevreesd maken, gevoelde het on-
recht, dat, mede door haar toedoen, aan Laski was weder-
varen. Door den burgemeester van Emden liet zij aan den
man, die zonder middelen vertrok, met verzwijging van den
naam des gevers eene belangrijke som gelds ter hand stellen.
Zoodra echter onze vriend op het vermoeden kwam, van
wat zijde die gave hem geworden was, zond hij haar met
edelen trots terug. „Ik bid u,'' — met deze woorden aan
zijnen vriend Medmann doet hij de terugzending gepaard
gaan, — „duid mij deze mijne handelwijze niet ten kwade. Het
geschiedt niet uit eenige geringachting, hetzij van u, hetzij van
den milden gever, maar ik wil niet, dat men zich zijnen naam
tegenover mij schame, die ik mij de mij bewezene hulp niet
schaam Velen vermoeden , dat het bewuste geld mij
vanwege de Vorstin is toegekomen. Indien dit zoo is, dan
wil ik het niet aanraken, en wil ook niet, dat zij met zulke
gunstbewijzen jegens mij hare huichelarij bedekke, van welke
ik haar vóór den rechterstoel van Christus beschuldig." ^)
In April 1555 verliet onze vriend voor altijd Emden. Hij
meende, wel is waar, dat het slechts een tijdelijk wijken
voor eene oogenblikkelijk machtigere partij was ^) ; maar reeds
was het tijdstip dicht genaderd, waarop het verre vaderland
den teruggekeerden zwerveling vriendelijk welkom zou hecten.
1) Ibid., II, 712.
«) Ibid., II, 713.
3) Hoe stellig Laski daarvan overtuigd was, en zich ook nog steeds als
aan £mden en aan de kerk van Oust-rricslund verbonden beschouwde, blijkt
51G
In de moeielijkc en bittere ure der scheiding uit het land,
dat hem tot een tweede vaderland geworden was, bereidde
hem zijn getrouwe Heer den weg huiswaarts, naar zijn ge-
boorteland. Moest het ook op dit oogenblik den vromen dienst-
knecht van Christus voorkomen, alsof hij als een banneling
de plaats van zijnen mannelijken arbeid moest verlaten, het
land heeft hem nochthans niet als eenen banneling laten
heengaan. Zijne geestelijke gestalte is ginds, aan het strand
der Noordzee, inheemsch gebleven, en ook de volgende
eeuwen hebben de sporen zijner rijkgezegende werkzaamheid
niet kunnen uitwisschen. Zij, die in de gemeente aldaar de
erfenis van zijne moeite en van zijnen arbeid aanvaard heb-
ben, houden den Pool voortdurend in dankbare herinnering,
en prijzen hem als één van de uitnemendsten huns lands.
c) Op weg naar het vaderland.
Het vertrek uit Emden, omstreeks den lentetijd van het
jaar 1555, zal Laski ongetwijfeld zwaar gevallen zijn. On-
verzeld reisde hij over Keulen naar Frankfort aan de Main.
Zijne vrouw zag weder hare bevalling te gcmoet, en was
niet bij machte, om zich aan de vermoeienissen eener reis
te onderwerpen , welker verloop en einde zich nog niet liet
voorzien. De knapen uit zijn eerste huwelijk, die, een
jaar te voren, al de vermoeienis der Deensche reis mede
ondervonden en aan den daarop gevolgden zwerftocht naar
Wismar, Lubeck en Hamburg mede deel hadden genomen,
moesten reeds vroegtijdig ervaren, wat het zeggen wil, zonen
te zijn van eenen vervolgde om Christus' wil. De wakkere
Mol anus, rector der school te Bremen en getrouw vriend
van Hardenberg en van Laski, die den laatstgenoemde
in den vorigen winter, gedurende zijne zware krankheid, als
secretaris had ter zijde gestaan, nam hen met zich naar
uit den eerst onlangs ontdekten brief van hem aan Calvijn, in welken hij zijn
vertrek naar Polen laat afhangen van de toestemming zijner Emdousche ge-
meente. (Calvijn, XV, 778, dd. 19 Sept. 1555: „Siue ecclesiae meae Frisicae
asscnsa, cui adhuc obstrictus sum, facere nihil possum.")
^^ - ^"V^* ^'"* ■""•■cv .•<•-•• .■• \ »•» ^>»» *»»• tl fc »■■ » * *» •* .V »■ .»
■ » % »^
*" •- ■• » •«>
ie voren h:ii hï' ::: o.o '.iats: yot'.oojw, v.*;i;insli*\ï >;v*o*lon. «m\
zijne krachten waren irohee' u-i-i^^jni:: wekon :>oV.*\m«vu \\i»s
hij nier in sraa: re /ien, en ken hij irxvn \u\\\\\ \ot\oe»ou
Bij zijne oude kwaal luul /irh een hertig kelit^k gexoe»;»!,
waaraan hij vroeger nooit had sreleden; er had eeuo \n(N(orMn^\
van gal in de maag plaats gevonden, \\aarop „iiMeruN** |^vol
zucht] gevolgd was, gepaard met de he\ig,s(e heei*^ Kt^orln,
In weerwil van dat alles was liij niet ter neer f|[eri)a^en, en
werd hij niet moede, voor de eer /jius IIoohmi klot»KlwHrip[
op te komen: in waarheid, een tri^lVt^Iiik M'liouwMpoll Ami
zijnen vriend Cal v ij n beschrijft iiij /.ijiie ttitMiinalif^e rttnnnninf^
met de navolgende sehoone woorden : „Wat im »lli«nM»inl in||ii
hor- en derwaarts geslinj»erd worden hrirnlll, /nu in Intf ni||
inderdaad, Qodo zij dank, nie( he/wnreiid , nW\ wi'inif^, duf
het aan mijn gomn(;d /(dfs den ^nmlnn Irnnril vtM'lmMil , In
zien, hoe zulks, door (jods {^niMlIicidf vnnr dn |niMiHt«nfiMi
tot zegen verstrekt. !)(; nadofden voor niijnn fJ.M/.onillmiil lm
schouw ik als voordofdon , allionwid Ih'I vliMMtdi diniilcfjrnn
opkomt, want ik govo<d, daf ik tiici. vim* nicnr vniw||d('id
ben van de haven, naar w*?lk<? wij alh-n vi'rliinprfn, <iod
geve, dat wij allen, door y.ï]i\t: biirmloiriii/^licid , irM'l «-«'ii
blijmoedig en onbezweken j^«do<>fi-,v<'ilp>ijvv<'ri dii- luivi^ii di'i
rust mogen bereiken/' *;
Wat hem bewoojr. zi'di naar FrinKoif h- b<{/fv«n , wji.»
het verlan;ren, om aldaar aan overbliji'-'-l'-fi /.ijn< i vi«i-nid« Imj/
gemeente in \.*iu*l*:u. '\\<: nu:ir n\Ui /jj'ïm* ■/« ).-»/«/'ijd /m.:
geworden, zijfje.'j ^r.'O'r* •<: Kt*:tiy/ti «u \.*i!i m })<•♦ ti\i mn
vre'.'Uj'Je l-xiA .'.'je* '-tJi'j < ', 'i-i^jd •* i /:/,*■ •*. .-^-.i-.tu Jn *i\,
T«T*:\i*': ii';fi': 'i-'^f'.U Z.j a:s'. .'.^-.'rj '. i'.i.'i-. i* '/'/«•. i-ijj/' >
518
zoo draagt ook hij zorg voor alle de gemeenten (II Cor.
11 : 28). Dat had hij, een jaar te voren ook aan de vluch-
telingen te Wezel doen blijken.
Wij herinneren ons, dat twee leeraren der vreemdeling-
gemeente, Deloenus van de Nederduitschers , Peruzel
van de Walen, na het vertrek van Laski nog voorloopig
te Londen waren achtergebleven, ten einde nog een tijdlang
de gevaren te trotseeren , en aan het schuchtere kuddeke in
het verborgen den troost des Evangelie's te bieden. Maar
ook hen liet men niet ongemoeid; na verloop van een paar
maanden moesten zg met een ander gedeelte der verstrooide
gemeente naar het vasteland vluchten. Ingevolge de ontvangen
waarschuwing sloegen zij niet den doornigen weg in, dien hunne
geloofsgcnooten in den vorigen herfst gekozen hadden: over
Antwerpen kwamen zij aan den Rijn ; een gedeelte ging naar
Oost-Friesland, terwijl andere scharen zich stroomopwaarts
begaven. De plaatsen, alwaar een vriendelijk verblijf zich
voor de zwervelingen ontsloot, zooals Frankfort, Straatsburg,
Bazel, Zurich en Genève, waren spoedig bekend. Tot deze
plaatsen behoorde ook, en bereids geruimen tijd. Wezel.
Reeds sinds jaren waren vele Walen derwaarts gevlucht,
die door het beruchte, „niet met inkt, maar met bloed ge-
schreven" plakkaat van Karel V, hetwelk alle ketters met
de doodstraf bedreigde, uit hun vaderland verdreven waren. ')
Zij onderwierpen zich aan de belijdenis, die de superintendent
der stad hun als voorwaarde hunner toelating oplegde. ^)
Derwaarts nu, naar Wezel, begaf zich Peruzel met leden
der vreemdeling-gemeente en eene niet onaanzienlijke, dage-
lijks aangroeiende schaar van voortvluchtige Engelschen. Zij
>) Wolters, S. 108.
2) Rector en superiatendcnt te Wezel was destijds Nicolaus BuRCoduconsis,
dezelfde man, die het (in 1550) waagde te dingen naar het ambt van superin-
tendent in Oost-Friesland, hetwelk Laski bij zijn vertrek naar Londen volstrekt
niet had nedergelcgd, en dat ook in het geheel niet zou worden begeven.
Hij en zijn ongelukkige broeder, de Deensche hofprediker, die, in vereeniging
met Noviomagus, koning Christiaan III tegen de vluehtelingcn in het harnas
joeg, waren afkomstig uit 's Hertogonbosch , de hoofdstad van Noord-Brubant;
vandaar ook hun vcriatiniseerde naam.
519
troiFen het wel niet meer zoo gunstig, als de Walen, die
sich daar het eerst gevestigd hadden. Tilemann Hes-
hosius, te Wezel geboren en een krachtig medestrijder van
W e 8 1 p h a 1 , had eenc andere en minder gunstige stemming
jegens do vreemdelingen, althans onder de geestelijken, weten
te wekken; gelukkig zijn wij ontheven van de taak, om do
schandelijke kunstgrepen te schilderen, die aldaar, zij 't dan
ook ten slotte tevergeefs, in het werk werden gesteld, ten
einde aan deze arme vreerade lieden het recht van asvl te doon
weigeren. ^) Terwijl deze kuiperijen tegen de hulpbehoevende
ballingen, die reeds na weinige jaren door hunne vlijt de
welvaart der geheele stad in zoo buitengewone mate verhoogd
hadden, nog in vollen gang waren, hadden de Walen zich
in hun geweten beangstigd gevoeld, of het hun geoorloofd
was, al die ceremoniën, welke in den laatstcn tijd, inzonder-
heid bij het Avondmaal, van hen gcëischt werden, bij zich
in te voeren. In hunne verlegenheid wendden zij zich om
raad naar Gencve, Lausanne en Emden. Het antwoord uit
Goncve is nog voorhanden ; het ademt geheel en al den verhe-
ven, ernstigen geest van Calvijn. -) Do Hervormer, die met
de bijzondere toestanden in Wezel weinig vertrouwd was,
beveelt toegevendheid aan. In gelijken geest was do raad uit
Lausanne. ^) Laski echter is in zijn antwoord van een
tegenovergesteld gevoelen. *) Zijn schrijven verraadt de nauw-
keurigste kennis van do Wozclscho toestanden; zijn scherpe
blik doorziet de eigenlijke drijfveeren van den strijd, en hoo
het, in den grond der zaak, niet te doen is om de aanneming
of de weigering van een paar onbelangrijke ceremoniën, die
van de grondwaarheden des Evangclie's verre verwijderd zijn,
maar hoe juist op dit punt te Wezel zich slechts de strijd
openbaarde, dien Westphal en Heshusius mot de
*) Om den wille van zijne taak heeft Wol ter» (verg. S. 171 — 200) dc/.c
tntrigrd moeten beschrijven.
*) Men vindt het afgedrukt bij Calvijn, XV, 48, en gedeeltelijk vertaald
bij Woltera (S. 103), dio er voor xijnc geschiodenirt gebruik van gemaakt beeft.
^) Het schrijven zelf heb ik nergens afgedrukt gevonden.
^) Kuyper, II, 708.
520
hunnen overal tegen de „sacramentisten en dwepers" hadden
doen ontbranden. Dezen strijd had hij reeds bij eigene ervaring
leeren kennen, en daarom raadde hij, dien liever aanstonds
moedig en vastberaden te aanvaarden, bereid, om desnoods
het gevolg eener verdere verbanning te dragen, dan toe te
geven, en, daardoor gebonden, de kracht tot wederstand,
waar het een ernstiger punt betrof, te verliezen. De uitkomst
heeft La ski in het gelijk gesteld. Toen Peruzel, op raad
van sommigen zijner gemeenteleden, zich in den herfst van
1556 naar Frankfort begaf, ten einde aldaar met Calvijn
en a Las co gemeenschappelijk over de zaak te beraadslagen,
stemden de beide hervormers, nadat Calvijn een nauw-
keuriger inzicht in de zaak verkregen had, daarin overeen,
dat een toegeven in de kwestie der ceremoniën voor Peru zei
een teruggang in de Evangelische kennis zou geweest zijn.
Beide mannen gaven liem brieven aan de gemeente te
Wezel mede, welke daarop betrekking hadden. ^) De uitslag
der zaak te Wezel was betreurenswaardig. De voorspraak
van Melanchthon voor de gekwelde vreemdelingen was
tevergeefs ; zij verlieten het verblijf, alwaar van hen gevorderd
werd hetgeen zij, om des gewetens wille, niet meeiïden te
mogen doen. Het was, in den grond der zaak, niet de
kwestie der ceremoniën, die den doorslag gegeven had,
maar, gelijk L a s k i van den beginne aan te recht vermoedde,
de Avondmaalsleer , die allerwegen als eene brandfakkel in
het midden der gemeenten geslingerd werd. '^)
Van deze kleine episode uit het geheel van La ski's
1) Het schrijven van Calvin is te vinden in z\jne Werken, D. XVl, p. 286;
hot schrijven van Laski schijnt te z\jn verloren geraakt, tenzij men heeft aan
te nemen, dat de genoemde hrief ook zijne meening hovat, en dat hij aan
Peruzel geen afzonderlijk schrijven heeft medrgegevcn. De laatstgenoemde zegt,
in zijn hericht: „Calvinns et a Lasco scripscrnnl fratribus Wesalicnsibus*'
(„Religionshandlungen", I, 282), en hetgeen hij vervolgens al» inhoud dezer
brieven opgeeft, komt met den zoo even vermelden brief van Calvijn overeen,
riet is te betreuren, dat de grondige en zoo zorgvuldige onderzoeker der her-
vormingsgeschiedenis van Wezel dit belangrijke bericht van Peruzel niet heeft
gekend. (Verg. Wol ter 8, S. 197.)
*) Zie „Rcligionshandll." I, 287, en ook Calvijn, XVI, 395. De uitslag was
521
voortdurende zorgen voor de verstrooide deelen zijner vreem-
deling-gemeente keeren wij thans echter weder terug tot zgne
reis naar Frankfort, in Mei 1555.
Het was niet voor de eerste maal, dat onze vriend te Frank-
fort aan de Main vertoefde: in deze stad mijner kindsheid
en jeugd hebben wij hem bereids ontmoet, toen hij, vóór nu
alrec 17 jaren, zijn vaderland verlaten en hier het eerst voor
korten tijd eene rustplaats gevonden had. ^) De stad en hare
burgerij kon hem wel behagen. Al vroeg had de Hervorming
hier haren intocht gehouden , door haren ouderen broeder ,
het Humanisme, dat reeds cene ruime plaats bij de wakkere
burgers der rijksstad gevonden had, vriendelijk binnengeleid.
De rector („schoolhcer'') Nes en, zelf een bezield leerling
van den groeten Rotterdammer, had zich op aanbeveling van
Erasmus naar Frankfort begeven '^)j onder zijne volgelingen
schittert de fijn-beschaafde en smaakvolle Micyllus met
zijne bijkans jonkvrouwelijke zedigheid **), levenslang zoowel
een getrouw beoefenaar van de humaniteitsstudiën , als een
oprecht aanhanger van de Hervorming. Ook de toenmalige
schoolmeester bij de Barrevoeters , Cnipius, bleef aan de
traditie van zulk een schoon verbond getrouw ; sedert den
tijd, toen hij nog te Andornaeh aan het hoofd der Latijnsche
school stond, en de reformatorische pogingen van den aarts-
bisschop van Keulen van lieeler harte toejuichte, was hij
innig bevriend met Harden berg, en droeg nu deze vriend-
schap ook op Laski over, met wiens gevoelens Cnipius,
ten slotte te Wezel, gelijk op zoovele andere plaatsen, zij *t ook eerst na jaren,
voor de beklagenswaardige vervolgden in verrassende mate gunstig. £en be-
langwekkend bewijs daarvoor lovert, behalve Wezel en de op de synode aldaar,
in 1568, tot stand gebrachte presbyteriale kerkorde, die geheel op de grond-
stellingen van Luski berust (v<-rg. 'NVoltcrs, S. 314 f), de uitslag van den
strijd te Bremen (verg. Spiegel, S. 345).
») Verg hierboven, bladz. 208^
)) Verg. de interessante levensschets van Nesen, ontworpen door S te i tz („Ar-
chiv," 1877, S. 36).
3) Zijn edel leven werd geschetst door Classen, in zijn geschrift: „Jakob
Micyllus" (Frankfort a. M., 1859).
522
die tevens een kundig godgeleerde was, zich ten volle kon
vereenigen. ^)
De vroegste predikers der eerwaardige keizerstad legden,
gedurende langer dan een menschenlecftijd, in hunne be-
schouwingen méér den nadruk op het gemeenschappelijk
Evangelische, dan op het eigenaardig Luthersche; in die
gevallen, waarin men op stelliger wijze voor zijn gevoelen
moest uitkomen^ had de uitdrukking een Zwitsersch karak-
ter, cenigszins -getemperd in den zin der Opperduitschers
te Straatsburg en in die streken. Reeds in 1526 verdedigen
zich de beide Evangelische predikers Meiander en Ber-
nard tegen de beschuldiging: „wir sein zwein Lutterisch
Lerer," met deze woorden: „Wir predigen Christum und
zwar den Gekreuzigten ; erbieten uns auch urbittig zur Ver-
antwortung jedermann, der Grund forflert der HoflFnung
die in uns ist. Wir haben öffentlich auf der Kanzel gesagt,
dasz man dem Lutter, auch uns selbst und keinor Ereatur
glauben soll in göttlichen Sachen, wo sie das Wort Gottes
nicht predigt. Darauf kann man erkennen, ob die Lehre von
uns gethan menschlich-lutterisch oder göttlich und christlich
gewesen sei. Gott verleihc Gnade, dasz man lebe, wie wir aas
dem Worte Gottes gelehrt haben.^' ^) Luther zelf was met
deze toestanden bekend, en waarschuwde tegen zulk eene
o verhelling tot de gevoelens der Zwitsers, die hem bedenke-
lijk voorkwam**); de ^Entschuldigung der Diener am Evan-
gelie Jesu Christo'', welke in het jaar 1533 schriftelijk
bij den raad der stad werd ingediend, bewijst slechts, hoe
gegrond de waarschuwing geweest was. *) De waarschuwing
van den Duitschen hervormer kon echter deze strooming niet
keeren. Toen zich, in 1541 , de behoefte aan eenen catechis-
mus levendig deed gevoelen, nam men zijne toevlucht niet
») Verg. „Archiv'*, 1860, S. 189.
*) R i 1 1 e r , S. 184.
h Luther, XXVI, 294. waarbij men verpclijke: „Archiv," 1872, S. 257.
*) Afgelrukt bij Rit ter, S. 203. Men vergelijke inzonderheid hetgeen aldaar
over het Avondmaal gezegd wordt, dat uvcrigcnfi ook overconatemt met de in
1530 aitgegevene Frankforter kerkorde, welker Avondmaalsciiltus op de aller-
eenvoudigste wijze is ingericht.
523
tot dien van Lu t her, maar de predikers Tervaardigden
zalven verschillende ontwerpen, van welke het eene den
nadruk legde op de Zwitsersche gevoelens, terwijl het andere
meer die van Luther huldigde. Hierover ontstond strijd.
Bucer, de overal te hulp geroepene vredestichter, moest
ook dezen strijd beslechten: in 1 542 heeft hij de veroenigings-
artikelen opgesteld, die geheel en al zijnen stempel dragen.
De verschillen zijn niet innerlijk overwonnen , niet in eene
hoogere eenheid opgelost; ze zijn slechts verborgen, en onder
het lichte bekleedsel kunnen zij zich ieder oogenblik weder
verhcfiFen. ^)
De gezindheid der bevolking, zoowel die der aanzienlijke
patricische geslachten , als ook die van de degelijke burgers
der vrije rijksstad, was met zulk eene houding der predikers
in overeenstemming. Voorname patriciërs hadden zich met
eenen ontvangbaren, onbevooroordcelden geest aan dehuma-
niteitsstudiën toegewijd, en zich, bij den verderen voortgang
hunner ontwikkeling, met levendige, vrome geestdrift tot de
paden der Hervorming gewend. In mannen, als O lauburg,
Holzhausen, Fürstenberg, Stallburg en Brom-
men, die met Hutten en Sickingen bevriend geweest
waren en hunne vriendschap vervolgens op de leidslieden
dor Hervorming overbrachten, treden ons edele gestalten te
gemoet. Luther en Melanchthon waren binnen de muren
der stad met hartelijkheid ontvangen geworden, evonzoo echter
ook Oecolampadius, wiens aanwezigheid, in het jaar 1 522,
niet zonder invloed op de verdere richting der Hervorming
aldaar geweest kan zijn. '^) Onder deze mannen blinkt vooral
Adolf Glauburg uit, de vriend van Melanchthon en
van C al V ij n, wiens briefwisseling menig schoon bewijs levert
van de innigheid hunner onderlinge betrekking. De burgerij
J) De $§ 2 — 17 handden over bet Avondmaal; zoowel de Transsubstantiatie,
als de Ubiquiteitsleer worden verworpen; de predikers worden aangemaand,
ODi zicb te houden aan de leer, die in de Augsbnrgsche confessie en in hare
Apologie, mitsgaders in de Wittcnbergsche concordic is nedergelegd (verg. den
afdruk bij Kitter, S. 275).
^) ^crg. „Arebiv," 1809, S. 57, met de interessante mcdedeelingen aangaande
de toenmaligen patricische geslachten en hunne verhouding tot de Hervorming.
524
desgelijks stond met volle overtuiging aan de zijde der Her-
vorming. Gedurende den boerenopstand hadden zich ook boven
de oude rijksstad dreigende onweerswolken te zamen gepakt,
te dien tijde als, in 1525, Westerburg, de medestander van
Karlstadt, binnen hare muren vertoefde. De „Frankforter
Artikelen*' zijn, buiten allen twijfel, uit do pen van W es-
ter burg gevloeid, en onderscheiden zich „door hunnen eer-
biedigen, vromen zin en hunnen gematigden toon." ^) De
wolk dreef gelukkig over; hare achtergelatene sporen ver-
toonden zich daarin, dat de richting van Zwingliook
onder de burgerij weerklank vond en wortel vatte. ^) Hierbg
gingen de patriciërs en de burgerij hand in hand, alhoewel
deze burgeropstand van 1525 een verzet tegen de macht
der patriciërs openbaarde. Dat verzet nam niet zoo spoedig
een einde; hét bleef aan het gisten, zelfs tot in den tijd, toen
La ski te Frankfort aankwam. ^)
In een ander opzicht evenwel was het thans anders ge-
worden. — In het sterfjaar van Lu t her wasHartmann
B e y e r, een Frankforter van geboorte, aangesteld als prediker
in het aan gindschen oever der rivier gelegene Sachsenhausen
[de voorstad van Frankfort]. Reeds gedurende elf jaren had hij
zich te Wittenberg aan de studiën gewijd, toen hij aldaar
de tijding van zijne benoeming ontving. Luther gaf nog
aan zijnen leerling, die van zijnen hoogvereerden meester
voorschriften voor zijn gedrag verzocht, den raad, om in
den kerkelijken ritus zijner vaderstad geene verandering te
brengen, maar de Sacramenten met den aldaar gebruikelijken
groeten eenvoud, louter volgens de inzetting te vieren. *)
Ernstige tijden waren ook voor de keizerstad aan de Main
aangebroken, toen de wakkere jonge prediker zijn ambt aan-
vaardde. De Smalkaldische oorlog met zijnen treurigen afloop,
») „Archiv," 1872, S. 80.
2) Gelijk door Steitz, in zijne zeer boeiende monographie over Westerburg,
is aangetoond, (Verg. „Archiv," 1872, S. 95.)
3) Een interessant bewijs daarvoor biedt het schimpdii'ht op de patriciërs,
afkomstig uit den jare 1546, hetwelk men vindt afgedrukt bij Kriegk,
S. 210.
*) Steitz, S. 26.
525
vervolgens het Interim: zij legden ook aan Frankfort do
vuurproef op, om do kracht zijner Evangelische overtuiging
te doen blijken. Velen, ook onder de patriciërs, hebben do
proef niet naar eisch doorstaan. Wellicht was het wijs, om
den keizerlijken veldheer, graaf van Buren, die van den
kant van Darmstadt aanrukte, zonder eenigcn wederstand
de stadspoorten te ontsluiten (29 Dec. 1546), doch een bo-
wgs van groote vastheid van karakter was die daad niet.
De Evangelische predikers legden oeno onwrikbare standvas-
tigheid en zielskracht aan den dag ; B e y e r doet zich ondor
zgne medeburgers kennen „als één der moedigste, door ge-
trouwheid aan zijne overtuiging en vastheid van karakter
meest uitstekende mannen." ^) Hunne manmoedige houding
in de ure van algemeene vrees en zwakheid bleef bij do
burgerij in dankbaar aandenken : hun invloed werd zeer groot
en overwegend in den Raad. Helaas! mag men wel zeggen,
dewijl Beyer hoe langer hoe meer den wijzen raad van
Luther ter z^de stolde, en gehoor gaf aan do mannen, dio
gedurende den storm van het Interim kloekmoodig haddon
standgehouden, doch die nu ook als de éénige rechtmatige
erven van den geest van Luther wilden beschouwd worden,
en die zulk eenen onuitsprckelijken jammer over do Evan-
gelische kerk gebracht hebben. Ook hier weder kregen onze
waarde vluchtelingen het eerst den bitteren kelk te smaken.
Wellicht reeds omstreeks Kerstmis van 1553, doch stellig
in de eerste weken van 1554, waren de eersto scharen van
vluchtelingen te Frankfort aangekomen: Poulain met 24
familiehoofden. Wij hebben den genoemden leidsman reed»
eenmaal in Engeland ontmoet. *^) Toen ter tijde blecjf hij
niet lang meer te Londen. Eene menigte van Walen, bekwa-
me laken we vers, ^) die om des geloof» wille uit hun vader-
ij Kriegk, S. 233.
*) Verg. hierboven, bladz. 3C9.
3) In han verzoekschrift aan den FrankTortcr raad geven zij zieh /elven diro
naam van „bursatwever&" („Bursatinacber*''-'). (Zie: „KcIigionHhandliinpfn*\ I,
Beil. 1.) Strype fp. 242j zegt: „Tfaey werc weavera and foliowed the lufcou-
factare of Kemiea*' (kabchmir;.
526
land gevlucht waren, hadden zich naar Engeland begeven;
met groote edelmoedigheid stond de Lord-Protector hun toe,
zich op één van zijne goederen te Glastonbury, in Somer-
setshire te vestigen. Op zijne eigene kosten had hij een der-
tigtal fabriekhuisjes voor hen doen bouwen ; zij hadden aldaar
hunne eigene kerk en school. Hun landsman Poulainwerd
hun als» prediker toegevoegd, met denzelfden titel van Super-
intendent, dien men onlangs te Londen aan a L a s e o verleend
had. Slechts gedurende drie jaren bleef de nijvere kolonie
in het ongestoord bezit van hare schoon ontluikende gemeen-
te-inrichting („Gemeinwesen"); het edict van koningin Maria
tegen de vreemdelingen trof ook hen, zij 't dan ook iets later
dan hunne lotgenooten in de hoofdstad. Poulain was nog
in de gelegenheid, om het godsdienstgesprek bij te wonen,
hetwelk in October 1553, op bevel der Koningin, te Londen
gehouden werd. ^) Met zijne verbannen geloofsgenooten begaf
hij zich naar Frankfort aan de Main, alwaar hun eene vrien-
delijke herbergzaamheid ten deel viel. Den IS^en Maart 1554
hadden zij hun verzoek om recht van asyl bij den Raad in-
gediend; reeds op den IS^en Maart werd hun verzoek inge-
willigd, terwijl hun tevens de Wittevrouwen-kerk ten gemeen-
schappclijken gebruike met anderen werd afgestaan. ^) In den
zomer van hetzelfde jaar kwam een aantal Engelschen te
Frankfort aan, die voor de vervolging der bloedige Maria
uit hun vaderland gevlucht waren, en insgelijks alhier eene
vriendelijke ontvangst vonden, onder henMacbrey, Whit-
tingham en anderen. Zoo werden er nu reeds kleine
vreemdeling-gemeenten van twee verschillende talen, de
I) Dit maak ik op uit „Scrinium," III, 163. Fox e (VI, 395) toont aan,
dat het bericht over dit gesprek afkomstig is van Philpot, den aartsdeken
van Winchester, die persoonlijk aan het gesprek heeft deelgenomen, welk oor-
spronkelgk bericht Poulain, in het jaar 1554, uit het Engclsch in het La-
tgn vertaalde.
>) Verg. de uitvoerige berichten en akten in de „Religionshandlungen ," I,
9 f., alsmede het belangwekkend bericht, voorkomende in het „Archiv," 18R2,
S. 245 f. Hoe schoon is de hoilwensch, door Calv^jn (XV, 217) gericht tot
deze vluchtelingen, nadat zij eindelijk eene haven der rust hadden mogen be-
reiken 1
527
Fransche en de Engelsche, te Frankfort aangetroffen, die
elk in hare bijzondere taal hare godsdienstoefeningen hiel-
den. De beide gemeenten vormden te zamen slechts cón
organisme, gebruikten dezelfde kerk, en dienden ook be-
reids op den Istea September 1554 hare Liturgie, welke
te Frankfort gedrukt was, bij den gemeenteraad in. Het
is een belangwekkend document. *) De agenda sluit zich
nauw aan bij die van C a 1 v ij n ; de inrichting der gemeente
draagt geheel en al een presbyteriaal karakter. Het lid-
maatschap van de gemeente is, evenals bij La ski, van
de onderteekening der bijgevoegde geloofsbelijdenis afhan-
kelijk gesteld; de kerkelijke tucht is op gelijke wijze in-
gericht als bij La ski. De kwestie van het ambtsgewaad,
die voor het Engelsche deel der gemeente, met het oog op
de reeds vermelde gebeurtenissen bij de benoeming van
Hoop er, zoo belangrijk was, en die ook te Frankfort wel-
haast de gemoederen zoozeer verdeelde, is onbeslist gelaten,
doch op zoodanige wijze en op zulke gronden, dat, wanneer
zij eenmaal tot eene strijdvraag verheven werd, zij slechts
in den zin van Hooper en Laski, niet in dien van R i d-
ley, beantwoord kon worden. Zoo hadden dan de beide kleine
gemeenten rust gevonden in den vreemde. Die rust deed haar
zoo goed ! Het oudste kerkelijke zegel der gemeente, dat nog
uit die dagen afkomstig is, stelt de duif voor, die met den
olijftak in haren bek tot de ark wederkeert: een treffend
beeld, dat de groote vloed voorbij is, en dat weder een vaste
bodem uit de wateren der vervolging oprijst. — Den lO^en
April 1554 namen de geregelde godsdienstoefeningen eenen
aanvang ^) ; onder de toehoorders bevond zich ook de echt-
genoote van bisschop Hooper, die nog altoos in de ge-
vangenis smachtte.
') Het exemplaar, dat zich in mijn bezit bevindt, is een in den jarc 1754,
bij gelegenheid van het 20()jarig jubilacum, door prof. Withof in Duisburg
bezorgde nadruk. In het jaar 1854, bij hut SOOjarig jubilé, heeft Schröder,
in het kleine, belangwekkende geschrift : „Troisicme jubilé seculaire de la fon-
dation de l'église réforméc fran9ai8e de Francfort s. M.", uittreksels daaruit
gegeven.
>) „Original," p. 111.
528
In den loop van den volgenden winter verschenen er nieuwe
scharen, en wel van voortvluchtige Nederlanders, die voor
een deel rechtstreeks uit Engeland kwamen, gedeeltelijk ook
op de plaatsen, waar zij op hunne vlucht het eerst hadden
halt gehouden, zich te zeer bekneld gevoelden en daarom
verder getogen waren. ^) Ook aan hen verleende de edel-
moedige raad een gelijk recht van asyl. Doch zij vonden
hier geene prediking in hunne moedertaal. Het woord, dat
in de kerk te Frankfort gepredikt werd, was voor hen als
Nederduitschers onverstaanbaar, evenzeer als de Fransche
en Engelsche prediking in de beide andere vluchteling-ge-
meenten. Hoc grooter hun aantal werd, ^) des te dringender
gevoelden zij de behoefte aan gemeenschappelijke godsdienst-
oefeningen, aan welke zij te Londen in rijke mate gewoon
geworden waren, terwijl mogelijk ookde nadeelen, door Cal-
vijn, in zijn reeds vermeld zendschrijven naar Wezel, op
zulk eene aangrijpende wijze aan herderlooze, verstrooide
gemeenten voor oogen gesteld, zich zullen vertoond heb-
ben. Om die reden gevoelde La ski zich krachtig getrokken
tot deze deerniswaardige overblijfselen zijner Londensche ge-
^) Onder dezo Nederlanders ontmoeten wij de nog heden ten dage bloeiende
familie De Neufville, en wel met de opgave, dat zij uit Emden gekomen was
(„Archiv/' 1862, S. 245). Deze uit Antwerpen herkomstige vluclileling-familie
is of rechtstreeks van Londen naar Emden gereisd, evenals de echtgenootc
van Laski, of anders, indien zij zich over Denemarken derwaarts begeven heeft,
is zij een nieuw bewijs van de onvolledigheid der door liarboe (S. 55)
gegcveno naamlijst. Har boe noemt slechts 150 personen, terwijl Utenhove
uitdrakkelijk van 175 personen gewaagt. [Twee kenmerkende zinspreuken,
aan het gedrukte geslachtsregistcr der genoemde overoude familie ontleend,
mogen hier gevoeglijk eene plaatsvinden. De ééne luidt aldus : „Mon désir tend ik
la Neufville." De andere, eveneens met treffende toespeling op den geslachtsnaam,
aldus: „Jérusalcm d'en haut — C*est la Neufville, — Prondre la faut — Par
Foy habille." — Vert.]
>) Volgens eene opgave uit het jaar 1561, die ons is bewaard gebleven, telden
deze drie gemeenten destijds te zamen 1131 personen, onder welke 441 kin-
deren en 89 vrouwelijke dienstboden („Archiv," 18G2, S. 254). Het kleinste
onderdeel vormden de Nederlanders, de oudste stam der tegenwoordige Duitsch-
hcrvormde gemeente, nl. 155 personen zonder de kinderen, hoofdzakelijk in de
Kramer-, de Korn-, de Lindheimcr- en de Gallus-straat, alsook aan de over-
zijde der rivier, in Sachsenhausen, woonachtig.
529
meente. Nauwelijks was hij te Frankfort aangekomen H, of
hij sloeg met vaak beproefde bekwaamheid de hand aan
het werk; stilzwijgend schijnt men hem ook hior als don
superintendent en woordvoerder der vreemdelingen beschouwd
te hebben. Ook hij had bij de heeren van don Kaad slechts
hartelijke voorkomendheid gevonden, en vermeldt zulks oen
en andermaal in zgne brieven met de grootste dankbaarheid.
Zijnen getrouwen Theseus, M i e r o n i u s, die te Norden was
aangesteld, noodigt hij uit tot medewerking bij de inrichting
der gemeente, bij welke de indertijd voor Londen uitgewerkte
organisatie nauwkeurig gevolgd werd. Nadat dit werk voltooid
en Micronius weder naar zijnen post teruggekeerd was,
werd Dathenus als prediker bij do kleine gemeente be-
roepen^ een jongeling^ immers destijds eerst 24 jaren oud,
met eene oogensehijnlijk onverstoorbare, door vurigon moed
tot het uiterste gespannen kracht, een bezield on tevens bezie-
lend kanselredenaar. ^) Hij kwam onder bekenden. Nadat do
vurige Vlaminger, op eencn leeftijd van 19 jaren, zijn Kar-
melieter-ordekleed had afgelegd, en als bockdrukkersgozel
een kommerlijk bestaan had gevonden, was hij, in 1553,
prediker geworden bij zijne landslieden te Londen. In vor-
eeniging met Peruzcl had hij het bevel der Koningin, om
het land te verlaten^ nog langer getrotseerd, en had zich
vervolgens naar Emden, ^) en van daar tot zijnen ouden
superintendent en de overblijfselen zijner vroegere geiiieeiite
begeven. De beide mannen deden hun best, om voor de ge-
meente te zorgen, en hadden beschermers, die hun gaarne do
behulpzame hand boden. L as ki verzocht, dat hun zou worden
vergund, om mede van de Katharina-kerk voor hunne gods-
dienstoefeningen gebruik te maken ^ dewijl de hun afgimtano
Wittevrouwen-kerk voor de drie gemeenten klaarblijkelijk ni(;t
voldoende was, inzonderheid thans bij den naderenden winter,
1) Waarschgnlijk op den IS*'"' Mei, waot op dezen dag kwam Dr. ('or, rén
der opvoeders van £duard VI, en die met Lanki bevriend wah, te Frankfort
aan, vergezeld van eene schare van voürtvluehtige Kngelscben, aan wi:lkü lianki
zich wellicht te Keolen heeft aangesloten. (Hrandcs, S. 112.)
») Woltcrs, S. 204.
3) Calvijn, XV, 301.
DALTON. 34
530
nu hunne godsdienstoefeningen reeds des morgens te 6 uren
eenen aanvang namen en tot 6 uren des avonds duurden. ^)
De Baad was daartoe bereid ; in het stedelijk archief is ech-
ter nog een verzoekschrift der stadspredikanten^ gedagteekend
van den S^en September 1555, voorhanden, „om zulks toch
aan den Pool niet te vergunnen, en aan de gemeente geene
reden van droefheid te geven." ^)
Deze woorden voorspellen reeds de nadering van don storm,
die zich nu ook te Frankfort tegen de arme vluchtelingen
verhief. Nog den 14<ien October schrijft La ski aan Cal-
vijn: „Gode zij dank, de Magistraat is ons alleszins genegen,
en wij kunnen ons in geen enkel opzicht beklagen. Wg be-
lijden, dat wij Gode groeten dank daarvoor verschuldigd zijn,
om niet door ondankbaarheid den toorn Gods op ons te laden.
Helaas, waarom erkennen wij zoo weinig de grootheid der
Goddelijke weldaad, dat Hij ons, verstrooide gemeenten, in
dezen voor alle vromen zoo kommervollen tijd, zulk een
toevluchtsoord heeft doen vinden! Ja, wij misbruiken zulk
eene groote goedertierenheid, en voeren strijd over kleinig-
heden, alsof wij in den meest volkomen vrede en buiten het
bereik van den vijand leefden. Moge God met onze gemeente
zgn! Amen." ^)
De brief klinkt eenigszins raadselachtig, als eene profetie.
Hij is geschreven op het beslissende tijdstip, op hetwelk
het deerniswaardige lot der vluchtelingen nu ook te Frank-
fort eenen ongunstigen keer nam. Alsof zij, evenals hun
Heer en Meester, tot een teeken zijn moesten, dat overal
wedersproken wordt! Met een open oog, met eenen onbene-
velden blik ontwaart de trouwe zielverzorger de opkomende
') De wijze 7an t^jdsverdeeling was, naar 't schgnt, de volgende: van 6 — 8
uur Engelsche, van 9 — 11 uur Fransche godsdienstoefening, te 1 uur Fran-
sche catechisatie, te 2 uur Franschc godsdienstoefening, en na afloop van deze
laatste blgft de kerkeraad tot 'gemeenschappelijke beraadslaging bijeen; van
4 — 6 uren Engelsche godsdienstoefening; wijders nog weekgodsdienstoefeningen
in beide talen, des Dinsdags en des Donderdags.
>) In het stedelijk archief: „Tom. I Actorum" der Fransche en Ncderland-
8che gemeenten, 1554^1561.
3) Calvgn, XV, 819 (niet bg Kayper).
531
onweerswolk, de in- en uitwendige worstelingen, die de ban-
nelingen bedreigen, en met een vroom gemoed wijst hg op de
tuchtigende hand des Hoeren, die in zoodanig lotsbestel zich
openbaart. Binnen en buiten de muren werd gezondigd:
La ski stond te hoog, om zulks niet onpartijdig te erkennen.
Die worstelingen zijn met het leven en ook met het verdere
lot van onzon vriend zoozeer samengeweven, dat wij ze niet
stilzwijgend mogen voorbijgaan, hoe moeielijk het ook valt,
om den vinger te leggen op deze oude wonden, aan welke de
Evangelische kerk van Duitschland bgkans was doodgebloed.
Beschouwen wij dan allereerst de uitwendige worstelingen.
In het noorden, te Hamburg, werd Wcstphal niet
moede , met een loerend oog in het land rond te zien , en
de vluchtelingen met scherpen blik te vervolgen, om op
te merken, waar zij zich wel zouden nederzetten, en waar
het er alzoo voor hem, den geroepen Zionswachter , op zou
aankomen, hen op te jagen, en stad en land tegen hen te
waarschuwen. Bij zekere gelegenheid immers had hij zich, in
blinde drift, het lasterlijke woord ten hunnen aanzien laten
ontglippen, dat zij „martelaren des Duivels^' waren! Nu
verneemt hij, dat zij te Frankfort herbergzaamheid gevonden
hebben; Beyor, die zeer met hem bevriend was, had hem
zulks wellicht geschreven. ^) Dat mag niet worden geduld.
Fluks richt hij zijne waarschuwende stem tot do Frank-
forter overheid. De Hamburgsche lecraar rechtvaardigt zijne
inmenging in deze aangelegenheid, die zoover buiten zijnen
kring ligt, met het harde, goddclooze woord aan de Magis-
traat: „Als iemand er de Overheid van in kennis stelde,
wanneer er brandstichters, roevers en moordenaars in of
buiten de stad waren, dan zou men zulks den zoodanige
allerminst ten kwade duiden, ja, hem veeleer daarvoor nog
beloonen: nu waren diegenen echter nog veel gev£uirlijker
en schadelijker, die een zielverdervend vuur ontstaken, het
Woord Gods en eeuwige goederen roofden, en de menschen
1) Melanchthon, IX, 484: „Beyer est iotimos Wcatphalo."
in don geestelijken en eeuwigen dood stortten." ') Daarom
wekt hij den Frankforter raad op, om met den bevclstaf der
Overheid („seeptro magistratua") de godalasteringen der Sacra-
mentisten tegen te gaan. '■')
Al was de Eaad ook niet van zins, deze aanmaning op
te volgen, en ook in den engeren zin van Westphal
naar hot zwaard to grijpen, toch misten zulke brieven hunne
uitwerking, in de eerste plaats op de stadspredikanten,
niet. Nog omstreeks Kerstmis van 1555 wil Laski beproe-
ven, met de Prankfortor leeraren gemeenschappelijke samen-
komsten („coetus communes") te organiaeeren. In weerwil
van al de bittere ervaringen, die hij reeds had opgedaan,
is toch altijd weder zijn geheele streven daarop gericht, om
gemeenschappelijk met de predikers van het Evangelie te
arbeiden. Hij verzoekt C a 1 v ij n , tot dat einde aan de
Frankforter geestelijken te schrijven, en de Geneefsclie her-
vormer hoeft dan ook aan die bede gehoor gegeven, ') De
poging mislukte echter. Beyer en zijn ambtgenoot Ritte r
begeerden goene gemeenschap met Sacramentisten, maar be-
schuldigden hen integendeel bij de Overheid, bedriegelijk
gehandeld te hebben, alsof zij door het valache voorgeven,
dat zij denzelfden godsdienst beleden als zij , op slinksche
w^ze het asylrecht verkregen hadden. Zij ■ waren geene
verwanten van de Augsbnrgache belijdenis", en daarom
moest hun het verder verblijf in de stad worden ontzegd !
<) Verg. .ReligionslundluDgen ." II, 100.
*) In lijne verdediging van dit echriJTGD trai^bt Weatpbsl tlci:c gciurlijtia
nitdrakking te beperksD en te TBrznikkon door aan zijnen Ingenstander (Pon-
lïin) te vragen: „Namquid unoa est modna sopiratiunii per gladiam wlum?
annnn etiam cnatagiosi >eparïDtnr per eicommuDicBtianem et eiclaaionem e
dtiam aocietate, quae per Tflegationcm StF" (A. a. O,, 11, 270.) Alsof ook
dat niet scherp en grievend gsuüeg warel
J) Zie Kuyper, II, 716, en hot antwoord bij Catrijn, XVI, B3. Laski
venoekt, d>t CalvJJD de lesnren lieMetijk en iichlicaetlig , maar tevens era-
■tig en Dadrnkkelijk mocbt willen vermanon. Do brief van Calv|jn vervult
dien wensch; de toon i> wellicht euu weinig streng, wsnt Calvijn ver-
denkt de predikers van min of moer de hand to hebben in de uitgave van
dg imaadredenen van WeEtphal tegen CalvïJD, wetke uilgate te Frankfort
533
^^ Joden en Katholieken verdragen zij," — zóó mochten wel
te recht sommigen dezer martelaren klagen, — „maar ons
wijzen zij de deur !" De onverschrokken geloofshelden waren
er bijkans aan gewoon^ in ballingschap rond te zwerven, doch
nu had de zaak eene ernstigere^ verder strekkende beteeke-
nis verkregen, en uit dien hoofde nam Laski de uitdaging
aan. Het verwijt, dat zij niet tot de Augsburgsche geloofs-
verwanten behoorden, zou de vluchtelingen niet slechts als
buiten den godsdienstvrede van Passau staande gesignaleerd
hebben, — en daardoor zouden zij, wat Duitschland btetreft,
in zekeren zin vogelvrij verklaard zijn, — maar ook de ver-
gunning, om naar Polen terug te kecren, was voor Laski
verbonden aan de voorwaarde, dat hij het bewijs kon leve-
ren, dat zijne belijdenis in overeenstemming was met de
Augsburgsche confessie. Indien Westphal er in slagen
mocht, hem van zijne aanspraken te dezen aanzien te be-
rooven, dan was niet slechts zijn geboorteland weder voor
hem gesloten, maar dan was daardoor ook de geheelc her-
vorming van Polen uiterst onzeker gemaakt ; want wij zullen
zien, dat de Poolsche adel op zijne hand was. Maar wat
bekreunden mannen als Westphal, Flacius, Heshu-
sius en hunne medestanders zich om zulke zwaarwichtige
punten! Al werd ook de bijl aireede aan den wortel der
Evangelische kerk gelegd, om het even, als zij slechts op
hun allerbokrompenst standpunt het laatste woord mochten
behouden !
In het volle bewustzijn van de betoekenis van den strijd
voor de geheelc Evangelische kerk trad Laski in het strijd-
perk. Den 13d«n Mei 1556 diende hij, uit naam der vreem-
delingen, bij den Frankforter senaat het antwoord in op de
tegen hen ingebrachte beschuldiging. *) In dit geschrift wijst
hij er op, dat zij, nl. de aangeklaagden, ook het lO^e en het
13*ic Artikel der Augsburgsche geloofsbelijdenis geheel en
zonder voorbehoud beamen. Zijn de predikanten hiermede
niet tevreden , dan blijkt daaruit , dat de Augsburgsche con-
i) Kuyper, II, 719.
534
fessio hun niet meer voldoende is, en dat het in den ont-
stanen strijd te doen is om nieuwe formules, die nóch in de
H. Schrift gegrond zijn, nóch ook op eenige andere wijze zijn
te rechtvaardigen. Wel had hij het daarbij aan het rechte eind !
De Raad was met dit antwoord tevredengesteld, maar de
predikanten rustten niet. Laski werd niet moede, in een
nieuw verweerschrift ^) de overeenstemming der vreemdeling-
gemeente met de Augsburgsche geloofsbelijdenis nog breed-
voeriger te betoogen. Daartoe drong hem zijne blijmoedige
geneigdheid, om ten allen tijde getrouw voor zijne bescherme-
lingen op te komen, doch te gelijk ook hot ernstige verlangen,
om thans, nu hij zich gereed maakte, om naar zijn vaderland
terug te keeren, nog eenmaal luide en openlijk te betuigen,
dat hij het geheel eens was met de belijdenis, over welker
uitlegging toch niet in het laatste ressort Westphal en
zijne geestverwanten hadden te beslissen, maar onder de le-
venden zij , die het genoemde belijdenisschrift hadden opge-
steld, nl. Melanchthon en zijne medearbeiders in die
groote dagen. Den 238ten September 1556 werd het vertoog
aan den Senaat overhandigd ; Laski was door ongesteldheid
verhinderd, bij de overgave tegenwoordig te zijn. In Decem-
ber deszclfden jaars verscheen het in druk, nadat Calvijn
en Melanchthon hunne hartelijke en volkomene instemming
met den inhoud betuigd hadden. Te Frankfort kon het niet
worden uitgegeven; dat hadden do predikanten weten te
verhinderen; hier waren de drukpersen voor de geschrifken
van Westphal aan het werk. De rector van het stedelijk
gymnasium was voornemens, het geschrift in het Duitsch te
vertalen. Het klinkt bevreemdend, en stemt te gelijk schier
tot weemoed, als wij onder de redenen, waarom hij van die
taak afzag, ook deze vinden opgegeven, dat hij in den kring
zijner bekenden geen enkel exemplaar der Augsburgsche
belijdenis had kunnen oploopen. -) Het eigenlijke voor-
werp van den twist was dus niet eens voorhanden, en toch
is het wel nauwelijks te onderstellen, dat het ontbroken zal
») Ibid., J, 243.
*) „Archiv," 1860, S. 189.
535
hebben, dewijl de twistenden het geschrift geheel in hun
hoofd hebben, nauwkeuriger nog dan de Rector, die de woor-
den letteriijk vóór zich wil hebben, „opdat men," gelijk hij
schrijft aan zijnen vriend Poulain, „indien ik hier of daar
eenigszins andere bewoordingen bezig, niet kunne zeggen,
dat ik elpenbeen met inkt heb willen wit maken !'*
Het geschrift van La ski is een schoon bewijs van het
nauwe verbond, dat de fijnste beschaving der humaniteit met
eene innige, Evangelische vroomheid bij onzen vriend had
aangegaan. Nog heden ten dage, en ook voor hem, die den
strijd niet in al zijne bijzonderheden wcnscht na te gaan, is
het boek eene veelszins opwekkende lectuur,, boeiend door de
helderheid zijner bewijsvoering en door den bezadigden ernst
zijner gedachten. Zonder zich in onvruchtbaren woordentwist
te begeven, toont La ski aan, dat de punten der leer, welker
verwerping men hun ten laste legt, en ter oorzake van welke
zij met zooveel smaad bejegend worden, door de Augsburg-
sche confessie niet alleen niet geleerd worden, maar dat zij
ook uit hare stellingen niet eens zouden kunnen ontwikkeld
en afgeleid worden. Het zou zeker moeielijk zijn, om do
strenge bewijsvoering met deugdelijke gronden aan te tasten.
Ofschoon hij de bewustheid heeft, dat hij met dcAugsburg-
sche belijdenis — gelijk ook Melanchthon zelf betuigd
heeft, — geheel in overeenstemming is, belijdt La ski noch-
tans onbewimpeld, dat het hem niet bovenal te doen is om
de onderwerping onder het een of ander menschelijk stelsel.
Op dit punt voert hij eene even duidelijke, vrijmoedige taal,
als die do grondleggers van ons Hervormd geloof in de eerste
groote dagen deden hoorcn. Volgens zijne beschouwing is deze
belijdenis eene groote genadeweldaad Gods, maar „niettemin
willen wij ons noch aan deze confessie, nóch aan ecnige an-
dere op zoodanige wijze laten binden, dat wij ons in alle
Christelijke zachtmoedigheid en bescheidenheid niet meer zou-
den gerechtigd achten, vrijelijk van haar te verschillen, of
haar zelfs te bestrijden, zoodra wij, door het Woord Gods en
de stem onzes gewetens overtuigd, erkennen, dat wij van deze
geschriften moeten afwijken. Evenmin zijn wij geneigd, onzen
536
bijval te schenken aan hen, die zich verstouten om de christo-
lyk- broederlijke gomeenBchap met de Augaburgache belijdenis
op zoodanige wijze to omperken, dat zij hem, die nietdade-
lyk bij alle hare woorden zweert, niet slechts van de ker-
kelijke, maar ook van de burgerlijke 'gemeenBchap uitsluiten.
Dat schijnt niets anders te beteekencn, dan dat wij de pau-
selijke tirannie niet zoozeer afgeschud, als wel veeleer onder
den titel van, het Evangelie in gewijzigden vorm behouden
hebben." In die dagen voorwaar eene koninklijk-vrije, voor
eenen Westphal en zijne geestverwanten nauwelijks meer
verstaanbare taal, gedurende geruimen tijd bykana eene
hicroglyphe, die eerst in den nieuweren tijd weder is ont-
cyfcrd geworden!
Aan de hevige geschillen met de predikanten der stad
paarden zich de andere twisten, die in den boezem der
Waalsche en der Engcische gemeente ontbrandden. Aan deze
geschillen nam onze vriend niet rechtstreeks deel. "Wat hem
mag hebben bewogen , om zich te dezen aanzien niet na-
drukkelijker te doen gelden , is uit de voorhanden zijnde
stulvken ciot met genoegzame duidelijkheid te bespeuren; de
voornaamste reden was wellicht deze, dat zijn blik nu toch
reeds te zeer naar Polen gericht was, en hij de hoop mocht
koesteren, zich reeds in zijn vaderland to zullen bevinden,
aleer de strijd kon beslecht zijn. Waarschijnlijk wilde hij er
zich niet mé<ir dan strikt noodig was mede inlaten, om niet
gebonden te zijn, zoodra bij de vergunning ontving, om naar
zijn geboorteland weder te keeren.
Reeds voordat Laaki te Frankfort gekomen was, waren
er tusschen Poulain en zijne gemeente kleine onecnigheden
voorgekomen. Het schijnt, dat Poulain niet volkomen be-
rekend is geweest voor de zware taak, om als zielverzorger
aan het hoofd van zulk eene gemeente te stEian. Zij bestond
toch meerendeels uit huisvaders, die nu reeds bij herhaling,
om den wille van hun geloof, zich in ballingschap begeven
badden, en die met hart en ziel in hunne Evangelische
belij denis leefden. Zulke mannen zijn gewoon en ook gerech-
537
tigd, om hooge, zeor hooge eischcn aan hunnen Evangelischen
prediker te stellen , niet slechts , dat hij , op gelijke wijze als
zij zelven^ bereid zij, om den wille yan den Hoer en zijn rijk
afstand te doen van „lijf, goed, eer, vrouw en kind", — van
zijne bereidwilligheid te dezen aanzien had Poulain ineenen
kommervoUon tijd voldoende blijken gegeven, — maar ook,
dat hij hun krachtig voedsel biede, en hen met zekere hand
in eene vaste, heilige gezindheid te zamen voreenigd houde.
Menigeen, die in rustige tijdsomstandigheden zijnen post
op wakkere wijze weet te vervullen, is tegen de verhoogde
eischen niet opgewassen. Wel is het een bewijs van de bui-
tengewone begaafdheid van onzen Laski, dat juist zoodanige
gemeenteleden hem het liefste en meest proefhoudende ma-
teriaal tot den arbeid geweest zijn, hetwelk hij op zulk eene
bewonderenswaardige wijze zich ten nutte gemaakt, ja, van
lieverlede gevormd heeft.
Van nog meer ingrijpenden aard en nog meer zorgwekkend
waren de gebeurtenissen in de Engelsche gemeente. Het
scheen, alsof datgene, wat te Londen, een paar jaren geleden,
slechts kunstmatig bijgelegd, niet waarlijk beslecht was ge-
worden, hier in den vreemde tot beslissing moest komen.
In zeer aanzienlijken, dagelijks toenemenden getale waren
de voortvluchtige Engelschen naar het asyl aan de Main
gestroomd, onder hen niet weinigen, die in hun vaderland
tot de beschaafdste en ook tot de bemiddelde kringen be-
hoorden. *) De Frankforter raad had hun gastvrijheid ver-
leend onder voorwaarde, dat zij zich kerkelijk aan de reeds
wettig bestaande Waalsche gemeente zouden aansluiten,
en met deze laatste de Wittevrouwen-kerk in gemeenschap-
pelijk gebruik zouden hebben. Daartoe waren zij gaarne
bereid; hunne ouderlingen behoorden mede tot de onder-
teekenaars van de kerkorde en liturgie, die in den herfst
bij den Frankforter raad word ingediend. Den 24^^^^ Sep-
tember 1554 verkoos deze Engelsche gemeente tot haren
prediker John Knox, den latcren beroemden hervormer
I) Verg. „Original," p. 753, en ook Cal v ij n, XV, 654.
538
van Schotland, destijds reeds ongeveer 50 jaren oud, even-
eens uit zijn vaderland voortvluchtig. Slechts op aanraden
van zijnen leermeester Calvijn nam hg de betrekkingaan,
die met zijne grondbeginselen , inzonderheid wat betreft de
liturgie , in overeenstemming was. Daarna -echter kwamen
er mannen, die eischten, dat de eeredienst volgens de
liturgie van Eduard VI zou worden ingericht, en dat
wel op eene oproerige wgze gedurende de godsdienstoefening
zelve. Pijnlijke tooneelen hadden er plaats. De Frankforter
raad, als scheidsrechter ingeroepen, bepaalde^ dat men zich
aan de eenvoudige, oorspronkelijke liturgie moest houden.
Genen , aan wie deze laatste te nuchter toescheen ^ en die
reikhalzend naar de meer pompeuze, nog meer met oude
Koomsche herinneringen vermengde vaderlandsche liturgie
verlangden ; legden zich bij deze beslissing niet neder; de
onbuigzame Enox was, naar hunne meening ^ de eenige
hinderpaal om hun doelwit te bereiken. Niet kieskeurig, wat
betreft de middelen om hem te verwijderen, deinsden zg er
niet voor terug, om, op grond van eene krachtige uitdruk-
king met betrekking tot den gemaal der Koningin, den
zoon van den Duitschen keizer, hunnen landgenoot bij
de vreemde overheid van majesteitsschennis aan te klagen.
Aan die beschuldiging moest de Raad gevolg geven : aan den
onverschrokken, stoutmoedigen man werd het verder verblijf
in de stad ontzegd, evenwel niet, zonder aan de beschul-
digers de afkeuring der Magistraat wegens zulk eene han-
delwijze nadrukkelijk te kennen te geven. Zes weken, voordat
La ski te Frankfort aankwam, had Knox zich genoodzaakt
gezien, de stad te verlaten.
Met eenen anderen held van dien tijd, nl. Calvijn, kwam
onze vriend te Frankfort voor 't eerst in persoonlijke aan-
raking. De twisten in de Waalsche gemeente waren in den
laatsten tijd zoo hoog geloopen, dat zij slechts door de
scheidsrechterlij ke uitspraak eener opzettelijk daartoe be-
noemde Commissie van vertrouwenswaardige mannen konden
beslecht worden. Calvijn liet zich door den moeielij ken tocht
niet afschrikken: gelijk hij reeds in de opdracht zijner „Con-
539
cordie der Synoptici" aan den Frankforter raad zijnen dank
had betuigd yoor de geistvrijheid , aan zijne geloofsgenootcn
bewezen, zoo wilde hij dat nu, bij deze gelegenheid^ persoon-
lijk doen; daarbij kwam de wensch, om met La ski te be-
raadslagen over de bijeenroeping van eene algemeene synode
te Frankfort, voor welke zaak onze vriend met de meeste
kracht gverde. Tegen het einde van A.ugu8tus verliet de Her-
vormer Genève. Eeeds te Straatsburg kreeg hij den thans
heerschenden geest van partijschap op grievende wijze te be-
speuren : men weigerde hem den kansel^ op welken hij voorheen
het Woord Gods verkondigd had. Bg zijne aankomst te Frank-
fort werd Calvijn door de patriciërs en door den geheelen Eaad
op ^t hartelijkst ontvangen. Een zware arbeid was hem wach-
tende. Een lid der Waalsche gemeente, koopman Ie Grand,
had eene schriftelijke aanklacht van 25 punten tegen den
prediker Poulain ingediend, vroeger reeds bij den Senaat,
thans bij de Commissie van vertrouwde mannen, aan wier
oordeel beide partijen verklaard hadden zich te willen onder-
werpen. Onder de acht scheidsrechters bevond zich, behalve
Calvyn, in de eerste plaats La ski. Het eindresultaat der
langdurige beraadslaging was wel de vrijspraak des predikers
van bgkans alle punten van aanklacht, doch Poulain zelf
legde zijne betrekking neder, ofschoon het meerendeel der
gemeente hem wenschte te behouden. De uitvoerige proto-
collen zijn voorhanden; ^) bij de beide laatste beraadslagingen
was onze vriend afwezig; zijne oude kwaal had hem weder
heftig aangegrepen, en hem op het ziekbed geworpen.
Met de Frankforter predikanten kwam Calvijn slechts toe-
vallig enkele malen in aanraking ; zij ontweken hem op eene
in het oog vallende wijze. De Senaat, die het van hoog aan-
belang rekende, dat het confessioneele verschil werd bijgelegd,
wenschte, dat Calvijn voor zijn vertrek nog oen onderhoud
met de predikanten zou hebben. Dezen weigerden zulks
echter, onder het voorgeven, dat zij niet geleerd genoeg en
de krachten te ongelijk waren, om met Calvijn eene dis-
ï) Calyyn, XVT, 292 sq.
putatio te ondernemen, ') Maar het was toch meer hun
tegenzin, om door eenen man, als Calvijn, vw'ir den open*
baren Senaat wellicht overtuigd te worden van datgone,
wat ook La ski's verweerschrift betoogde, nl. dat hunne
nieuwe leerpunten niet met do Aug;aburg8che belijdenis waren
overeen te brengen. Aangaande den omgang tusschen OaU
Tijn en Laski te Frankfort hebben wij, tot ons leedwezen,
geen enke! nader bericht kunnon vinden : hot persoonlijk ver-
keer schijnt slechts den indruk versterkt en bevestigd te heb-
ben, dien de beide groote mannen reeds uit elkanders leven
en geBchriften van weerszyden ontvangen hadden. Beide man-
nen zijn met de diepste hoogachting jegens elkander bezieldj
de meerderheid van Calvijn ala een in bijzondere mate
uitverkoren werktuig des Heeren wordt door Laski van gan-
scher harte erkend. In de voornaamste punten der leer stemt
onze vriend met den Geneefschen hervormer overeen, doch
met betrekking tot alle handhaaft hij zich hot mannelyk
recht, om zelfstandig te onderzoeken en zelfstandig te be-
slissen. Het zwaartepunt van beider reformatorische werk-
zaamheid ligt op het gebied van de organisatie der Kerk.
Ofschoon Laski in diepzinnigheid van speculatie voor Cal-
vin moet onderdoen, zoo moet hij nochtans op het gebied
der kerk-inrichting als zijn evenknie beschouwd worden.
Ja, door de bijzondere omstandigheden zijner vreemdelJng-
gemeente te Londen heeft Laski zich in staat gesteld ge-
zien , om de Kerk nog volkomener van den Staat los te
maken, en beide kringen, elk in zijne zelfstandigheid, nog
zuiverder en duurzamer van elkander te scheiden, dan zulks
aan Calvijn, te midden van zijne zooveel moeielijker omstan-
digheden, heeft mogen gelukken. Op dit punt is een bepaalde
') 'Wü btMtten dirnaangaando tw»e lamelijk iiiteenliiopeudp bericblBDi hit
sena Tin OalTijn lelven (XVI, 319), bot andere dnarent^eii vsn de prcdi-
^anlDa („RelïgionihtndluDgen", 11. Bcil. 14i, { 6i), Het laatatgeDaemdu bericht
1 onwaarBchiJDlijk, <lcwijl bet gedeeltelijk gegrond ia op geruebicn, die niet
met de feiten OTcreeakDmeD. zooiile b. v. (Krefleoius, S. 111} de opgare, dst
men de aanwezlgbeid vao Caliijn beeft gebeim geboudeu, 2i>oi]at de predikaateD
eerat io de lastate digen t^ding datrTkn louden gekregeo bebben.
541
Yooruitgang bij La ski op te merken, die voor onze dagen
en hunne eischen van groot gewicht is.
Nog in een ander belangrijk opzicht stemden de beide
groote en vrome mannen , bij hun gelijktijdig verblijf te
Frankfort, met elkander overeen^ nl. wat betreft hunne ruim-
heid van blik, om voor eene naar Gods Woord hervormde
Christenheid in alle richtingen den weg te effenen, alsook
wat betreft de helderheid en verhevenheid hunner zienswijze,
om zulke gemeenschappelijko geloofspunten op te stellen, die
niet de kerkelijke gemeenschap zooveel mogelijk beperken,
maar integendeel zoovelen mogelijk met den band der eenheid
in den geloove omstrengelen, ten ^inde aldus in staat te zijn,
om met eene vast aaneengcslotene schare aan de steeds vaster
zich aaneensluitende Roomsche heirschaar het hoofd te bieden.
Zij staan op een verheven standpunt^ de beide helden^ die
in zekeren zin profeten te noemen zijn, en de volgende
eeuwen hebben hen in het gelijk gesteld.
Hetgeen echter deze beide mannen met zulk eene groot-
heid van ziel hebben nagejaagd, is ook nog heden ten dage
de onverdeelde toewijding der edelste krachten waardig. Des-
tgds was het intusschen tevergeefs, en hunne dringendste
beden ^ dat men zich toch, om den wille van den Heer en
met het oog op de dure belangen, die op het spel stonden^
met elkander vereenigen zou, stierven weg te midden van het
ruwe getier der strijdenden, die liever met de Katholieken,
dan met hen vrede wilden sluiten. Van zulke mislukte po-
gingen kon Laski^ in deze herfstdagen, met een bijkans ver-
scheurd gemoed aan Calvijn berichten. —
In vele kringen openbaarde zich de wensch, om zich tegen
do woelingen dier zeloten te beveiligen, en in eene gemeen-
schappelijke bespreking vcreenigingspunten op te stellen.
Vooral hertog Christoffel van Wurtemberg, één der edelste
en degelijkste van de Protestantsche vorsten dier dagen, was in
het belang van dat plan werkzaam. De Hertog dacht er over,
om verschillende vorsten tot het houden van eene samenkomst
uit te noodigen. La ski, met gelijken ijver voor eene gemeen-
542
schappelijke beraadslaging bezield, wenschte^ dat ook godge-
leerden en uitstekende mannen der Evangelische kerk zouden
worden uitgenoodigd, om aan zulk eene bijeenkomst deel te
nemen. Nauwelijks had in de Paltz Otto Hendrik de regee-
ring aanvaard, en door een edict (Maart 1556) openlgk de
invoering van de zuivere Evangelische leer en de afschaffing
van de pauselijke dwalingen verkondigd, of ook La ski
spoedde zich tot hem, ten einde hem gunstig voor zijn plan
te stemmen. Al sinds geruimen tijd kende en beminde hij den
vorst, die reeds vóór jaren, om den wille van zijn geloof, zgn
land had moeten verlaten. Tegen het einde van April ontmoette
hij hem te Spiers, en wefd door hem op de meest vereerende
en liefderijkste wijze ontvangen. Ofschoon Otto Hendrik
zich destijds geheel onder den invloed van Marbach be-
vond, vereenigde hij zich nochtans geheel met Laski's
zienswijze. ^) Te Spiers bevonden zich ook hertog Christof-
fel en de wakkere graaf Erbach, welke laatste nog in het-
zelfde jaar aan de Frankforter predikanten een vermanend
schrijven richtte, om toch broederlijk met de vluchtelingen te
handelen. ^) Ook de Hertog bewees aan La ski de hoogste
welwillendheid, en leende aan zijne uiteenzetting een toege-
negen oor. Toen La ski zich reeds gereed maakte, om naar
Frankfort terug te keeren, noodigde de Wurtemberger hem
uit, om hem naar Stuttgart te vergezellen, ten einde aldaar
met zijnen prediker Br enz verder over de zaak te handelen.
Galvijn en Petrus Martyr, en zeker nog menig ander
met hen, achtten het bedenkelijk, en keurden het ook af,
dat L a s k i alléén, en zonder dat er getuigen van zijnen kant
bg zouden tegenwoordig zijn, het godsdienstgesprek had aan-
genomen. Uit een bericht, dat eerst thans openbaar is ge-
maakt, blijkt, dat niet Laski het gesprek heeft gezocht,
maar dat hij slechts de uitnoodiging van den Hertog hecfb
opgevolgd; deze uitnoodiging moest hem echter welkom zijn,
daar hij er prijs op stelde om van eenen vorst, wiens invloed
1) Cal TIJD, XVI, 186. „De controfersia sacramentaria sic actam est, at
elector Palatinus totas sit nostras," schrijft Poulain, in eenen brief naar Genève.
>) „Religionshandlangen," II, Beil. 280.
543
zich ver buiten de grenzen van zijn gebied uitstrekte, do
getuigenis te erlangen, dat zgne gevoelens in overeenstem-
ming waren met de Augsburgsche geloofsbelijdenis. ^)
De uitnoodiging van den Hertog^ om met Laski een
godsdienstgesprek te houden, kwam B r e n z zeer ongelegen.
Reeds sinds jaren had hij zich over het geschilpunt in do
Avondmaalsleer niet meer openlijk uitgesproken, en zich
bgkans voorbedachtelijk van den strijd verwijderd gehouden.
De Zuricher overeenkomst was hem eene ergernis; hij had
gemeend, dat Calvijn aan de zijde der Duit schors stond,
en nu zag hg hem met de Zwitsers een verbond aangaan,
en Zwitsersch en Zwingliaansch was bij hem eenerloi. ^)
Gedurende den tijd, dat Br enz het stilzwijgen had bewaard,
had er in zyn gevoelen betreffende het Avondmaal eene ver-
andering plaats gegrepen, welke ons bevreemdt, aangezien
wij tot op dit oogenblik nog niet in staat zijn, om do wijze,
waarop die verandering bij hem is tot stand gekomen^ nauw-
keurig na te gaan. ^) Met hetgeen Br enz in zijnon Cate-
chismus van het jaar 1528 had geleerd, kon Laski zich van
heeler harte vereenigen; nu echter stond de eerstgenoemde,
die nagenoeg van gelijken leeftijd was als hij , in do vollo
en zware wapenrusting der Ubiquiteitsleer tegenover hemi
Den IS^en Mei was Laski te Stuttgart gekomen, en had
kort daarop een afzonderlijk gesprek met Br enz. Waar-
schijnlijk ingevolge daarvan bracht Laski zijn gevoelen
betreffende het Sacrament haastig op het papier, ten eindo
te doen uitkomen, waarin zij overeenstemden, en met be-
trekking tot welke bepaalde punten men in vriondschappo-
1) Verg. den reeds vermelden brief van Poulain (Calvijn, 1.1.). Wij
moeten hier oog wijzen op de dwaling, aan welke zich bijkans allen (Ileppn,
Hartmann enz.) hebben schuldig gemaakt, alsof Laski met het overtichot zijner
gemeente naar Stuttgart getrokken is, en ingevolge het godsdienstgesprek ook
van daar heeft moeten wijken. De onverwachte reis derwaarts deed hij geheel
alleen, en keerde onmiddellijk van daar naar Frankfort terug, alwaar bij nog
gedurende vijf maanden ongehinderd in het midden der zijnen vertoefde.
>) Verg. de voorstelling bij P 1 a n c k, V , 2. S. 382.
3) Ook nog niet na de pogingen van Ëbrard, II, C'iO, Ilartmann, il,
860, of bij F la nek.
lijke beraadslaging eene formule van eenheid moest zoeken. ')
Den 22''«'' Mei tad het gesprek plaats, in tegenwoordigheid
van de Stuttgarter geestelijken on van de beide hertogelijke
raadsheeren v. Göltlingen en v, Plieningen. QeJijk
te voorzien was, leidde het tot niets. Telkens opoienw
drong Laski er op aan, dat men hem de punten zoude
opgeven, in welke zijne leer in etnjd was met de Auga-
burgsehe belijdenis; in zijne beantwoording nam Brenz
altijd weder zijne uitlegging en ook gevolgtrekkingen uit het
bel^denisHchrift als maatstaf ter hand, volgens welken hij de
overeenstemming met do Augsburgsche belijdenis wenschte
te bepalen, — inderdaad, het ia niet te ontkennen, een
geheel onredelijk standpunt der beoordoeling ! — en dewgl
Laski niet geneigd was om de geheele Ubiquiteitsleer op
den koop toe te aanvaarden , zoo werd hem de bedoelde
getuigenis geweigerd. Voor het eerst vernam Laski hier de
Ubiquiteitsleer. Deze en nog een paar vreemdsoortige be-
weringen overbluften hem ; hij verzocht om eenen dag
bedenktijd, ten einde de^e nieuwe stellingen te onderzoeken,
en ze met die plaatsen uit de kerkvaders in haren samen-
hang te vergelijken, welke Brenz in zijne rede slechts
broksgewijze had aangevoerd. Daarom wcnaehte hij het ge-
sprek des anderen daags voort te zetten, terwijl hij nog
eenmaal in duidelyke , eenvoudige bewoordingen op zgne
ernstige en oprechte overeenstemming met de Augsburgsche
belijdenis den nadruk legde, en bijkans smeekend verzocht,
dat men hom toch oen of ander punt zijner leer mocht aan-
wijzen, dat met haar in tegenspraak was. Brenz sjoeg
eene voortzetting van het gesprek af, en verwees hem koel
naar zijne geschriften ; in deze laatste kon hij de leer van
het Avondmaal vinden, en zelf zien, in welke opzichten
hij van haar afweek; hij had daartoe geen tijd. *) Qeen
I) Het bBlsDgrijke docnment is du voor het eersl in druk gcgircni lie;
Cftlvijn, XVI, IBO.
[') In het brecdigvrig Verslag vaa de hnnd van L a b 1i i lelvea «(DgaaDda
lijn genprck mot Brcna en hetgaen daarop te StutCgurt gsToIgd ia [xic Vij
Kujrpor, II, 73'! — 30), rind ik van het gengemdD Tsrioek vui Laaki om
545
tijd ! In een geval , waarbij het de mogelijke invoering der
Hervorming in Polen betrof! En toch had hij tijd, om op
dusdanige wijze te werk te gaan, dat Flacius over de be-
handeling juichte, en in haar het bewijs zag, dat Br enz en
de Wurtembergers geraoene ^.aak met hen zouden maken
tegen Melanchthon! Ook na deze bijkans beleedigende
afwijzing deed onze edele vriend zich zei ven geweld aan, en
richtte, om den wille van de heilige zaak, aan Br enz nog eenen
brief. „De voorstelling uwer leer, wat onze strijdvraag betreft,
heb ik vernomen, en wel, om de waarheid te zeggen, niet
zonder verwondering. Ik heb ook gehoord hetgeen gg over
den zin der Augsburgsche belijdenis in het midden hebt ge-
bracht. Maar van al datgene,* wat gij hebt aangevoerd, vind ik
in de Augsburgsche confessie nergens de gronden, en daarom
verlang ik zeer, mij die door u duidelijk te zien aangewe-
zen." La ski verklaart zelfs nog, er genoegen in te zullen
nemen, indien Brenz hem de gronden dier leer in de Apo-
logie of in [de akten van] het „Regensburger gesprek" kan
aantoonen. „Deze bede heeft niet ten doel, om eenen onnutten
strijd uit te lokken, maar alleenlijk om onze onschuld te doen
betuigen Komt u zulks thans mogelijk niet gelegen, het
zij zoo; later biedt zich nog wel eens eeno geschiktere ge-
legenheid aan, om vriendschappelijk hierover te handelen.
Dit alleen smeek ik u , dat gij , zoolang althans de gronden
van ons verschil ons niet in de Augsburgsche confessie zelve
duidelijk zijn aangetoond, ons niet met uwe vooroordeelen
wilt bezwaren. Want ik vertrouw toch, dat gij niet zulk een
man zijt, die het lijden van zwaar beproefde en om den wille
van Christus verbannen gemeenten nog verdubbelen wil. Ik
bid u, houd ons deze onze vrijheid ten goede, en vaarwel in
den Heer." Dit schrijven werd door Brenz onbeantwoord
gelaten. ^) Daags te voren was hij uit Stuttgart vertrokken.
ecncD dag bedenktijd, en van zijnen wensch, om het gesprek des anderen daags
voort te zetten, met geen enkel woord gewag gemaakt. Vermoedelijk dacht
de schrijver hierbij aan hetgeen Laski, na afloop van het gesprek, meer in het
algemeen aan Brenz geschreven heeft (Ibid. , p. 722, 4o). — V e r t.]
[1) Het was eigenlijk de tweede brief, dien Laski, na afloop van het gesprek,
DALTON. 35
i
i
546
Het schriftelijk bescheid, dat Laski vanwege het hof ontving,
kan in zekeren zin als het antwoord van Br enz beschouwd
worden : „Dewijl de Hertog uit het door hem ontvangen be-
richt vernomen heeft, dat Laski met betrekking tot het
artikel van het Avondmaal geheel en al afwijkt van de Augs-
burgsche belijdenis, en dat hij ook in zijne verkeerde meening
volhardt, zoo kan Zijne Hoogheid niet inzien, hoe bij zulk een
verschil in de leer eene overeenstemming zou kunnen gevonden
worden. Zijne Hoogheid wenscht overigens niets zoozeer, dan
dat a Las co met zijne vreemdelingen tot de gemeenschap
der leerstellingen en gebruiken mocht overgaan, die tot dus-
ver in de gemeenten der Augsburgsche confessie gegolden
hebben. Dit is, volgens zijne meening, de éénige weg tot
onderlinge verzoening der gemeenten, en om aan hem en
zijne vreemdelingen gastrecht te verleenen.^^ Dat zulk een
weg tot verzoening geleidt, zal wel door niemand betwist
worden, doch ook evenmin, dat zulk een raad schier op
bespotting gelijkt. Nog heden ten dage gevoelt men het
smartelijke van zoodanige rede, alsof zij ons zclven betrof,
want wij weten, hoe vreeselijk die smart onze dierbare Evan-
gelische kerk getroffen en bijkans tot den dood toe gewond
heeft. Ook de levensbeschrijver van Br enz kan niet nala-
ten, zijnen held op dit punt van hardheid te beschuldigen. *)
Aan de raadsheeren van den Hertog, die hem het boven-
gemelde bescheid overbrachten, gaf Laski dit treffende
antwoord: „Wat des Vorsten bescherming aanbelangt, zoo
hebben wij wel iets beters van zijne gunst verwacht, maar
de bescherming Gods zal ons nochtans niet ontbreken, ge-
aan hem richtte. Het eerste, meer uitvoerige Bchrijven: „Ad Brentium/' ge-
dagteekend van den 28'^^ Mei 155G (zie: Koyper, II, 720 sqq.)» werd door
Brenz den daarop volgenden dag schriftelgk beantwoord (verg. ib., p. 728).
Naar aanleiding van dit antwoord van Brenz schreef Laski hem des anderen
daags den korteren brief (ib., p. 728 sq.), aan welken het citaat hierboven
ontleend is. Dit laatste schrijven bleef onbeantwoord. — V e r t.]
i)Hartmann, II, 86G. In nog sterker bewoordingen drukt hij 20 jaar
later, in zijne kortere levensschets van Brenz („Leben und ausgewahlte Schriften
der V&ter und Begründer der lutherischen Kirche," VI, S. 247), zijne.af keuring
van diens handelwijze te dezen aan^if^^ ait.
547
lijk ons die tot hiertoe niet ontbroken heeft, zelfs al moesten
wij van alle menschelijke hulp verstoken zijn. God is getuige
van onze onschuld, en zal ook eens ons aller rechter zijn.
Aan zijne bescherming vertrouwen wij daarom onze geheele
zaak toe, en twijfelen niet aan zijne goedheid." Hij vroeg
en verkreeg nog een gehoor bij den Hertog. Na den maal-
tijd hebben beiden in den tuin van het slot een onderhoud
met elkander gehad ; het gedrag van den Hertog was bij die
gelegenheid veel vriendelijker, dan het schrijven, hetwelk
Laski van zijnentwege ontvangen had, zou hebben doen
verwachten. Overal, helaas, treft men in die dagen de grie-
vendste hardheid bij de godgeleerden aan, en bij geen enkele
gelegenheid openbaart zich die zoo pijnlijk en krenkend, als
wanneer het de leer van den liefdemaaltijd des Hoeren be-
treft! Laski dringt bij den Hertog aan op het bijeenroepen
van eene synode tot bijlegging van den strijd. De Hertog
antwoordt, dat hij wel wenschte, dat zulks kon geschieden,
doch dat er weinig uitzicht op bestaat, daar de andere vorsten
er wel niet toe geneigd zullen zijn, en hij alléén iets derge-
lijks niet kan ondernemen.
Zoo keerde Laski, den 29«ten Mei, onverrichter zake
naar Frankfort terug. Bij zijne aankomst aldaar vond hij eene
menigte brieven uit Polen op hem wachtende ; van alle zijden
werd hij uitgenoodigd om naar zijn vaderland terug te koe-
ren; onder die brieven bevond zich ook een welwillend
schrijven van den Koning. ^) Maar toch draalde Laski nog
met zijne afreis ; juist op dit oogenblik kon hij zijne Frank-
forter gemeenten niet in den steek laten, en in weerwil van
alle pijnlijke ervaringen wil hij de hoop niet opgeven, dat zijne
pogingen, om eene algemeene synode bijeen te doen komen,
eindelijk met een gunstig gevolg zullen worden bekroond.
Nog op den n*^cü September, terwijl Calvijn zich te
Frankfort bevindt, en hij met dezen daarover beraadslaagt,
richt onze vriend oen schrijven dienaangaande aan M clan ch-
I; Calvijn, XVI, 185.
548
thon: ^Ik twijfel niet, waarde Philippas, dat deze onderlinge
verdeeldheid der gemeenten u smart; maar wat baat ons het
klagen, als wij niet op middelen tot herstel bedacht zijn?
Geen geschikter middel tegen dit kwaad, dan een bezadigd
godsdienstgesprek tusschen vrome en geleerde mannen."
Calvijn en zijne vrienden beschouwen Frankfort als het
meest geschikte oord, doch laten de bepaling van tijd en
plaats aan Melanchthon over; Laski hoopt echter, dat
de bedoelde samenkomst spoedig moge plaats hebben, nog
vóór zijnen terugkeer naar Polen, „want de zaak zou voor
mijn vaderland van veel nut kunnen zijn '' ')
Laski was in dit schrijven van meening, nog den gehee-
len winter in Duitschland te zullen moeten doorbrengen.
Het was echter anders beschikt. Nadere berichten uit Polen
noopten hem, ten spoedigste te vertrekken, ten einde nog bij-
tijds aan den rijksdag te Petrikau te kunnen deelnemen.
Den 21 «ten October ^) vertrok Laski uit Frankfort, in
gezelschap van zijnen getrouwen vriend Johannes Uten-
hove. De dag is belangrijk. Zijnen datum draagt het toe-
wijdend schrijven der vreemde kerkleeraren, met hetwelk zij
het verdedigingsschrift van Laski aan den Raad bij deszelfs
uitgave deden vergezeld gaan ; op denzelfden dag ook besluit
de Magistraat, — zonder echter ook deze beslissing aanstonds
te verwerkelijken, — dat de vreemdelingen, indien zij zich in
hunne predikatiën en kerkelijke gebruiken niet wilden richten
naar de Augijburgsche belijdenis, welke door de predikanten
geleerd werd, niet langer vrijheid zouden hebben om in de
stad te vertoeven. ^) De reis van onzen vriend ging allereerst
naar Kassei, naar het hof van landgraaf Philip, denman,
die in het lot der arme vluchtelingen voortdurend de har-
») Ibid., p. 285.
ï) Bar tel 8, S. 63.
3) „Religionshandltingen ," J, Beil. 36. — Het bescheid herinnert aan dat
andere, hetwelk Laski te Stottgart had ontvangen. Brenz had niet nagelaten, ook
naar Frankfort, zoowel aan den prediker Brabach , als ook aan z^nen vriend
Beyer, berichten, en wel voor ecne persoonlijkheid als Brenz zeer betreurcns-
549
telijkste belangstelling toonde, en wien eene verzoening tus-
schen de Evangelischen onderling nog meer ter harte ging,
dan den hertog van Wurtemberg. De minzame ontvangst, die
hem bij den Landgraaf te beurt viel^ kan Laski niet hoog
genoeg roemen. Tot drie malen toe heeft de Vorst, die om den
wille van zijne belijdenis zoo zwaar was beproefd geworden, op
de vertrouwelijkste wijze met hem onder vier oogen gesproken,
heeft hem brieven aan Melanchthon en aan den keur-
vorst van Saksen medegegeven, ja, hem zelfs bij zijnen rit
naar Erfurt door ruiters laten vergezellen, dewijl de open-
bare weg niet geheel veilig was. De Landgraaf stelde zulk
een levendig belang in Laski, dat zij afspraak maken
met betrekking tot cijferschrift , ten einde ook meer ge-
wichtige zaken schriftelijk aan elkander te kunnen mede-
deelen. *) Den 9<i«° November^ komen onze beide reizigers te
Wittenberg aan. Door Utenhove laat Laski zijne aan-
komst aan Melanchthon berichten ; de Hervormer spoedt
zich onmiddellijk naar de herberg, ten einde den geliefden
gast te bezoeken, en hem gastvrijheid ten zijnent aan te
bieden. De beide mannen gaan op do allerhartelijkste wijze
met elkander om: uit Laski^s beschrijving bespeurt men,
welk een innig genoegen zulk een samenleven hem verschafte ;
ook de overige Wittenbergsche hoogleeraren behandelen den
aanzienlijken reiziger met de meeste hoogachting. Men wil ter
zijner eere een feestmaal geven, doch Laski heeft te veel
haast om zijn vaderland te bereiken, on moet de aanbieding
afslaan. Gedurende de twee dagen van zijn vertoef werd
hij als een geliefde broeder bejegend: hoe veranderden wel-
haast de tijden! Niet lang meer, en Wittenberg, dat reeds
eenigszins in oenen kwaden reuk stond, is in den ban ge-
daan, terwijl Jena boogt op het bezit van den echten Lu-
therschen geest.
waardige berichten te zenden. (Verg. „Anecdota," p. 431 sq.) Brenz was nu
eenmaal persoonlijk mede in den maalstroom geraakt, eo heeft maar al te ras
de zachtmoedigheid en kalmte verloren van welke nog zijn vroeger schrijven
aan Beyer (ib., p. 417) zulk een schoon getuigenis aflegt.
1) Kayper, II, 781.
550
Het is een treffende en weldadige aanblik, La ski met
dezen vriendelijk-koesterenden zonnestraal ait Duitschland
te zien scheiden, alsof hem de liefelgke belofte ten deel
werd: «Het zal geschieden, ten tijde des avonds^ dat het licht
zal wezen" (Zach. 14 : 7). Den 1*^«» December stond onze
Pool aan de grens van zijn vaderland : gedurende meer dan
acht dagen was hij te Breslau aan het krankbed gekluisterd,
daar zijne derdendaagsche koorts hem weder duchtig had
aangegrepen.
Vóór achttien jaren, destijds in de volle kracht van den
mannelijken leeftijd, had La ski aan dezelfde grens gestaan,
vastbesloten, om alles, wat den natuurlijken mensch door-
gaans lief is , achter te laten , en zich te begeven naar het
land, hetwelk zijn Heer hem zou wgzen. Met eenen em-
stigen, vromen zin heeft hij die aanwijzing gevolgd; het
was een moeielijke^ doornigc weg, en menige sterke held
zou er vermoedelijk voor zijn teruggedeinsd, om dien ten einde
toe te bewandelen. De getrouwe jonger echter zag niet op
den weg, maar alleen op Christus, zijnen Heer en Meester.
Deze kan en mag immers veel vorderen van den dienstknecht,
die weet, dat zijn Heer hem alles, ja, zich zelven en daar-
mede de geheele zaligheid uit genade geschonken heeft. Toen
het onzen jeugdigen kerkvorst duidelijk geworden was, welk
offer zijn Heer en Meester van hem, als zijnen volgeling,
eischte, heeft hij blijmoedig en gewillig alles aan zijne voeten
gelegd, en is ook blijmoedig en gewillig gebleven, toen de
Heer ook aan hem, gelijk eenmaal aan den groeten Heiden-
apostel, in lange, moeitevolle jaren toonde, hoe veel hij moest
lijden om Zijns naams wil.
Doch de Heer heeft zijnen dienstknecht in de landen, wer-
waarts Hij hem zond, ook rijkelijk gezegend. 'Siei met aardsche
goederen, gelijk den Aartsvader onder het Oude Verbond,
maar veeleer op zoodanige wijze, als waarop de behoeftige
Menschenzoon ook in den allerhoogsten nood gewoon is te
551
zegenen. De Heer had hem verkoren tot een uitgelezen werk-
tuig, om voor aanzienlijken en geringen Zijnen naam te dra-
gen. Dit kleinood heeft hij met diepen deemoed overal gedragen,
in hoogepriesterlijke armen, die Godo geheiligd waren, on-
bevreesd voor alle mensehen, bereid om vrede te houden met
allen, die den Heer vreezen. Aan tegenstand heeft het hem
allerminst ontbroken, maar op den duur kon ook de tegen-
partijder hem zijne achting niet weigeren. De zuiverheid
en oprechtheid zijner gezindheid, de reinheid van zijn ka-
rakter, de gcheele adel eener innig-vrome persoonlijkheid in
de helder stralende wijding eener volkomene, onvoorwaarde-
lijke overgave aan don Heer: dat alles maakte, dat de te-
genstander den man zclven ontzag, en nog slechts tegen zijne,
hem valsch voorkomende meening kon strijden.
Van zijne vurige vaderlandsliefde had hij gedurende de
jaren zijner omzwerving in den vreemde nergens een geheim
gemaakt. Maar zijn Heer, die hem had overmocht, was sterk
genoeg, om ook deze liefde op den achtergrond te doen treden,
of liever, om haar te verheerlijken in de schoone klaarheid
van het zoeken van het eeuwige vaderland. Niet zijn geliefd
Polen was hem het voornaamste, maar alleen zijn Heer en
de uitbreiding van diens rijk, de onverdrofcn arbeid aan do
bevordering eener op grond van Gods Woord hervormde
Christenheid. Dat heilige doelwit schonk hem die ruimheid
van blik en van hart, welke hem onder zijne tijdgenooten
zoozeer doet uitblinken, en hem zoo verre verheft boven de
kleingeestigheid van bijkans alle zijne wcdcrpartijders. —
Zijne begaafdheid evenaart niet de mate der gaven, welke
de Heer aan ecnon Luther of Calvijn, aan eenen Mc-
lanchthon of Zwingli had verleend. Doch La ski heeft,
met inspanning van al zijne krachten, met het hem toever-
trouwde talent gewoekerd. En dat niet tevergeefs. Aan den
dorpel van zijn vaderland mocht hij thans op een uitgestrekt
arbeidsveld terugzien, en opmerken, hoe hij als evenknie van
de nog levende voornaamste getuigen uit de groote dagen
der Tiervorniing beschouwd werd. Dat was voor hem niet
de vurig gewenschte lauwer, in welks bezit hij nu in zijn
552
vaderland, verre van het gewoel van den strijd, eenen rus-
tigen levensavond wilde doorbrengen. Zgne rust begeerde hg
eerst daar, waar de Heer die voor de zijnen heeft weggelegd.
De voleindigde arbeid in den vreemde diende hem slechts
tot aansporing voor den laatsten arbeid onder zijn volk.
Arm stond La ski aan de grens van zijn geboorteland,
even arm, als toen hij het verlaten had. Zijne vrouw en
zijne kleine kinderen, benevens zijne dochters uit zijn eerste
huwelijk waren voorloopig nog te Frankfort achtergebleven,
totdat hij voor hen eene vaste woonstede in Polen zou heb-
ben gevonden. Zijne oudste zonen bevonden zich op verschil-
lende plaatsen; de een was wellicht nog bij Hardenberg,
terwijl de ander omstreeks dien tijd te Groningen vertoefde,
alwaar hij ten huize van den rentmeester der stad, Hiero-
nymus Fredericus, die met zijnen vader bevriend was,
huisvesting had gevonden. ^) Zoo gansch en al het moeielijke
leven eener familie, die in ballingschap omzwerft! En bij
iedere schrede worden wij er aan herinnerd , met 'welk een
ziekelijk lichaam La ski van het schouwtooneel van zijnen
ingespannen arbeid huiswaarts keerde. ledere maand ver-
toonde zich zijne koorts, hetzij met heftigere, of met zwak-
kere aanvallen; daarbij de oude kwalen, die hem reeds in
zijne jeugd hadden geplaagd : waarlijk, een scherpe doorn in
zijn vleesch. Maar daarover klaagt hij niet. Met den grooten
Apostel heeft hij geleerd, dat de genade des Heeren hem ge-
noeg is, en heeft het in deze hoogere school ondervonden,
dat de kracht van Christus in zwakheid volbracht wordt.
1) 6 er des, III, UI. 202.
III.
§o^anne$ a ^a^co
af$ ^rotcdtant
in ^ijn paberfanb.
11.
Voortgang der Heryormlng In Polen,
In den loop van ons verhaal hebben wij herhaalde malen
gelegenheid gehad, om op te merken, door welk eene aan-
doenlijke liefde tot zijn vaderland onze vriend, ook in dit
opzicht een echte zoon van Polen, bezield was. Overal, waar
hij zich in den vreemde vestigt, wil hij slechts blijven, totdat
zijn vaderland hem roept, onder deze céne voorwaarde echter,
dat het hem roept als den dienstknecht van Christus, als den
getrouwen getuige zijns Evangolic's.
Nu eindelijk had de terugroeping plaats gehad, en na
achttienjarige baUingschap betrad La ski weder den vader-
landschen bodem. Als zestigjarig grijsaard keerde hij terug,
nochtans niet uitgeput en krachteloos, maar veeleer bezield
met al de geestkracht van eenen jongen man, die eerst pas
de loopbaan is opgetreden. Er ligt iets van eene eeuwige
jeugd in die ernstige, gerimpelde trekken, in die doordrin-
gende, fonkelende oogen. Maar de lange baard, die den
terugkeerende tot op de borst reikt, is sneeuwwit, — een
welsprekend getuige, dat de boste mannelijke jaren en hunne
kracht in eenen moeielijken arbeid zijn verbruikt geworden.
556
En daarbij komt. dar in dfïn langen raïsobenrijd ook .pland en
lic"l'-n" in Polfrn all^.-ng?! f^rn verandering en om teer hadden
onderjfaan. aan we]ke het den ouden man zwaar moest
vallen, zich te gewennen. —
Wij herinneren ons, dat omstreeks den tijd, toen La ski
in 153S zijn vaderland verliet, een nieuw bevel des Ko-
ningï was uitgevaardigd, dat het bezoek van de hoogeschool
te Wittenberg gestrengelijk verbood, en elk binnendringen
van de ketterKche leer trachtte te beletten. De goedaardigheid
den Koningri was e^ihter niet geschikt, om aan zulke bevel-
hchriften door gestrenge handhaving het gewenscht gevolg te
verzekeren. Hij werd merkbaar ouder, en verlangde mitsdien,
door de kuiperijen der Koningin nog meer vermoeid, bovenal
naar rust, die echter eerst na een tiental jaren de dood hem
verw;hïiffe. In deze en in zoo menige andere wet, die aan
eeno gelijke bedoeling haar ontstaan te danken had, zag de
adel eene beperking zijner vrijheid, welke een Pool van
die dagen met naijver beschermde als eene geliefde bruid.
Dcï bcKloelde wetten waren uitgevaardigd op aandrang van
difïgenen, met wie hij om het bezit van zijne vrijheden onop-
houdelijk strijd voerde ; telkens mcnigvuldiger meende hij zich
tegen de aanmatigingen der bisschoppen en van Rome te
moeten verzetten, en deed zulks met den verhoogden ijver
van eenon stand, die zijne rechten ziet aangerand, en als
patriot, die b(!reid is om tegen den vreemdeling te Rome het
zwaard te trekken. Ook onder de bisschoppen heerschte vol-
strekt geen eenheid van denkwijze. De meesten waren in de
eerste plaats Polen, en vervolgens eerst wilden zij dienaren
zijn van den Stedehouder te Rome; velen hunner behoorden
tot don hoogstcn adel, en stemden in met de bijzondere ziens-
wijz(ï en do vadcrlandscho gezindheid van dien stand. Het
k(ïrkelijk bewustzijn was tot op oenen ontzaglijk lagen trap
gezonken; godsdienstige beweeggronden gaven, zoover wij
kuniHMi nagaan, in de besluiten der geestelijkheid zelden of
nooit den doorslag.
In UAS stiorf eindelijk Sigismund I, levensmoede, 81
557
jaren oud, van welke hij meer dan de helft op den troon
had doorleefd. Hij werd opgevolgd door zijnen zoon Sigis-
mund August (geb. 1520), een koning van zeldzame be-
gaafdheid, maar die door de verwijfde opvoeding, welke hij van
zijne heersehzuchtige moeder B o n a had ontvangen, zich niet
tot een vastberaden, energiek, ernstig en plichtgetrouw karak-
ter had ontwikkeld. Zoodra hij mondig geworden was, had
hij zich op verrassende wijze aan den invloed zijner moeder
onttrokken, die, ontstemd over zulk eene ervaring, met hare
groote schatten, welke zij in het land verzameld had, zich
ten slotte naar Italië terugtrok. Juist than^^ad eene innige,
diep gewortelde liefde voor de edele, schoone weduwe Bar-
bara Gastoldt, eene zuster van den hoogaanzienlijken
Yorst Badziwil, den jeugdigen koning bezield tot den
manmoedigen stap, dat hij zich bereid verklaarde, liever
afstand te doen van de Poolsche kroon, dan meineedig te
worden, en overeenkomstig het verlangen van den Bijksdag
de heimelijk gesloten echtverbintenis openlijk te verbreken.
Hij zette zijnen wil door, maar, helaas, reeds na verloop van
een half jaar ontrukte hem do dood hetgeen de Bijksdag niet
bij machte geweest was hem te ontwringen. Men zegt, dat
vergif den Koning van zijne getrouwste levensgezellin heeft
beroofd; met haar, de veelgeliefde, ontzonk den neergebogene
een sterke steun. Men heeft Sigismund August den ko-
ning van den volgenden dag genoemd. Slechts aarzelend nam
hij een besluit, en met nog sterker aarzeling ging hij ver-
volgens tot de uitvoering daarvan over, bij welke hij niet
zelden door den snelleren loop der dingen achterhaald werd.
En toch, hoe dringende behoefte had Polen in deze hoogst
gewichtige jaren aan eene krachtvolle leiding! Zoo weifelde
hij ook ten aanzien van de groote vraag, welke in die dagen
van ieder Christelijk volk en zijnen vorst gebiedend beant-
woording eischte, en deze besluiteloosheid des Konings kostte
aan het land zijne toekomst. Sigismund August kende
nauwkeurig den broezen bouw der oude kerk in den lande,
on het vertrouwen op haar zeker voortbestaan was bij hem
diep geschokt. Yan zijne vaderen had hij eenen vromen zin
558
geërfd, en het gedrag der geheel wereldschgezinde geeste-
lijkheid was hem in menig opzicht tot eene zware ergernis.
Zijn vorstelijke zwager Radziwil behoorde tot de meest
besliste hoofden van don Hervormden adel, en aan het woord
van dezen diep crnstigen, geloovigen man hechtte de Koning
veel gewicht. De biechtvader zijner moeder, Lismanini,
verheugde zich insgelijks in des Konings gunst, en las hem,
tot diens groote stichting, de „Institutio" van Calvijn eenigo
winters achtereen voor. Onder de hofpredikers van Sigis-
mund was Prasnicius het Evangelie ten volle toegedaan;
met den diepen, zedelijken ernst van oenen Elia bestrafte hij
de zonden van het hof, alsmede de verdorvenheid van den
clerus, en de Koning onttrok zich niet aan zijne bestrafiPende
rede, en berispte den prediker nimmer over zijne stoutmoedige
taal. Ieder wachtte slechts op de beslissing, welker uitslag
aan niemand twijfelachtig toescheen, en toch draalde de
Koning, en liet aan de dingen hunnen bedenkelijken loop. —
De adel had reeds eene beslissing genomen. Verreweg de
grootste helft, en daaronder de oudste en aanzienlijkste fami-
liën, had den weg der Hervorming ingeslagen, met den vu-
rigen ijver en de onverbiddelijke vastberadenheid, met welke
een Pool ten uitvoer brengt hetgeen zich van zijne ziel heeft
meester gemaakt. Sedert tientallen van jaren hadden de zonen
van den Poolschen adel aan de beroemdste hoogescholen van
het buitenland gestudeerd. Het grootste en beste deel van
hen had , door den stroom van het Humanisme verder ge-
dragen, den oever der Hervorming bereikt. De Evangeli-
sche geschriften werden bijkans nergens gretiger en opmerk-
zamer gelezen, dan op de afgelegene kasteelen van Polen.
Het gastvrije slot werd welhaast tot eene wijkplaats van den
vervolgde om zijns geloofs wil, en de Poolsche slotheer waakte
te ijverig over zijn huisrecht, dan dat de Ttoomsehe geeste-
heid het zou hebben gewaagd, zich van haar offer binnen de
omheining van den burcht meester te maken. In den laatsten
tijd was de invloed van Oalvijn op den Poolschen adel
steeds aanmerkelijker geworden. Tusschen den verhevenen
geest, die in de geschriften van den Franschman zich uitte,
559
en dien van den Pool bestond eene zekere verwantschap;
iets congeniaals trok dezen laatste sterk aan. Do gevoelens
van den Qeneefsclien hervormer hielden omstreeks dien tijd
hunnen zegetocht door de landen, die zich eerst kortelings
voor het Evangelie ontsloten hadden ; in de toongevende krin-
gen van Polen werden zij met geestdrift begroet.
In de steden daarentegen was het anders gesteld. Daar
had zich eene Duitsche bevolking gevestigd, deels buiten alle
betrekking tot het land, gedeeltelijk ook in verzet tegen den
adel, die wrevelig was over de vrijdommen, in welker bezit
deze stedelingen zich reeds sinds geruiraen tijd mochten ver-
heugen. De betrekking tusschen deze laatsten en hun oude
vaderland was eene zeer levendige ; de trouw bewaarde moe-
dertaal gaf aan die aanhankelijkheid voedsel, terwijl het
drukke handelsverkeer dagelijks opnieuw het vuur aanwak-
kerde. De geest van Luther deed ook hier in de burger-
woningen zijnen gansch bijzonderen invloed gevoelen; zijn
verwonderlijk woord, dat zoo kristalhelder uit de diepste
diepte van het Duitsche gemoed opwelde, werkte als eene
kostelijke lafenis, en de kooplieden en de gildemeesters prentten
de vurige. Evangelische taal van den Duitschen hervormer
in hunne ziel. Wanneer de boekhandelaars van de Frank-
forter mis tehuis kwamen, dan waren hunne geheime voor-
raden van Luther's bezielende vlugschriften te Thorn en
Posen en Krakau spoedig uitverkocht, en in de achterkamers
der burgerhuizen met hunne hooge gevels luisterde de geheele
familie, wanneer de huisvader de Postille en de vliegende
bladen van den kernachtigen Duitschen man aan zijne huis-
genooten voorlas.
Tegenover de ontzaglijke beweging, die zich van het
grootste gedeelte van den Poolschen adel (m den Duitschen
burgerstand had meester gemaakt, stond de IJoomsche gees-
telijkheid geheel machteloos. Wat Polen betreft, bi(ïdt zij in
die dagen eenen bepaald erbarmolijken aanblik. Bijkans de
meeste kerkvorsten waren slechts wereldlijke grooten, die
in een overmatig weelderig leven hunnen tijd doorbrachten,
terwijl zij er zich ijverig op toelegden, om de vaak groote
560
leemten, welke door Poolsche zorgeloosheid en verkwisting
in hunne aanzienlijke inkomsten ontstaan waren, weder aan
te vullen. Sommigen hunner gaven zich zelfs onbeschroomd
aan eenen recht liederlijken wandel over. Wel waren er ook
ernstiger gezinde, vrome mannen onder hen; maar dezen
gevoelden ten deele zelven eenen afschuw van de verdorven-
heid van hunnen stand, en de levensadem des Evangelie's
had hen aangeroerd, wel is waar niet met zulk een heiligen,
diepen ernst en met gelijke kracht, als weleer onzen vriend,
dat ook zij met zulk een Farizcïsme gebroken, en openlijk
het kruis van Christus gepredikt, en zijne smaadheid gedragen
zouden hebben, maar toch althans in zooverre, dat hun de
lust verging, om zich tegenover de Evangelisch-gezinden in
hunnen kring te bedienen van de harde, hatelijke middelen,
welke hunne onmeedoogende oversten te Rome hun tegen
de ketters aan de hand deden. Waar sommige strijdlustige
bisschoppen het aangeboden wapen ter hand hebben genomen,
heerschte er bij hen voortdurend zulk eene schromelijke mis-
kenning van het wezen der Hervorming, dat wij daarbij
indachtig worden aan het oude, heidonsche spreekwoord,
dat de Godheid verblindt, wien zij verderven wil. De wijze,
waarop men den strijd voorde, kon nauwelgks ongeschikter
zijn. Hier op eens eene inspanning van alle kracht, om den
vermetele de gestrengheid der wet te doen gevoelen, en wan-
neer dan de aangeklaagde verschijnt, en met hem eene schare
van geloofsgenooten, dan versperren waarlijk de ontstelde en
voor hun lieve leven beangste rechters alle deuren in het
bisschoppelijk paleis , en de beschuldigde kan niet voor zijne
aanklagers verschijnen. Om de geledene schade weder te
herstellen, wordt ginds het arme meisje gegrepen, en met
hinderlijken spoed haar proces opgemaakt, als zou zij de
hostie aan Joden verkocht, en als zouden dezen het gewaande
lichaam des Heercn met naalden doorstoken hebben, ten
gevolge waarvan er eene groote hoeveelheid bloed uit de
hostie zou zijn gevloeid. En de pauselijke legaat Aloysius
Lippomani deinst er niet voor terug, het geheole proces te
besturen, en zelfs op bedriegelijke wijze de onderteekcning
561
des Konings te verwerven, en de Joden en het arme on-
schuldige meisje ter vuardood te doemen *).
De verwarring nam van dag tot dag toe, en de noodlot-
tige gevolgen van het gemis van geschikte leiders vertoonden
zich aan weerszijden op steeds bedenkelijker wijze. Het is
een recht smartelijk denkbeeld, dat de man, die door God
tot leider dor reformatorische beweging scheen te zijn ver-
koren, van Idolen werd verwijderd gehouden, en dat zijn
ernstig verlangen, om naar zijn vaderland terug te keeren,
bij den troon geen gehoor vond. De geheele persoonlijkheid
van La ski en hare bijzondere, hooge en nu reeds zoozeer
beproefde begaafdheid was als geschapen, om de loshangende
teugels te grijpen, en die met ecne krachtige, ervarene hand
tot heil des lands te blijven omklemmen. Hij zelf was een
Pool, uit de aanzienlijkste familie des lands gesproten, met
zijne broeders sedert den tijd van hunnen oom aan het
koninklijke hof bekend en zeer gezien, van verre vermaag-
schapt met Radziwil, met wien hij thans door eene ge-
meenschappelijke godsdienstige overtuiging innig bevriend
was. Daarbij was hij met de Roomsche kerk des lands
grondig bekend, en zou door zijn voorbeeld voor de weife-
lende gemoederen onder zijne vroegere ambtgenooten een
krachtige steun zijn geweest bij het doen van den gelijken,
thans zooveel minder gevaarlijken stap. Door zijne werk-
zaamheid was hij vertrouwd mot den Duitschen aard, met
welken hij door de innigheid en diepte van zijn gemoedsleven
veel verwantschap bezat, zoodat hij aan de burgerlieden in
de steden met sympathie de hand zou hebben kunnen bieden,
terwijl hij bovendien bezield was door den vurigcn wensch,
aan welks verwezenlijking hij al zijne levenskracht blijmoedig
toewijdde, om nl. aan de vereeniging van de Evangelisc^he
kerk te arbeiden, ten einde zich met onverdeelde kracht toe
te leggen op de grondvesting eener volgens Gods Woord
hervormde Christenheid. Maar op alle voorstellingen van den
Adel, om den uitnemendsten zoon des vaderlands terug te
1) Lu bicnit z ki, p. 78.
DALTON. 3G
562
roepen, bewaarde de Koning het stilzwijgen. Geloof hech-
tende aan de verzekering, dat er welhaast eene algemoene
kerkvergadering zou worden bijeengeroepen, bleef hij aan den
pauselijken leiband loepen, en terwijl hij weifelde en draalde,
snelde het eene jaar na het andere onherroepelijk voorbg.
Middelerwijl echter stond de beweging niet stil. In plaats
van den meest geschikten leider wierpen zich tallooze onge-
roepenc, ten deele ook dubbelzinnige persoonlijkheden tot
leidslieden op , die zich van de loshangende teugels trachtten
meester te maken, terwijl in het andere heirleger de per-
soonlijkheid optrad en zich aan de spits stelde, van welke
ook katholieke schrijvers erkennen, dat zij de Roomsche kerk
in Polen van den dreigenden ondergang heeft gered *), — wij
bedoelen Stanislaus Hosius. Wij schrijven hier geen ge-
schiedenis der Poolsche Hervorming, en gaan mitsdien, hoe
moeielijk het ons ook valt, de vele boeiende bijzonderheden
der Evangelische beweging in den lande stilzwijgend voorbij ;
enkele punten echter, voor zoover zij tot recht verstand van
de latere werkzaamheid onzes vriends noodig zijn, moeten
wij , zij 't ook slechts met vluchtige trekken , vermelden.
Polen was sinds geruimen tijd eene gastvrije herberg voor
lieden uit alle landen. Elke burcht werd tot een asyl, welks
omvang slechts de slothcer zelf te bepalen had ; zelfs de Ko-
ning durfde het niet wagen, de met zorg bewaakte vrijheid
en eigenmachtigheid van den Adel ook op dit punt aan te
tasten. Vandaag waren het „rondzwervende lieden", beoefe-
naars der humaniteitsstudiön, die de landen doortrokken, en
hier een bereidwillig en rijkelijk verleend gastrecht ontvingen ;
morgen waren het ballingen om huns geloofs wil, die niet
tevergeefs aan de slotpoort van den geloofsgenoot aanklopten.
Zelfs aan het koninklijk hof werden sommigen hunner ge-
duld. Met name uit Italië kwam een niet gering aantal,
die zich in hun vaderland niet langer veilig gevoelden. Ko-
ningin Bona zelve was eene Italiaansche. Van haren biecht-
vader Liamanini spraken wij reeds. Deze provinciaal der
») Eichhoru, I, S. 57.
5G3
Franciökanerorde , die zijne Evangelische denkwijze nauwe-
lijks meer verheelde, stond aan het hoofd eener geheel
Evangelisch gezinde vcreeniging te Krakau, tot welke uit-
stekende geleerden en geestelijken behoorden, en bij welker
samenkomsten men de EvangeUsche geschriften las en in
sympathetischen geest besprak. Het was een bijkans open-
baar gezelschap , en het kostte weinig moeite, daarin te wor-
den opgenomen, zoodra men zich slechts aangaande de ge-
zindheid der toetredenden had vergewist. Ook aanzienlijke
vreemdelingen vonden gemakkelijk toegang, en gaarne luis-
terde men naar hunne denkbeelden. Het was een vaak
bonte kring. Hier zat de verlichte, geheel Evangelisch ge-
zinde Johan Uchanski, destijds nog kanunnik te Krakau,
weldra reeds aartsbisschop van Gnesen, en luisterde naar
den lijfarts der Koningin, den oud-adellijken Italiaan Blan-
drata, hoe deze, zij 't ook nog slechts schroomvallig, zijne
bedenkingen aangaande de leer der Drieëenheid opperde *),
destijds nog ternauwernood gesteund door zijnen landsman
Stancarus, dien de bisschop van Krakau tot hoogleeraar in
de Hebreen wsche taal had benoemd, ofschoon hem bekend
was, dat hij uit hoofde van zijne Evangelische gevoelens
zijn vaderland had moeten verlaten. Ginds weder zien wij
de ijverige en begaafde leerlingen van Erasmus, nl. den
lateren bisschop van Krakau, Andreas Zebrzydowski,
en Bernhard Wojewodka, den geleerden Krakau'schen
boekhandelaar, die zelfs de gevaarlijkste boeken aan de trou-
wens wel eenigszins leepoogige blikken der censuur wist te
onttrekken, met den leerling van Melanchthon, Andreas
Frisius Modrzewski, in een levendig onderhoud ge-
wikkeld, aan hetwelk Lelio Sozini in 't eerst stilzwij-
gend deelneemt, om vervolgens in den verderen loop van
het gesprek zich uitingen te laten ontvallen, die als eene
voortzetting klonken van de redenen van zijnen landsman
Blandrata. ^)
Het was een zeer bedenkelijk element, dat zich in deze
1) Verg. het medegedeelde bij L u b i e n i t z k i , p. V.).
2) In bet jaar 1551 hield So/ini zich vuor de eerste maal, zij 't ook Blechts
504
f talianon , fm met de jaren in steeds sterker verhoudingen ,
zoowel wat het aantal, als wat de leer betreft, vermengde
met het nog onrijpe, fluctueerende Evangelische leven in
Polen, des te bedenkelijker, dewijl datgene, wat in het Ita-
liaanhche karakter aan dit element voedsel had gegeven, ook
aan het Pools^rhe karakter niet vreemd was. Jui»t de gevaar-
lijke nabijheid van Kome had den blik van den Italiaan ge-
scherpt voor het diepe verval der Kerk; aan een nuchter
verstand kostte het geringe moeite, de dwalingen in de leer,
alsmede het daaruit voortvloeiende bederf in het leven en
den wandol der geestelijkheid bloot te leggen, en de opge-
wekte zin ging gaarne tot de Hervorming over. Maar lucht-
hartig („leichtlebig'') als ze niettemin zijn, deze verwende
kindoren van het zonnige zuiden, hadden zij geen lust, om
den ernstigen weg in te slaan, die alleen tot eene hervor-
ming in geest en in waarheid geleidt. Slechts hij , die voor
de huiveringwekkende „hellevaart in het eigene hart" niet
terugbeeft, en in het duistere oord, waar hij zijne eigene
zondeschuld leerde inzien, den geheimzinnigon kamp door-
strijdt, aan het einde van welken de zegevierende strijder
bespeurt, dat in die geheimvolle gestalte God zelf met hem
geworsteld heeft, — hij alleen erkent Jezus ten volle als den
Christus, dewelke als éónige Hoogepriester zijne ziel gegeven
heeft tot een rantsoen voor onze zonden. Dien strijd hebben
do Paulussen, de Augustinussen, de Luther's ge-
streden en met hen de heldenschaar , die hunne leiding ia
g(ïvolgd. liet goddelijk merktceken van dezen kampstrijd
verleent aan de Uuitscho, Evangelische kerk haren heiligen
stempel: zij heeft Christus als den Zoon van God, den éénigen
Ilcïiland erkend, dewijl zij zijne verlossende grootheid in het
diepst harer ziel had ervaren. Doch kort voor het begin van
dcz(ï smartvolle baan sloeg een gedeelte der Italianen, die
zi<:h tot de llervoruiing hadden gekeerd, inzonderheid de z.g.
Venetiaanschc school, eencn zijweg in. Het spoor was hun
vluchtig, in l'olen op, en trad reeds toen, in dien tijd nog door mannen als
('ulvijii en Melaiiclithon aanbevolen, met de mannen dezer „ronde tafel*' in be-
trukking. (Verg. T r e cli a o 1 , 11 , S. 156.)
565
te daistcr, te onbehaaglijk; om het figuurlijk uit te drukken :
zij sloegen het 3de en 5de en 7de en 8*»te kapittel van den
Brief aan do Romeinen over, en namen tot uitgangspunt
hunner bespiegeling de plaats, in welke Paulus zijnen stouten
tred heeft bedwongen, en waar hij aanbiddend stilstaat, de-
wijl hij met zijn verstand de verborgenheid der godzaligheid
niet kan verklaren. De heilige leer van het Goddelijke wezen,
uit en door en tot hetwelk alle dingen zijn, werd voor deze
mannen het middelpunt hunner beschouwing ; hetgeen zij niet
geneigd geweest waren, vooraf door eigen innerlijke gemoeds-
ervaring te leeren kennen, moest zich nu voor hun verstand
rechtvaardigen. Zoo omhulde zich voor hunnen nucli teren blik
de allerheiligste verborgenheid van den drieëenigen God, en
gaven zij het kleinood prijs, dat hun verstand niet kon vast-
houden. Met eene zekere rustelooze gejaagdheid trokken zij
vervolgens, zonder vast verblijf, door Zwitserland en Duitsch-
land, vaak bitter en onrechtvaardig vervolgd, dewijl men in
dien ruwen tijd geen mededoogen voor zulke dwaalleeraars
kende, en de Hervormers het dreigend gevaar zagen, het-
welk deze zienswijze aankleeft. Zoo kwamen zij ook naar
Polen en te midden van de onvaste toestanden aldaar, in de
beweging, die nog altoos zonder leider was. De door hen
opgewekte twijfel had iets boeiends; hunne scherpe critiek
maakte indruk, en lokte het ontwikkelde verstand tot verder
onderzoek uit.
Ook de Pool is luchthartig; in stede van met zijn onder-
zoek in de diepte door te dringen, laat hij zich liever door
nieuwe, verblindende voorstellingen modesleepen, die hij zich
spoedig eigen maakt. De Pool had eenen helder ontsloten
blik voor de zonden en het diepe verval van zijnen tijd. Doch
in plaats van dezen blik in het eigen binnenste te vestigen,
en daar ^door de wet der wet af to sterven," en langs dezen
weg tot „het leven in Christus" to geraken, drijft hij liever,
vaak in bittere ironie, vaak in grievende, bijtende luim, den
spot met de gebreken van zijnen tijd, die hij meedoogenloos
aan den schandpaal der verachting nagelde. Een zeer ken-
merkend voorbeeld, wat deze liefhebberij betreft, is de in het
560
palatinaat van Lublin door don edelman Pszonka in 1548
gestichte „Oudo-vrouwcnrepublick", die, terwijl zij de ge-
breken van den tijd op overdrcvene wijze voorstelde, in den
diepsten grond der zaak de inrichting van Kerk en Staat aan
de bespotting prijsgaf *): eene vastenavondsklucht aan den
dorpel der heilige passie, maar met zulke kluchten betreedt
geen volk ooit de gezegende baan der Hervorming.
Deze voor Idolen zoo noodlottig gewordene Italiaansche
vluchtelingen en gasten hadden óf te Zurich, te Oenève, te
Straatsburg en te Wittenberg hunne antitrinitarische mee-
ningen op sluwe wijze weten te verbergen, of wel, zij zelven
werden zich van deze hunne gevoelens eerst in Polen, verre
van alle onderdrukking en vervolging, en in de trekkas-warnite
van bewonderiMide vereering, die hun hier ton deel viel, hel-
der bewust: om kort te gaan, het bevreemdend feit staat
vast, dat zij bij hunne aankomst voorzien waren van aanbe-
velingen van die mannen, welke men in de Evangelische
kringen als de hoofden der Hervorming beschouwde. Nadat
zij hier eenmaal waren opgenomen, wisten de fijn-beschaafde
mannen zich te verzekeren van de gunst van den hoogen
adel, die, onervaren in de theologie, niet in staat was om
de verste gevolgen hunner stellingen te doorzien, terwijl de
steeds ernstiger en nadrukkelijker waars(.'hu wingen uit het
buitenland moestal vru(;hteloos bleven. Ja, wegens zulke
uiteenzettingen zou het tnsschen Calvijn en den innig vro-
men vorst Uadziwil bijkans tot (^ene breuk zijn gekomen !
Met de hartelijkste deelneming, met bijkans vaderlijke zorg
volgde de Hervormer te (i(Mièv(ï den voortgang der Kvange-
lische beweging in Polen. Met hare hoofden onderhoudt hij
eene drukke briefwisseling, en wat hij hun schrijft behoort
mede tot het schoonste, dat uit zijne pen is gevloeid, üe eene
maal wendt hij zich met eerbied, en toch zoo geheel zonder
mens(jhenvrees' of slaafsche onderwerping tot den Koning,
en brengt hem, kort na zijne troonsbeklimming, in do toe-
wijding van zijnen Hrief aan de Hebreen, <mder het oog,
'} Verg. li e 1 e w c 1 , p. 117.
567
hoo het zijne koninklijke pliclit is, om aan zijn land het
Evangelie te schenken. Reeds in dit zendschrijven herinnert
hij Sigismund zijn landskind a La se o, die aan andere
volken met zegen het Evangelie verkondigt. *) De andere
maal schrijft hij zoo hartelijk en ook weder zoo ernstig aan
Radziwil, of aan den edelen Tarnowski, ócn der uit-
stekendöte Polen, en toch voor ecnen man als Calvijn niet
ernstig, niet beslist genoeg, en spoort hem aan, om toch het
éénige heil in Christus aan te grijpen. — Hoe gaarne zou-
den deze Polen aan C a 1 v ij n zelven de leiding der beweging
hebben toevertrouwd, en met welk cene vreugde zou hij ook
zelf haar hebben op zich genomen, indien het hem slechts
op eenigorlei wijs mogelijk geweest ware, om zijn Genove
voor langoren tijd te verlaten!
Daar naderde een ander element der hulp het land, dat
in duisteren drang om zijne hervorming worstelde, en bood
een heilzaam, zegenrijk tegenwicht tegen den bedenkelijken
invloed dor Italianen. Het waren erbarmelijke scharen van
blecke, uitgeteerde vluchtelingen, die, sedert het voorjaar
van 1548, in lange, armzalige wagentreinen uit Bohème,
door Sileziö, naar het verre Pruisen kwamen getogen, en
die hunnen weg namen door Groot-Polen. Zonen der oude
Hussieten, die in de oefenschool van een langdurig lijden
gerijpt en in hun geloofsleven bevestigd geworden waren op
eene wijze, die ons aan onze geliefde vluchteling-gemeente
te Londen en in Denemarken, in Xoord-Duitschland en te
Frankfort doet denken. Sedert de tijden van Ziska en van
Procopius hadden zij veel gebrekkig» afgelegd; in bitteren
nood waren •zij gelouterd. Aan de oostelijke grens van het
vaderland had eindelijk de anders-geloovende overwinnaar hun
eene streek aangewezen, waar zij ongemoeid volgens het Woord
Gods, op eenvoudige wijze, in eene gestrenge, door hen zelven
ï) Verg. Calvijn, XIII, 2S1. Bdangrijker noj; is het andore schrijven van
Cnlvijn aan Sigismand Aupcust (ib., XV, fS:?U), hetwelk bij den Koning een
gunstig unthiiul heeft gcvundcn. Daarop volgde nog een derde schrijven (ib. ,
XV, 892). Verg. ook S t a h cl in, II, i). 31.
5m
geoefende tocht, vrecdiiaatn en etil leefden. Zij telden destijds
om on bij de 400 kleine gemeenten; Toortvlnehfige Walden-
nen hadden ziüh bij hen aangesloten, en hadden hen geleerd,
zich geheel en al, ook wat de ordening hnnner goestelyken
betreft, van de Roomsehe kerk los te maken. Doorgaans
noemden zij zich Broeders, en als HBobeemsche broeders"
beeft de Kerkgeschiedenis deze bijbelvaste, zoo innig-vrome
en zedelij k-strenge lieden in hare rollen ingeschreven. Als
het bericht van het stoutmoedige optreden van Luther ook
tot hen io Bohème en Moraïië doordrong, was het hun,
alsof de laatste voorspelling van hunnen Hus in vervulling
was gegaan, en hun eerbiedwaardige Broeder-senior, de hoog-
verdienatelijke Lukas, zond afgevaardigden naar Wittcnberg,
ton einde den Hervormer hunnen broedergroet te bieden,
en hom hunnen Catechismus te overhandigen { 1 522). ' )
Luther had tegen een paar punten hunner Avondmaalsleer
bedenking; eerst na langer dan een tiental jaren en in de
Bteroining, die in de Witten bergaehe Concordie hare uitdruk-
king heeft gevonden, verklaarde hij zich voldaan. De een-
zame Broeders bleven mot liet odele verlangen bezield, om
in het vaderland der Hervorming medegenooten van het
Evangeliscbo geloof en leven te vinden, en betrekkingen met
hen aan te knoopen, en zoo vinden wij hunne boden in
1540 op weg naar Straatsburg, alwaar zij Bucer en Cal-
vijn begroetten, die bun aanstonds hartelijk de broederband .
reikten; inzonderheid Calvljn roemt de reinheid hunner
leer, en schenkt aan hunne kerkelijke tucht zijnen onver-
doelden bijval. =)
Maar do rustige dagen der Broeders spoedden ten einde.
Koning Ferdinand van Bohème had geon Inst, ben verder
in het land te dulden. Op trouwelooze wijze namen zync hand-
langers den eerwaardigen senior Augusta en één hunner
vrome predikers, Büeck, gevangen; onder vele martelingen
on vreeaelijko ontberingen hebben de beide geloofshelden, de
een 16, de ander 13 jaren achtereen, in eene harde, sombere
') Vern. Curwflnka, II, S., 65.
569
gevangenschap gesmacht *). Deze gewelddadige behandeling
van de beide leidslieden werd weldra door de verbanning van
al de Broeders gevolgd. Over de ruwe bergen, door wouden
en bergengten vervolgde de schare dezer ballingen haren weg ;
in hunnen zwaren tegenspoed boden zij gewis eenen treuri-
gen, en toch ook weder eenen hartverhcffcnden aanblik, want
het waren mannen, vrouwen en kinderen, voor wie het
kleinood huns geloofs hoogere waarde bezat, dan alle aardsche
welvaart, en die liever vluchtelingen op aarde wilden zijn,
dan hunnen Heer verloochenen. Een gedeelte sloeg den weg
in over Posen. Hier en daar konden zij nog de voetsporen
hunner vervolgde vaderen onderscheiden, die, meer dan eene
eeuw te voren, zich langs denzelfden weg in ballingschap
hadden begeven. Inzonderheid in Posen en zijne omstreken
bewoog men hen om te blijven. Castellaan van Posen en
kapitein van Groot-Polen was Andreas Gorka, der
Hervorming van ganscher harte genegen, een ernstige,
innig-vromc Pool, die, zonder zich te bekreunen om het
verzet van den bisschop van Posen, Isbinsky (zelfs niet,
toen deze van den Koning een bevelschrift had weten te
verkrijgen, hetwelk uitdrukkelijk verbood de ballingen te
herbergen), aan deze vlijtige, gestrenge, vrome lieden
vergunde, zich op zijne uitgestrekte goederen te vestigen.
Het beste deel van den Adel volgde zijn voorbeeld. —
Deze stamverwante „Boheemsche broeders" vormden in de
streken, in welke zij zich mochten vestigen, welhaast het
middelpunt der Evangelische beweging. Zij bezaten reeds
in eene vaste inrichting datgene, waarnaar de beweging
in den lande met zooveel inspanning streefde. Voor de zui-
verheid hunner loer konden zij zich gelijkelijk op de getuigenis
van Lu the r en van Calvijn beroepen, en zij, die in hunne
geestesrichting het voetspoor van één dezer beide Hervormers
bij voorkeur gevolgd hadden, ter eenor zijde de Duitsche
stedelingen, aan den anderen kant de Poolsche adel, vonden
in deze Broeders een langgewenscht vereenigingspunt. Men
«) Gindcly, I, S. 320 fg.
570
verzuimde nier, in ojizctTelijke samenkoms-Ten zalk eene ver-
zoeriiiiïT der verschillende Evangeii>che richringen tocif te
bereiden. In Aug:u!rtu-? l'j.j.j kwamen de Pool sche dissidenten
te Ko^minek, eene bezitriniEr van het per-laeht 0.strorog,
in de nabijheid van Ka]i^f•h bijeen. Her wa» eene indruk-
wekkende ver^radering. Uit Klein-Polen was eene reeks Tan
aa n zie n 1 ij k e ede 1 1 i eden v er^^h *^n en . H ^rtf «g A 1 b e r t v an
1 'rui -en bad affir'ï vaardigden gezonden, onder dezen ook zijnen
hofprediker ï'unck M: de l>oheem-fhe broeders badden
hunne uitstekends! e mannen gezonden. Zij biel den onwrik-
baar vast aan hunne welbeproefde belijdenis, en zoo gelukte
het hun , oj» de gemeenten van Klein-l'olen , wier aantal
reeds een 40 beliep, eenen overheerschenden invloed te
verkrijgen. Xadat zij ten hunnent waren wedergekeerd,
gevoelden deze Evangelisehen uit Klein-Polen den druk, en
wel op eene hinderlijke wijze. Men had ziih verbonden,
de belijdenis der I5uheem>ehe broeder* aan te nemen, bunnc
liturgie in te voeren, en zonder hunne goedkeuring niets te
ondernemen. Zulke groote conie?siën konden er gedaan wor-
den, dewijl onder hunne afgevaardigden zich niemand bevond,
die in beteek en is tejren mannen als Israël. Czernv en
andere vertegenwoordiger» der Broeders was opgewassen.
Met deze belangrijke vorderingen op kerkelijk gebied gin-
gen de pogingen gepaard van den Kvangeliseh-gezinden adel,
om in staatkundig opzicht volle wettiging hunner overtuiging
te verkrijgen. Daar de Koning tot dusver besluiteloos was
gebleven , maar toch ook reeds had getoond , dat hij niet
gezind was om don snellen voortgang te verhinderen, zoo
mochten de hoofden der beweging, die tot de doorluchtigste
familiön des lands behoorden , de hoop koesteren , in den
Rijksdag de overhand te zullen verkrijgen, en vervolgens
1) Ha SC (S. 231) verplaatüt abasievclijk de synode naar Warschau. Kene
waar<fi:hijnlijk vrij nauwkeurige opgave van de aan^o/ige personen vindt men
Iiij W r ri g i e r b k i . p. 70. De synode duurde van 24 Aug. tot 2 Scpt. De op
haar t(it stand gckoniene vcreeniging vund eeneu warmen pleitbezorger in
Calvijn („Opp." XV, Ü02).
571
den weifelenden vorst door de macht der omstandigheden
tot den beslissenden stap te nopen. Reeds op de laatst ge-
houdene landdagen had men tegen de Roomsche kerk en
hare vertegenwoordigers, de wankelende, onmachtige bis-
schoppen, eene uittartende, vijandige taal gevoerd. In 1552
bleef Rap haël Leszcynski gedurende de mis in de kerk,
die aan den Rijksdag voorafging, met godekten hoofde on-
gemoeid in de onmiddellijke nabijheid des Konings. De Rijks-
dag zelf besloot, dat wel aan de Kerk de beslissing zou ver-
blijven, of eene leer rechtgeloovig , dan wel ketterseh was,
maar dat goene wereldlijke straf langer diegenen zou mogen
treffen, wier leer door de Kerk veroordeeld was. ^) Nog
behield, inzonderheid onder de Evangelisch-gezinde bisschop-
pen des lands, de meening de overhand, afsof eene breuk
met de Roomsche kerk vermeden, en langs vreedzamen
weg eene hervorming in haar midden zou kunnen tot stand
gebracht worden. Zulk eene hervorming wachtte men van
het ïrentsL-lie concilie, en koos afgevaardigden tot bijwoning
daarvan. De keus der persoonlijkheden is kenmerkend. Welk
eene positie toch zou een l'chanski, een Drohojofski,
twee bisschoppen met geheel Evangelische gevoelens, en in
hun gevolg als geheimschrijver Andrea s PrisiusModr-
zewski '^) onder deze Italiaansche prelaten hebben inge-
nomen? Maar het (joncilie was intusschen weder eens, en
wel voor langoren tijd verdaagd.
De cisclien werden van jaar tot jaar hooger. Enkele land-
dag(»n vorderden van den Rijksdag, die in 1555 vergaderde,
dat hij aan de Evangelischen openlijk een rechtsgeldig plei-
dooi zou vergunnen. De Rijksdag, zói) luidde de wensch,
mocht in eene daartoe te beleggen bij(^onkomst, tot bijwoning
van welke ook buitcnlandsclie gasten moesten worden uitge-
noodigd, (Uï zaak van den godsdienst tot een voorwerp van
'i Krasinski, I, 1S8.
-) Hop in enig (mrijp rn onpracti.si'h dcnkbrclci er in deze tijden geopperd
werd, bewijzen de zeer boeiende en karakteristieke voorstellen, tvelke door
Modrzewski sehriftelijk aan den Koning werden bchandigd, en die men bij
Krasinski (I, 219 sq.) in een tamcl^k uitvoerig uittreksel vindt medegedeeld.
S72
opzcttolijke en heBÜBSondü beraadslaging maken. Als 7.ulko gas-
ten worden Calvijn, Melanchthon, B e za en in de eerste
plaats de eigen landgenoot a La se o met name genoemd.
Het voorzitterschap werd toegekend aan den Koning, die
daarbij niooat worden ter zijde gestaan door eene rij van door
hem gekozene vrome, christelijke edelen, die over den kamp-
Btrijd tuBschen geroepen vertegenwoordigers der EvangeÜBchen
en der Katholieken zouden hebben te beBlissen, terwijl beide
partijen tot staving van haro beweringen zich alleenlijk op
de H. Schrift zouden mogen beroepen. Het resultaat der
bespreking moest vervolgens worden nedergelegd in eene
geloofabelijdenie, die voor de kerk van Polen voortaan als
richtsnoor zou gelden '). Indien dit concilie ware bijeen-
gekomen , dan zou de uitslag stellig in het mideel dor
Katholieken geweest zijn, gelijk dezen zelven ook zeer goed
inzagen. Nog gelukte het hun, de zaak althans te doen uit^
stollen ; hoe groot zij het gevaar omstreeks dien tijd reken-
den, blijkt uit de brieven, die zoowel door de in 1555 to
Pefrikau vergaderde gewestelijke synode, ala nok door bis-
schop HosiuB aan den Paus gelicht werden.^) Daarin is
sprake van een ontzaglijk gevaar {.jingens periculum"), in
hetwelk de Roomsehe kerk verkeerde. De ijverige bisschop
van Ermeland bezwoer den Paus, onverwijld eenen nuntius te
zenden, „ten einde het zwakke te sterken, bet kranke te ge-
nezen, het verbrokene te verbinden, en het verdoolde op den
rechten weg terug te voeren." Ja , in den zin der Roomaclie
kerk was er oneindig veel zwak en krank, verbroken en
verdoold; waarschijnlijk zouden wij van eenen zoo vervallen
toestand der pauselijke kerk in de dagen dor Hervorming
niet licht ergens elders de wederga aantreffen.
Het schijnt, dat men te Rome het gevaar heeft miskend,
want men draalde met de afzending van eenen pauselyken
nuntius. De moeielijke omstandigheden in het Vatioaan kun-
nen echter mede de oorzaak der vertraging geweest zijn.
I. 77.
573
Reeds vroeger hebben wij gewezen op de spanning tusschen
den Paus en den Keizer, door welke natuurlijk de opmerk-
zaamheid van den Roomschen stoel een weinig van Polen
werd afgeleid. Toen vervolgens, in 1550, tot blijdschap van
Karel V, Julius III tot opperpriester werd gekozen, had
de Kerk eenen paus, „wion het onschuldige, genoegelijke leven
op zijne prachtige villa buiten de Porta del Popoio volkomen
genoeg was.'^ Hier vergat hij de overige wereld, om zich
slechts bezig te houden met de plannen en ontwerpen van
zijnen bouwmeester. Zondgr dat do Paus in zijne voldaanheid
het bemerkte, had zich onder zijne kardinalen allengs eene
strengere partij gevormd, aan welke do voortdurende daling
van het aanzien der Kerk ernstig ter harte ging. Uit hun
midden trad, in 1555, de nieuwe paus te voorschijn. Deze
koos voor zich den naam van dien Marcellus, dewelke,
als bisschop van Ancyra, eertijds te Nicea de woordvoerder
van het zegevierende dogma geweest was. Zijne keuze vond
ook in Polen, bij mannen als Hosius, hartelijke instem-
ming. ') Maar „het noodlot wilde hem aan de aarde slechts
toonen." '^) Zijne tijdgenooten en lofredenaars meenden, dat
de wereld zijns niet waardig geweest was, want reeds op
den 22«tcii dag van zijn pontificaat werd hij aan deze aarde
ontrukt. In zijne plaats trad de 80jarige Caraffa, als
Paulus IV, dien Ranke met deze meesterlijke trekken
toekent: „Zijne holle oogen hadden nog al het vuur der jeugd;
hij was zeer lang en mager, had eenen vluggen gang, en
scheen louter zenuw te zijn." ^) Ofschoon reeds een grijsaard,
toch blaakte hij nog van den somberen ernst eens monniks
voor de herwinning van de verzwondene macht der Roomsche
kerk over do gewetens der christelijke volken en ook over
de kronen hunner heerschers.
Nu behoefden de Katholieken in Polen niet lang meer te
wachten op den pauselijkcn nuntius met zijne uitgebreide
>) Verg. ibid., II, 57ü.
«) llase (I), S. 471.
3) Ranke (II), 1, 283.
574
volma<:htr;n. De bohendigo on sluwe Aloysius Lippomani,
hi.-j.Hrfiop van Vorona, die Polen bereids kende^ ontving den
lahf, orn, nadat hij f;ene hem toevertrouwde zending bij den
I)uitMf;hen keizer zou hebben ten uitvoer gebracht, zich on-
niidrJellijk naar het hof van koning Sigismund August
te begeven. Men kon bespeuren, dat eene krachtige hand te
Konie den teugel van het bestuur der Kerk gegrepen had.
Hoedanig echter de uit>lag zijn zou, was nog geheel onzeker.
\aar allen schijn was Polen voor den Paus verloren. De
toestand der liOoinscho kerk daar te lande was^ volgens de
getuigenis van eenen tijdgenoot, in het jaar 1555 zoo erbar-
melijk, dat in den Senaat, behalve de bisschoppen, nauwelijks
i(!inuud aan hare zijde stond. Maar een groot gevaar dreigde
de Evangcïlische beweging, dewijl zich nog maar steeds geen
uitstekende leider had opgedaan, die de verstrooide scharen
zou hebben kunnen tot één vergaderen. De Adel was zich
van dit gevaar bewust ; telkens nadrukkelijker, telkens drin-
gender wees men op den persoon, die door God zelven tot
leidsman gevormd was, op den adellijken geloofsgenoot, die
YAvh in d(ïu vreemde zulk eenen groeten roem verworven
had, en die -— dit wist men in Polen, — slechts op de
noodiging des Konings wachtte, om terug te keeren en
zich in zijn geliefd vaderland aan de spits der beweging te
stellen.
Ileeds in 1552 wordt de wensch luide geuit, data Las co
aan de zittingen van den Rijksdag mocht deelnemen. Deze
beloofden voor de Hervorming belangrijk te zullen worden,
en werdiMi zulks ook inderdaad door het veelbeteekenende
besluit, dat de wereldlijke macht niet meer hare hand zou
leenen tot het bestraffen van hen, die door de bisschoppen
van ketterij werden beschuldigd. Het schijnt, dat er, alhoewel
vruchteloos, onderhandelingen met den Koning, betreffende
de deehuMuing van La ski aan den Rijksdag, hebben plaats
gehad. 'Feu einde toch nog het gewenschte doel te bereiken,
besloot men eene pi^ging te doen, om door middel van den
aartsbisschop van Canterbury van den hertog van Nor-
Ihumberland te verkrijgen, dat a Lasco als gezant van
575
Èduard VI naar den Rijksdag te Petrikau mocht worden
afgevaardigd ^). Tot ons leedwezen hebben wij geen enkele
plaats gevonden, uit welke wij konden opmaken, hoe Las ki
dezen voorslag heeft opgenomen; het schijnt bijna, alsof hij
geen lust heeft gehad, door deze achterdeur in den Rijksdag
en alzoo in zijn vaderland te komen. Er kon althans geen
enkel spoor worden ontdekt, of er met betrekking tot deze
zaak bepaalde stappen in Engeland gedaan zijn.
Eene geschikte gelegenheid, om met zijn streven en be-
doelingen voor het aangezicht des Konings te treden, deed zich
aan Laski voor bij do uitgave van zijn voornaamste werk,
nl. de beschrijving van de vormen en gebruiken in zijne
geliefde vreemdcling-gemecnte te Londen, hetwelk hij tot
dat einde aan den Koning opdroeg. Over het hooge belang
van dat geschrift hebben wij reeds gesproken. '^) In de
opdracht aan den Koning kwam het er tevens op aan, zich
te rechtvaardigen met betrekking tot de beschuldigingen
zijner tegenstanders, welke den Koning reeds moesten zijn
ter oore gekomen. Nog heden ten dage doet het eiken ge-
trouwen zoon der Evangelische kerk van schaamte blozen,
te zien, dat een man als a Las co zich, niet wegens de
beschuldigingen van Roomsche tegenstanders, maar van
Protestantsche zeloten heeft te rechtvaardigen, en wel tegen-
over eencn koning, dien hij met al de kracht zijns geloofs
voor het Evangelie zoekt te winnen. Ja, het is eene altijd
versche, opcne wonde, des te smartelijker, wanneer men
moet bekennen, dat met betrekking tot datgene, waarvoor
in heillooze twistgiei-iglund en snooden overmoed mannen als
Westphal en Timann gestreden hebben, in onzen tijd
ook bij de meest besliste verdedigers der Luthersche belijdenis
zich nauwelijks meer (ïcnige lust vertoont om er dieper in door
te dringen, laat staan dan, er eene lans voor te breken, terwijl
daarentegen de instemming van Laski met de Augsburg-
8che belijdenis zóó gewettigd en beslist is, dat niemand hem
») „Original," p. 592.
*) ^'c^g' liierbovcn , bladz. 423.
576
langer zijn volle, onverkorte burgerrecht in de Evangelische
kerk betwist. ^)
La ski deed zijne meesterlijke beschrijving vergezeld gaan
van een drietal zendbrieven, t.w. aan den Koning, aan den
Senaat en aan den Poolschen adel. Het zijn zeer belang-
wekkende, gewichtige brieven, die een welsprekend getuigenis
afleggen van den scherpzienden blik, met welken onze vriend
de toestanden in zijn vaderland doorziet, terwijl hij waarschuwt
voor het dubbele gevaar, dat zoowel van de zijde van Home,
als ook van den kant der scktarissen dreigt, doch die tevens
op welsprekende wijze getuigen, hoe juist hij het uitverkoren
werktuig is, om zulk een dubbel gevaar te voorkomen. Ge-
dachtig aan eene oude, geliefkoosde uitdrukking, zouden wij
de bedoelde zendbrieven „biechtspiegels" wenschen te noemen.
Helder weerkaatsen zij den wezenlijken stand van zaken; van
ons meer verwijderd en daardoor zooveel gunstiger standpunt
der beschouwing zouden wij nauwelijks den eenen of anderen
trek aan de schildering weten toe te voegen. Daarbij de rijp-
1) Het zijn hoofdzakelijk de bcsehnldigingcn van Timann, tegenover welke
a Lasco zich verdedigt. De blijken zijn daar, dat de ijverige zeloot, zoodra h^
slechts van den voorgenomen terugkeer van Laski naar Polen bericht ontving,
zijn smaadschrift ook derwaarts zond, en waarschuwde voor den man, dien hg
zich niet schaamde in zijn vaderland te belasteren als een gelukzoeker, die in
de landen rondzwerft en beroeringen aanricht. ITosius is den Brcmenschen pre-
diker recht dankbaar daarvoor geweest; aan het tuighuis dezer Bremeosche
lastertaal heeft de strijdvaardige Roomsche bisschop zijne scherpste, grievendste
wapenen tegen den Poolschen hervormer ontleend , en daarmede slagen toege-
bracht, die onder de doodwonden der Evangelische kerk in Polen geteld kannen
worden. Men moet den zedelijken afkeer overwinnen, en de strijdschriften van
Timann in de Bremenschc twisten gelezen hebben, om eenen schrik te krijgen
voor deze tegenstanders en de rloor beu verdedigde meeningen, die zij, wel is
waar, uitgaven voor de cénige onvervalschte erve van Luther, maar die toch
door Laski juister als een terugvallen in het pausdom worden aangeduid, hoe
sterk ook Timann daartegen protesteert, en toch ook in zijn protest zelf het
verwijt rechtvaardigt; want hij belijdt weder te geloovcn in eenen heiligen
vader, die echter niet de Vader is van onzen Heer Jezui Christus. De ken-
merkende plaats, welke wij op het oog hebben, en die wij maar liefst onver-
taald willen laten, komt voor in zijn „Farrago", p. 141: „ut intcgram viri Dei,
Sancti Putris nostri Doctoris Lutheri doctrinam amplectamur, probemus.profi-
teamur et dufendamus ac ad posturos incorruptam eam transmittere summis
viribus conemur."
577
heid des oordeels, de onverbiddelijke ernst tegenover den
Koning en de machtigen, waarmede hij hun voorhoudt, dat
slechts die Hervorming gezegend is, welke alleen tot eero
Gods geschiedt, en die uitsluitend aan zijn Woord hare wape-
nen ontleent. Hoe nauw Laski zich, in zijne uiteenzetting,
aan de bijzondere toestanden van zijn vaderland aansluit, zoo
staat hij toch weder te gelijk op een zoo verheven, onbevoor-
oordeeld, echt Evangelisch standpunt der beschouwing, dat
zgne denkbeelden blijvende waarde hebben, en nog heden ten
dage, niet slechts iederen wakkeren zoon der Evangelische
kerk stichten, maar hem ook met geschikte wapenen tot voe-
ring van den tcgcnwoordigen strijd toerusten. Zoo menigmaal
wij deze zendbrieven gelezen hebben, telkens weder ontlokten
zij ons de klacht: Waarom toch heeft Polen niet geluisterd
naar de stem van dezen zijnen edelen zoon, dien de Heer
gezonden heeft omstreeks den tijd, als Hij het land in genade
bezoeken wilde? Hij staat daar, als profeet zijns volks, en
ook met het lot eens profeten, dat men zijne prediking niet
gelooft en daarom hare slagen moet verduren.
Een Frankforter burger. Peter Antonius, had de zend-
brieven met zich genomen naar Krakau. Laski had ze
door den druk laten vermenigvuldigen, en deed ze, te zamen
met de beschrijving van den cultus der vrcemdeling-gemccnte,
toekomen aan ieder wereldlijk lid van den Senaat in het
bijzonder, gelijk mede aan al diegenen onder den Adel, van
wie hij had vernomen, dat zij der Hervorming in Polen
genegen, of zelfs reeds openlijk tot haar overgegaan waren.
In Januari 1556 kwam de bode te Krakau, van waar hij
zijnen rijken voorraad brieven enz. verder op de adellijke
verblijven der groeten door het geheele land liet bezorgen.
De terugkeer van den bode werd vertraagd; immers, hij
moest antwoord medebrengen, en daar de expeditie der
brieven in die dagen met veel moeilijkheid gepaard ging,
konden de antwoorden van de afgelegene kasteelen slechts
zeer laat aankomen. Eerst tegen het einde van Mei kwam
Peter Antonius weder te Frankfort, een paar dagen nadat
Laski, door zijnen vergeefschen tocht naar Stuttgart bitter
DALTON. 37
578
teleurgcütcW, te Frankfort teruggekeerd was. De goedgevulde
bri^jvontasrjli bovatte blijdo berichten; de zendbrieven waren
in het vaderland niet zonder uitwerking gebleven. Van den
Koning was een welwillend antwoord ingekomen, maar dat
met geon enkel woord van den terugkeer gewaagde. *) Vorst
Rad zi wil gaf aangaande dat stilzwijgen het noodige uit-
sluitsel. De Koning had hem gezegd, dat hij nuch een
bevel tot terugkeer wilde geven, om niet den schijn te
doen ontstaan, daartoe aanleiding te hebben gegeven, noch
ook dien terugkeer verhinderen wilde, ten einde niet den
tegenovergestelden schijn te doen ontstaan, alsof hij La ski
niet wilde dulden; indien deze laatste echter het voornemen
koesterde om naar Polen weder te keeren, dan ried de goed-
gunstig gezinde koning hem aan, niet vóór het begin van den
Rijksdag te komen, en oo}c moest hij er voor zorgen, zich
te zuiveren van alle verdenking , alsof hij , inzonderheid wat
betreft de Avondmaalsleer , afweek van de Augsburgsche
belijdenis. '^) Deze mededeeling was voor La ski voldoende,
om in haar de zoo lang gcwenschte roepstem des Konings
te erkennen, zonder welke hij niet wilde terugkeeren.
Eenc reeks van verdere brieven smeekten, ja eischten,
dat hij zonder uitstel zou wederkeeren. De gewichtige Rijks-
dag was ophanden; men verwachtte een beslissend debat,
on de Roomsche kerk bereidde zich, met inspanning van
al hare krachten, voor op eene ernstige worsteling. Reeds
was in Polen bekend, dat de bisschop van Verona den last
had ontvangen, om als nuntius van den Paus op den Rijks-
dag te verschijnen, en in deze in Polen nog ongewone waar-
digheid do zwaar bedreigde zaak der Kerk te bepleiten.
La ski meende nu niet langer meer te mogen dralen. Het
bericht gewerd hem nog, dat de Rijksdag was uitgesteld, en
reeds meende hij een oogcnblik, dat hij de door hem met
zulk oenen levendigen ijver bevorderde samenkomst van vor-
sten en godgeleerden nog zou kunnen bijwonen, dewijl hij op
I) Oalvijn, XVI, 185.
») Kiiy per, II, 738.
579
die vergadering het voor hem zoo onmisbaar noodzakelijke
openlijke getuigenis hoopte te verkrijgen, dat zijne leer met
de Augsburgsche belijdenis in overeenstemming was. ^) Doch
nieuwe brieven, welke hij ontving, deden hem weldra van
besluit veranderen en ten spoedigste uit Frankfort vertrekken.
Nadat hij een paar dagen in persoonlijk verkeer met
Calvyn had doorgebracht, gunde hij zich nog slechts den
tyd om het verdedigingsschrift der buitenlandsche godgeleer-
den, hetwelk aan de Frankforter magistraat moest worden
aangeboden, te voltooien. Dat geschrift moest hem te gelijk
dienen, om den Poolschcn koning de gewenschte overeen-
stemming met de Augsburgsche confessie te toonen.
Reeds hebben wij onzen vriend en zijnen getrouwen tocht-
genoot Utcnhove op hunne reis naar Polen een eind weegs
vergezeld.
*) Verg. het bij K ii y p e r ontbrekende schrijven van Laski aan Melanchtbon,
gedagteekend van den ISdcn Sept. 1556 (Calvijn, XVI, 285).
12.
De medewerking van Laski in zQn yaderland
aan de Hervorming van Polen.
Den Icn December 1556 vertrok onze vriend uit Breslan,
nog vermoeid ten gevolge van den eerst pas doorstanen
koortsaanval ; een paar dagen later mag hij , naar den zoo
lang gekoesterden wonsch van zijn hart, de vaderlandsehe
grens overschrijden. Allereerst begaf hg zich naar Balisch,
naar het slot van Jan Bonar, gouverneur van het kas-
teel van Krakau en castellaan van Biec, — één van de
voornaamste Protestanten des lands, een man van zeldzame
vroomheid en schranderheid. Hier kwamen de hoofden der
Evangelische beweging, en onder dezen tot zijne groote
vreugde niet weinigen zijner naaste verwanten, hem met
hartelijke liefde verwelkomen. De slotheer zelf, de edele
Bonar, die bereids aan de Evangelische gemeente te Krakau
in zijnen lusthof vóór de Nicolaï-poort de noodige ruimte
tot het bouwen van een bedehuis had afgestaan, *) was de
zusterszoon van onzon La ski; eveneens als zgne neven,
») „Chronik,'» S. 8.
581
en bovendien als zijne zeer besliste geloofsgenooten, kwamen
de drie gebroeders Ostrorog hunnen beroemden oom be-
groeten. *) De rijke magnatenzoncn hadden reeds sinds gerui-
men tijd op hunne uitgestrekte goederen hunnen Evangelischen
prediker, Felix Cruciger, die tot de besluiten der synode
te Kozminek op belangrijke wijze had bijgedragen, inzonder-
heid daar de Ostrorog's zelven in het huis van Gorka
te Posen vriendschapsbetrekking hadden aangeknoopt met
George Israël, en door diens persoonlijkheid voor de Broe-
dergemeente gewonnen waren. Ook een oom („avunculus")
van Laski had zich gehaast, hem te komen begroeten, nl.
Stanislaus Myszkowsky, destijds nog prefect van Marien-
burg, later castellaan van Sendomir, ten laatste palatijn van
Erakau^ een beslist Protestant, die het ijverigst den terug-
keer van Laski bevorderd en onbevreesd de intriges van
Lippomani voor den Koning had onthuld. '^) Met Laski's
verwanten was eene grooto schare van edelen toegesneld,
ten einde hunne vreugde te betuigen, dat zij hunnen be-
roemden landsman, aan wiens leiding zij zich allen zonder
tegenspraak wilden toevertrouwen, als aanvoerder en stnjd-
genoot in hun midden mochten zien.
Het was echter ook te doen om eenen heeten strijd, die
allereerst wegens den beroemden aankomeling zelven ont-
brandde. Vriend en vijand wisten , wat zij van hem hadden
te verwachten. In een paar vluchtige regels, door Laski
den 19<*cn Februari 1557 aan Calvijn gericht, lezen wij:
„Door zorgen en bezigheden, waarde Calvijn, word ik thans
zoozeer overstelpt, dat ik geen tijd vind om te schrijven.
Van de eene zijde worden wij door vijïinden, van den anderen
kant door valsche broeders belaagd, zoodat wij geen oogenblik
rust hebben ; maar, Gode zij dank, wij treffen hier ook vele
vromen, die ons tot hulp en troost zijn." **) De beide soorten
van tegenstanders, tegen welke Laski zich had te ver-
i) „l'ontes/' XÏX, 236.
*) Verg. Lubicnitzki, p. 65. 71; alsook Wengierski, p. 533.
3) Kuypcr, II, 716.
582
dedigen, moeten wij een weinig nauwkeuriger beschouwen.
Onder de openbare vijanden, die echter van slinksehe
wegen tot bereiking van hun doelwit gansch niet afkeerig
waren, zijn natuurlijk de Katholieken te verstaan. Nauwe-
lijks hadden de bisschoppen, die op den rijksdag te Varschau
bijeenwaren, vernomen, dat La ski in Polen was terug-
gekeerd, of zij kwamen allen in de woning van den aarts-
biss«;hop van Gnesen te zamen, om onderling te overleggen,
hoe zij zich ten opzichte van dezen man moesten gedragen. ^)
De beraadslaging duurde eenen geheelen dag; de bisschop van
Kjakau gaf uitdrukking aan de heerschende stemming, toen
hij La ski den scherprechter der Poolsche kerk noemde. Men
kwam overeen, den Koning om 's mans verwijdering te zullen
verzoeken. Reeds des anderen daags vroegen Lippomani
en de gezamenlijke bisschoppen eene audiëntie. Zij drongen
er bij den weifelenden koning op aan, dat hij dezen aarta-
ketter zou verbannen. Sigismund bleef standvastig: noch
door hem, noch door den Senaat was La ski als ketter
gebrandmerkt. De sluwe nuntius trachtte den Koning vrees
aan te jagen, alsof La ski van zins was, het koninklijke
gezag aan te randen en onrust in den lande te verwekken,
ja zelfs do wapenen tegen den Koning op te vatten. Ook
deze leugen van den Jezuïet had niet geheel de gewenschte
uitwerking. Vorst Radziwil stelde zich voor den zoo
schandelijk belasterde ridderlijk in de bres; reeds sinds lang
had hij den Italiaan doorschouwd, en stemde in met het
scherpe oordeel der landboden, die den nuntius, bij zijn
binnentreden in den Rijlcsdag, overluid begroetten met het
grimmige woord: „Wees gegroet, gij adderengebroedsel !" *) —
Ij i p p o m a n i begreep, dat hij niet zoude slagen ; zijne stelling
was buitendien onhoudbaar geworden. Een paar vertrouwelijke
zinsneden uit zijne brieven hadden ruchtbaarheid gekregen;
den gruwzamen , nauwelijks geloofelijken inhoud , dat nl. de
vreeselijke monnik te liome, die zich de stedehouder des
1; Verg. ook het met ccne humoristische tint geschreven bericht van Laski
.lan den landgraaf van Hessen: ibid. , II, p. 7'19.
•t ,,Salvc, progenies viperorum!" Verg. Lubicnitzki, p. 76.
583
Heeren noemde, hem in last had gegeven, om van den
koning van Polen de hoofden van een acht- of tiental Protes-
tanten te vorderen, kon hij niet loochenen, *) en beschouwde
zich nu niet langer veilig in het wegens zulk cene mare ten
hoogste verontwaardigde land. Dringend verzocht hij te Rome
om zijne spoedige terugroeping, die hem dan ook weldra ver-
leend werd. '^)
Zelfs in het Vaticaan bespeurde men den schrik wegens
Laski's terugkeer. Nauwelijks had Paulus lY het bericht
dienaangaande ontvangen, of hij schreef, op den hoogharti-
gen toon van eenen geloofsrechter, aan den Koning, en vor-
derde, evenals zijn nuntius, de onvoorwaardelijke verbanning
van den ketter. IJecds het besluit van den rijksdag te War-
schau in 1556, hetwelk aan alle edelen vrijheid gaf, op
hunne goederen Protestantschc predikers aan te stellen, had
den I^aus hevig vertoornd. „Een zoo roekeloos decreet^' —
dus bijt do gramstorige Paus aan den Koning toe, — „hebt
gij in uw land toegelaten? Hebt gij u dan niet, zelfs met
gevaar van uw leven, daartegen verzet? Wie kan zulk eene
euveldaad naar eiseh beweenen ? Onder deze omstandigheden
is hot, voorwaar, ook niet te verwonderen, dat het ketter-
hoofd Jan La ski en andere ketters, die tijdens het leven
van uwen vromen vader, dezen kettervijand, de vlucht had-
den genomen, weder naar Polen zijn teruggekeerd, en onge-
straft mogen ondernemen hetgeen zij willen." ^) Deze en
eene andere breve, welke de eerste welhaast op den voet
volgde, en die in eenen gelijken toon was gesteld, miste
hare uitwerking: ook voor een nog getrouwen zoon dor Kerk
had deze taal van eenen paus in de eeuw der Hervorming
eenen te vreemden klank. La ski en de andere „ketters"
bleven ongemoeid in het land.
Bedenkelijker en in hun gevolg voel gevaarlijker voor do
ontwikkeling der Evangelische kerk nu ook hier te lande
waren de slagen, die haar door de valsche broeders, vaak
»j Verg. Si X t, S. 390.
>j Verg. Th ei n er. II, 590.
3) Sizt, S. ^4.
584
in schromelijke verblinding, werden toegebracht. Reeds uit
de opdracht van hot bovengenoemde geschrift van Laski
aan den Koning blijkt, dat de zeloten, die onzen vriend
en de leden zijner gemeente door geheel Duitschland hadden
vervolgd, niet van zins waren, hem in zijn vaderland
ongestoord te laten arbeiden aan, de vervulling van zijne
belangrijke taak. Tot ons leedwezen zien wij hier zelfs
Brcnz, in onbegrijpelijke kortzichtigheid, met West ph al en
Timann en Flacius samengaan. Het was den Wurtem-
bergschen hervormer niet genoeg, dat hij zijne landskerk
voor den invloed dezer geloofsgenooten van Melanehthon
en Calvijn had gevrijwaard; hij achtte zich geroepen, zijne
waarschuwende stem tot zelfs in Polen te doen weerklinken.
Nauwelijks had B r e n z gehoord, dat Laski zich aangordde
om naar zijn vaderland terug te keeren, of hij smeekt hertog
Albrecht dringend om zijne medewerking, ten einde het
dreigende gevaar voor Polen af te wenden , of toch althans
door tegenovergestelde invloeden dat gevaar te verminderen. *)
Ecne verdere hulp, om zijne waarschuwende stem in
Polen gehoor te doen vinden, zag Br enz zich geboden
doordien Vergerius zich derwaarts begaf. Het is eene
merkwaardige, karakteristieke verschijning in de eeuw der
Hervorming, deze Italiaan uit Capo-d'Istria. Nagenoeg van
gelijken leeftijd als onze Laski, had Vergerius, strijd-
vaardig en welbespraakt, met oenen practischen geest en
oenen vluggen, juisten blik begaafd, als gezant der Curie en
als vertrouweling van Clemens VII deelgenomen aan den
rijksdag te Augsburg in 1580. Bereids in 1536 heeft de rechts-
geleerde zich in cenen bisschop omgeschapen : voor zulk eene
verandering van kleedij werd destijds geen langdurige voorbe-
reiding, maar slechts pauselijke gunst vereischt. Reeds scheen
het den eerzuchtige toe, alsof het purper hem wenkte. Maar
do opkomende orde dor Jezuïeten had eenen scherpen reuk.
Pe bisschoppelijke legaat had zich te lang in het kettersche
Duitschland opgehouden, om niet reeds daardoor alleen in
I Verg. „Anecdota," p. 4i?*J, alsook de aangrijpende klacht van Melanehthon
over deze ODTerdrangiaamhcid : ibid. . p. 4C-1.
585
hun oog een verdacht persoon te zijn, en aan hnnne ver-
denking wisten zij bij den Paus ingang te verschaffen. Ver-
gerius achtte zich in Italië niet langer veilig, en nam, in 1546,
do wijk naar het buitenland. Het is niet geheel uitgemaakt,
in hoever reeds destijds het vermoeden der Jezuïeten gegrond
was, of ook in hoeverre de verdachtmaking den man eerst
tot de ketterij gebracht heeft. Sedert 1549 leidde hij , op
eenigszins avontuurlijke wijze, een zwervend leven, vol van
kommer, totdat hij in 1553 de gunst van den hertog van
Wurtemberg en een veilig onderkomen in diens land ver-
kreeg. Van nu voortaan beschouwde hij het als zijne levens-
taak, om het pausdom zooveel mogelijk afbreuk te doen,
en in dit opzicht heeft hij het inderdaad verbazend ver ge-
bracht. Bedrijvig van aard, was het hem eene behoefte,
zich overal in te mengen. Hij was een oprecht Protestant
geworden , hier in Wurtemberg in den trant van B r e n z ,
maar zonder dat hij veel diepte bezat. Toen hij met de
Boheemsche broeders bekend werd, trokken dezen hem zoozeer
aan, dat hij zich gaarne bij hen zou hebben aangesloten,
het antwoord der voorzichtige en ten zijnen aanzien eenigs-
zins wantrouwende Broeders geleek op eene afwijzing. ^)
Vergerius was nog niet in Polen geweest, en had zich
nog niet in do opkomende Hervorming aldaar doen gelden.
Dat mocht zoo niet blijven. Een aanknoopingspunt, om het
gcwenschte doel te bereiken en om met name tevens aan hot
Hof te komen, was spoedig gevonden. In 1533 had Verge-
rius zich als pauselijk legaat aan het hof van Ferdinand
van Oostenrijk opgehouden, en in zulk eene mate diens gunst
weten te winnen, dat hij tot peet van de pasgeboren prin-
ses Katharina gekozen werd. Do koninklijke doopdochter
was in 1553 koningin van Polen geworden; reden genoeg voor
Vergerius, om aan haren gemaal te schrijven: „Het is de
plicht dcrgcnen, die eene doopbelofte afleggen, de personen,
voor welke zij zich aansprakelijk hebben gesteld, in de we-
gen dos heils te onderwijzen en hen daarin te bevestigen; deze
") „Fontea," XIX, 2B8.
586
plicht moet en wil ook ik vervullen, indien niet mondeling,
dan toch althans schriftelijk, voor zoover de Heer mij daartoe
genade verleent." *) De onrustige, bedrijvige man maakte zich
weldra gereed, bm de genoemde taak ook mondeling te ver-
vullen. In Juni 1556 vinden wij hem in gezelschap van
La ski te Frankfort, in de uit Polen aangekomen brieven
bladerende ^) ; maar de sluwe Italiaan geeft aan onzen vriend
niet te kennen, dat Br enz hem heeft opgedragen, om den
mogelijken invloed van La ski op zijne landgenooten tegen
te werken.
Aan die opdracht heeft Vergerius getrouwelijk voldaan.
Met betrekking tot de Evangelische gezindheid van Laski
heeft hij op verschillende plaatsen mistrouwen gezaaid, en in
de gemeenten argwaan tegen zijne persoonlijkheid gewekt.
Dat deed hij in Groot-Polen, alwaar in de steden de aan-
hankelijkheid aan Wittenberg de overhand had, en waar men
uit dien hoofde aan zulke geheime influisteringen gretig ge-
hoor gaf; zulks deed hij echter ook, bij de verdere voortzet-
ting van zijne reis, in Klein-Polen, welks adel vooral aan
Calvijn was toegedaan, en waar men Laski met opene
armen en in volkomen vertrouwen had ontvangen. Ook te
Wilna is Vergerius op zijne wijze werkzaam geweest ; op
zijne aansporing schreef Radziwil aan den hertog van
Wurtemberg en aan den keurvorst van de Palts, om hen
te verzoeken, dat zij door een plechtig gezantschap bij den
Koning zouden aandringen op de invoering van de Augs-
burgsche belijdenis. ^) De edele Radziwil droeg natuurlijk
i) Sixt, S. 400.
«) Kausler, S. 129. — Calvijn (verg. „Opp." XVI, 170) had den ijdelcn
Italiaan bereids doorzien, en argwaan tegen bem opgevat. Kenmerkend, mrt
betrekking tot Vergerius, zijn een tweetal oordeelvellingen van EngelschcR,
met toespeling np zijne beide voornamen. Met het oog op 's mans woelen in
Polen sehrijft Burcher, uit Krakau: „Ik wcnsebtc, dat bij of een rechte Petru*,
of een echte Paulus was" („üriginal*', p. 093), eu bisschop Jewel, die zich, in
1550, over raadgevingen van den man aan koningin Pili/abeth beklaagt, zegt:
„Who this person is — if I teil you that he was once a bi.shop, tliat he is
now an exile, an Italian, a krafty knave, a coiirtier, eithcr Peter or Paul, you
will know him bctter than I do." („Zurich", 1, 21.)
3) Sixt, S. 420. Verg. daarbij ook : „ Anecdota", p. 437.
587
geen kennis van de smartelijke worstelingen in Duitschland,
in welke men elkander de overeenstemming met deze belij-
denis betwistte, en wist waarschijnlijk niet, dat Br enz,
door wien deze brieven bezorgd werden, van oordeel was,
dat La ski tot dit verband volstrekt niet behoorde. Alsdan
Vergerius Laski persoonlgk ontmoette, sloot hij zich bij
hem aan, betuigde zijne overeenstemming met hem, en mis-
leidde aldus, op bijkans verraderlijke wijze, ook zijne naaste
bekenden. ^)
Deze zijne ondermijnende werkzaamheid zette Vergerius
in Duitschland en in Zwitserland voort, terwijl hij hier en
ginds aangaande de zorgwekkende werkzaamheid van Laski
valsche geruchten verspreidde. Daarin moet hij blijkbaar al
zeer ver zijn gegaan, want in 1558 zag hij zich genoodzaakt,
om in een uitvoerig schrijven aan Stanislaus Ostrorog
zijn gedrag te rechtvaardigen. ^) Dat schrijven is eene belang-
rijke oorkonde in de Her vormingsgeschiedenis van Polen, doch
ook tegelijkertijd een bezwarend getuigenis voor de gevaar-
lijke werkzaamheid van Vergerius, hetwelk ons doet zien,
hoe weinig hij in staat is geweest, de werkzaamheid van
Laski ook maar te begrijpen. Hij tracht er reden van te
geven, waarom hij Laski in zijne veelszins beproefde be-
drevenheid, wat betreft de grondvesting en besturing der
Kerk, heeft tegengewerkt, of althans hier en daar heeft we-
dersproken, dewijl Laski nl. niet van zins was, om ook
daar, waar hij voor eene Evangelische landskerk van Polen
eene verdere ontwikkeling noodig achtte, zich door de belij-
denis der Boheemsche broeders aan banden te laten leggen.
Wij hebben alleen Vergerius uit het getal dezer „val-
sche broeders" op den voorgrond doen treden, niet alsof hij
de cénige zou zijn geweest. Ook in Polen had Laski zich
tegen do oude tegenstanders te verweren, maar deze nieuw-
i; Verg. den brief van Utenhove nan Biillinger („Origioal", p. 603), in wel-
ken dit drijven nauwkeurig beschreven wordt, en dien Sixt, naar 't schijnt,
niet gekend heeft.
^) Ook dit belangrijke document is aan Sixt ontgaan. Wij vinden het mede-
gedeeld: „Fontes*», XIX, 215—240.
588
bijgekomene heeft zich onmiddellijk aan hem vastgeklampt,
even alsof hij hem, den Pool, die belangrijke werkzaamheid
in zijn vaderland niet gunde. Al lieten deze lieden ook niet
af, den arbeid van Laski zooveel mogelijk te belemmeren,
toch gelukte het hun niet, hem dien te doen staken, en wij
willen nu verder onzen vriend in zijne opbouwende werk-
zaamheid in zijn vaderland gadeslaan. Op deze valt nu in-
tusschen niet meer het toereikende licht, gelijk op zijne
reformatorische werkzaamheid in Duitschland en in Engeland.
Aan do daarop volgende, zoo treurige reactie is het bij haar
ijverig streven gelukt, de gezegende sporen van die paar
jaren bijkans geheel uit te wisschen, en vele nasporingen
waren er toe noodig, om desniettemin nog enkele feiten te
weten te komen, en verbleekte sporen weder op te halen. *)
Nadat Laski gedurende een paar weken zich aan de zoo
aanmerkelijk gewijzigde toestanden van zijn vaderland had
trachten te gewennen, draalde hij niet, met kracht de hand
te slaan aan de vervulling van de gewichtige taak, die hem
was ten deel gevallen. De eerste stap, dien hij deed, was
deze, dat hij een uitvoerig zendschrijven richtte aan den
Koning, in hetwelk hij hem zijne aankomst in Polen
berichtte. ^) Daarin legt hij openhartig rekenschap af van
hetgeen hij tot hiertoe verricht heeft, en stelt, onder bij-
voeging van den brief van Melanchthon aan den Ko-
ning, ^) in het licht, hoe hij zijn bost heeft gedaan, om den
Avondmaalsstrijd bij te leggen. Daarop gewaagt Laski van
de valsche beschuldigingen , met welke de bisschoppen hem
h Kpdc nasporing op éénc mijner studiereizen in Polen werd met een onver-
wacht succes bekroond. In een afgelegen vlek kreeg ik nl, de orgineclc proto-
collen der synoden, vergaderingen en pastorale samenkümsteu der Evangelischen
van Klein- Polen gedurende de jaren 1550 — 1501 in handen. Het manuscript
was aan de naspeuringen der Jezuïeten ontgaan; omstreeks 300 jaren lag het in
zijnen heiligen, eenzamen schuilhoek. Aan dat handschrift hebben wij de be-
langrijkste luededeclingen op de volgende bladzijden te dankeu, alwaar wij het
af en toe onder de benaming „Protocollen" zullen aanhalen.
i; Kuyper, II, 738.
3) Afgedrukt bij Lubienitzki, p. 91, en bij Melanchthon, VJII, 869.
589
bij den Koning hebben zoeken verdacht te maken. Met edelen
trots werpt hij die vin zich, terwijl hij zich beroept op de
getuigenis van Christus, zijnen Heer, dat slechts dieven en
roevers, die het daglicht haten, tot zulke duistere, geheime,
bedrieglijke beschuldigingen hunne toevlucht nemen. Van die
beschuldigingen bespreekt hij er slechts ééno, nl. die van
den pauselijken nuntius, die hem een ketter genoemd had.
Over dit snoode woord houdt hij een ernstig gericht, en
baant zich alzoo den weg, om den Koning voor zulk een
genootschap te waarschuwen. Het zijn gulden woorden, die
deze Christen onbeschroomd aan zijnon medechristen op den
troon doet hoeren. „O beste Koning, doe dan, in vereeniging
met uwe grootcn, hetgeen de Heer heeft gelast. Doe uit het
midden van uw rijk de vreemde goden weg, en dien God
alleen, door de herstelling van eenen waren, goddelijken,
volkomenen godsdienst. Dan zal de Heer u en uw rijk beide
van alle Filistijnen dezer wereld bevrijden. Doet gij zulks ech-
ter niet, zie toe, dat gij niet juist door datgene, waarvan gij
u wellicht bevrijding belooft, u zelven en uw rijk den onder-
gang berokkent." ^) Steeds ernstiger, steeds nadrukkelijker
wordt de ontroerende boetrede van den dienstknecht van
Christus tegenover don Koning; de waarheid des Evangelie's,
de vurige liefde tot zijn vaderland schenken aan het indruk-
wekkende woord eene wonderbare, aangrijpende betoovering.
„Mogen anderen u vleien, zooveel zij willen, mogen zij liefe-
lijke woorden spreken, zooveel hun lust, ik wil liever met
u spreken naar den mond des Heeren — Eerbiedig smeek
ik u, dat gij u aangaande ons allen ten stelligste overtuigd
moogt houden, dat wij veel liever allo onze goederen en
zelfs ons leven willen prijsgeven, dan dat wij ooit zouden
toelaten, dat aan onze getrouwheid, onderworping en chris-
telijke gehoorzaamheid jegens u ook maar het geringste mocht
') Op welk ccnc ontroerende wijze hebben de volgende eeuwen dat ernstige
profetenwoord aan het ongelukkige Polen vervuld I De wortel;* van het „finis
Poloniae" liggen duur, waar de koning van Polen de vermaning van Laski
niet heeft opgevolgd , en den tijd van genaderijke bezoeking des Ilcercn onge-
bruikt heeft laten verstrijken.
590
ontbreken; — ik zeg: onze „christelijke" gehoorzaamheid,
d. i. eene zoodanige, die noch in do hoop op belooningen
dezer wereld, noch ook uit vrees voor oogenblikkelijke straffen,
maar om den wille van God zelven, die haar van ons eischt,
en om den wille van onze eigene consciëntiën betoond wordt."
Doch wij zouden den geheelen brief moeten weergeven, indien
wij alle behartigenswaardige plaatsen van dit vrome, innig-
christelijke mannenwoord wilden mededeelen : een zeldzaam-
schoone bloesem van echte, zuivere hervormingsgezindheid!
Laski's oom, Myszkowsky, belastte zich met de be-
zorging van den brief. De onderkanselier en bisschop van
Chelm, Przerembsky, gaf zich groote, doch vergeefsche
moeite, om het schrijven te onderscheppen, over welks in-
houd, ook al kende hij dien niet, hij zich ongerust maakte.
Trouwens, geheel ongedeerd kwam het den Koning niet in
handen. Laski had aan zijn schrijven de Augsburgsche
belijdenis van 1 540 toegevoegd , en terwijl de Koning deze
laatste allereerst doorbladerde, was de brief op eenen stoel
blijven liggen, en had de aanwezige hond des Konings het
papier bemachtigd. De kamerdienaar bemerkte het nog tijdig ;
men slaagde er in, de reeds verscheurde stukken aaneen te
voegen, en ze in afschrift aan den nu nieuwsgierig geworden
koning voor te leggen. *)
Het schrijven bleef niet onbeantwoord, al had het ook
niet die vrucht, welke men daarvan gehoopt had. Aan het
schriftelijk antwoord des Konings is te bespeuren, dat de
verdachtmakingen der bisschoppen niet geheel zonder uit-
werking gebleven waren; zij hadden zijnen Achilleshiel ge-
raakt, door het te doen voorkomen, alsof bedenkelijke her-
vormingen, gevaarlijk voor de welvaart des lands, te dachten
waren, en zoo vergunt Sigismund, wel is waar, aan den
Hervormer in het land te verblijven, doch waarschuwt hem,
geen nieuwigheden in te voeren, daar hij anders uit het
land zou verbannen worden.
Zoowel uit dit schrijven, als ook uit andere berichten
I) Friese, II, 303.
591
begreep La ski, dat het goed zoude zijn, als hij persoonlijk
met den Koning mocht spreken. Om die reden begaf hij
zich, don 23^**'" Februari 1557, uit Krakau op weg, en be-
reikte, na ceno zeer vermoeiende reis, eerst don 17*^^" Maart
Wilna, waarheen zich het Hof, onmiddellijk na afloop van
den rijksdag van Warschau, begeven had, om zich meer in
de nabijheid van het krijgstooneel in Lijfland te bevinden.
La ski nam zijnen intrek bij den zwager des Konings, vorst
Radziwil, onder wiens gastvrij dak hij langer dan eene
maand bleef vertoeven. Reeds den 19^^" Maart werd hem
eene audiëntie verleend ; de Koning ontving zijnen beroemden
onderdaan op de hartelijkste wijze („araantissime"), en reikte
aan hem en zijnen metgezel Utenhove de rechterhand.
Opmerkzaam luisterde hij naar de rede van L a s k i, en ver-
klaarde, dat zijn terugkeer hem aangenaam was. Het ofïi-
ciëole antwoord, hetwelk hem, drie dagen later, door den
Onderkanselier in naam des Konings en in diens tegenwoor-
digheid gegeven werd, luidde minder gunstig. Niet aan den
Adel, maar aan den Koning behoorde het recht, personen
uit te noodigen ten behoeve van eene hervorming van don
godsdienst, hij echter wilde met zijn land bij het sedert 600
jaren bestaande geloof zijner vaderen volharden. Zulk eeno
rede was nu echter toch weder — en dit is kenmerkend
met betrekking tot de jammerlijk slappe denkwijze des Ko-
nings, — daardoor van haren prikkel beroofd, dat de Koning
door middel van Radziwil aan Laski liet te kennen geven,
dat hij op de rede van don Onderkanselier slechts kort moest
antwoorden, om niet daardoor eene nieuwe tegenrede van
den Ondcrkanselier uit te lokken ; in stede daarvan vergunde
hij hem eene bijzondere audiëntie. Deze had twee dagen later
plaats. Laski kon zijn misnoegen niet verbergen, en ver-
weet den Koning zijne zonde, dat hij op zulk eene wijze
Christus, den Heer, verloochende; onbewimpeld bracht hij
hem zijne koninklijke verplichting onder het oog, om nl. een
einde te maken aan de afgoderij, en den waren godsdienst
te bevorderen; hij waarschuwde tegen de bisschoppen, wier
kunstgrepen het land in gevaar zouden brengen, on vermaande,
592
bijtijds voorzorgsmaatregelen te nemen, en noodige toebe-
reidselen voor den aanstaanden rijksdag te maken. — De
Koning liet het verwijt langs zich heen glijden, en verklaarde
slechts, dat hij op dit oogenblik niet anders kon handelen;
zoodra de oorlog in Lijfland tegen de Rassen geëindigd was,
wilde hij zich aan eene ernstige hervorming der Kerk wij-
den. <) Sigismund beloofde aan Laski zijne koninklijke
bescherming tegen de verdachtmakingen zijner vijanden, en
verklaarde hem, dat hij hem beschouwde als in zijnen dienst
staande, nl. als secretaris des Konings, tot welken post zijn
vader hem eertijds benoemd had. ^) Tevens gaf de Koning
hem vrijheid, om niet slechts vergaderingen van den adel
en van de geestelijken ten zijnent te houden, maar om ook,
zoo vaak het hem goeddacht, zijne geloofsgenooten in andere
huizen rondom zich te vergaderen, doch alleen tot bevorde-
ring van den godsdienst, niet om onrust te verwekken. —
De uitvoerig medegedeelde onderhandeling ') is een sprekend
bewijs van de wankelmoedigheid des Konings en van zijnen
schroom om het beslissende woord, hetwelk door de omstan-
digheden zoo dringend gevorderd werd, uit te spreken, doch
ook tevens, dat zijn hart zich aan die zijde bevond, aan welke
ook de uitnemondsto Polen in die dagen zich geschaard hadden.
Van zijn verblijf te Wilna werd door Laski in alle op-
zichten partij getrokken. Van hooge beteekenis was het ver-
trouwelijke samenleven der beide groote mannen, Laski
en Rad zi wil. De Vorst behoorde tot de zuilen der Evan-
gelische kerk van Polen, en werd nu door het samenleven
met den Hervormer krachtig in zijne Evangelische gczind-
*) >}Original"y p. 509. De worstelingen in Lijfland eindigden eerst in 1561
met de onderwerping van Lijfland aan de Poolsche kroon.
*) Verg. hierboven , blz. 98.
^) Deze onderhandeling is een boeiend pendant bij de bekende anekdote, dat,
toen in dien tjjd Iladziwil den Koning had overgehaald, om op zekeren dag
de Evangelische prediking te Wilna bij te wonen, de wijbisschop Cypriaoas
de paarden, die den Koning naar de vorstelijke hofkapel brachten, in de teugels
greep, en met het woord: „Dat is niet de weg, dien L'wer Majesteits voor-
vaderen plachten te gaan, tot bijwoning van den godsdienst, maar daarheen!"
den wagen deed omkeeren in de richting der Roomsche kerk, terwijl de Koning
hel zich liet welgevallen. (L u k a s j e w i c z, I, 12.)
593
heid versterkt. De beide mannen, die in hunne overtuiging
en in hun geheele karakter zooveel punten van overeenkomst
bezaten, waren welhaast door eene innige vriendschapsbetrek-
king met elkander verbonden. Met zijne edelmoedige mildheid
verleende Kadziwil aan zijnen onbemiddelden vriend eene
vaste jaarwedde; bovendien verzocht hij, Laski's oudste
dochter in zijne familie te mogen opnemen, beloofde haar
voor eenen echtgenoot uit zijn geslacht te zullen zorgen, en
duizend gulden als huwelijksgift voor haar te zullen vast-
stellen. 1) — Van de vergunning, hem door den Koning
verleend, maakte La ski overvloedig gebruik. Zoowel inde
Latijnsche, als ook in de Poolsche taal predikte hij bgkans
dagelijks in de slotkapel van den Vorst, tegenover de Jo-
hannes-kerk, onder groeten toeloop, inzonderheid van de
lieden van het Hof en van den thans zoo talrijk te Wilna
aanwezigen adel. Niet weinigen mocht hij daardoor voor het
Evangelie winnen, zoodat de Roomsche geestelijkheid zich
ongerust begon te maken.
Gedurende dit verblijf te Wilna kwam La ski ook met
eenige Russische geestelijken in aanraking. Het gerucht der
reformatorische bewoging was zelfs tot Moskou doorgedrongen,
en had ook aldaar, in het verre Oosten, zoowel op sommige
geestelijken, als ook op onderscheidene leeken zgnen bezielen-
den invloed geoefend. Eene in 155.4 in de hoofdstad van het
Czarenrijk gehoudene kerkvergadering had zich genoodzaakt
gezien, ettelijke personen van wereldlgken en van geestelijken
stand te veroor deelen. ^) Aan enkelen van hen gelukte het
*j Deze dochter, Barbara gehceten, kuwde met Stanislaos Latomirski, één
van des Konings geheimschrijvers. (Zie Wengierski, p. 536, welke auteur
het echter ten onrechte laat voorkomen, alsof zij de éénige dochter van Laski
zou zyn geweest.) Deze Lutomirski werd, na Laski's dood, Senior van het
Pinczow'sche ressort. Lubienitzki (p. 158 sq.) rekent Lutomirski onder
de besliste aanhangers van de Antitrinitariërs; de opgaven echter van dezen
vriend der sekte kunnen slechts met groote behoedzaamheid worden aangeno-
men; nog in 1560 verklaart deze schoonzoon van Laski zich op de heftigste
w\jze tegen Stancarus en alle degenen, die de godheid van den eeniggeboren
Zoon M:an God bestrijden (verg. „Scrinium", III, 544). De bruiloft had plaats
op den Ssten Juli 1558, in de nabijheid van Krakau. (Calvijn, XVII, 267.)
^) Verg. F e c h n e r , 1 , 25 , en de aldaar vermelde bronnen. Onze bron
DALTON. 38
594
te ontrlachten; in Maart 1557 kwamen de vluchtelingen
i|i de residentie van den vijand des Russischen rijks aan.
De zeven vluchtelingen waren monniken uit het St. Basilius-
klooster in Moskou; met hunnen overste, een eerwaardig
grijsaard, die zeer ervaren was in de H. Schrift, kon Laski
het alleszins eens worden. Hetgeen hij van hem aangaande
hunne leer, ook met betrekking tot het H. Avondmaal, ver-
nam, verraste onzen vriend, en voldeed hem zoozeer, dat
hij hen gaarne als broeders erkende. Zij verhaalden, dat,
toen zij Moskou heimelijk verlieten, ongeveer 70 Bojaren
wegens hunne Evangelische gezindheid in de gevangenis
smachtten, en dat zij meer dan 500 broeders in Moskou ken-
den, die in het verborgen eene gelijke gezindheid koesterden
als zij. — Na verloop van eene maand keerde Laski terug
naar Klein-Polen, het eigenlijke schouwtooneel van zijne re-
formatorische werkzaamheid in het vaderland. Zijne reis was
niet geheel vruchteloos geweest; voor zijne verdere werk-
zaamheid had hij den rechtsgrond van een koninklijk woord
onder zijne voeten.
In Klein-Polen had het Evangelie reeds in broeden om-
trek wortel geschoten; men telde daar thans bereids meer
dan 30 kleine gemeenten. Dertien jaar geleden had de hof-
prediker Lorenzo Prasnicius, in zijne ernstige, verma-
nende reden te Krakau, aan deze beweging den eersten stoot
gegeven. Door zijne predikatiën was in 1546, te gelijk met
zijnen patroon Stanislaus Stadnicki, ook Felix Cru-
c i ge r voor het Evangelie gewonnen geworden, in die vroegste
dagen één van de belangrijkste krachten der jeugdige Evan-
gelische kerk, tot aan zijn einde superintendent der Evan-
gelische kerk van Polen. Ostrorog nam Cruciger met
zich mede naar Groot-Polen, alwaar hij reeds spoedig, ten
huize der G orka 's, met de Boheemsche broeders in aan-
raking kwam. De eerste openlijke stap tot de Evangelisee-
(„Original", p. 600) is den buitengewoon vlijtigen verzamelaar ontgaaji. Een
paar verdere mededeelingen aangaande deze leden der Russische kerk, meeren-
deels helaas slechts geruchten, vindt men: „Original", p. 691.
595
ring geschiedde door den manhaftigen Nicolaus Olesnitzki,
die, in 1550, in zijne stad Pinczow de monniken uit het
klooster verdreef, de ledige kloosterhallen in eene school her-
schiep, en op zijn slot een eigen Evangelischen prediker
had. *) Zijn voorbeeld werd welhaast door andere gelijk ge-
zinde adellijken in de nabuurschap gevolgd; bereids in het-
zelfde jaar had, naar luid der synodale protocollen, te Pinczow
de eerste synode plaats, die reeds door een zevental geestelijken
en leeraars werd bijgewoond. Onder hen bevonden zich ook
Cruciger en Stancarus. Dezen Mantuaan hebben wij reeds
eenmaal, en wel als hoogleeraar in de Hebreeuwsche taal te
Krakau ontmoet. Wegens zijne Evangelische gevoelens was
hij in de bisschoppelijke gevangenis in het slot Lipowiec, niet
ver van Krakau geworpen; nadat hij door zijnen getrouwen
dienaar uit den kerker was bevrijd, had hij de school in het
ledige klooster te Pinczow georganiseerd. Zeer belangrijk is
het bericht in de Protocollen, dat Stancarus op deze eerste
synode, in 1550, het voorstel deed, om het Keulsche Hervor-
mingsplan van den aartsbisschop Herman v on Wied aan te
nemen, en dat voorstel ook wist door te drijven, zoodat het
genoemd ontwerp aan het hoofd staat van de belijdenisschriften
van Polen. Aan het einde der synode werd, volgens Evan-
gelischen ritus, het A^vondmaal bediend; van de zijde van
den Adel namen daaraan deel de slotheer Nicolaus 01e s-
nicki, voorts Stanislaus Stadnicki, Stanislaus Las-
socki, Johan Philipowski, Christoph Gnojewski
en Andreas Modrzewski, altemaal mannen, wier namen
wij voortaan als getrouwe belijders van het Evangelie telkens
weder ontmoeten.
In de ontwikkeling van het Protestantisme kwam nu eene
kleine pauze. De gewelddadige verdrijving der monniken had
ook den Senaat verrast, die, wel is waar, last gaf, dat zij
weder in hunne rechten zouden worden hersteld, maar die
toch geen lust gevoelde om te zorgen , dat het bevel stipt
werd ten uitvoer gebracht. Martinus Crovicki hield
1) Krasinski, I, 166.
596
wel voortdurend als aangesteld prediker in de slotkapel te
Pinczow zijne Evangelische godsdienstoefeningen; nochtans
eerst in 1554 kwam men weder bijeen tot het houden van
eene kleine synode (de naam der plaats is in het Protocol
onleesbaar). Bij die gelegenheid verklaarde men, zich aan
den inhoud van het Keulsche Hervormingsplan te willen
blijven houden, maar het geschrift niet openlgk als belijdenis
te willen erkennen, wijl Stancarus het onder zgnen eigenen
naam had uitgegeven, maar deze naam reeds onder verden-
king lag, terwijl de man zelf ook reeds uit Polen verbannen
was, zoodat de jeugdige gemeente moest duchten, om den
wille van den geproscribeerden naam wellicht zelve als aan-
hangster van Stancarus met zgne nu reeds aan den dag
getredene antitrinitarische gevoelens te worden aangezien.
Eeeds op deze synode sprak men van eene aansluiting aan
de Boheemsche broeders, en werd aan enkele leden opge-
dragen, om in Groot-Polen het leven en streven dezer
„Waldenzen,'' gelijk zij in de Protocollen genoemd worden,
nader te leeren kennen. De Evangelischen van Klein-Polen,
wien het aan eene invloedrijke , leidende persoonlijkheid ont-
brak, gevoelden, ten gevolge van dit gemis, de dringende
behoefte om zich met een reeds bestaand, goed georganiseerd
broederlijk genootschap te verbinden, en hoopten, in eene
nauwe aansluiting aan deze vluchteling-gemeenten voor die
behoefte bevrediging te zullen vinden. Dat maakte dan
ook hunne afgevaardigden geneigd, om op de gemeenschap-
pelijke synode te Kozminek, in 1555, zich in dien zin met
de Boheemsche broeders te vereenigen, dat zij beloofden,
hunne belijdenis, hunne kerkorde, kortom hunne geheele
kerkelijke inrichting in hunne gemeenten te zullen invoeren.
Hoe belangrijk en tevens heilzaam deze unie ook was, wel-
ker totstandkoming door Calvijn, Beza en Bullinger
met de hartelijkste gelukwenschen werd begroet, toch moeten
wg haar als te haastig gesloten en als van een te absorptief
karakter beschouwen. Het is eene gewaagde onderneming,
om datgene, wat onder geheel verschillende omstandigheden
is ontstaan, nu ook voor een ander land met gedeeltelgk
597
andere eigenaardigheden en andere behoeften tot band en
richtsnoer te maken. De Boheemsche broeders waren met
onwankelbare piëteit aan hun belijdenisschrift van 1535 ge-
hecht; dit is ook zoo alleszins begrijpelijk. Zij hadden er
veel in gewijzigd, totdat Luther, wat de bijzondere leer-
punten betreft, eene welwillende voldaanheid met deze hunne
belijdenis uitsprak i); daardoor waren belangrijke bepalingen
onduidelijk geworden, en lieten ook eene andere uitlegging
toe. Na verloop van tijd, toen men zich nauwer aan Cal-
vijn aansloot, gaf men aan die andere mogelijke uitlegging
eene scherpere uitdrukking, die bijkans tot eene tegenstelling
werd van hetgeen Luther in de oorspronkelijke redactie
had gelezen. Zezschwitz beoordeelt deze veranderingen
te streng; ze zgn meer een bewijs, dat het ook den
Boheemschen broeders in die drukkende tijden aan de
uitstekende persoonlijkheid ontbrak, die aan het innige
Evangelische leven der lieden de duidelijke, juiste uitdruk-
king der leer zou hebben kunnen geven. Maar het was een
misgreep, zulk eene belijdenis nu ook als blijvende oorkonde
aan eene nog in wording zijnde Evangelische kerk met een
ander voorleden en met geheel verschillende omstandigheden
op te leggen.
De Evangelischen van Klein-Polen koesterden het ernstige
voornemen, om getrouw bij deze unie te volharden ; zij zouden
toch ook zelven in dien tijd geen betere belijdenis, geen geschik-
tere inrichting hebben kunnen scheppen. Van deze getrouw-
heid aan hunne belofte leggen de Protocollen der in Januari
1556 gehoudene synode te Seczemin een schitterend getui-
genis af. Toen, een vierendeeljaars later, eene gemeenschap-
pelijke synode met afgevaardigden der Boheemsche broeders
te Pinczow vergaderde, werd het voorstel om La ski in het
vaderland terug te roepen, en hem de leiding der Kerk toe
te vertrouwen, met algemeene stemmen aangenomen. ^) De
1) Verg. Zezschwitz (I), S. 153.
2) In het Protocol leest men : ,,De vocando D. Joanne a Lasco ex Germania
communis deliberatio fuit, quem vocandum esse omnes fratres cum magna ani*
moram hilaritate conBenserant."
598
tijding van dit besluit gewerd Laski, zooals wij weten, te
Frankfort, In Deüember bevond hij zich in zijn vaderland;
den l^n Januari 1557 nam bij voor de eerste maal aan eene
pastorale samenkomst in Polen deel, ') Reeds aanstonds bij
deze eerste zitting begon Laski op energieke wgze aan
de vervulling van zijne taak, en spoedig bemerkte men in
alle kerkelijke zaken de werkdadige hand, die de teugels
strak aanhaalde, en met beproefde bekwaamheid de Kerk
bestuurde. Cruciger bleef wel Senior, doeh Laski aan-
vaardde het oppertoezichfc ; reeds na verloop van een jaar
wordt in de Protocollen bij zijnen naam de eeretitol van
„Vader" gevoegd.
Allereerst verzocht a La se o om eene nauwkeurige, woor-
delijke mededeeling van de overeenkomst met de Boheemsche
broeders, alsook om inzage van hunne belijdenis en liturgie.
Deze werden hem door de predikers ter hand gesteld met de
bede, om ze nauwkeurig te onderzoeken en, waar dit noo-
dig was, te verbeteren. Met yver ondernam Laski deze
taak. Aan vele punten kon hij zijne volle en hartelijke toe-
stemming schenken, inzonderheid wat betreft de vaststelling
van eene gestrenge en ernstige kerkelyko tucht, welke de
Boheemsche broeders sedert lang als een onmisbaar bestand-
deel hunner kerkelijke inrichting uitoefenden, en welker hooge
waarde voor het geheele gemeenteleven juist thans, in de
jaren der vervolging en ruatelooze omzwerving, op zoo schit-
terende wijze gebleken waa. Maar voor zgnen helderen
blik, voor zijn grondig doorzicht konden de leemten, de
zwakke, onvolkomena zijden in de belijdenis en de gemeente-
inrichting der Boheemsche broeders niet lang verborgen blij-
') .Den ronferentiü, die den aSslïn tlw, wm gtopcnd geworden, bod pl»ti
1« IwMOwicio, en werd door i7 EnangBlistbe prediter» van Klein-Poleii be-
iDchl. Hit Protocol begroot Lnakl met itic woordene ..Dfe primi Jtnuarii
■una IBEIT lirBeiente R. D, Joaane a I.aaco, qui tum primn redieos id Pitriani
coDgregntioni DiinUtroruui intcrfuil. D. b Laaco ^ratifii^abDlur eenleii» Cbriiti
cum gratUrum actïooe pro tanta immenaa Dei bonitatis bsncltcio, qoiB hoe
praeititit, qnod Et in Pstmm illum sDlrum dedaxit et ccclssiaEit Chriati eon-
ipLoivndam donavit. Itidem omnes ministri graltücabiintur adicntum ejui, qui
Bsmpsr einptatisBimua umnEbue piia fuit."
ven; de latere tijd heeft ook aan do Broeders zelvon do oogen
daarvoor geopend, en hen er toe geleid om de noodige ver-
beteringen aan te brengen. Het is een boeiend, treifelijk
Bchouwspet, waarbij de liefde en hoogachting voor den Pool-
Bchen hervormer alechta kan toenemen, wanneer men uit de
zoo belangrijke protocollen de wijeheid, de behoedzaamheid,
het klare doorzicht leert kennen, waarmede onze vriend lang-
zaam en slechts van lieverlede de noodige verbeteringen tot
gtaod brengt. Het zou hem wellicht liever geweest zijn, in-
dien hij de handen geheel vrij had gehad, gelijk weleer te
Londen. Maar hij schikt zich naar de geslotene overeenkomst,
en slechta in overeenatemming met, en onder goedkeuring van
do Boheemache zendboden verkrijgt hij voor zijne Poolflche
kerk, met betrokking tot hare innerlijke ontwikkeling, telkens
nieuwe belangrijke concessiën, Aan den anderen kant weder
bespeuren wij , dat hij er geenszins op uit is , om datgene ,
wat te Londen op uitnemende wijze gebleken waa proof-
houdend te zijn, eenvoudig over te nemen. Zijn verhevene,
onbevooroordeelde geest ia niet gebonden aan den eencn of
andoren vorm, maar laat veeleer den vorm zich wijzigen naar
gelang van de verschillende omstandigheden.
De vele grondige beraadslagiugen, die onder leiding van
Laski plaats vondon, en in welke hij zijn Hervormingswerk
voor Polen ontwikkelde, kunnen wij hier onmogelijk óén voor
één schetsen. Zij volgen elkander spoedig op. Éénmaal in elke
maand werd er, telkens op eene andere plaats, eene predi-
kanten-conferentie gehouden ; meermalen in het jaar hadden
er, insgelijks telkens in een ander oord, provinciale synoden
plaats, aan welke de ouderiingen, diakenen en patronen deel-
namen , en bij welke wij schier altoos gaaten aanwezig zien.
Nu eens zijn het afgevaardigden van de Boheemscho broeders,
die ten allen tijde als geloofegenouten en medestanders har-
telijk begroet worden; dan weder zijn bet Protestanten uit
Groot-Polen, uit Litthanen, uit Podolië en Volhynië, die zich
door den naam van Laski voelden aangetrokken, en die
begeerig waren, de zoo schoon eti krachtig ontluikende ge-
meente-inrichting der Evangelische kerk van Klein-Polen door
600
eigene aanschouwing te leeren kennen, en wellicht nadere
betrekkingen aan te knoopen. Bij deze gewestelgke synoden,
sloten zich algemeene synoden aan, op welke de Boheemsche
broeders met hunne geestelijke en wereldlijke afgevaardigden,
welke laatsten doorgaans tot den hoogsten adel van Groot-
Polen behoorden, aanwezig waren.
Aanstonds in de eerste zitting, aan welke La ski deelnam,
drong hij er op aan, dat men de leeraren niet meer, zooals
tot dusver, waarschijnlijk in navolging van gelijke usantiën
bij de Boheemsche broeders, het geval was geweest, al te
dikwijls de plaats hunner werkzaamheid tegen eene andere
zou doen verwisselen^ maar dat men hen tot vaste predikers
van de eene of andere gemeente zou maken, ten einde alzoo
een nauweren band der gemeenschap tusschen leeraar en ge-
meente te knoopen. Reeds op de in Juni 1557 gehoudene
synode te Wlodzislaw, aan welke ook Boheemsche afgevaar-
digden deelnamen, deed La ski, namens de oudsten en leer-
aren, tegenover deze bondgenooten uitkomen, dat zij van
harte bereid waren, de bestaande overeenkomst met hen te
onderhouden, maar dat aan de kerk van Polen, met het oog
op hare zelfstandige ontwikkeling, eene grootere mate van
vrijheid moest worden toegekend. De rechtmatigheid van dit
verlangen kon door niemand betwist worden. Door de Evan-
gelische kerk van Polen met geweld in het kader der vluch-
teling-gemeenten uit Bohème te willen samenpersen, zou men
ontegenzeglijk aan de genoemde kerk groot onrecht aandoen.
Daarbij kwam, dat La ski, die een verheven standpunt innam,
ook hier alle zijne krachten wilde inspannen, om de geheele
Evangelische kerk tot eene geslotene éénheid te brengen. Het
kwam er op aan, de Lutherschen in Groot-Polen willig te
maken tot eene vereeniging, ten einde, aldus te zamen verbon-
den, de steeds sterker wordende aanvallen der zich weder ver-
mannende Roomsche kerk af te weren, en het recht van het
Evangelische bestaan verder uit te breiden. Het verlangen,
om aan de Evangelische kerk van Klein-Polen meer vrijheid
van beweging te verschaffen en om het genoemde, zoo vurig
gewenschte doel ten aanzien van Groot-Polen te bereiken,
601
bewoog hem, zich onafhankelijker te maken van de overeen-
komst te Eozminek.
Een verdere arbeid, dien La ski voorbereidde, was de
overzetting van de H. Schrift in de Poolsche taal. Polen
kende het Woord Gods nog niet in de taal des volks. *) Er
werd eene Commissie gekozen, bestaande uit aanzienlgke,
vrome adellijken, ten einde de benoodigde gelden tot dekking
van de niet onbelangrgke kosten bijeen te brengen. De bij-
zondere leden dier Commissie wisten in hunne omgeving de
noodige voorschotten te verkrijgen, die later uit den verkoop
van het boek langzamerhand zouden worden terugbetaald.
In de leeraren der school te Pinczow meende men de noodige
krachten voor het zware en gewichtige werk der overzetting
te bezitten. Rector der school was Gregorius Orsatius,
een Pool. De bedoelde taak werd toevertrouwd aan hem en
zijne beide ambtgenooten, Petrus enJohannesGallus,
welke, gelijk hun naam te kennen geeft, uit Frankrijk af-
komstig waren, en die de Poolsche taal bereids in zooverre
machtig waren, dat zg, ook al konden zij zelven haar nog
niet volkomen zuiver spreken, nochtans in staat waren,
een juist oordeel te vellen. ^) Het werk vorderde slechts
langzaam; na verloop van drie jaren was van het Oude
1) Ren 8 8 ([2e Abth.] S. 206) kent [uit vroegeren tijd] slechts eene vertaling
van het Psalmboek uit het jaar 1390, vervaardigd voor koningin Hedwig,
en in 1834 door Dunin opnieuw uitgegeven. [6 rass e („Liter.-Gesch.**, 5, 484)
gewaagt nog van een ander, ouder Psalter, alsmede van een gedeelte van het
O. T. , uit het jaar 1455. Verg. Reuss, a. a. O, — Vert.]
2) Zóó uit zich Statorius zelf (verg. C a 1 v \j n , XVII, p. 426). De genoemde
Petrus Gallus is de bekende Petrus Statorios uit Thiunville, die, wel is waar,
de geschriften van Servet uit Genève met zich naar Polen had gebracht (L u-
b i e n i t z k i, p. 148), maar die, tot 1560, briefwisseling hield met Calvijn, en
alle homogeniteit met de Antitrinitariërs beslist loochende (verg. Calvin,
XVII, pp. 420 en 600), maar die vervolgens, na Laski's dood, tot de Anti-
trinitariërs overging. — De genoemde Johannes Gallus is Johannes Thenan-
dus, geboortig uit Bourges in Frankrijk, die als jongeling te Genève kwam
(1. 1. XVI, p. 98), en daarop, waarschijnlijk door bemiddeling van Lismanini,
eene aanstelling kreeg aan de school te Pinczow. Beide Franschen waren de
Hebreeuwsche en de Grieksche taal machtig, en konden in dit opzicht den
Poolschen rector van dienst zijn ; het is echter te betwijfelen, of hunne Poolsche
taalkennis groot genoeg geweest is, om eene behulpzame hand te kannen bieden.
6U2
Teatamont, gelijk de protocollen van de Pinczow'schp synode
van 16 Januari 1560 betuigen, eerst de Pontateucb in hand-
schrift gereed. Ergerlijke oneonigheden deden zich voor. Or-
satiiis verlangde voor zijnen arbeid betaling, waarschijnlijk
omdat hij er over ontstemd was, dat men hem bij de Synode
van antitrinitarische gevoelens had beticht ; aan den heer van
Pinczow, Oleanitzki, werd opgedragen, om in te vorderen
hetgeen van de vertaling gereed was. Een nauwkeurig on-
derzoek deed zien, dat Orsatius van de vertaling had ge-
bruik gemaakt, om zijne antitrinitarische gevoelens bedektehjk
in te voeren. ') Daardoor kwam de arbeid te vervallen en
bleef een torso, van welken men niet weet, wat er van ge-
worden is j de Protocollen berichten slechts , dat de Synode
Orsatius voor zijne moeite heeft achadeloosgesteld. Na ver-
loop van tijd waa het vorst Radziwil, die er voor zorgde,
dat de gewichtige arbeid, welke niet langer kon worden uit-
gesteld, weder opnieuw werd ter hand genomen, terwijl hij
in groothartige vrijgevigheid de kosten geheel voor zijne re-
kening nam. Wie aan deze overzetting heeft gearbeid, ligt
nog in het duister; vele namen zouden wij kunnen noemen,
die in de verschillende berichten, nochtans slechts bij wgze
van gerucht, worden vermeld ; enkele namen zijn klaarblijkelijk
vakch, gelijk bepaaldelijk die van onzen Laski, na wiens dood
eerst de palatijn van Wilna de zaak ter hand nam. Slechts
zooveel staat vast, dat deze overzetting voorspoediger voort-
gang gehad heeft. Reeds in 1563 zag zij het licht te Brest-
Litew'sk, welke stad aan Radziwil behoorde, en alwaar hij
door den ons alroode bekenden boekdrukker Wojowodka
een drukkerij had doen oprichten. =) Het tragische lot dezer
>) Vsrg. het bnrieht »a Stttorias un Culvijn. dd. EO iag. lSt9 (Ca1*üa,
XVII, p. aog).
>) Wurom Rensa ([2c A.] S. 217) deie ovenettlog pcds DoiUrUcbc ntwmt,
i) ipij niet duideJijk. Zou die opgave ook eome beruaten op eene verwirring
met het ni«t in druk verscheniD werk vm Orsiiti[i9? Het ia «cl de moeite
wi&rd, de RadtiRirachi: arerzetting met tictretking IdI dit puat ran bocbul-
diging een* did een niawkeuriger onderioik te onderKcrpeo. Ei«mpUreTi van
die tertaling beb ik in de HerrDrmde kerken te Ke^'ilan , Ie Wirarhnii, Ir
Wilna en uiden aangetroffen,
overzetting is bekend. Hetgeen do Evangeliseh-gezinde vader
in de milddadigste liefde aan zijn volk had geschonken, dat
heeft de zoon, die zich door de overrodangfikunat dor Jezuïeten
in den schoot der Roomsche kerk heeft laten terugvoeren ,
met gelijken niilden ijver weder aan zijn volk ontnomen;
ja, het kostte hem nog meer, om de gehate Bijbels weder
op te koopen en aan den brandstapel over te geven. De
ettelijke exemplaren, die aan de toenmalige verdelgingswoedo
zijn ontgaan, worden heden ten dage bijna als een heiligdom
in waarde gehouden.
Met betrekking tot de inwendige ontwikkeling der kerkelijke
inrichting was er een merbare vooruitgang. In do bgzondore
gemeenten werden ouderlingen en diakenen benoemd. Met
groote zorgvuldigheid werd een belydenisschrift in dePooIsche
taal opgesteld en uitvoerig besproken. Spoedig na den dood
van Laski en in de schromelijke verwarringen van den tijd
schijnt die belijdenis zoekgeraakt, en later door debelijdeniB
van Sendomir geheel en al in vergetelheid gekomen tozijn;
het is onzeker, of zij in druk is verschenen; ook het hand-
schrift schijnt verloren geraakt of vernietigd te zijn. Ala
catechismus diende, naar alle waarschijnlijkheid, het uit-
treksel uit den Emdenschen catechismus , overgezet in de
landstaal. ') Ook van dit boekje is mij tot dusver geen enkel
exemplaar voorgekomen, wel een bewijs, hoe duchtig de
Jezuïeten zich beijverd hebben om alle sporen van dien
Evangclischen iijd van Polen uit te wisschen.
Met ijver zorgde men voor de oprichting van geschikte
Evangelische scholen. De voornaamste school was die te Pinc-
zow ; zij had bekwame leeraren , en verheugde zich spoedig
in het bezit van ecnen goeden naam. Elk kwartaal moesten
hier de leerlingen twaalf groschen in eene gemeenschappelijke
kas storten; het geheele bedrag werd vervolgens, aan het
einde des jaars, onder de leeraren, naar gelang van den
I) In het Protocol vin dtn Sdfo JdÜ HüT loeit men dicnsangiandE slccbU
hst nayalgcadc: „Coocluiiu hi'la ol de Citechitmo. Citccbiiini mïaorii [orina.
ËadeiL jam revi» et dcunpts jo Dfflnibua «calMÜ* Bcrtiii dsbet ibiqne kliqu
604
door elk gepresteerden arbeid, verdeeld. Op gelgke wnze zal
gaafde leerlingen werden, ingeval zij zich aan den dienst
der Kerk wilden wijden, zooveel mogelijk de middelen ver-
strekt om buitenlandsche hoogescholen te bezoeken, bij voor-
keur in Zwitserland en te Straatsburg. Welhaast bezat de
Synode eene eigene drukkerij; deze was te Pinczow geves-
tigd, eene tweede later desgelijks te Brest. De Synode hield
een waakzaam oog op de drukwerken; de steeds sterker
wordende antitrinitarische beweging noodzaakte haar tot den
voorzichtigheidsmaatregel, dat in deze drukkerij slechts boeken
met goedkeuring van de Synode mochten worden uitg^even.
Tot het onderhoud van Kerk en School werden groote oflFers
van den Adel gevorderd, en door dezen ook bereidwillig ge-
bracht. Ontzagwekkend zijn de schenkingen van sommige fa-
miliën, gelijk die van den groothartigen Bad zi wil, dieeene
geheele reeks van kerken bouwde, en ze ook voor de toekomst
rijkelijk van het noodige voorzag. In alle kerken waren bussen
geplaatst, om de door de gemeenteleden afgezonderde gaven
te ontvangen; de bijdragen vloeiden in de gemeenschappe-
lijke, door de Synode beheerde kas, uit welker middelen
de uitgaven der Kerk gedekt werden. Het verdient wel eene
opzettelijke vermelding, dat, ofschoon de Evangelische kerk
des lands over geene andere middelen, dan alleen over de
vrijwillige liefdegaven beschikte, daar de Roomsche kerk
in het bezit bleef van hare aanzienlijke vaste goederen^ de
Synode er zich nochtans tegen verzette^ dat men zich aan
de vaak kostbare kerkgereedschappen zou vergrgpen; zg
moesten zorgvuldig bewaard worden en ter beschikking des
Konings blijven. ^)
Het spreekt vanzelve, dat in eene gemeente-inrichting, die
onder de leiding van La ski stond, ook aan de kerkelijke
1) Meer dan eens hebben de Protocollen schendingen dezer bepaling te
wraken , en eigenmachtige toeëigening van kerkelijk goed te bestraffen. De
verzoeking was zoo groot. Maar zoo menigmaal zulk eene klacht werd inge-
diend, was de Synode eenstemmig voor de berisping, en de overtreder onder-
wierp zich; de bewustheid van het onrecht was levendig.
605
tucht eene belangrijke plaats werd ingeruimd. Zoowel de
synoden^ als ook de maandelijksche predikanten-conferenties
zagen zich geroepen^ om krachtig de hand te houden aan
de kerkelijke tucht. In dit opzicht doen zij ons denken aan
den Coetus in Oost-Friesland. Slechts op dit punt heeft hier
eene uitbreiding plaats, dat ook het wereldlijke lid der ge-
meente voor het forum der Synode gedaagd werd. Het is een
schitterend bewijs van de herscheppende kracht des Evan-
gelie's, hetwelk ons in de zonder aanzien des persoons
geoefende kerkelijke tucht in menig treffend voorbeeld wordt
voor oogen gesteld. Deze louterende kracht betoonde zich
in de jeugdige Evangelische gemeenten sterk genoeg, om de
in die ruwe dagen zoo spoedig ontwaakte zucht tot veete
te beteugelen, en de vergramde edelen er toe te bewegen,
om elkander in tegenwoordigheid van de vergaderde synode
de hand der verzoening te reiken. Private geschillen werden
hier, in den kring der broederen, vreedzaam beslecht, en
de mannen, die, alvorens zij onder den invloed van het
Evangelie kwamen, in hunnen toorn slechts naar wraak
hadden gedorst, onderwierpen zich thans gewillig aan de
uitspraak hunner geloofsgenooten. Ernstige berisping werd
ernstig en onbewimpeld uitgesproken, en ernstig en deemoedig
aangenomen; menige echtelijke twist werd in der minne bij-
gelegd, of anders, ingeval de band van huwelijkstrouw was
verbroken, werd de scheiding uitgesproken. Bijaldien er tegen
de ambtsvervulling der leeraren klachten werden ingediend,
werden deze onderzocht, en de klager of de aangeklaagde aan
vermaning en bestraffing onderworpen. Zeer streng ging men
te werk tegen de antitrinitarische dwaalleer, die zich in steeds
verderen omtrek verspreidde. Laski begreep het gewicht van
deze valsche leer, en voorzag het ernstige, onherstelbare na-
deel, hetwelk de Evangelische kerk van Polen zou treffen,
indien deze kerk-ontbindende denkwijze, die juist destijds in
Polen in zekeren zin in de lucht zat, verderen ingang mocht
vinden. Op dit punt kende hij geene toegevendheid, geene
verdraagzaamheid, want de verderfelijke leer legde de bgl
aan den wortel der Christelijke heilswaarheid. Menigmaal
C06
TiDden wg in de Protocollen Teimeld. hoe de een of uid^
zu;h bad te reehtraardigen ten aanzien ran de Terdenking.
dat hg tot deze 9ekte behoorde. Aan sommigen gehikte het.
en zij konden voor de Synode die verdenking piechdg Tan
zich werpen; anderen weder volhardden in bonne dwaling,
en werden alsdan onverbiddelgk nit de gemeenschap Ter-
bannen. — Het klinkt als eene kleine Pastoraal-cheologie ,
wanneer wij alle de plaatsen bgeeoverzamelen. in welke in de
synoden aan de leeraren voorschriften voor hon gedrag in
hun ambt gegeven worden, wat hnn plicht is tegenover den
Heer en de gemeente, wat zg echter ook naar recht ran
de gemeente mogen verwachten. De d^elijkste en vroomste
leden der gemeente waren toch als oudsten t^enwoordig, niet
als stilzwijgende toehoorders, die slechts gerechtigd waren om
ti>e te luisteren, maar veeleer als mede-beraadslagers , en
daardoor gewillig en bereid, om den gemeenschappelgken
raadslag tot daad te doen worden.
Verbazingwekkend is de bedrijvigheid, die de bejaarde
hervormer ook thans nog met jeugdigen gver ontwikkelde,
en wel moet het eene gzeren wilskracht geweest zgn, die
hem in staat stelde, om, ondanks zijn ziekelgk lichaam, tel-
kens weder opnieuw het zware dagwerk te hervatten. Menig-
maal berichten de Protocollen, dat de eerwaardige „Vader"
door krankheid belet werd, aan de vergadering deel te nemen.
Het schijnt, dat Laski voor zich en de zgnen, die hem
weldra naar Polen gevolgd waren, te Pinczow eene vaste
woonstede gekozen heeft. Intusschen was hij nn niet veel te
huis, en een aangenaam, innig familieleven kon de Hervormer
zich niet gunnen. De snel op elkander volgende synoden
noodzaakten hem, zich nu her-, dan derwaarts te begeven.
Zijn onvermoeide streven, om de geheele Evangelische kerk
van Polen tot één te brengen, noopte hem tevens bg herha-
ling, om de grens van Klein-Polen te overschrgden.
Zoo zien wij hem, in het midden van Februari 1558, zich
naar Koningsbergen begeven, ten einde bij hertog Al brecht
voor dezen zgnen vurigen wensch werkzaam te zijn. Reeds
607 «
het jaar te voren, toen Laski te Wilna vertoefde, was het
zijn voornemen geweest, den Hertog te bezoeken. Indien
hij er in mocht slagen, het met de Pruisische predikers
eens te worden, dan zou de gewenschte vereeniging met
Groot-Polen zooveel gemakkelijker zijn gemaakt. Slechts lang-
zaam ging de reis voorwaarts; overal onderweg kwam het
er op aan, met de hoofden der Evangelische beweging in
verbinding te treden, en hen voor zgn lievelingsplan te winnen.
Den IS^en Maart treffen wij hem te Goluchow, ten huize
van één zijner verwanten, Baphaël Leszczinski, die zich
met de Ostrorog^s vroegtijdig bij de Boheemsche broeders
had aangesloten; acht dagen later bevindt hij zich te Ea-
lisch, alwaar hij de voorrede schrijft voor het door Uten-
h o V e opgestelde bericht van de beproevingen in Denemarken.
In het begin van April komt hij te Koningbergen aan. Het
was een ongunstige tijd, die paar weken van zijn verblgf
aan het hertogelijke hof. Nog doortrilden de Osiandrische
geschillen op smartelijke wijze de kerken, en de gemeenten,
die in dien strgd mede waren betrokken geworden, gevoelden
de treurige gevolgen van deze onbehaaglgke twisten. De
Hertog was geheel onder den invloed van zijnen hofprediker
Funk; de domprediker Vogel had, op bevel van den
Hertog, juist eene kerkorde opgesteld, welker inhoud, volgens
de opzettelgk ingewonnen adviezen der godgeleerden teWit-
tenberg, te Tubingen en te Straatsburg geheel in overeen-
stemming was met de H. Schrift en met de Augsburgsche
geloofsbelijdenis. ^) Reeds dat met goedkeuring van Me-
lanchthon het excorcisme bij den doop, als eene bijgeloo-
vige formule, in deze kerkorde was weggelaten, had de
opgewonden gemoederen in het harnas gejaagd ; de strijdvoe-
renden zagen scherp toe op alles, wat Philippistische of zelfs
Calvinistische tendenties scheen te verraden.
Den 14den April had Laski met de geestelgken der
hoofdstad en der provincie een godsdienstgesprek over het
H. Avondmaal. Het gevolg liet zich vooruit berekenen. De
1) Ha 8 e, S. 268.
608
geestelijken hielden onwrikbaar rast aan hun geToelen, dat
het lichaam Tan Christoa lichamelijk in en met het brood
bij het H. Avondmaal aan geloorigen en aan ongelooTigen
wordt aangeboden, en met den mond lichamelgk wordt ver-
teerd. Zijne ernstige bedenkingen tegen eene leer, yoor welke
hij zoo volstrekt geene bewgzen in de H. Schrift kon vinden,
fiet Laski des anderen daags schriftelgk achter. ') Ditschrif-
telgk oordeel werd, naar 't schgnt, door de Eoningsbcrg-
sche godgeleerden onbeantwoord gelaten; denkelijk zou het
hnn moeielijk gevallen zijn, een afdoend antwoord te geven.
Het verdient alleszins onze opmerking, hoe Laski, alsof
hij een Evangelisch godgeleerde der 19^« eeuw was, er ook^
in dit geschrift nadruk op legde, dat, in weerwil van het
verschil, hetwelk men duidelgk en zuiver had doen uitko-
men, ook ten aanzien van dit leerpunt genoegzame over-
eenstemming bestond, om, met voorbijzien van de puntmi
van scheiding wat betreft de opvatting, elkander de broe-
derband te reiken. Nadat Laski aan het slot van zgne
uiteenzetting zijn gevoelen beknoptelgk heeft samengevat,
eindigt hij met deze woorden: „Zulks hebben wij ten allen
tijde beleden, en wij houden ons ten volle verzekerd, dat
deze leer zoowel met de Schrift , als met de oude symbolen,
gelijk ook met de Augsburgsche' belijdenis in overeenstem-
ming is. Wij beweren tevens, dat zij voldoende is, om het
fundament der Apostolische leer in de gemeente van Christus
naar de Schriften vast te houden, al kunnen wy ook voor
het overige nog niet tot overeenstemming komen. Laat ons
God smeeken , dat wij eenmaal ten aanzien van alle punten
in gelgken geest mogen denken en spreken. Doch inmiddels
behooren wg elkander wederzgds in christelijke liefde en
broederlijke gezindheid te verdragen , voomamelgk wanneer
het ons streven is, om het fundament der Apostolische leer
eenparig aan de tirannie van den Antichrist tegenover te
stellen." ^) Dat uitnemende, vreedzame christenwoord stierf
destijds weg als een vreemde, onbegrepen klank; juist drie-
M Kuyper, IT, 755.
^) Ibid, II, p. 757.
609
honderd jaren bleef het verborgen in het geheim-archief te
Koningsbergen. Het is 't laatste woord van La ski aan-
gaande de Avondmaalsleer en hare beteekenis voor de ver-
eeniging van -de Evangelische kerken, zijn zwanezang en na-
latenschap aan eene toekomstige, meer verzoenlijk gezinde
christelijke gemeente. Het is geschreven in de hoofdstad van
het pas opgerichte hertogdom , onder de oogen van den eer-
sten Hohenzoller op den Pruisischen hertogszetel, en dat
woord viel toch als eene veelbelovende graankorrel in de ziel
van diens opvolgers, tot dan eindelijk, ruim twee en eene
halve eeuw later, een andere Hohenzoller op den Pruisischen
koningstroon in de andere hoofdstad ten uitvoer bracht het-
geen Laski eertijds met zulk een vurig verlangen trachtte
te bereiken. Maar hoe vele bijkans doodelijke slagen had
middelerwijl de Duitsche Evangelische kerk moeten verduren!
Hoe ondoorzoekelijk zijn toch Gods oordeelen, en hoe onna-
speurlijk zijne wegen!
Ontmoedigd vertrok Laski uit Koningsbergen, alwaar hg
de geestelijken in hunne verblindheid in de ingewanden der
Kerk had zien wroeten. Ook de terugreis door Groot-Polen
was voor onzen vriend rijk aan bittere ervaringen. De steun
eener vereeniging, dien hij te Koningsbergen met zulk
een vurig verlangen had gezocht, was uitgebleven; de na-
werking daarvan kreeg hij onder de Lutheranen van Groot-
Polen te bespeuren. Na het voorgevallene in Pruisen was men
niet geneigd^ de toegestokene broederband aan te nemen, en
daarentegen kortzichtig genoegd om liever in kleingeestige,
ondergeschikte vragen, ten aanzien van welke de geschiedenis
stilzwijgend is overgegaan tot de orde van den dag, zgne
kracht te verspillen, dan die tegen de gemeenschappelijke
wederpartij aan te wenden. Op vele plaatsen zag Laski het
door Vergerius en de oude tegenstanders in Noor d-Duitsch-
land, Westphal, Timann, Alberus en anderen uitge-
strooide zaad welig opschieten. Met bedrij vigen spoed ^ met
rustelooze haast schreef Vergerius naar alle verblijven van
den Poolschen adel, welke hij kon bereiken, brieven om te
waarschuwen tegen den man, die^ volgens het oordeel van
DALTON. 39
610
Brenz, geenszins behoorde tot de verwanten der Aogs-
burgsche belijdenis ^). De taal van Vergerius bereikte
niet overal haar doel; de persoonlijkheid van Laski ontwa-
pende te spoedig de valsche beschuldigingen. In andere oorden
daarentegen nam men gaarne van zulke aanklachten uit de
verte notitie, ten einde de bestaande klove tusschen het
Duitsche en het Poolsche element en het daarmede samen-
hangende verschil van richting nu ook kerkelijk te recht-
vaardigen. Anderen weder — en dit waren ernstige, vrome
mannen, — moesten zich met bezorgdheid afvragen, of het
wel wenschelijk was, zich te verbinden met eene persoonlgk-
heid, die door zoovelen in het buitenland, welke men als
beschermers van het Evangelische heilsgoed meende te moeten
beschouwen , als een verdacht en niet vol wichtig persoon was
afgewezen. En dat alles dicht onder de oogen van den zoo
ijverigen Ermelandschen bisschop Hosius!
Voor dezen voornaamsten held der zich weder herstellende
Boomsche kerk schenen de tegenstanders van Laski het
noodige materiaal voor zijne aanvallen te willen verzamelen.
De behendige en waakzame Hosius heeft van deze laste-
ringen overvloedig gebruik gemaakt. Gelijk hij zich van
Westphal's „Farrago" bediende^ om keizer Maximili aan
aan de Roomsche kerk getrouw te doen blijven, zoo was
het thans een geschrift van den als superintendent te Bran-
denburg in 1553 gestorven ErasmusAlberus^in hetwelk
deze zoo onrustige en heftige polemicus op duchtige wgze
tegen de aanhangers van Karlstadt was te velde getrokken,
waarbg hij ook onzen Laski niet had ontzien. Tot mgn
leedwezen heb ik het bedoelde geschrift niet onder de oogen
gekregen, zoodat ik niet kan opgeven, hoe Laski in dit
gezelschap werd ingeprest ^), Maar Hosius heeft hem
1) Men vergelijke b.v. de brieven, in welke Vergerius aan hertog Christoffel
bericht geeft aangaande zijne werkzaamheid te dezen aanzien (Kausler, S.
160 ff.), en ga in de briefwisseling van die dagen eens na, hoe menigmaal de
ondermijnende arbeid van den Italiaan in Polen vermeld en ook misprezen wordt.
(Zie: Calvijn, XVI en XVII, passim; „Original'*, p. 693, en elders.)
>) Ook Laski kende het strijdschrift van Alberas niet, en had ook geen
daarin aangetroffen, en wel als terdege gebrandmerkt, en
dat was voor den Katholiek voldoende, om hem in zulk eene
door de Protestanten zelven vervaardigde ketter-ltleedij aan
zijne Poolsehe landslieden voor oogen te stellen. Het geschrift
van den Ermelandschen bisschop was allereerst gericht tegen
Tergeriue, den strijdvaardigsten en toen ter tijde meest
gevreesden tegenstander der Roomsche kerk, die het drijven
van Lippomani in Polen zoo onmeedoogend had tentoon
gesteld; op een viertal plaatsen echter van het strydscbrift
veroorlooft de bisschop van Culm zich oene breedere uitwei-
ding, ten einde het hoofd der Hervormde kerk van Polen te
treffen. Het is niet meer de moeite waard, het geschrift van
H o 8 i u s grondig te beoordeelen ' ) ; menigmaal wekt het onze
verwondering , als wij zien , hoe weinig begrip deze voor-
naamste en geduchtste tegenstander der jeugdige Evangelische
kerk van Polen voor de Evangelische waarheid heeft bezeten,
en wij moeten dau bij ons zelven bekennen, dat de vereenigde
Evangelische kerk er gemakkelijk in zou hebbeu moeten sla-
gen, zich tegen zoodanige wederpartijders te verdedigen.
Niet om zijns zelfs wil, maar met het oog op de door hem
voorgestane zaak gevoelde L a s k i zich verplicht, den hom ten
aanschouwen zijns volks toegeworpen handschoen op te nemen.
Zulks deed hij in het in 1559 verschenen „Antwoord op
sommige Artikelen over do leer van Johannes a Lasco, welke
door Stanislaus Hosius uit Erasmus Alberus zijn verzameld." ^)
Het Latijnsche strijdschrift is opgedragen aan den edelen
graaf T a r n o w , den castellaan van Krakau ; juist tegenover
deze persoonlijkheid, die zoo lang aarzelde om den beslis-
senden stap te doen, en onderwijl de vriendschap van Cal-
rijn verloor^), wenschte Laski de armzalige, onwaardige
Init om het leua (Kajper, 1, 308); durom Ustte bij de >er>cbillcDde pan-
taa UD. gelijk die door Hoaius lijn upgcnDtneQ.
■) Siit beeft iuIIib gedaan (S. 426), voor iDoier het legeDaobrirt vin Ver-
gerini hein dnartoe de gelegenheid bood,
'■) Afgedrulit bij Kuiper. J. 301 — ld2, volgens bet rrnige aag voorbandsn
lijnde exemplair, betttelk bebaort atn de Kelieilqke bibliotbcek te Petersburg,
^) Verg., bebalie de Ulr^ke brieiea »D Cahijn, Stihtlin, H, S9 ff.
h
612
aanTallen van den Cnlm'schen bisschop te ontmaskeren. Wel
Iaat onze vriend zich hier en daar door zgnen toom OTer
de tegen hem ingebrachte bescholdigingen Termeesteren, en
zijne rede wordt bitterder, dan w^ die anders bg hem, den
hoogbeschaafden , vromen man , gewoon zgn te hooren. Maar
ook nog nergens, voor zoover wij weten, was Laski^sleer,
die hg met zgn hartebloed had geschreven, op zulk eene
krenkende, onwaardige, ja, men zon bgkans zeggen: laag-
hartige wijze misvormd, als in het libel van den Koomschea
bisschop en van zgnen strgdgenoot, den Brandenbnrgschen
superintendent. Een enkel voorbeeld m(^ volstaan. A^lberas
schaamt zich niet, aan La ski de leer toe te schrgven, en
Hosins schaamt zich niet, die onzinnige bewering aanzgne
landslieden mede te deelen: „wanneer wg het lichaam des
Heeren eten, dan volgt daaruit, dat Maria haren eig^ien
zoon heeft gegeten, gelijk katten en zwgnen menigmaal hunne
eigene jongen versHnden.'' Maar reeds genoeg! Enmetznlke
lieden moest onze vriend kampen, en moest daarbg zien,
hoe zg^ wegens de oneenigheid der Protestanten^ meer en
meer terrein wonnen: dat was wel de bitterste Igdenskelk!
Oelgk^ tot beperking van den toenemenden invloed van
Laski, het smaadschrift van Erasmus Alberus vanuit
Duitschland in Polen verspreid werd, zoo werd ook West-
phal niet moede, met zijne lasteringen onzen vriend tot in
zijn vaderland te vervolgen, en door zgne booze verdacht-
makingen aan den voortgang der Hervorming in Polen eene
onberekenbare schade toe te brengen. De ,^Farrago'' van
den Hamburgschen opperprediker (1552) was het eerste gelui
der stormklok geweest, hetwelk de gestrenge Lutheranen
opriep tot eenen onverbiddelijken strgd tegen hen, die, met
betrekking tot het Avondmaal, zich met Calvgn en Me-
lanchthon plaatsten op den door Luther stilzwggend
goedgekeurden bodem der Augsburgsche belijdenis van 1540.
De lieden werden in den ban gedaan, ja, — het treurige
lot der vluchteling-gemeente in Denemarken, te Wismar, te
Lubeck en te Hamburg getuigt het, — vogelvrg verklaard,
en gevaarlijker geacht dan Joden en Katholieken, die gerech-
tigd waren om zich in deze oorden te vestigen. Dien eersten
alarmltreet heeft "Weatphal spoedig door verdere geschriften,
die kort na elkander het licht zagen, laten volgen, onver-
moeid, met den ijver van eenen Spaansehen inquisiteur, al-
hoewel niet overal toegerust met diens macht. Tn de opdracht
van zijne „Forma" aan den koning van Polen had Laski,
gelijk wij weten, zich tegen de beschuldigingen van Timann
in Bremen verdedigd, en daarbij uit noodzaak een paar malen
ook van West ph al gesproken. Dat was voor den strijdvaar-
digen HamburgBchen leeraar voldoende, om een heftig te-
genschrift tegen Laski in het licht te zenden, en daarna
nog een tweede, als antwoord op het verdedigingsschrift, het-
welk een paar weken daarna door de vreemdeling- ge meen ten
aan de Frankforter magistraat was gericht. Alsof We stp hal
zich zelven wilde overtreiïen, zoo grimmig, zoo bijtend is dit
antwoord, voor hetwelk hij intusschen te Frankfort geen
drukker schijnt gevonden te hebben, want het is in het na-
burige Ursel verschenen. Het geschrift vond welhaast zijnen
weg naar Polen. Hosius behoefde er niets aan toe te
voegen, en slechts voor de algemeene verspreiding er van
te zorgen, want eenen geschikteren schildknaap voor zijne
aanvallen kon hij niet vinden. Met een bloedend hart zag
Laski de schromelijke schade, die door dit smaadschrift
in zijn vaderland word aangericht. Tot dusver had hij op
de onwaardige aanvallen van Westphal gezwegen: lan-
ger te zwijgen achtte hij thans echter al te bedenkelijk. En
toch bleef hij nog gcruinien tijd aarzelen. Het geschrift van
Westphal was in 1557 verschenen; het antwoord werd
eerst na Laaki's dood in het licht gegeven: men ziet, hoe
moeiel^k het hem viel, met zulk eenen tegenstander den
strijd aan te binden, en hoe hg er slechts noode toe kon
besluiten , eene kampplaats te betreden , waar zooveel rawe
hartstocht zich als een onketend element zinverwarrenddeed
gelden. Reeds de eerste regels getuigen, met wolk eenen
tegenzin Laski den strijd aanvaardt '), Van schrede tot
1) Knjper, I, 273.
614
schrede volgt hij den heftigen tegenstander in zijne beschul-
digingen, die hij één voor één woordelijk mededeelt, en
daarna telkens uitvoerig wederlegt. Aan de doorgaans kalme,
steeds heldere > weldoordachte, zakelijke beantwoording kan
men bespeuren , hoe spoedig L a s k i zgnen tegenstander ver-
geet, en alleenlijk nog de zaak zelve in het oog heeft, en
van de gelegenheid gebruik maakt, om anderen aangaande
het ter sprake gebrachte onderwerp te onderrichten. Dezen
indruk moeten allen verkrijgen, dat a La se o zijn oogmerk
bereikt, immers duidelgk aangetoond heeft ^ dat zijn stand-
punt méér met den geest der Augsburgsche belijdenis over-
eenkomt, dan dat van den tegenstander.
Wij keeren thans weder terug tot het tgdstip, waarop
onze vriend, diep teleurgesteld, zich na maandenlange afwe-
zigheid weder huiswaarts begaf. In de nu volgende maanden
van den levenstijd^ die hem nog gegund was, bepaalde
zijne werkzaamheid zich tot eene engere sfeer, nl. tot den
kring zijner gemeenten in Klein-Polen. Nog slechts één-
maal gaat hij buiten dien kring, om als beschermer van
zijne kerk haren verbitterdsten vijand, Hosius^ tot eenen
openlijken kampstrgd uit te dagen. Op de synode te Petri-
kau, in 1551^ had de Ermelandsche bisschop snel en tevens
overhaastig eene „Christelgke belijdenis van het Katho-
lieke geloof' ^) samengesteld. Men verlangde, dat dit ge-
schrift zou worden in het licht gegeven. De uitgave werd
vertraagd; na verloop van twee jaren verscheen het eerste
deel, met de pretensie, éen tegenhanger te zgn van de Augs-
burgsche belijdenis. Frisius Modrzewski viel den op-
pervlakkigen arbeid onmeedoogend aan; Hosius zag zich
genoodzaakt tot eene omwerking, en zoo verscheen het vol-
ledige werk eerst in 1557. La ski las het geschrift, en
meende, niet te mogen zwijgen op hetgeen de Bisschop, op
zulk eene ongemotiveerde en ondoordachte wijze, aan de Evan-
gelische kerk had ten laste gelegd. Hij begaf zich tot den
I) „Confessio catholicae fidei christiaoa." Verg. Eichhorn, 1, 220 f.
615
Koning, en verzocht hem vergunning, om schikkingen te
mogen treffen met Ho a lus tot het houden van een openbaar
godsdienstgesprek. Het verzoek werd toegestaan ; de vice-
kanselier Padnowski noodigde daartoe Laski en de overige
leeraren uit. Deze tijding braeht in Klein-Polen groote vreugde
teweeg. Aan Lismanini, Felix Cruciger, Gregorius
Paulus, Lutomirski enSarnitzkl droeg de Sjnode
de taak op, era, in vereeniging met a Lasco, de belijdenlB-
schriften van den Bisschop nauwkeurig te onderzoeken, en
zich voor den beslissenden dag gereed te maken.
Maar die dag kwam niet. De gebeurtenissen op staat-
kundig gebied beheerschten omstreeks dien tijd de gemoederen
in zulk eene mate, dat de godsdienstige vraagstukken op den
achtergrond moesten treden. Wel is waar had graaf Tar-
now op den rijksdag te Petrikau, in Januari 1559, het
voorstel gedaan, om de bisschoppen uit te sluiten van den
Senaat, dewijl zij den eed van getrouwheid aan den Paus
hadden gezworen, en mitsdien in eene degelijke staatsin-
richting ongeschikt waren om raadsheeren des Koninga te
zijn '), en was er alzoo eene nadere, belangrijke poging
gedaan , om den invloed der Roomsche geestelijkheid te be-
perken. Maar de zomer vestigde de algemeone opmerkzaam-
heid op geheel andere zaken. De hitte was in dit jaar zoo
ongemeen drukkend, dat het graan verschroeide, zoodat er
hongersnood dreigde te zullen ontstaan ; daarbij herschiep
de zonnegloed het land in eene heete broeiplaata voor de
pest, die van alle zijden naderde. ^) De Moskovieten be-
dreigden het land met eenen inval; de naweeën van eenen
onlangs voorgevallen strooptocht der Tartaren in Podolië
deden zich nog steeds gevoelen ; ook de Scythen hadden dat
ongelukkige stroomgebied van de Dnieper in bet vooraf-
gaande jaar te vuur en te zwaard verwoest, en te Pinczow
wist men te verhalen, dat meer dan dertigduizend inwoners
als gevangenen waren weggesleept. ') Daarbij kwamen un-
1) Calvijii. XVII, 117.
1) Ibid-, p. 602.
1) Ibid., p. 423.
610
dere moeielijkheden Toor den zoo weinig energieken koning.
Aan den eenen kant begonnen reeds de aanzoeken betref-
fende de troonopToIging , daar ook de derde gemalin des
Koning» hem den vurig gewenschten er%enaam niet had
geschonken* Lippomani was weder in Polen teruggekeerd,
en thans kwam een ander lokaas den pauselgken nuntius in
de bekwame hand, indien al niet om den weifelenden koning
naar willekeur te leiden, dan toch om hem te weerhouden
yan al te zeer zgne genegenheid roor de Ëvangelischen te
volgen. De koninginne-moeder Bona was in haar Italiaan-
scho vaderland gestorven, en Sigismund moest toezien,
de gunst van den Paus niet te verspelen, om niet diens
machtige hand bij de ingewikkelde overdracht van de erfe-
nis op gevoelige wijs te bespeuren. Dit alles werkte er toe
mede, dat het toegezegde godsdienstgesprek, in hetwelk H o-
sius bovendien waarschijnlijk niet den rechten lust had,
dewjjl het hem tegenover eenen man als L a s k i zou hebben
gesteld, niet tot stand kwam.
Ook de gespannen opmerkzaamheid en de onverpoosde
werkzaamheid van onzen vriend werden, in dit zgn laatste
levensjaar, op cene ernstigere en, wat hare gevolgen betreft,
belangrijkere zaak gericht. Het zgn de Antitrinitariêrs , die,
inzonderheid na de terechtstelling van Servet, uit Zwitser-
land verjaagd en overal vervolgd, in Polen een toevluchtsoord
gevonden hadden. Deze vreemdelingen waren voor het mee-
rendoel fijn-beschaafde humanisten, alleszins ervaren in de
wetenschappen, onberispelijk in de omgangsvormen, doorgaans
ook onbesproken ten aanzien van hunnen zedelijken levens-
wandel. Het waren vrome mannen, die ook voor een marte-
laarschap niet terugdeinsden ; sommigen hunner konden reeds
op de litteekens van doorgestane vervolging wijzen. Zij lieten
zich leiden door het ernstig-gemeende streven om zich vrij te
maken van alle menschelijke leer, en alleen het Woord Gods zelf
als richtsnoer te volgen. Dewijl zij de schoolsche uitdrukkingen,
in welke do Kerk de allerheiligste verborgenheid van het wezen .
flods trachtte uit te spreken, in de H. Schrift niet konden
vindon, meenden zij gerechtigd te zijn, om met de gebrekkige
617
uitdrukking ook haren goddelijkcn inhoud overboord te mogen
werpen, on na eenmaal zoo ver gekomen te zijn, was het
breken met de kerk, de afval van de goddelijke waarheid,
de verdere verdringing uit de hoofdatellingen der christelijke
waarheid slechts het onvermydelyke gevolg. ')
Deze Unitariërs, die ons in menig opzicht aan het vul-
gair Rationalisme uit het begin onzer eeuw doen denken,
hadden, toen La ski in zijn vaderland terugkeerde, reeds
vasten voet aldaar verkregen. Met zijnen scherpen blik be-
speurde onze vriend, van den beginne aan, de oplossende
werking de'/er lieden. Met alle macht verzette hij zich tegen
hun gevaarlijk drijven. Reeds op de synode, welke in Januari
1556 op het slot van Stanislaus Safraniec te Seczemin
werd gehouden, was Peter Gonesius, uit Podolië geboortig
en leeraar te Biala, opgeroepen om zich aangaande zijne Sor-
vetische, of, gelijk ze ook genoemd worden, Ariaaoacho
ketterijen, te verantwoorden. Merkwaardig! liet was juist
Goneaius, die vc'iór weinige jareu te Krakau aan den
eenigszins in verdenking geraakten Stancarus het hoofd
had geboden. ') In den tuaachentijd had hij denzelfden w^
ingeslagen, langs welken hij met vasten tred verder gegaan waa.
Daar hij zijne dwaling niet wilde verzaken, werd hy uit de
gemeenschap verbannen. „Goneaius ging weg" ^ ziii'i lezen
wij in het Protocol, — „geheel temeergealagen, en nadat hij
met tranen afscheid had genomen van de broederen , die
hem allen berouw en bekeering toewenachten." Juist deze
gebeurtenis achynt de Synode bewogen te hebben, om erbij
Laeki nog te meer op aan te dringen, dat hij zijnen te-
rugkeer zooveel mogelijk zou bespoedigen.
1) 't U kenmetkcnd. hos oolr bij deie Poolsclie AntitriniUriën de Kümh
liDDg itond aangeichreven. OmstKclis dien tijd hsd Ie Zariih ctat ovFrielting
imrito bet liaiit geiico. In rcii^n brief, uil de kringen der Pooltcbe Socinii-
dca ofkDiUBtig. leeat mon u. a. ungsande den Kurïn: .W(j («rluitigen uns leer
in het bueli, en terlilarcn het «oor een Goddflyli geschrift" (L a u l e r bü c b.
II. SI). J>, ée'n V4I1 ben, Adam Reuser. uit Wurtemberg, begit lich nsar Koa-
■tantinapel, en ging sidaar, omslreeku het jaar 1&7D, lot het MuhamuiedaDitme
over. (Verg. asngaande hem ook Lubienitiki, p. 109, die echter uver deicn
gcnnegiaaTQ gestaafdcn overgang bet slilttvijgen bewaart.)
«è
In de aynoden, welke onder zijne leiding plaats hadden,
was Laskt, gelijk wij rocds zeiden, moDigmaal genoodzaakt,
over die zelfde aangelegenheid te handelen. Het uitvoorigöt ge-
Bfhiedde dit op de groote synode te Wlodzislaw, in Sept 1558.
Op deze waren vanwege vorst R a d z i w i 1 en zgnen wak-
keren superintendent ia Polen, Simon Zaoius, schriftelijke
aanklachten ingekomen tegon Hieronymua Piekarski, den
opvolger van Gonesius in het pastoraat te Biala , en tegen
den catecheet der aldaar gevestigde school, Johannes Fal-
covius. Uit het verhandelde kan men gemakkelijk bespeuren,
dat de lieden zich hadden laten verleiden, en dat de dwaal-
leer bij hen nog geen vasten wortel had geschoten ; zij bodon
althans aan den Superintendent op de Synode geen blij venden
tegenstand, en onderwierpen zich ten slotte aan de kerkleer.
Zoolang La ski leefde, en ten gevolge van zijnen mach-
tigen invloed, dorat de ADtitrinitarische beweging niet recht
voor den dag te komen. Schroomvallig ontweken hare ver-
tegenwoordigers den leider der Evangelischen ; maar in hunne
gezellige eamonkomsten , op de afgelegen burchten van den
Adel, strooidon zij het zaad hunner leer ijverig uit. Hetgeen
Kij zeiden scheen zoo verstandig, zoo duidelijk voor het „een-
voudige, gezonde raenschenverstand," en daar hun levens-
wandel in burgerlijk opzicht onberispelijk, vroom en braaf
waa, nam hun aanhang, door toevloed van buiten vermeer-
derd, in stilte voortdurend toe.
Tot het laatste toe bleef Laski onvermoeid in het strijd-
perk, in cenen heeten kampstrijd gewikkeld met de mannen,
wier leer hem als een adderbeet in het hart der Evangelische
kerk voorkwam. Ja, tegenover hen kon hij zijne zachtmoe-
dige kalmte, die hem ten allen tijde zoo liefelijk kenmerkte,
vergeten , en de opbruiseode natuur van den Pool verkreeg
de overhand. Althans uit het laatste levensjaar van onzen
vriend wordt ons verhaald, dat hij op zekeren dag te Pinc-
zow met Stancarus in den heftigsten woordenstrijd ge-
raakte. Hetgeen onzen vriend het heiligste was, werd door
Stancarus in een belachelijk daglicht gesteld ; Laski
berispte den „Mantuaanschen Jood" (gelgk hy in onze broo
619
wordt genoemd) over zulk eene anoode taal. Do llulit vaardige
Italiaan echter, die zich wellicht ook in den woordentwist
niet meer meester was, ging voort met spotten. Dat dead
den beker overloopen ; gelijk weleer de zonen des donders
in het Evangelie zich door drift lieten medesleepen, zoo
kon ook Laski zijnen toorn niet langer bedwingen. Wel-
licht nauwelijks wetende wat hij deed, greep hy hot zware
Bijbelboek, dat vóór hem lag, en gaf S taneariis daar-
mede eenen slag op het hoofd, opdat de snoode man in elk
geval door het Woord Goda op eene voor hem voelbare
wijze mocht worden getuchtigd. ')
De laatste rede van Laaki, welker aanhef althans ons in de
Protocollen woordelijk is bewaard gebleven, heeft betrekking op
deze dwaalleer, welke hem voor de ontwikkeling zijner kerk
het bedenkelijkst toeschoen. Stancarus was begonnen, het
hoofd stoutmoediger op te heffen, en begeerde een openbaar
godsdienstgesprek, ten einde zijne meeningen te bepleiten.
Sommigen beaamden dien wensch, en de zaak kwam op de
synode te Pinczow, den 7''^" Augustus 1559, ter aprake.
Laski begon zijne rede met deze woorden: „Miinnen
Broeders ! Het kan aan niemand van u onbekend zijn ge-
bleven, dat er geruchten aangaande eene nieuwe dwaalleer
zjjn ontstaan, welke de Satan door zijne handlangers, d. i.
door de kettera, tot groot nadeel van de kerk van Christus
den Heer, uitstrooit, ten einde den room van Jezus Christus,
als van den Zone Gods, onzen Middelaar, God en mensch
in één persoon, te verduisteren. Daar het nu de plicht der
leeraren is, de zuiverheid van de leer van Chriatua te be-
schermen en te bewaren, zoo hebben wij ona hier te zamen
vereenigd, ten einde openlijk eene ware en met het Woord
Gods en met de kerk van alle eeuwen overeenkomstige be-
lijdenis af te leggen, en voorts te betuigen, dat deze nieuwe
leer nu ook in onze gemeenten, gelijk reeds aindslangin do
overige veroordeeld, valsch is en kettersch en verderfelijk."
Laski toont daarop verder aan , dat bet aanzoek van
■) C I e 1[ a
Stancarus niet kan worden vervuld; het zon eene ma-
jesteitsschennia ziJD, daar toch openbare godadicnstgeaprekken
over nieuwo leerstellingen alechts met toeateimning van den
Koning, en nadat deze de rechters, de byzitters enz. benoemd
had, mochten gehouden worden. Nog was het nationale con-
cilie niet bijeengekomen, op hetwelk zij, gelijk hnn was toe-
gestaan, met HosiuB zonden kunnen disputeeren; alvorens
dit geschied waa, kon er geen nieuw godsdienstgesprek worden
□p touw gezet. Ingeval Stancarus echter van den Koning
de vergunning tot het houtlen van zulk een godsdienstgesprek
wint te verkrijgen, dan was hij bereid de uitdaging aan to
Met deze plechtige veroordeeling van de dwaalleer van
Stancarus nam de openbare loopbaan van onzen vriend
een einde. Vier weken later kwam er te Pinczow wederom
eene synode te zamen. Lismanini wordt afgezonden naar
het kasteel te Diebran, waar Laski vertoefde, ten einde in
vereeniging met hem de in de laatste synode opgestelde be-
lijdenis aangaande het Middelaarsambt van Christus, de
grooto twistvraag in den strijd met Stancarus, aan eene
laatste herziening te onderwerpen; van dezen laatsten arbeid
van Laski was helaas geen enkel spoor meer te ontdekken.
In den naherfst schijnt het vervolgens met zijn gezondheids-
toestand snel te zijn achteruitgegaan- Laski keerde naar zijne
familie in Pinczow terug. Nog toont men aldaar het huis en
het vertrek, in hetwelk hy den laatsten, moeielijken tijd zijns
levens zal hebben doorgebracht. Reeds sedert het be-gin
dos jaara was het oude lijden bedenkelijk toegenomen. In
eenen brief uit zijne omgeving, gedateerd van Februari, leest
men o. a. het volgende: „Ook do onzen, ik schrijf het met
smart, zijn in hunnen ijver verkoeld. Slecht onzen allervoor-
treffolijkstcn Laski zonder ik uit: men kan niet ijveriger zgn
dan hij. Maar wat kan de goede man geheel alleen uitrichten,
die oenen onafgebroken kamp met den dood heeft; te voeren,
en die daarbij tegelijkertijd en voortdurend met de vijanden
van UbristuH worstelt? Met het oog, zoowel op hem zelven.
691
als op de geheele Poolache kcirk, vervult zijn uiterst smarte-
lijk lijden mij met diepe bekoraoieving. En touh moeten wij
immers met een gewillig hart ons onderwerpen aan het on-
yermijdelijke, dat ons van Omhoog wordt opgelegd." ')
De zoo even medegedeelde woorden dagteekenen van Fe-
bruari 1559. Het geheele jaar schijnt een onafgebroken tijd
van het zwaarste lichaamslijden geweest te zijn. Desniettemin
bleef hij onvermoeid werkzaam. Menigmaal smeekten hem
zyne vrienden, dat hij zich toch mocht ontzien, ook met het
oog op de talrijke kinderschaar, die hem onverzorgd omringde,
en aan welke bij geene aardsche middelen kon nalaten ; maar
niets kon zijnen krachtdadigen ijver in den heiligen dienst
zijns Heeren betoomen. Op de liefderijke vermaningen zijner
vrienden antwoordde hij met het achoone holdenwoord, oenen
echten Evangelischen strijder waardig: „Dat ik leef, is niet
noodig, maar zeer noodig is het, dat ik de kerk van Chris-
tus bijsta. Christus, onze Heer, heeft raij niet tot een rustig
en vroolijk leven, maar tot arbeiden en kruisdragen geroe-
pen. Dat is mijn leven, gansch ontwijfelbaar te weten, dat
ik mijnen Heer en zijne gemeente dien." ^) Bij zulk eene
gemoedsgesteldheid geschiedde bet dan vaak, dat de vrienden,
die gekomen waren om hem te troosten, zelven getroost zijn
krankbed verlieten, wanneer zij den lijder met zulk eenen
onverzwakten geest over de berusting in den wille Gods
hoorden spreken. En wij hebben immers gezien, hoe hij, in
weerwil van alle kwalen, ook gedurende den zomer en tot
diep in den herfst zijne hand van den ploeg niet aftrok.
Het moet omstreeks den Kersttijd geweest zijn, dat het
oude, zware onderlijfslijden een dreigender karakter aannam,
en de gedachte aan de nadering van den dood io Laski's
omgeving opwekte. De Evangelischen waren smartelijk ont-
roerd bij de gedachte aan bet ontzaglijke verlies, dat de
Kerk reeds zoo spoedig zou treffen, en de bewustheid daar-
van ontperste tranen aan de diep terneergeslagen mannen.
„Ik bid u," zóó sprak La ski tot de ouderlingen, „laat af
>) S t ■ t ft
.p. 9.
622
v4i%> i^vy^^r^, of, indien gij nu eenmaal hebt besloten te wee-
v4^!tt!>f^tK ^^ 1*^^^ °^^^ ^^^ lijden ran den enkele, dat niets is,
^\-. v^t^^T^^ xijn, maar treurt liever orer het algemeene Igden
i^i tk>rk/' De smarten namen ran dag tot dag toe. Reeds
^|i^^ ^^« Januari was de toestand hopeloos. Zijn vriend, de
^i/j^]^00r van Pinczow, Olesnitzki met zgne gemalin stonden
u^ hot sterfbed. Gedurende de weinige oogenblikken, waarin
^^ vry was van smart, sprak onze vriend dien dag nog veel
g^yer den toestand der Kerk; de gedachte aan het dreigende
gevaar van de zijde der ketters kwelde den geloofsheld, en
in vurige, vrome gebeden beval hij de zoo fel bestookte
kerk aan de bescherming van den almachtigen God. Met
bot vallen van den nacht verhief zich de smart; slapeloos
bracht hij dien op het krankbed door ; de talrgk vergaderde
vrienden bespeurden, hoe zijne ziel worstelde in den gebede.
Dikwijls riep hij ook met luider stem den Allerhoogste aan,
en wel tot verwondering van de omstanders in de Duitsche
taal; in deze was hg gewoon, met zijne getrouwe levens-
gezellin te bidden. Tegen den morgen had er een verval
der inzinkende krachten plaats; de organen weigerden hun-
nen dienst. Met stervende lippen slaakte hg nog een paar
malen in het Duitsch den kreet: „Mijn Heer en mijn God!'"
Daarop begaf hem ook de stem. Volkomen rustig lag hij
daar, alsof hij sliep. De leerlingen, de professoren, vele goede
lieden wachtten, in vereeniging met de familie, op den
laatsten ademtocht. Het was omstreeks vijf uren, den 8*^"
Januari 1560, terwgl de winterzon achter het slot verdween,
dat onze vriend den laatsten adem uitblies, en, gelijk een
oo^etuige bericht, „uit dit zoo kommervolle leven overging
in het hemelsch vaderland.'' ^)
Drie weken later, den 29*^» Januari, waren 16 leeraren
der gemeente en 20 leden van den adel van Klein-Polen uit
verschillende, ook uit de afgelegenste oorden des lands tot
bijwoning van de lijkplechtigheid te Pinczow bijeengekomen,
edele mannengestalten , die aan de Evangelische kerk innig
') S y I ? i u 8, in zijne lijkrede.
verknocht waren, en wier aroartelijke trekken getuigden, dat
zij den slag gevoelden, welke de vaderlandsche kerk met het
heengaan van „vader Laaki" getroffen had. Het lijk werd
naar de stadskerk overgebracht, en aldaar bijgezet ter plaatse,
waar het hoogaltaar had gestaan. ') De eerste rede bij de
plechtigheid hield Jacobua Sylvius, die reeds in 1547
te Krzecica het Evangelie verkondigd en het eerst van allen
te Pincnow, in 1550, het H. Avondmaal volgens Evangcli-
schen ritus bediend had, een wakker, trouwhartig man, die
met den overledene innig bevriend was geweest. Zijne rede,
welke nns nog is bewaard gebleven, getuigt van zijne oprechte
bewondering voor, en van zyne hartelijke verknochtheid aan
Laski. Enkele belangrijke trekken kij 't ona vergund, aan
het door hem ontworpen beknopte levensbeeld te ontleenen.
Sylvius roemt in den ontslapene eenc zekere majesteit zijner
uiterlijke verschijning, eene waarlijk koninklijke gestalte,
edele, harmonische gelaatstrekken en eene sterke lichaams-
kracht, die slechts door voortdurende zorgen en bezigheden
en moeiel ij kheden bij dag en bij nacht vroegtijdig werd onder-
mijnd. Waar het er op aankwam, het Vaderland en de Kerk
te dienen, heeft hij er nimmer aan gedacht, zich zelven te
sparen. Met de genoemde uitwendige voortrefTel ij kheden paar-
den zich zijne uitnemende geestesgaven : eene grondige ge-
leerdheid met eene gelijke mate van schranderheid, wijsheid,
rechtvaardigheid en gematigdheid. Zóó rechtvaardig was hij,
dat hij niet slechts geen vreemd eigendom bezat, maar dat
hij zelfs het zijne gering achtte. Daarbij zijn uitstekende moed,
1) Sind. Ung i> de kerk w*itt
o bet betit dor KoomBi?h-k
.tbolirkep üïer-
gogïm, en geen enkel »[jnor ïer
lijne laitite rDutjiluti gevonrleo
beert gegund? Of lijn gebeente nj
riorende Itoomiche kerk het hoog
u<!t de plek, waar ifa de
hrett. Or men bem wel <
t JB weggeworpen gewordt
Itaar weder Dpriebtte? To
grouUl« Polen
e tast d«. gr.f.
. .oen de «ge-
heb ik de ruimte in >lle riehtlnge
0 doonoebt, en ïoor tooïe
lul ka mogelijk
wu, de door hel vele koieUn der goJidioDBtigen bijkaaa uitgetleten opaebriftea
dar grarateeaen, mei welke de kerk bevloerd ia, trachten te ontcijrarea. Doch
tevargeefa! Geen enkele letter, die uo Liiki herinnert. Eieoioo waa ook alle
aairraeg b^ de bewurderi der kerk en bij hare prieaten geheel vraebteioaa.
De berinneriag ran dien tijd ia by hen rerdwenen, loodat zij nok bnitea )lut
waren, op de iragen >an den reltiger eenig antwoord Ie geren.
i
624
de kracht van zijn onoverwinnelyk hart, zgne grootheid van
ziel, en hoe zgn geheele verlangen enkel en alleen op Christus
was gericht. Dat schonk hem den onverzwakten lust, om ook
te midden van de zwaarste vervolgingen God te danken. Om
den wille van Christus heeft hy alles, wat ook de grootste
mannen begeeren, waardigheden, eer, vermogen, wereldlyk
aanzien gering geacht. Hoe sterk de aandrang der vijanden ook
was, tot wat hoogte de vloed der beweging zich ook verhief,
zijn wezen geleek altoos op eenen stil voortsnellenden stroom.
In zijn gedrag was hy doorgaans vriendelijk, zachtmoedig en
bescheiden; in zijnen omgang, ook met de allergeringsten ,
was hij beminnelijk en voorkomend. Zijn huis stond voor
allen open. Oprecht, eenvoudig, argeloos en vergevensgezind,
kende hij hoegenaamd geen achterdocht of mistrouwen. Hij
was bg uitstek milddadig, en bezat eene in waarheid groot-
hartige gezindheid. Enz.
Bg deze Poolsche rede sloten zich twee Latijnsche rede-
voeringen aan ; de eene werd, uit naam van de oudsten der
Evangelische kerk van Klein-Polen, gehouden door S t a n i s-
laus Sarnitzki, Evangelieprediker te Niedzwiedz, een stadje
in de nabijheid van Erakau, na Laski's dood één van de
ijverigste en duchtigste kampioenen van de Evangelische kerk
tegen de dwaalleeraars, — de andere werd gehouden door
Petrus Statorius, den rector der school, wien met
La ski de krachtige steun ontzonk, die hem voor de ver-
zoekingen der Antitrinitariërs behoedde. Wg moeten weer-
stand bieden aan de verzoeking, om nu ook nog uit zgne,
in druk verschenen Igkrede een paar verdere trekken uit
het levensbeeld van onzen ontslapen vriend te doen uitkomen.
De laatste aanspraak, nü weder in het Poolsch, hield de
superintendent Cruciger. Deze moest het zware verlies
dubbel gevoelen, dewijl hem met zijn zacht, toegevend ge-
moed de noodige geestkracht ontbrak, om zich moedig aan
te kanten tegen diegenen, die de aan zijne leiding toever-
trouwde kerk dreigden vaneen te scheuren.
Een held in Israël was gevallen. Tot op verren afstand
verspreidde zich de treurmare ; nog maanden daarna getuigen
625
laat aankomende brieven, hoe ook op de verst verv^ijderde
voorposten der Evangelische kerk het verlies, dat de geheele
kerk had getroffen, op smartelijke wijze gevoeld werd. Dat
het een leeuw was geweest, die nu zoo stil daar temeerlag,
wilde men in het leger der Antitrinitariërs bewgzen door hem
nog een schop te geven met den ezelshoef. Aan het hoofd
der Antitrinitariërs stond destijds te Pinczow Orsatius,
dien L a s k i bij zijn leven zoo manmoedig en zegevierend had
wederstaan. Deze bracht het sprookje in omloop^ alsof een
goddelgk teeken aan het Igk zou zgn te zien geweest, doordien
nl. de lippen des gestorvenen zouden zijn aaneengegroeid. Het
sprookje schijnt geloof te hebben gevonden onder die lieden,
welke den doode ook uiterlijk door God wilden laten aange-
daan zijn hetgeen zij den levende niet hadden kunnen doen,
t. w. hem den mond snoeren. De Synode achtte hetnoodig,
het graf nog eenmaal te openen, en op die wijze het onzinnige
gepraat tot zwijgen te brengen. De erfgenamen dezer lieden
zijn vervolgens de Jezuïeten geworden, en zij waren in hun
streven voorspoediger. In jarenlangen arbeid hebben zij zulk
een stevig slot om den vromen mond gesmeed, dat geen enkel
woord, hetwelk eenmeial aan deze Evangelische lippen met
zulk eene woirderbare, overtuigende kracht ontvloeide, onder
de bevolking méér veniomen wordt, en zij er niet het minste
vermoeden van heeft, welk eene profetengestalte God haar
in die glorierijke dagen harer geschiedenis heeft verwekt.
Schier spoorloos is deze held aan het leven van zijn volk,
dat hij zoo innig liefhad, voorbijgegaan ; getrouwere en dank-
baardere handen uit vreemde landen hebben zgne woorden
verzameld, zijne geschriften tot een blijvend gedenkteeken
bijeengevoegd. Een bijkans tragisch einde van eenen Poolschen
geloofsheld, veelbeteekenend en als een sleutel tot recht ver-
stand van den noodlottigen ondergang van dit volk. De stem
uit Rome klonk in zijne ooren liefelijker, dan het Poolsche
mannenwoord, dat uit de diepte van het Woord Gods was geput.
DALTON. 40
626
Ons verhaal spoedt ten einde. Wij werpen nog slechts eenen
vluchtigen blik op de treurende familie. Negen kinderen
stonden met de onbemiddelde weduwe rondom de kist des
vaders. Deze had geene aardsche schatten voor hen verga-
derd; geheel hulpeloos waren zg in het vreemde land ach-
tergebleven. Nog het jaar te voren had La ski bij de Synode
het voorstel gedaan tot oprichting van eene predikants-we-
duwenkas^ denkelgk zonder te vermoeden, dat zijne vrouw het
eerst van allen op eene dergelijke wgze zou moeten onder-
steund worden. Er werd eene inzameling gehouden; deze
bracht eene som van 289 gulden op. Maar de nood werd
daardoor nauwelgks gelenigd. Een brief van de weduwe aan
den Koning^ uit het jaar 1564, is ons bewaard gebleven. ^)
Zij beroept zich op de vriendschap, die tusschen hem en
haren echtgenoot heeft bestaan, en smeekt den Koning om
middelen, ten einde hare zonen te kunnen laten studeeren.
Of die bede het gewenscht gevolgd had, vernemen wg niet,
maar het is bevreemdend, dat de rijke verwanten zich het
lot der achtergeblevenen niet krachtdadig hebben aange-
troftken. Het schijnt, dat de weduwe, wellicht als vreem-
delinge, zich hier niet heeft kunnen gewennen en in den
familiekring haars mans niet bemind is geweest. Te Frank-
fort had La ski een testament gemaakt, volgens hetwelk
zijne weduwe de eene helft van zijn geringe vermogen
ontving, terwijl de andere helft onder zgne negen kinderen
moest worden verdeeld. ^) Eén van zgne zonen, nl. Samuël,
wien de diplomatieke begaafdheid der familie Laski was
ten deel gevallen, onderscheidde zich in meer bijzondere
mate. Sigismund III van Polen zond hem, in 1598, naar
Zweden, alwaar hij in de twisten over de troonopvolging
eene belangrgke rol speelde; in 1605 zien wij hem in naam
des Konings te Dantzig de aanhangige geschillen tusschen de
Lutherschen en de Gereformeerden beslechten. ^) Albert
1) Nog gedagteekend uit Pinczow. Verg. Kuyper, II, 765. [De bedoelde
brief is, gelijk uit de aangehaalde plaats blijkt, gericht, niet aan den koning
van Polen, maar aan den hertog van Pruisen („Ad Ducem Prussiae'*). — Vert.]
») „Scrinium," III, 546.
3) Krasinski, I, 283.
627
Laski, de zoon van Hieronymus, en waarschijnlijk door
zijnen beroemden oom voor de Evangelische kerk gewonnen,
was, evenals zijn vader, een uitstekend staatsman. Hij vooral
waa het, die de keus van Hendrik van Valois tot koning
van Polen doorzette, en hij bovond zich mede in het gezant-
schap, dat aan den Franschen vorst het bericht aangaande
die keuze overbracht; later ontmoeten wij hem aan het En-
gelaehe hof, waar hij door koningin Elisabeth met ken-
nelijke onderscheiding bejegend wordt. Maar hij staat helaas
bijkans aan de spits van den afvalligen adelj in 1569 was
bet aan den buigzamen, fijngeslepen pauselijkon nuntius
Commendoni gelukt, aan de Evangelische kerk van Polen
dien slag toe te brengen, en den neef van haren horvormer
in do kerk van Rome terug te voeren. ') In de latere ge-
schiedenis van Polen komt nog een paar malen gedurende
korte Oügenblikken de naam van L a s k i te voorschijn ; ook
een beroemde Jezuïet, Martinus Laski, wordt genoemd,
die aan de stedelijke regeering van Erakau den raad gaf om
katholiek te worden. Do laatste Evangelische drager van den
naam is ten vorigen jare [1880] gestorven; de draden van
samenhang met onzen hervormer kon ik niet ontdekken.
Werpen wij ten laatste nog eeoen blik op het andore
familielid van onzen vriend, nl. op zijne Evangelische kerk,
inzonderheid in Polen. Het is eeno liefelijke gedachte, dat
zij , al was het ook eerst na verloop van een tiental jaren ,
de schoone, innig christelijke erfenis zijns geestes in bet
verdrag van Sendomir (1570) heeft aanvaard. Alvorens ech-
ter de Evangelische kerk van Polen de daartoe vereÏBchte
mondigheid had vorkregen, had zij nog eene moeielijke,
harde oofenscbool te doorloopon, en dikwerf scheen het,
alsof zij zou moeten bezwijken. Na bet overlijden van den
machtigen kampioen verhieven do Antitrinitariörs in Klein-
Polen steeds vermeteler hun hoofd ; maart och was de Synode
■) Ibid., I, m. Verg. GratLini, p. iÜS. 3B7. -til •
M
628
sterk genoeg, om den gevaarlijken tegenstander van zich af
te stoeten, en alzoo zgnen kerk-ontbindenden invloed tegen
te gaan. Haar wensch, om door een besluit van den rijks-
dag te Parczow, in 1564, deze Antitrinitariërs uit het land
te doen verbannen, werd verijdeld door den invloed van den
scherpzinnigen , sluwen Hosius, die dezen kanker aan de
Evangelische kerk allerminst wilde laten uitsngden. De Evan-
gelische kerk van Groot-Polen bleef, wel is waar, van dit
diepknagende lijden verschoond, maar daarentegen woelde in
haar midden dezelfde dubbele strooming, die de Luthersche
kerk van Duitschland schier aan den rand van den ondergang
bracht. De Flaciaansche richting, onder leiding van den
strgdlustigen Thorn'schen prediker Morgenstern, wilde
van een vriendelijk samengaan niets weten; de Melanchtho-
niaansche richting daarentegen, geleid door den uitstekenden
prediker en generaal-senior der Luthersche kerk in Groot-
Polen, Gliczner, was daartoe alleszins bereid, en hoopte,
dat zij zoü mogen slagen in het treffen van eene overeenkomst.
Het bewustzijn van de noodzakelgkheid van zulk eene over-
eenkomst nam toe, naarmate de Boomsche kerk in het land
zich vermande, en onder eene éénhoofdige leiding de verdere
uitbreiding der Hervorming steeds nadrukkelgker te keer ging.
Op den ryksdag te Lublin, in 1569, kwam eindelijk tot
stand hetgeen koning SigismundAugust reeds zoo vaak,
doch altoos tevergeefs, had zoeken te bereiken, nl. de vol-
komene vereeniging van Litthauen en Polen. Ook bg gele-
genheid van dezen rgksdag kon de Koning zich overtuigen,
hoe de kern van den Poolschen adel tot de Evangelische
kerk behoorde. Daar hg reeds vroeg oud was geworden,
moest hem, den Idnderloozen koning, de gedachte aan de
troonopvolging menigwerf en in bijzondere mate verontrusten,
en de vraag bg hem doen oprgzen, of niet ook de stem der
wijsheid hem datgene aanraadde, waarvan zgn hart althans
niet afkeerig schijnt geweest te zijn, nl. het voorbeeld der
meerderheid en van de degelijkste kern van den Poolschen
629
adel te volgen, en door zijne aansluiting aan de Evangelische
kerk het gevaar van eene scheuring bg de mogelijk spoedig
ophanden zynde keuze van eenen koning te verminderen.
Reeds op den rijksdag te Lublin kwam men overeen, om
in het eerstvolgende jaar te Sendomir eene gemeenschappelijke
synode te houden: de lievelingswensch van onzen ontslapenen
vriend, aan welks verwezenlijking hij, gelgk wij gezien
hebben, bijkans zijne laatste levenskracht zonder aarzelen,
zij 't ook vruchteloos, had besteed. Och, dat men destgds
zijnen raad hadde opgevolgd! Och, dat het verdrag van
Sendomir ongeveer een tiental jaren aan de unie van Lublin
ware voorafgegaan: wie weet, of dan niet de laatste vorst
uit het huis der Jagello's zich aan de Evangelische kerk zou
hebben aangesloten! Het was vooral de hervormde adel van
Klein-Polen, die voor het bijeenkomen van de Synode ijverde.
Op zijn grondgebied werd zij gehouden; hier in Klein-Polen
had de Evangelische kerk de diepste wortelen geschoten, en
van hier werden de meeste Evangelische landboden naar de
rijksdagen afgevaardigd ; want in Groot-Polen waren het voor-
namelijk de in den Rijksdag niet vertegenwoordigde Duitschers,
die zich aan de Hervorming hadden aangesloten.
De Synode vergaderde te Sendomir, van den 9den tot den
15den April 1570. Groot-Polen had de beide, ook door degelijke
theologische ontwikkeling uitstekende gebroeders Gliczner
derwaarts afgevaardigd ; de Boheemsche broeders waren ver-
tegenwoordigd door den senior der Zwitsersche kerk in Cujavië,
Prazmowski, en door den bekwamen, ondanks zgne jeug-
dige jaren met eenen scherpen, bezadigden blik toegerusten
Simon Turnowski. ^) Het meerendeel der aanwezigen
bestond uit leden der kerk van Elein-Polen, in wier handen
ook de leiding der vergadering berustte. Wereldlijke direc-
1) Aan hem hebben w^ eene boeiende beschrijving van de vergaderingen te
Sendomir te danken, die ons, in weerwil van den bescheiden vorm, de bijkans
overwegende beteekenis van den jongen man doet kennen. (Verg. Fischer,
I, 258—286.)
630
toren der Synode waren de oom van onzen Laski, Stanis-
laus Myszkowski, palatijn van Krakau, voorts de pala-
tijn van Sendomir, Peter Sborowski, en Stanislaus
Karminski; kerkelijke voorzitters waren de senior Paul
Gilowski en Andreas Prazmo wski. De afgevaardigden
van Klein-Polen deden het voorstel, dat men de Helvetische
confessie, welke in 1566 door Bullinger in het licht was
gegeven, en die reeds zoo spoedig in nagenoeg alle hervormde
landen en sedert een jaar ook in Klein-Polen ingang had
gevonden, als belijdenisschrift zou aannemen. Het scheelde
weinig, of op den grondslag van dit symbolisch geschrift zou
eene vereeniging zijn tot stand gekomen. Prazmowski ver-
klaarde zich voor de aanneming van de genoemde confessie,
en ook Turnowski achtte haar vollediger en duidelijker dan
die der Broedergemeente; daar de zijnen echter bij hunne
belijdenis wenschten te volharden, zoo verklaarde hij zich tegen
eene verplichte aanneming van de Helvetische. Gliczner
drong er niet op aan, dat men de Augsburgsche geloofsbe-
lijdenis tot algemeenen grondslag zou maken. Zijn voorslag,
om tegen de vergadering, die een paar weken later te War-
schau zoude plaats hebben, een gemeenschappelijk Poolsch
belijdenisschrift op te stellen, werd aangenomen. Van dit plan
kwam echter niet, en dat is ook niet te betreuren. Daaren-
tegen besloot men, thans niet uiteen te gaan zonder een
„vergelijk" te hebben aangenomen. Met de ontwerping
daarvan werden Christoph Trecius, leeraar der her-
vormde gemeente te Erakau, en Thenandus belast *).
Reeds des anderen daags kweten beide mannen zich van
hunne opdracht, en met slechts geringe wijzigingen werd
hunne formule van vereeniging aangenomen.
Wel mogen wij de beroemde vereenigingsformule van Sen-
1) Trecias was een zeer belangrijke, degelijke kracht, die bepaaldelijk ook
met betrekking tot het schoolwezen hooge verdiensten bezat (verg. Wengierski,
p. 129). Erbkam (bij Herzog, XXT, 41) noemt Thenandus „een niet verder
bekenden man." Wij hebben hem echter reeds onder den naam van Johannes
Gallas als medearbeider bij de vertolking van den Bijbel ontmoet. (Verg. hier-
boven, biz. 601.)
631
domir de laat gerijpte vrucht van La ski's arbeid noemen;
uit haren inhoud treden ons de schoone trekken des geestes
van onzen vriend nog eenmaal voor de ziel. De eerwaardige
Jablonski is te recht van gevoelen, dat het verdrag van
Sendomir de onvoorwaardelijkste instemming en de meest
mogelijke ondersteuning van Laski zou hebben verkregen. ^)
Het verdrag staat in dien tijd op eene even eenzame hoogte,
als Laski zelf met zijn edel streven. Te midden van den
heetsten strijd over de Avondmaalsleer , welke overal elders
blaakte, wordt hier, in dezen afgelegen uithoek van Polen,
de groothartige belijdenis vernomen, dat de drie kerkgenoot-
schappen in hunne eensluidende leer aangaande God en de
heilige Drieëenheid, aangaande de mensch wording van den
Zoon van God en onze rechtvaardigmaking en andere voor-
name stukken van ons geloof den heiligen bodem bezitten, op
welken het alleszins mogelijk is, zich onderling in den geest
te vereenigen. Wat de Avondmaalsleer betreft, zijn het bij-
kans de eigene woorden van Laski, met welke het gemeen-
schappelijke in de leer nadrukkelijk op den voorgrond geplaatst
wordt , met een beroep in het bijzonder op de formuleering,
in welke zij door Melanchthon, uit naam van de Saksische
kerken, als gemeenschappelijk bezit der Evangelischen aan den
vooravond van de vernieuwde uitbarsting van den Sacraments-
strijd, in 1551, bij het concilie van Trente werd ingezonden:
„Opdat nu," — zóó luidt het aan 't einde, ^) — „deze onze
broederlijke vereeniging in waarheid zegenrijk en steeds
onverbrekelijk zij, daartoe zenden wij onze vurige gebeden
opwaarts tot God den Vader, den oorsprong en de rijke bron
van allen troost en vrede, dewelke ons en onze gemeenten
uit de diepe duisternis van het pausdom getrokken, en ons
het zuivere licht zijns Woords, het heilige licht zijner waar-
heid geschonken heeft, dat Hij onzen heiligen vrede, onze
eensgezindheid, ons verbond moge zegenen, tot eer van zijnen
naam en tot stichting der Kerk. Amen."
1) Jablonski, p. 37.
-) Volgens de overzetting b\j Nitzsch (S. 74), den erfgenaam van den
geest van bet verdrag in de negentiende eeuw.
632
De verdere geschiedenis van dit werk des vredes te ver-
halen, ligt buiten ons bestek. Wij hebben het vergelijk van
Sendomir slechts vermeld als eene schoone hulde, aan de
nagedachtenis van onzen ontslapenen vriend, den geestelijken
vader daarvan, gebracht, mede een werk, dat den getrouwen
arbeider navolgt in de rust, die daar overblijft voor het volk
van God.
REGISTER VAN PERSOONSNAMEN.
Achilinus, Alexander, 80 yg.
Achilles de Grassis, 82.
Adriaan, paus, 104, 209, 357.
Aepinns, prediker, 854, 508.
Agricola, Eudolf, 209.
Alberus, Erasmus, 609 ygg. , 612.
Albrecht van Mainz, 210 yg.
Albrecht van Mansfeld, 332.
Albrecht [Johan Albert] vanMecklen-
burg, 411 vgg., 419, 495.
Albrecht [Albert] vau Pruisen, 58,
275, 291, 291 vg., 341 vgg., 344,
355, 411, 570, 584, 606.
Aldus, boekdrukker, 43, 145.
Alexander VI, 63.
Ambrogins, Theseus, 79.
Amerbach, boekdrukker, 119.
„ professor, 132 vg., 142,
146, 150, 180, 185.
Amsdorf, Nicolaus, 324.
Anna Boleyn, 357, 478.
Anna, gravin, 231, 252 vg., 293,
499, 615.
Antonius, Peter, 677.
Aportanus, prediker, 233, 236 yg.,
278.
Aretino, 121, 145.
Ariosto, 65.
Aristoteles, 48, 80 vg.
Augusta, Broeder-senior, 668.
Angustinus, 183.
Averroës, 80.
Barbara, koningin, 57.
Barlow, bisschop, 477.
Bartholomeüs van Florence, 40.
Bayle, 124.
Beatus Ehenanus, 82, 134, 136 yg.
Bembo, Pietro, 62, 185.
Bentivoglio, 75.
Bemard, prediker, 622.
Bernhard v. Lublin, 36.
Berquin, 114.
Beyarts, Jan ,221.
Beyer, Hartmann, 524 vg., 531 vg.
Beza, Theodorus, 572, 696.
Bileck, prediker, 568.
Biesdijk, 269.
634
REGISTER YAN PERSOONSNAMEN.
filandrata, George, 568.
Boccaccio, 17, 65, 121.
Bohun, Edward, 426.
„ Humphrey, 381, 425.
Boleslaw, hertog, 11.
Booa, koningin, 6, 157, 168, 191,
557, 562, 616.
Bonar, Jan, 580.
Bonner, bisschop, 470, 476.
Botzemius, 110.
Bramius, prediker, 254.
Branicskj, Johannes, 42, 66, 69
vg., 72 vg., 82.
Brenz, Johannes, 542 vgg., 546,
584 vgg., 609.
Briqonnet, bisschop, 112, 114 yg.
Brommen, Klaus, 523.
Brudzewo, Aibert v., 49, 54.
Bucer(u8), Martinus, 185,193,205,
242, 292, 316, 323, 364,368,
396, 402 vg., 407, 475, 512,
523, 568.
Bagenhagen, Johannes, 486.
Bullinger, Hendricus, 196, 206,
292, 317 vg., 395, 400, 407,
421, 469, 596, 630.
Burcher, John, 477.
Buren, graaf van, 525.
Buscoducensis , Nicolaus, 353,518.
Callimachus, 54 vg.
Calvijn, 108, 115, 183, 207, 241,
257, 280, 296, 300, 307, 373 vg.,
395, 421, 507 vg., 519 vg., 527
vg., 532, 534, 538 vg^,, 542 vg.,
547 vg., 558, 566 vgg., 572, 596,
611 vg.
Caraffa, 573.
Casalenus, Chrysostomus , 78.
Casimbrotus, 142, 145.
Cassander, George, 217.
9»
)>
Cecü, William, 375, 386,408,418.
Celtes, Koenraad, 54 vg.
Cheque, John, 375, 408.
Christiaan lil, 485, 487 vgg.
Christoffel van Eusum, 502.
Christoffel van Oldenburg, 253 vg.,
323, 326, 332, 835, 342.
Christoffel van Wurtemberg, 541 vg.,
586.
Chrysostomus, 289.
Ciolek, Erasmus, bisschop, 9, 97.
„ Stanislaus, bisschop, 17 vg.
Cirksena, Edzard, 230.
Enna, 230.
ülrich, 230.
Clemens V, 79.
Clemens Vn, 35, 187, 357 vg., 584.
Cnipius, schooUeeraar, 521.
Cochlaeus, Johannes, 76, 81 vg., 85.
Commendoni, nuntius, 627.
Contarini, 242.
Cook, Anthony, 375.
Coverdale, bisschop, 471.
Cox, Dr., 529.
Cranmer, Thomas, 360 vgg., 364 vg.,
370 vgg., 376, 379, 395 vg., 406
vgg., 415 vg., 421 vg., 470, 475,
508.
Crovicki, Martinus, 595.
Cruciger, Felix, 581, 594 vg., 598,
615, 624.
Cyprianus, wijbisschop, 592.
Czerny, 570.
Czibak, 167.
Damalewicz, 28 vg.
Dan te, 65.
Dathenus, prediker, 529.
Deloenus, prediker, 468, 473, 482,
498, 518.
Dlugosz, 53.
KEGISTSB VAN PER800NSMAMKK.
685
Dorner, 183.
Drohojofskiy bisschop, 571.
Dryander (zie onder Enzinas).
Drzewicki, aartsbisschop, 32, 190 yg.
Dabrawka, hertogin, 1].
Dans Scotns, 48 yg., 80.
Eduard IV, 357.
Eduard VI, 361, 383, 469, 478,
480, 486, 504, 538, 575.
Edzard, graaf, 231, 238 yg., 278,
293.
Egnatius, 141, 145.
Elisabeth, koningin, 405, 408 yg.,
478, 488, 627.
Elter, Margareta, 468.
Emmius, Ubbo, 238, 285, 338, 513.
Enno II, graaf, 231, 237 yg-, 252,
278.
Entfelder, 291, 344.
Enzinas, Francisco de, 216 yg., 220,
224 yg., 368 yg.
Erasmus, 73, 79, 105 ygg., 116,
120 ygg., 125 ygg., 133, 140 ygg.,
150 yg., 154, 179, 182 ygg., 202,
210, 215, 521.
Erbach, graaf, 542.
Erich yan Brunswijk, 332.
Eschen, Johan yon, 371.
Faber Stapulensis [Fabre d'Etaples],
112 ygg., [Lefèyre] 182.
Fagius, 368.
Falcoyius, Johannes, 618.
Farel, Wülem, 107 ygg., 134, 182,
207.
Famese, kardinaal, 325.
Pier Luigi, 336.
Ferdinand van Bohème, 568.
„ yan Oostenrijk, 160, 163,
165 yg., 248 yg., 586.
Ficinus, 81.
Flacius niyricus, 506, 538, 545,
584.
Florio, Michaël Angelo, 382, 467 vg.
Frangipani, aartsbisschop, 163.
Frans I, 83, 110 vg., 116, 143,
160 yg., 163,168,204,249,857.
Fredericus, Hieronymus, 552.
Fremaat, prediker, 285.
Froben(ius), boekdrukker, 43, 119
yg., 122, 126.
Fryth, 359.
Fngger, bankier, 86, 133.
Funk, ho^rediker, 345, 570, 607.
Fürst, Vito yon, 45.
Fürstenberg, 523.
Füss, geheimschrijyer, 413 ygg., 418
Gallicus, Alexander, 44.
Gallus, Johannes (zie onder Thenan-
dus).
óallus , Petrus (zie onder Statorius).
Gardiner, bisschop, 476.
Gastoldt, Barbara, 557.
Gellins Faber, 512.
Gilowski, Paul, 629.
Giorgone, 145.
Glareanus, Henricus, 134, 188 Tg.,
Glauburg, Adolf, 523.
Gliczner, prediker, 628 ygg.
Gnaphens, Willem, 344.
Gnojewski, Christoph, 595.
Gonesius, Peter, 617.
Gonzaga, Ferrante, 836.
Goodrick, bisschop, 405.
Gorka, Andreas, 569, 581.
„ Lukas, 95.
Gosomus yan Halen, 209.
Grand, Augnsünus Le, 589.
Granyella, 242.
686
REOISTEB YAN FERSfOONSNAMEN.
Gregorius YII, 233.
Grimani, doge, 146.
Grimm, Jacob, 229.
Grindal, aartsbisschop, 488.
Gritti, Andreas, doge, 146.
„ gezant, 167.
Groot, Gerhard, 218.
Gnasto, marchese, 249.
Gültlingen, Von, 544.
Hadrianus, boekhandelaar, 208.
Hadrianas YI (zie onder Adiiaan).
Haller, boekdrukker, 42 vg., 45.
Hans, markgraaf van Brandenburg,
418.
Harboe, bisschop, 487.
Hardenberg, Albert, 209, 212 vg.,
216. 224, 226 vg., 238, 243 vgg.,
251, 291, 314, 324 vg., 335,
883, 512 vg., 516 vg., 521, 552.
Hasilina von Ezytonicz, 55.
Hedwig, koningin, 5.
Heideck, Hans von, 412.
Hendrik H van Frankrijk, 414.
Hendrik Vm van Engeland, 163,
342, 367 vgg., 361, 371, 381,
400.
Hendrik van Valois, 627.
Herberstein, Sigismnnd von, 188.
Hertford, graaf, 362.
Heshusius, Tilemann, 519, 538.
Hess, Johannes, 181, 184.
Hofmann, Melchior, 271, 274.
Holbein, 120, 132.
Holzhausen, 523.
Hooper, bisschop, 386, 400 vgg.,
409, 470 vgg., 475, 527.
Hosius, bisschop, 181, 509, 562,
572 vg., 610 vgg., 613 vgg., 628.
Hubmaier, 155.
Hus, Johannes, 19, 568.
Hutten, ülrich von, 84 vg., 125,
210, 523.
Jablonski, Ernst, 630.
Ibrahim pacha, 164, 167.
Johan, graaf, 253, 256 vg., 261
vgg.
Johan van Brandenburg, 341.
Johannes Glogoviensis , 43 vg., 48.
Johannes Dantiscus, 144.
Jordaan, priester, 11.
Joris, David, 287, 267 vgg., 270, 379.
Isbinski, bisschop, 569.
Israël, George, 570, 581.
Julius II, 57, 59, 63.
Julius III, 573.
Karel de Groote, 230.
Karel V, 104 vg., 161 vg., 203
vg., 214, 226, 247, 253, 325 vg.,
332 vg., 345, 357, 410, 518,
573.
Karel van Gelder, 278.
Karel Martel, 232.
Karlstadt, Andreas, 237, 290,524.
Karminski, Stanislaus, 629.
Kasimir de Groote, 15, 39, 52.
Katharina van Arragon, 357, 469.
Katharina van Polen, 585.
Knade, Jakob, 94.
Knox, John, 307, 537 vg.
Korytkowski, 32, 59.
Koscielecka, Anna, 103.
Koscieleczky , bisschop, 92.
Krzycki, bisschop, 100, 140 vg.,
150, 162, 172.
Krzynousty, Boleslaw, 29.
Kuchenmeister, Johannes, 45.
Kuyper, Abraham, 388, 512.
Laskaris, Johannes, 63.
KEGI8TER VAN FEB800N8NAMEN.
687
>»
})
)}
»
>9
»
»>
}>
»
Laski, Albert, 30.
Albert, 626 vg.
Andreas, 80, 84.
Barbara, 810, 598.
Hieronymus, 88, 42, 59,78,
103 vgg., 106, 110, 140, 162 vgg.,
165 vgg., 168 vg., 172, 187 vg.,
213, 247 vgg., 250 vg., 848, 627.
Laski, Hieronymus, 811.
Jaroslaw, 81.
Indelbertus, 28.
Johaones („de Kleine"), 29.
Johannes, 80.
Johannes, aartsbisschop, 27,
84 vg., 86 vgg., 49 vgg., 58 vg.,
66 vg., 92, 96 vg., 108, 187 vg.
Laski, Johannes, 311.
Lndovica, 810.
Martin as, 627.
Michaël, 81.
Paulus, 310 vg.
Robert, 29.
Samucl, 500, 626.
Stanislans, 38, 49, 59, 69,
88, 143, 188, 885.
Lassocki, Stanislans, 595.
Latimer, Hugh, 875, 400, 470,
477.
Latomus, 216.
Lauterwald, professor, 346.
Lelewel, 4.
Lemsias, prediker, 301, 306, 848,
511.
Lenthius, Herman, 803, 352.
Leo X, 61 vg., 68, 78, 88, 90 vg.
Leonardo Loredano, doge, 60.
Leszcynski, Rafaël, 571, 607.
Lippomani, Aloysius, 560, 574, 581
vg., 611, 616.
Lismanini, biechtvader, 558, 562,
615, 620.
Liudger, 232.
Logschau, 165.
Lodewijk van Hongarije, 160.
Lnkas, Broeder-senior, 568.
Lupsetus,, 141.
Luther, 47, 62, 65, 106, 123 vg.,
187, 141, 164, 182 vgg., 198 vg.,
204 vg., 218, 288, 235, 272, 275
vg., 288, 801, 817 vg., 395 vg.,
505 vgg., 508, 522 vgg., 559,
568, 597, 612.
Lutomirski, 598, 615.
Macbrey, 526.
Madmcci, kardinaal, 386.
Maltzan, .Toacbim, 411, 419.
Mansfeld, graaf Yolrad v., 889, 842,
876, 410, 412.
Marbach, Johannes, 542.
Marcellas, 573.
Margareta van Oostenrijk, 120.
Margareta van Valois, 112, 144 vgg.,
144.
Maria van Engeland, 858, 469, 472,
474, 476, 478, 482, 486, 526.
Maria van Hongarije, 213.
Martyr (zie onder Vermigli).
Matthias, arts, 69.
Matthijsen, Jan, 271.
Manrits, keurvorst, 881 vg., 835,
418, 419 vg.
Maximüiaan II, 253, 610.
Medmann, burgemeester, 515.
Melanchthon, 185, 205, 241 vg.,
245, 250, 275 vg., 292, 819 vg.,
823 vg., 834 vg., 837, 866, 421,
506 vgg., 513 vg., 528, 584 vg.,
548 vg., 572, 588, 607, 612, 681.
Meiander, prediker, 522.
Menno Symons, 272 vgg., 276.
Merle d'Aubigné, 152.
638
REGISTER VAN PKRSOONSNAMBN.
Metsys, Katharina, 221.
Micbel Aogelo, 64.
Micronius, prediker, 297,486,491,
496, 498, 511, 529.
Micyllus, rector, 521.
Miecyslaw, vorst, 11.
Modestus, professor, 76.
Modrzewski, Frisius, 192 vgg,, 563,
571, 595, 614.
Molanas, rector, 516.
Morgenstern, prediker, 628.
Morison, Sir, 876.
Mörlin, prediker, 347.
Münzer, Thomas, 155.
Muley Hassan, 836.
Musurns, Markus, 63.
Myconius, prediker, 508.
Myszkowski, Stanislaus, 581, 590,
629.
Nesen, schoolleeraar, 521.
Neufville, De, 528.
Niebuhr, 139.
Niclaes, Hendrik, 237.
Nitzsch, Karl Immanuel, 74, 631.
Noviomagns, hofprediker, 487 vg.
Ochino, Bernhardino, 368, 868.
Oecolampadias, Johannes, 108, 134,
136, 154, 207, 523.
Ofesmtoki, Nieolaas, 595, 602, 622.
Oporinus, boekdrukker, 119.
Orsatius, Gregorius, 601 vg., 625.
Osiander, Andreas, 823, 843, 345
vg., 860.
Ostrorog, 20, 58, 61, 67 vg., 570,
581, 587, 594, 607.
Otto van Brunswijk, 341.
Otto de Groote, 11.
Otto Hendrik, paltsgraaf, 825, 337,
542, 586.
Ousberghen, Josse van, 221.
Padnowski, vice- kanselier, 615.
Paget, lord, 418.
Palladius, superintendent, 492.
Paulus II. 54.
Paulus III, 332, 336, 358.
Paulus IV, 573, 583.
Paulus, GregoriuB, 615.
Pauvant, 114.
Pellicanns, Conradus, 134 vgg., 154,
207.
Petrarca, 45, 65.
Petre, geheim schrijver, 418.
Philipowski, Johannes, 595.
Philips van Spanje, 838, 477 vg.
Philip, landgraaf, 548 vg.
Piekarski, Hieronymus, 618.
Pirkheimer, Wilibald, 76.
Plato, 64, 80.
Platter, Thomas, 118 vg.
Plieningen, Von, 544.
Polentz, George von, 844.
Pomponazzo, Pietro, 62, 78, 81.
Poulain (Polandus), Valerand, 369,
378, 525 vg., 535 vgg., 539.
Prasnicius, Lorenzo, 341, 558, 594.
Prazmowski, senior, 629 vg.
Probst, Jakob, 508.
Procopius, 567.
Przerembsky, bisschop, 590.
Pszonka, edelman, 566.
Queis, Erhard von, 344.
Badbod, koning, 232.
Eadziwil, Johannes, 69.
„ („de Zwalkte"), 557 vg. ,
561, 566, 578, 582, 586, 591
vgg., 602, 604, 618.
Eadziwil, Stanislaus, 69 vg.
BEGISTEB TAN PBRSOONSNAMSN.
689
Eafaël, 64.
Eambiewski, Martinus-, 60, 86.
Eanke, Leopold, 160^ 241, 476,
573.
Eeekamp, Johannes, 227.
Eese, Hendrik, 236, 301.
Beublin, 155.
Eeuchlin, Johannes, 212.
Ridley, bisschop, 372, 386, 401,
405, 409, 470, 475 vg., 527.
Bin^on, gezant, 165, 249.
Ritter, prediker, 532.
Biverius, prediker, 473 [Pernzel,
518, 520, 529].
Bobinson, John, 466.
Bosmers, Antoinette van, 220, 224.
Gudnla van, 220, 225.
Bovere, Paul van, 223.
Sadoletus, Jacobus, 185.
Safraniec, Stanislaus, 617.
Sainte Beave, 124.
Sarnitzki, Stanislaus, 615, 624.
Savigny, Vou, 75.
Sbigneus, bisschop, 17, 20, 53, 192.
Sborowski, Peter, 629.
Schartliu, 331.
Schats, Jan, 221.
Seymour, Jane, 361.
Sigismund, August, 841, 343,410,
557, 574, 582, 590 vgg., 616, 628.
Sigismund 1, 6 vg., 57 vg., 95 vg.,
161 vg., 165, 167, 174, 194 vg.,
556.
Sigismund III, 626.
Sickingen, Frans von, 523.
Simon van Krakau, 36.
Slywnicki, Matthias, 70.
Sozini, Lelio, 563.
Soliman, sultan, 158 vg., 163 vg.,
166, 204, 248 vg.
Somerset, hertog van, 342, 362.
Sommerfeld, Johannes, 43.
Speratus, Paulus, 344 vg.
Stadnicki, Stanislaus, 594 vg.
Stallburg, 523.
Stancarus, Frans, 563, 595 vg.,
617 vgg., 620.
Staphileus, Johannes, 57.
Staphilus, 347.
Statorius, Petrus („Tonvillanus") ,
601 , 624.
Stobnicensis , Johannes, 48.
Strigel, Victorinus, 506.
Struthius, Joseph, 49.
Sturm, Johannes, 185.
Suffolk, Mary [en Katharina] van,
477.
Suzanna von Bakowa Gora, 31.
Sylvius, Aeneas, 53, 118.
„ Jacobus, 623.
Syssinge, Geertruid, 246 vg.
Tarnowski [Tarnow], 163,169,667,
611, 615.
Theda, gravin, 230.
Thenandus, Johannes, 601, 630.
Thomas a Kempis, 219.
Timann, prediker, 353, 491, 675 vg.,
584, 609, 613.
Titiaan, 145.
Tomiczki, Peter, bisschop, 95, 99,
162.
Tonstall, bisschop, 141.
Trecias, Christoph, 630.
Tresham, 376.
Turner, lijfarts, 365, 376.
Tumowski, Simon, 629 vg.
Tyndale, 359, 878.
Uchanski, aartsbisschop, 668, 671.
Ukena, Foko, 230.
vW
R1QI8TER VAN PERSOONSNAMEN.
^%N^v^^^ JMiMmnos, 142, 296, 369,
ï|^.\ 4s<*x 4v^6 Tg., 491, 499, 548,
^Vwnïfc^^v. K«rol. 142, 369.
V'W^'K^W» bisschop, 136.
\|V<I ^Uv^. 40.
YiWf^nu», Petrus Paulns, 684 ygg.,
*5^T, Ö09 vgg.
Y^nuigU, Petrus Martyr, 363, 865,
n$, 376, 385, 402, 405, 409,
ft42.
Vlt<^rbo, Egidias ▼., 58.
Vogel, domprediker, 607.
VoUaire, 124.
Warwick, Earl of, 417.
Waaeililj, grootvorst, 68.
Wengius, paedagoog, 311.
Westen, Frederik ter, 339, 514.
Westerburg, 524.
Wessel, Johannes, 209.
Westphal(us), prediker, 181, 354,496
vgg., 508 vgg., 519, 581 vgg.,
584, 575, 584, 609 vg., 612 vg.
Whitgift, bisschop, 488.
Whlttingham , 526.
Wied, Herman von, 822 vgg., 343,
595.
Wilhelm van Hessen, 413.
Willehad, 232.
Winfried, 282.
Witold, grootvorst, 19.
Wladislaw Jagiëllo, 5, 16 vg., 20, 52.
Wojewodka, boekhandelaar, 563, 602.
Wolski, Nicolaus, 67 vgg., 91.
Wolsey, Thomas, 357, 360, 415.
Wycliffe, 359.
Ximenez, kardinaal, 79, 122.
Zacins, Simon , 618.
Zanchius, 479.
Zapolya, Johannes, 160, 162 vg.,
165 vgg., 167 ^gg., 169, 247 vg.
Zapolya, Stephanus, 57.
Zasius, 150.
Zbigneus (zie onder Sbigneus).
Zebrzydowski , bisschop, 563.
Zemblack, metropolitaan , 16.
Zemen, Achatius von, 342.
Zezschwitz, Gerhard von, 597.
Zinzendorf, graaf, 120.
Ziska, 567.
Zwingli, 181, 133, 137 vg., 151,
153 vg., 204, 207, 209, 222, 280,
290, 395, 400, 507, 524.
VERBETERINGEN EN TOEVOEGSELS.
Bladx. 8 en 18, reg. 1 v. o., en op nog een paar andere plaatsen in den be-
ginne, waar naar een Lat. geschrift verwezen wordt, staat: S. , lees: p.
Bladz. 9, reg. l v. o., en bl. 54, reg. 6 v. o. staat I Zeissberg,
lees Z e i s sb e r g (I)
„ 70 , reg. 2 , 5 , 8 , 14 v. b. staat : S 1 ij w n i o k i , lees : S 1 y w n i c k i
13 V. o. staat: werden; lees: werden,
trotsche „ trotschen
aan « D<^r
Geneveeschen, lees: Geneefschen
betwijfeld „ betwijfelt
voordeel en „ voordeelen
sinds dien tijd, welke, lees: welke, sinds dien tijd,
ook, lees: ook
beider ,. beide
voren „ voren ,
verloren „ verloren ,
merbare „ merkbare
P a d n o w s i , lees : Padnowski
gegaan verder, ,. verder gegaan
te snoeren, „ snoeren,
zoozeor, „ zoozeer
S9,
M
13 V. 0.
« 143,
w
10 V. b.
„ 190.
M
2 V. 0.
« 257.
»
11 V. 0.
,. 335 .
M
17 V. 0.
.. 361 .
»>
15 V. 0.
„ 391 .
tt
17 V. b.
.. 451 ,
n
19 V. 0.
„ 485 .
»
13 V. 0.
„ 518.
*>
2 V. b.
„ 549,
»»
8 V. 0.
„ 603 .
i>
12 V. b.
,, 615,
tt
4 V. b.
„ 617,
*»
19 V. 0
„ 625 ,
>y
15 ▼. b.
„ 630.
n
18 V. b.
M
»»
Volgens de schriftelijke mededeeling van den Heer M. J. Evans, B. A. .
in North-Wales , den vertolker van Dalton's geschrift in het Engelsch , aan
wien ik, behalve de opgave in Noot ^) op bladz. 477 (zie aldaar), ook de aan-
vulling en verbetering in de Aanteekening op bladz. 378 te danken heb. is
het niet Hieronymus. maar Johannes a Lasco, die door Melanch-
thon met de op bladz. 250, Aant. 2, genoemde woorden wordt beschreven,
en wel in eenen brief, dd. 9 Sept. *155l. te vinden in: „E pp. Ph. Melanch-
t bon is", Lugd. Batav., 1647. pp. 321-323.
Ook Dr. F. Pij per, in zijne hierlx>ven op bladz. 369 genoemde. dicserUtie.
over Jan Utenhove (1883), geeft ons nog een en ander ter aanvulling van
bet door Daltoji geschevene.
Op bladz. 49 dier dissertatie gewaagt de schrijver van de ontmoeting tus-
schen Utenhove en a Lat» co te Straatsburg, alwaar deze beiden de recensie
van den „Consensus Tigurinus", die door Calvijïi aan Utenhove was toe-
gezonden, met elkander hebben overwogen, welk bezoek van a Lasco aan
Straatsburg, gelijk genoemde auteur opmerkt, door Dalton (S. 333, verg.
hierboven, blz. 376 77) met stilzwijgen wordt voorbijgegaan.
Op bladz. 519 dezer vertaling heeft betrekking hetgeen men leest op blz. 116
van bedoelde dissertatie, nl. dat er al sedert verscheidene jaren eene dergelijke
cercmoniëele kwestie te Wezel geweest was, en dat Calvijn, met betrekking
daartoe genoegzaam ingelicht, reeds in Dec. 154-5 door Polandns, die zich
tot bijlegging van dien twist derwaarts begeven wilde, schriftelijk naar zijn
gevoelen dienaangaande gevraagd was.
Op bladz. 602 onzer vertaling beeft betrekking hetgeen wij vinden op blz.
135 vg. van genoemd proefschrift, dat nl., blijkens de correspondentie tussehen
Utenhove en Wingius, ook Johannes a Lasco zeer zeker, en wel
rechtstreeks aan de overzetting van de H. Schrift in de Poolsche taal heeft
medegewerkt.
Op bladz. 158 vg. van genoemd geschrift vinden wg vermeld, dat op de
synode te Wlodzislaw , in Sept. 1 558 , tevens „met algemeene stemmen werd
besloten, geene tienden meer te betalen aan de Papisten tot voeding van
hunne €iiu:/.CfX,xylx en goddeloosheid , daar men dit met een goed geweten
niet meer doen kon'*, welk feit, door Dalton (vergel. hierboven, bladz. 6Ü4)
niet aitdrnkkelijk vermeld, volgens de beschouwing van Dr. Pijper diens
„optimistische voorstelling van de eerlijkheid der Poolsche Protestanten" wel
een weinig „verduistert."
JAM 2 5 1921 Vert.
UNIVERSITY OF MICHIGAN
llliiiH
3 9015 06236 2952
15 E R I C H T,
DIT WEBK IS ÜITGEUEVEN
^obgcfeerbe ^iBfiotöceft
OSPnt BKDïCTIF YaV
Prol Dl. J. I. DOEDES.
Prij» prr jnari/onii van 50 vrtirm i/rtik» f 6.-
tiixtmfcl b^ Kknink «c Zoon. te Ulrwchl.